Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Excursus XX. Cultuurkritiek. De sociale ontwerpen van plato en skin­ner. De Politeia Walden Twee

Dovnload 235.12 Kb.

Excursus XX. Cultuurkritiek. De sociale ontwerpen van plato en skin­ner. De Politeia Walden Twee



Pagina1/4
Datum21.03.2019
Grootte235.12 Kb.

Dovnload 235.12 Kb.
  1   2   3   4





EXCURSUS XX. CULTUURKRITIEK. DE SOCIALE ONTWERPEN VAN PLATO EN SKIN­NER.

De Politeia - Walden Twee



0. INLEIDING
In de geschiedenis van de westerse filosofie is vele malen een poging gedaan een sociale blauwdruk te schrijven. Vanuit de visie die de auteur heeft op de mens en op zijn plaats binnen groep, natuur en kosmos geeft hij zijn denkbeel­den over een ideale samen-leving. Deze gaat gepaard met stevige kritiek op de bestaande cultuur ( 3). In deze excursus Plato's dialoog Politeia en Skin­ners roman Walden Twee, de eerste geschreven vanuit een idealisti­sche, de twee­de vanuit een positivis­tisch-behavio­ristische kijk op de mens.

1. DE POLITEIA
1.1. Een discussie over rechtvaardigheid
Plato's Politeia begint met een kort maar boeiend gesprek tussen Socrates en Cefalos over de ouder-dom. Vervolgens komt het binnen een grotere groep tot een discussie over het begrip rechtvaardig­heid. Pole­marchos verdedigt de traditionele opvatting van rechtvaardig­heid als 'ieder het zijne geven', maar deze stellingname wordt gemakkelijk door Socrates weerlegd.

Dan dringt de sofist Thrasymachos zich naar voren en stelt tegenover Socrates' onnozel gebabbel en over­dreven spitsvondigheden de eenvoud van het recht van de sterkste. In de discussie die daarop volgt maakt hij het Socrates wel erg ge­makke­lijk door te stellen dat onrecht­vaardigheid wèl een deugd ('arete') is, maar recht­vaardig­heid niet. Hij wordt nu op sim­pele wijze de prooi van Socrates' logica, met als centrale these: on­recht­vaar­digheid houdt geen sterkte in en brengt geen voordeel. Thra­syma­chos af.

Terecht merkt Glauco vervolgens op dat Thrasymachos zich veel te snel gewonnen heeft gegeven. Hij verdedigt, met steun van Adiman­tos, de stelling dat het rechtvaardige in het algemeen niet wordt gedaan om de rechtvaar­digheid zelf, maar om het voordeel dat zij brengt.
1.1.1. Polemarchos: -Rechtvaardigheid houdt in dat men ieder het zijne geeft, vrienden het goede, vijanden het kwade.
Socrates in zijn bestrijding: de rechtvaardige zal nooit iemand schade aandoen, vijand noch vriend.
1.1.2. Thrasymachos: -Rechtvaardig is dat wat van belang, van nut is voor de sterkste, aan hem moet de zwakkere gehoorzamen.

-Heersers zijn op eigen voordeel uit, niet op dat van de medemens.

-Iemand die rechtvaardig is volgens de wet blijft achter bij de onrechtvaardige, die de wetten van de groep weerstreeft.

-Onrecht heeft een slechte naam, niet omdat mensen het niet zouden wensen te doen, maar omdat zij bang zij dat ze het zullen ondergaan.


1.1.3. Glauco/Adimantos: -Volgens de publieke opinie is onrecht doen zonder straf op te lopen iets goeds, maar onrecht ondergaan zonder zich te wreken iets kwaads. Rechtvaardigheid is een term die wordt gebruikt door hen die te zwak zijn om onrechtvaardig te zijn en die via afspraken hebben bepaald wat rechtvaardig is om zo het ondergaan van onrecht te ontlopen.

-Alleen angst houdt mensen van onrecht af.

-Onrechtvaardigheid is in het persoonlijk leven gemakkelijk en voordelig, rechtvaardigheid onaan- genaam en lastig.

-Rechtvaardigheid wordt mensen van jongs af ingeprent omdat ze daar binnen de gemeenschap voordeel van hebben, niet omdat rechtvaardigheid goed is in zichzelf.


De discussie verloopt stroef en onbevredigend1, totdat Socrates, in het tweede boek, het heft weer in handen neemt en een geheel nieuwe defini­tie poneert. Rechtvaardigheid ('dikaiosunè') gaat niet mensen alleen persoonlijk aan, zij is ook een zaak van de gemeenschap, de po­lis. Om gelukkig te worden moeten de leden zo worden opgevoed dat zij, ieder naar hun eigen kwaliteiten, hun eigen taak binnen de gemeen­schap verrichten. En daarmee is de Politeia in de kern samengevat.

1.2. Plato's pessimisme. De rede


(1) Plato's kijk op mens en samenleving is somber. Beide worden voortdurend bedreigd, de mens door zijn driftmatige neigingen, die uitmonden in overdaad en losbandigheid, de staat door machts­wellust en bezitsdrang van eenlingen, van groepen of van het gehele volk. Dit loopt uit op slechte staatsvormen als dictatuur en democratie. Pas als men zich losmaakt van zijn zinnelij­k­heid ('epithumia'), kan men een gemeenschap opbouwen, die rechtvaardig is en waarin mensen geluk­kig leven.
(2) Het pessimisme van Plato heeft een kentheoretische achter­grond en hangt samen met zijn ziens-wijze dat de alledaagse werke­lijk­heid geen vastheid en orde biedt, maar dat zij voortdurend onder­hevig is aan verandering. Dagelijkse kennis geeft enkel me­ning ('doxa') weer en biedt, evenals de natuurwe­tenschap, geen zekerheid. Alleen als je je vertrouwen in de zintuiglijke kennis opzegt en je je via de rede richt op de ware werke­lijk­heid ('ontoos on'), zal je pas echt inzicht krijgen in de aard der dingen.
(3) De waarneembare wereld is een wereld van schijn, zij is een afschaduwing van een hogere, zuiver denkbare wereld. Kennis en wijsheid kunnen in de omliggende wereld niet worden gevonden. Men komt niet verder dan gissen en geloven ('doxa'). Inzicht krijgt men door zijn vermogen tot denken. Mensen bezitten rede. Een eerste stap op de ladder doen we via de wiskunde. Deze brengt algemene waarhe­den tot stand door ze af te leiden uit axioma’s. Maar werkelijke kennis brengt pas de logica ('de dialectiek'). Door vóór en tegen in gesprekken af te wegen en aan de hand van praktische gevallen te bespreken, komen langzamerhand algemene begrippen tot stand, zoals dapperheid, vroomheid en rechtvaardigheid.

En dan plotseling, als in een flits, stuit men op de ware werkelijkheid, op de wereld van de Ideeën. Men ontdekt en doorziet het Goede als een eerste beginsel. Dit heeft zijn fundament in zichzelf en vormt de grondslag van begrippen als gezondheid en rechtvaardigheid. Zelf behoeft het niet uit hypo­thesen te worden afgeleid, men heeft niet, zoals in de wiskunde, zintuiglijk materiaal nodig om het te begrijpen en uit te werken: het is zuiver denkbaar, intelligibel ( 1.8.2. De mythos van de lijn).


(4) Dit uitgangspunt heeft belangrijke consequenties voor de vraag hoe mensen zich binnen hun ge-meen­schap behoren te gedragen: pas als de rede re­geert, kan een samenleving optimaal functioneren.

Plato verde­digt een religieus-speculatief standpunt: er bestaat een innerlij­ke samenhang tussen ziel, gemeenschap en kosmos, die zich open­baart in een structurele overeenkomst tussen mens en staat. De kennis hiervan biedt de mogelijkheid iedereen, naar zijn per­soonlijke kenmerken, een geëigende taak binnen de polis toe te wijzen. De filosofen zullen vol wijsheid heer­sen, de amb­tenaren ('de wachters') geven met wilskracht en geest­drift lei­ding aan het dagelijkse leven, het volk leeft ingeto­gen en zelfbe­heerst.



1.3. Rechtvaardigheid
1.3.1. Persoonlijke rechtvaardigheid
De menselijke ziel heeft drie vormen (functies), ieder met zijn karakteristieke eigenschap:
functies karaktertrek
rede ('noes') wijsheid

wilskracht ('thumos') moed, vastberadenheid

zinnelijkheid ('epithumia') zucht naar genot.
Als de rede en de wilskracht samen de zinnelijkheid beteugelen en haar tot haar eigen gebied terugdrin­gen, leven mensen in even­wicht ('sofrosunè'), in harmonie met zichzelf. Dan pas functio­neert de gehe­le mens, zinnelijk, wilskrachtig en redelijk. Hier ligt zijn arete/deugd en daarmee zijn persoonlij­ke recht­vaar­dig­heid.
Dan moeten we er aan denken dat ook ieder van ons, bij wie elk van de in hem aanwezige functies zijn eigen taak verricht, rechtvaar­dig zal zijn en zijn eigen werk zal doen. ./.

En aldus grootgebracht, en waarlijk geleerd en opgevoed in wat hun eigen taak is, zullen die beide functies (rede en wilskracht) de leiding nemen over de zinne­lijkheid, die in ieder van ons feite­lijk het grootste deel van de ziel vormt en van nature onverzade­lijk en inhalig is. Dat zullen zij in het oog houden, uit vrees dat de zinne-lijkheid, wanneer zij zich beide overleveren aan de zogenaamde lichame­lijke genoegens, groot en sterk zou worden, en haar eigen taak zou verwaarlo­zen, om integendeel te trachten aan de andere een slaven­juk en een heerschap­pij op te leggen, waar zij door haar rang geen recht op heeft, en om gans het leven van het geheel onderste­boven te keren.



1.3.2. Sociale rechtvaardigheid


De gemeenschap kent, in overeenstemming met de functies van de ziel, drie standen, ieder met hun overheersende karaktertrek en gedragswijze:
standen functies karaktertrekken/gedragswijzen
filosofen rede inzicht, wijsheid

wachters wilskracht moed, ambitie

de massa zinnelijkheid zucht naar genot en bezit.
Binnen iedere groep moet een juist evenwicht worden bereikt tus­sen de drie karaktertrekken. Dit geldt vooral voor de massa, waar de zinnelijkheid het van nature wint van rede en wilskracht. Een harmo­nieuze opbouw kan alleen tot stand komen indien onder lei­ding van de rede binnen iede­re stand en binnen de gemeenschap in haar geheel een bestaan wordt nagestreefd van eenvoud en mati­ging.

Sociale rechtvaardigheid heerst er pas als iedere stand zijn eigen plaats weet en met de andere twee in goede verstand­hou­ding samen­werkt.


Plato's omschrijving van rechtvaardigheid als ieder het zijne doen betekent niet dat hij de volle ontplooiing van ieder van de drie functies van de ziel op het oog heeft. Hij eist juist mense­lijke inperking: de zinnelijkheid moet zich stellen onder de leiding van rede en wilskracht ( 1.3.1). Dit geldt ook voor het gebied van de politiek: (eisen tot) inspraak en opstand zijn bij uitstek onrechtvaardig, zij voeren tot chaos ('hubris'). De rechtvaardigheid wordt alleen gediend als het lagere zich schikt onder het hogere.

Dit alles wel met het voorbehoud dat Plato zijn staat ziet als een levend, organisch geheel. Allen werken samen aan het heil van de gemeenschap, waar, on­danks en dank­zij strenge vormen van ge­zag, als in één grote familie, liefde en broederschap heersen.



1.4. De opbouw van de polis (1). De wachters
1.4.1. Taak en leefwijze
(1) De wachters, mannen en vrouwen2 gezamenlijk, worden al jong geselecteerd. Zij ontvangen een zorg­vuldige staatsopvoeding om hen voor te bereiden op hun ver­ant­woordelijke taak binnen de ge-meen­schap. Naar buiten toe moeten zij de polis beschermen tegen gevaren, binnen de groep krijgen zij de opdracht kunst en wetenschap ('de muzische vorming') in stand te houden en zorg te dragen voor een harmonieu­ze ontwikke­ling van de samenleving op sociaal en economisch gebied.
(2) De wachters leven samen in eenvoudige woningen, zij worden onderhouden door de gemeenschap en hebben geen persoonlijke be­zittingen.

Plato bepleit voor de wachters een strenge vorm van commune, alles is gemeenschap­pelijk. Seksuali­teit is niet persoonlijk ge­richt, kinderen leren hun ouders niet kennen en hun opvoeding is een taak voor de groep. Zij worden in crèches grootgebracht.


(3) De visie van Plato op bezit en seksualiteit hangt samen met zijn afwijzing van het lagere, het zinnelijke in de mens. Bezitsdrang is een bedreiging voor iedere gemeenschap, seksualiteit is een natuurlijke neiging, die alleen van belang is voor de voortplanting en losstaat van liefde en genegenheid.

Op de vraag of dit niet betekent dat alles wat het leven plezierig en goed maakt aan de wachters wordt onthouden, antwoordt Plato dat hun werkelijke geluk ligt in de bevordering van het welzijn van de staat.




1.4.2 De opvoeding. Pedagogische censuur
(1) De opvoeding van de wachters richt zich op het aanleren van een leefwijze van eenvoud en zelfbe­heersing. Zij bestaat uit een strenge, lichamelijke training en uit een muzische vorming, met het doel én moed en doorzettingsvermogen, én wijsheid en zacht­moedigheid aan te kweken. Alleen gymnastiek en sport zouden lei­den tot hardheid, alleen een musische scholing tot lafheid en weekheid.
(2) Bij de muzische vorming wordt een weloverwogen censuur toegepast.


En zullen we nu zo lichtzinnig toelaten dat de kinde­ren allerlei fabels te horen krijgen, door de eerste de beste verdichtsel, en dat ze in hun ziel denkbeelden opnemen, meestal in strijd met die waarvan we wensen dat ze ze juist bezitten als ze groot zijn? Nee, dat zullen we volstrekt niet toelaten!3
In de ogen van Plato moeten alle literaire werken worden gebannen die een verkeerd beeld geven van god, ook alle verhalen waaruit een verkeerde voorstel­ling van het hiernamaals of angst voor de dood blijkt of waarin naar voren komt dat onrechtvaardigheid wordt beloond.

Elke bedrijvigheid moet kunstenaars worden ontzegd die er toe zou leiden gemeenheid, teugelloosheid en slaafsheid als voorbeeld te stellen. In de kunst moet het goede karakter in het centrum staan, en de natuur van het schone worden opgespoord.

Het drama4, maar ook de dramatische manier van vertellen, zoals bij Hesiodos en Homerus, moet worden verboden. Zij kunnen in een hoog ontwikkelde gemeen­schap aangenaam zijn voor de hoorders, maar binnen een ideale staat in opbouw werken zij verwarrend op de wachters en leiden hen af van de werkelijkheid5. Zij zijn hedonistisch van aard, slepen mee en maken mensen afhankelijk.

Behandel de bewonderaars van Homerus vriendelijk en hoffelijk, in de overtui­ging dat zij zo superieur zijn als ze maar kunnen; geef hun toe dat Homerus de grootste van alle dichters is en de eerste onder de tragedie­schrijvers, máár ... vergeet niet dat hymnen op de goden en lofzangen op deugdzame mensen de enige vormen zijn van poëzie die wij in onze staat dulden. Laat je ook de lieflijke Muze toe, om 't even of ze zich in lyri­sche of in epische maat uitdrukt, dan zullen genot en smart in je staat als koningen heer­sen, in plaats van de wet en de rede, die toch altijd onder algemene instemming voor de beste hebben gegol­den.


Bij deze en dergelijke verzen zullen we Homerus en de andere dichters vriendelijk verzoe­ken niet boos op ons te worden als we er een streep door halen. Niet alsof ze niet dichter­lijk zijn en voor de massa niet aangenaam ze te horen, maar juist hoe dichterlijker ze zijn, des te minder moeten ze worden gehoord door kinderen en door mannen, die vrij zijn en voor sla­vernij banger dan voor de dood.6
(3) Binnen Plato's nieuwe staat is alleen eenvoudige, strenge muziek toegestaan, klagende en meeslepende vormen worden buitengesloten. In dit verband geeft hij ook voorschriften voor het ritme.

1.5. De opbouw van de polis (2). De heersers
(1) De heersers worden uit de wachters gekozen. Zij ontvangen gedu­rende een lange tijd, naast een aanvul­lende theoretische en prak­tische opleiding, een filosofisch-dialectische vorming. Na deze periode van scholing, waarin zij voortdurend op be­kwaam­heid, inzicht en vorderingen worden getoetst, krijgen zij op latere leeftijd de leiding van de staat in handen.

Hun persoonlijk belang ligt in het diepe genoegen dat de filoso­fie hun schenkt, en in de eer en de waardering, die zij van hun medemensen ontvangen.


(2) Plato keert zich radicaal tegen de opvattingen van de Sofisten, die in zijn tijd grote invloed hebben op het gebied van filosofie en politiek. Filoso­fie is geen haarkloverij op logische grondslag, geen discus­sietechniek of muggen­zifterij, maar zij is dialectiek, de hoogste vorm van wetenschap, de gids naar het rijk van de Ideeën. Bij de Sofisten blijft filosofie aan de oppervlak­te, zij relativeert alles wat van werkelijk belang is, bij Plato voert zij tot de ware werkelijkheid, tot het wezen van de dingen ('ontoos on').

Ook politieke vraagstukken benadert Plato vanuit deze invalshoek. Mensen streven, naar de mening van de Sofisten, naar macht en willen deze ten koste van alles ontplooien. Zo komen heersers aan de regering die alle middelen zullen aanwenden om hun positie te handhaven. Voor Plato zijn heersers geen machthebbers, maar deskundigen, die vanuit kennis en wijsheid, hun beslis­singen nemen. Zij zien de grote lijnen en stellen het inzicht in de (maatschappelijke) samenhang boven een gedragswijze die de belangen van de sterken vooropstelt en die er niet voor terugdeinst met geraffi­neerde technieken en loze kreten het volk in te palmen en mee te sleu­ren.



De goede polis is een echte gemeenschap ('koinonia'), een samenleving ('sunoikia'). Pas wanneer men, zoals de filosofen, het goede als idee heeft aanschouwd, doorziet men wat rechtvaardig is en kan men bepalen hoe een gemeen­schap het beste func-tioneert. Begrijpelijk wordt nu Plato's verzuchting dat de ideale staat pas kan ontstaan als heersers filosofen en filosofen heersers worden.

Niet voordat filosofen in de staten zullen regeren of personen, die nu koningen en macht­hebbers worden ge­noemd, zich met hart en ziel in voldoen­de mate op de filosofie zullen toeleggen, niet voordat macht in de staat en zucht naar studie in één persoon worden ver­enigd, niet voordat zij, die nu door verschil in na­tuurlijke aanleg, met terzijde stelling van het ene, bv de wijsheid, alleen maar naar het andere, naar de macht in de staat, streven, van het vervullen van staatsambten met geweld worden uitgesloten, niet voordat dit alles gebeurt, m'n beste Glauco, kunnen de staten, ja kan het gehele menselijke geslacht van zijn ellende worden bevrijd en voor die tijd zal de staat, die wij al redenerend hebben opgebouwd, niet tot bloei en verwerkelijking komen of het zonlicht aanschouwen.



1.6. De opbouw van de polis (3). De bestaansvoorwaarden
De Politeia geeft een visie op het gehele sociale, politieke en culturele leven binnen een gemeenschap. Sommige denkbeelden doen zeer conservatief aan, andere zijn progressief of zelfs voor de moderne tijd nog uitdagend.7

Zo houdt Plato vast aan een beperkte en in zich besloten stad­staat, waarin vreemdelingenhaat niet wordt afgewezen en een sterk vijandbeeld bestaat. Oorlog is voor hem een vanzelfsprekend poli­tiek gegeven. Slavernij wordt beschouwd als de economi­sche drijf­kracht van de polis. Aan de gods­dienst wordt een centrale plaats toegekend.


Naast een diepe, mystieke vroomheid, wordt de Politeia gekenmerkt door een zeker religieus dogmatisme. Zo leert Plato in de mythos van Er dat de menselij­ke ziel onsterfelijk is en in het leven na de dood wordt onderworpen aan straf of beloning. Ook denkt hij in de richting van een staatsgodsdienst, met als centrum van de gemeenschap de plechtige eredienst rondom de Apollo van Delphi.
Pr­o­gr­es­sief is zijn ge­lijk­ste­l­ling van man en vr­ou­w, uit­da­ge­nd zijn de gestelde eisen op het gebied van de volksgezondheid en de regelingen die worden aanbevolen om een sterk volk te waarborgen.
Om een volmaakte bevolking te krijgen vaardigt Plato een aantal scherpe maatre­ge­len uit op het gebied van de eugenetiek. Hij raadt aan alle lichamelijk en geestelijk zwakken te laten sterven. Verder beveelt hij een selectie aan onder de wachters om zo een goed nageslacht te krijgen. Op een feest worden zij op deskundige wijze aan elkaar gekoppeld via een loterij die van te voren reeds door de leiders is vastgelegd (= vervalst)8. Wanneer buiten de selectie om door de wachters kinderen worden verwekt, is men verplicht abortus te laten plegen. Is het hiervoor te laat, dan worden de kinderen na de geboorte gedood ('onverzorgd achtergelaten').

Met artsen heeft Plato weinig op, hij beschouwt hen als een teken van verval, omdat zij slapheid en weekheid in de hand werken. Artsen hebben samen met de rechters in de polis louter een politieke functie.


Zo zal je dan ook een geneeskunde, tegelijk met de zoëven besproken rech­terstand, in onze staat wette­lijk instellen. Beide zullen hun zorgen besteden aan hen onder de burgers die, naar ziel en naar lichaam, van goede aanleg zijn. De andere mensen zul­len ze als ze lichamelijk onge­schikt zijn laten ster­ven, zijn het mensen die van nature slecht en naar de ziel on­ge­neeslijk zijn, dan zullen de rechters hen zelf ter dood bren­gen.


1.7. Politieke misstanden


In de twee voorlaatste boeken gaat Plato uitvoerig in op een vier­tal staatsvormen, dat niet voldoet aan zijn definitie van recht­vaardigheid. Hij onderscheidt:
-Het generaalsregime, de timocratie. Dit is gebaseerd op privé-bezit en eigenbelang. Er ontstaat een samenleving, waar een sfeer van oorlog hangt. Veel aandacht wordt besteed aan lichame­lijke training en sport. Belangstelling voor enige vorm van muzische vorming ontbreekt. De mensen zijn twistziek en heerszuchtig.
-Een regering van rijken, een plutocratie.9 Ook in deze maat­schappij worden wetenschap en kunst verwaarloosd. Alles draait om het geld. De tegenstellingen tussen arm en rijk worden steeds groter, er ontstaat een polarisatie. Bedelarij en misdaad zijn een onderdeel van het systeem.
-De democratie als het resultaat van de opstand van de armen tegen de rijken. Lagere begeerten worden de rede de baas. Er heerst geen gezag maar vrijheid, dwang wordt niet uitgeoefend. Iedereen krijgt in naam deel aan de regering, maar in feite nemen een aantal heethoofden de leiding. Edelmoedig­heid en toegevend­heid zegevieren, maar zij voeren tot anarchie, in de staat én in het privé-leven.10

Loyale burgers, die luisteren naar de bevelen van de regeerders, worden met slijk besmeurd, als mensen zonder ruggengraat. Neen, leiders die niets en onderdanen die alles te zeggen hebben: dát is de formule! dát verdient alle lof en eer, zowel privaat als pu­bliek. Wel gaat men in zo'n staat niet onvermijdelijk in alles tot de uiterste grenzen van de vrijheid?


Ook in de private woningen zal die vrijheidsdrang fataal binnen­sluipen, ja, tenslotte krijgen zelfs de dieren de microbe van de anarchie in het lijf./.

Wel ja de vader went zich er aan zich op gelijke voet te plaatsen met zijn zoon en bang te zijn voor zijn kinderen; de zoon acht zich even goed als de vader en ontziet noch vreest zijn ouders: want ja, hij wil vrij zijn! Buitenlanders met verblijfsvergunning en burger, burger en inwonende buitenlander: het is allemaal gelijk; zelfs met de buitenlander staat het net eender./.

En zo gaat het nog met een paar kleinigheden: in zo'n staat is het de meester die zijn leerlingen vreest en vleit, terwijl de heren studenten vanuit de hoogte op hun professoren neerzien. En met de huisonderwijzers is het al niet beter gesteld. Jonge snuiters staan helemaal op gelijke voet met bejaarde mensen en nemen het tegen hen op in woord en daad. En de oude mensen passen zich aan bij de jeugd en putten zich uit in grapjes en scherts. Om toch maar niet de indruk van kniezerigheid en bazigheid te verwekken, gaan ook zij de jeugd na-apen.
-De dictatuur. Wetteloosheid en gebrek aan gezag leiden tot de roep om een sterke man. Deze zal zich aanvankelijk gematigd opstellen, maar zich later, met behulp van vrienden en via zuive­ringen en uitzuigerij, meester maken van alle macht en een bestuursvorm in het leven roepen, die door de nadruk op het materiële en dierlijke, het grootst mogelijke ongeluk moet worden ge­noemd.
1.8. De kern van de Politeia
1.8.0. De opzet van de Politeia
De Politeia heeft een streng symmetrische opbouw11. In het centrum staat de leer van de idee van het Goede, uitgewerkt in de mythos (= gelijkenis) van de zon als beeld van het Goede en in de mythos van de grot, de laatste kentheoretisch ondersteund door de mythos van de lijn.

Terzijde staan de hoofdstukken over sociale rechtvaardigheid en onrecht­vaardigheid. Ook de overige delen, voorspel, naspel, in­leiding en slot, krijgen op gepaste manier hun plaats binnen de totale structuur. Duidelijk blijkt dit uit het schema van De Win, dat tege­lijk ook een overzicht geeft van de inhoud van het boek (afb.XX.1).






1.­8.1. De m­y­t­hos van de grot
- Ve­r­vo­l­g­ens dan, he­r­nam ik, moet je onze natuur, wat cultuur en gemis aan cultuur betreft, vergelijken met een toestand als deze: stel u mensen voor in een soort van ondergronds, grotachtig verblijf, met een lange toegang, die openstaat naar het (dag)licht en langs de hele breedte van de spelonk loopt. Van jongs af zijn ze daar aan benen en hals gekluisterd, zodat ze niet van de plaats weg kunnen en alleen maar voor zich uit kunnen zien, doordat de boeien het hun onmogelijk maken het hoofd naar links of rechts te draaien. Licht krijgen ze van een vuur dat boven hen, heel in verte en achter hun rug brandt. Tussen het vuur en de gevangenen in, in de hoogte, loopt een weg. En kijk, langs die weg is een muurtje opgetrokken, net een van die schotten zoals marionetten­kunstenaars er vóór de spelers plaatsen, en waarboven ze hun poppen vertonen.

- Ik kan het me voorstellen.

- Stel u dan ook voor dat er langs dat muurtje mensen lopen met allerhande voorwerpen, die boven het muurtje uitsteken, en ook met beelden van mensen, met dieren in steen en hout, en uit allerlei materialen vervaar­digd. En natuur­lijk zijn er tussen die voorbijtrekkende dragers mensen die praten en anderen die zwijgen.

- Een niet alledaags tafereel is dat, zei hij, en niet alledaagse gevangenen!

- Precies onze evenbeelden, zei ik. Want vooreerst, geloof je dat zulke lieden én van zichzelf én van elkaar ooit iets anders te zien hebben gekregen dan de schaduw, die door het vuur wordt geworpen op de rotswand vóór hen?

- Hoe zou het ook kunnen, zei hij, indien ze zijn gedwongen heel hun leven lang hun hoofd onbeweeglijk te houden?

- En verder: van de voorwerpen die langs worden gedragen, zien ze daar niet precies hetzelfde van?

- Natuurlijk.

- Onderstel nu eens dat ze met elkaar konden praten. Denkt je dan niet dat ze in de mening zouden verkeren dat ze, door namen te geven aan wat ze zien, de werkelijk bestaande dingen zelf zouden noemen?

- Ja dat moet wel..

- En... stel dan eens dat de kerker ook nog een echo bezat, vanuit de rotswand tegenover hen: zouden ze dan, volgens jou, menen dat het geluid ergens anders vandaan kwam dan van de voorbijgaande schaduw?

- Drommels nee! zei hij. In elk geval zouden zulke mensen nooit iets anders voor de werkelijkheid houden tenzij de schaduwen van de nagemaakte voorwerpen.

- Het kan gewoon niet anders.

- Bedenk nu eens waarin voor hen de bevrijding uit de boeien en de genezing van de onwetendheid zou bestaan, indien het hun, overeenkomstig hun natuur, als volgt zou vergaan. Als een van hen nu eens werd bevrijd van zijn boeien, en ertoe werd gedwongen plots op te staan en op te kijken naar het licht; als hij, bij alles wat hij zo doet, pijn zou hebben, en als de schittering van het licht het hem onmogelijk zou maken die dingen te onderscheiden, waarvan hij daareven de schaduwen zag: wat zou hij zeggen, denk je, als iemand hem zei dat alles wat hij tot nog toe zag slechts beuzelarijen waren, maar dat hij nu heel wat dichter bij de werkelijk­heid staat en naar de werkelijke dingen is gekeerd zodat hij een juistere kijk heeft op de zaken? En, speciaal, als men hem één voor één de langs trekkende voorwerpen aanwees en hem telkens de vraag stelde: 'Wat is dat?' en hem dwong te antwoorden; meen je niet dat hij in verlegenheid zou raken en denken dat, wat hij daareven zag, échter was dan wat men hem nu aanwijst?

- Veel echter.


- En onderstel dat men hem zou dwingen in het vuur zelf te kijken: zal hij dan geen pijn krijgen aan zijn ogen en zich afwenden en zijn toevlucht zoeken bij dat andere, dat hij wèl kan aankijken, en menen dat dit laatste werkelijk duidelijker is dan alles, wat men hem aanwees?

- Zo is het.

- En als iemand hem dan met geweld daarvandaan sleepte door de ruwe en steile opgang, en hem niet losliet voordat hij hem naar buiten in het zonlicht had getrokken, zou hij dan niet lijden en zich gekrenkt voelen door zulke behande­ling, meen je? En als hij in het licht komt en zijn ogen zo vol lichtstralen krijgt, zal hij niet in staat zijn om ook maar iets te zien van wat wij nu werkelijkheid noemen. Nietwaar?

- Tenminste niet onmiddellijk, zei hij.

- Gewenning, nietwaar, dát is het wat hij nodig heeft, wil hij de dingen daarboven zien. Volgens de orde van de gemakkelijkheid waarmee hij waarneemt, komen vooraan de schaduwen, dan de weerspiegelingen van mensen en dingen in het water, vervolgens de dingen zelf. Als gevolg daarvan zal hij gemakkelijker de hemellichamen en de hemel zelf zien, wanneer hij 's nachts opblikt naar het licht van maan en sterren, dan dat hij overdag naar de zon en het zonnelicht zou kijken.

- Kan het anders?

- Pas op het eind, denk ik, zal hij de zon - niet meer haar spiegelbeelden in het water of elders, waar ze zelf niet is, maar de zon zelf, op zichzelf op haar eigen plaats aan de hemel - vermogen waar te nemen en te aanschouwen zoals ze is.

- Ja dat moet wel.

- En dan kan hij daarover beginnen te redeneren en zal hij tot het besluit komen dat zij het is die aan de jaargetijden en de jaren het aanzijn schenkt, die alles in de zichtbare wereld regeert en die in zekere zin de oorzaak is van alles wat hij en zijn medegevang­enen plachten te zien.

- Dat is klaarblijkelijk het besluit waar zijn vorige ervaringen hem toe zullen leiden.

- En... als hij dan eens terugdenkt aan zijn vroeger verblijf en aan de wijs­heid van daar en aan zijn medegevangenen van toen, meent je dan niet dat hij zich gelukkig zal achten om de verandering, doch de anderen beklagen?

- Diep beklagen.

- Onderstel nu eens dat zij vroeger (in de grot) de gewoonte hadden onderling bepaalde eerbewijzen en lofwoorden en prijzen uit te loven voor wie van hen het scherpste de langs trekkende schaduwen kon waarnemen, en voor wie zich het best kon herinneren wat daarvan gewoonlijk het eerst of het laatst of tegelijk voorbij trok, en, natuurlijk, voor hem die het knapst was om daaruit te voor­spel­len wat er zou volgen: geloof je dat hij nu nog erg gesteld zou zijn op zulke eerbewijzen en jaloers op wie ginds de eer en de macht wegkaapt? Zou het hem niet vergaan zoals Homerus het zegt: dat hij liever als dagloner in dienst bij een ander, bij een onvermogende boer zou zijn, en liever zou lijden dan er de 'meningen' van ginds op na te houden en een bestaan als het gindse te leiden?

- Zijn leven van nu zal hij verkiezen, denk ik; en liever zal hij alles verdu­ren dan een leven als het gindse te leiden.

- En bedenk ook nog dit. Als zo iemand weer in de grot zou afdalen en zijn vorige plaats innemen: zouden zijn ogen dan nog vol duisternis zijn, nu hij zo plots uit de zon kwam?

- Ongetwijfeld.

- En onderstel dat hij wéér zijn oordeel moest uitspreken over de schaduwen van ginds en een wedstrijd aangaan met de anderen, die altijd gevangen zijn gebleven. Zou hij geen mal figuur slaan zolang zijn blik is vertroebeld, en totdat zij ogen zich hebben aangepast - en die gewenning kon wel eens een hele poos duren! Men zou zeggen dat zijn tocht naar boven hem de ogen heeft gekost en dat het dus de moeite niet loonde om zelfs maar een poging te doen naar boven te gaan. En, zo iemand hen probeerde te bevrijden en naar boven te brengen, zouden ze hem dan niet van kant maken, als ze hem soms in handen konden krijgen en doden?

- Zonder twijfel.



1.8.2. De mythos van de lijn
(0) In deze gelijkenis geeft Plato een beschouwing over de niveaus van kennis. Hij verdeelt een lijn op ongelijke wijze in twee hoofddelen, die ieder op hun beurt, in overeenstemming met de verhouding van de eerste deling, worden onderverdeeld. Ieder segment geeft een stukje weer van (mogelijke) kennis:
  1   2   3   4

  • 1. DE POLITEIA 1.1. Een discussie over rechtvaardigheid
  • 1.2. Platos pessimisme. De rede
  • 1.3. Rechtvaardigheid 1.3.1. Persoonlijke rechtvaardigheid
  • 1.3.2. Sociale rechtvaardigheid
  • 1.4. De opbouw van de polis (1). De wachters 1.4.1. Taak en leefwijze
  • 1.4.2 De opvoeding. Pedagogische censuur
  • 1.5. De opbouw van de polis (2). De heersers
  • 1.6. De opbouw van de polis (3). De bestaansvoorwaarden
  • 1.7. Politieke misstanden
  • 1.8. De kern van de Politeia 1.8.0. De opzet van de Politeia
  • 1.­8.1. De m­y­t­hos van de grot
  • 1.8.2. De mythos van de lijn

  • Dovnload 235.12 Kb.