Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Fabels en dierenverhalen download van internet

Dovnload 409.26 Kb.

Fabels en dierenverhalen download van internet



Pagina1/6
Datum25.11.2018
Grootte409.26 Kb.

Dovnload 409.26 Kb.
  1   2   3   4   5   6

FABELS en DIERENVERHALEN

download van internet

19 juli 2011-07-20
4 De vos en de raaf

7 De stadmuis en de veldmuis

9 De wolf en de hond

De haas en de schildpad

De wolf en de kraanvogel

De leeuw en de muis

Het paard en het hert

De duif en de mier

De kikker die even groot als een os wou zijn

De wolf end e mens

De krekel en de mier

De wolf en de vos

De haas en de egel

De raad der rattan

De reiger en de krab

De jakhals en de patrijs

Kat en muis samen thuis

De vos en de kat

De kater en de vos

De huismuis en de bergmuis

Waarom de katten op muizen jagen

De aap en de schildpad

De ezel en de os

De ezel, de stier en de koopman

De haas en de olifant

Hoe de beer aan zijn korte staart is gekomen

Hoe de hond en mens vrienden werden

Hoe het roodborstje aan zijn rode veren kwam

De hond en de mus

De hond met de kaas in zijn bek

De hyena en de ezel

De jongen die wolven roept

De kat als leermeester

De kikker die al het water opdronk

De leeuw en de rat

De leeuw en het konijntje

Het lelijke jonge eendje

Muizen en olifanten

De schildpad en de twee eenden

De verstandige en eerlijke ezels

De vos en het paard

De vos, de beer en de mens

Het hert

De leeuw en de muis

De vos en de druiven

De haas en de kikvors

De koe, de geit, het schaap en de leeuw

http://www.beleven.org/verhaal/fabels_van_aesopus

Fabels van Aesopus

Een inleiding in de fabels van Aesopus

Phaedrus, slaaf aan het hof van de Romeinse keizer Tiberius, bracht rond 50 na Christus als eerste de fabels van Aesopus bijeen en zette ze op schrift. Zij stonden model voor alle latere fabeldichters, o.w. La Fontaine. Pas in 1703 verscheen de eerste volledige Nederlandse vertaling, in proza.


ARIE PLEYSIER
Aesopus, wiens fabels bijna iedereen wel kent, moet geleefd hebben tussen 550 en 500 vóór het begin van onze jaartelling. Waarschijnlijk is hij geboren in Thracië, het oostelijkste deel van het tegenwoordige Griekenland. Zijn maatschappelijke positie was zeer nederig: als zoon van een slaaf was hij zelf ook slaaf. Bovendien was hij zelfs in die positie nog niet heel veel waard, want van gestalte moet hij vreselijk mismaakt geweest zijn. Aesopus was iemand met een te groot hoofd, een bochel en kromme benen, terwijl hij bovendien nog stotterde. Natuurlijk was hij te zwak voor de zware lichaamsarbeid, die op de boerderij van zijn meester werd gevorderd. Daarom bracht deze hem naar de slavenmarkt van Ephese, eenmaal een rijke stad in het westen van Klein-Azië. Maar zou er een koper gevonden worden voor een zwakke en mismaakte slaaf als Aesopus was? Dat scheen al zeer onwaarschijnlijk, vooral toen hij op de markt een plaats kreeg tussen twee zeer knappe slaven, Cantor en Grammaticus genaamd. De eerste had een prachtige zangstem, de tweede was zo geleerd, dat hij de hele Griekse spraakkunst uit zijn hoofd kende! En daartussen kwam nu net de wanstaltige Aesopus! Weldra kwam er een koper opdagen en wel een wijsgeer van het eiland Samos. Zijn naam was Xanthus en op zijn eiland stond hij zeer in aanzien wegens zijn geleerdheid. Hij bleef stilstaan voor het drietal, van wie Aesopus het schamelste deel uitmaakte en ondervroeg de slaven naar hun kundigheden. Natuurlijk zetten Cantor en Grammaticus hun beste beentje voor. Cantor zong schone liederen en Grammaticus loste de moeilijkste taalkwesties op.
"En wat kun je nog meer?" vroeg Xanthus aan de zanger. "Alles heer," antwoordde Cantor bescheiden. Grammaticus liet zich niet onbetuigd en verklaarde eveneens, alles te kunnen.
"En jij?" informeerde Xanthus tenslotte bij Aesopus. "Ik kan niets, heer," antwoordde deze. "Heb je dan niets geleerd?" vroeg Xanthus.
"Ja, heer," verklaarde Aesopus, "maar deze anderen hebben gezegd, dat zij alles kunnen en dan blijft er voor mij niets over."
Xanthus was een echte wijsgeer en daarom deed hij een goede keus: hij kocht Aesopus en.hij was een goed meester voor zijn mismaakte slaaf. Toch bleef Aesopus hopen, dat hij nog eens een vrij man zou worden. En dat is hem ook gelukt. Want Croesus, de rijke en machtige koning van Lydië, had besloten, dat hij het eiland Samos zou veroveren en tegen hem was alle weerstand nutteloos. Daarom besloot de Raad der Wijzen, dat er een gezantschap naar Croesus zou worden gezonden en men wist genoeg van de slimme Aesopus om hem bij de delegatie te voegen. Deze reisde naar de hoofdstad van Lydië, maar vond de koning in een slecht humeur. Zijne Majesteit liet dan ook het hele gezantschap dadelijk in de kerker sluiten en bepaalde, dat ze allemaal zouden worden gedood. Toen liet Aesopus vragen of hij Croesus eerst wat mocht vertellen en deze wens werd genadig vervuld. "Er was eens een man," vertelde Aesopus, "die zijn netten had uitgezet om vogels te vangen. Maar toen hij 's avonds ging kijken, vond hij alleen een krekel. De man werd boos wegens zijn teleurstelling en wilde de krekel dadelijk doden. Maar de krekel sprak: "Waarom zou je mij het leven ontnemen? Ik doe niemand kwaad, ik eet zelfs niet van de vruchten op het veld. En de mensen mogen graag naar mij luisteren, als ik op mijn viool speel. Laat me dus leven, dan kunnen nog meer mensen naar mij luisteren."
Koning Croesus had nog nooit een fabel gehoord en dus schepte hij behagen in het verhaal. Niet alleen spaarde hij Aesopus het leven, maar deze mocht nog bovendien een wens doen. En Aesopus sprak toen de wens uit, dat de vrijheid van zijn vaderland Samos geëerbiedigd zou worden. Ook dit verzoek werd toegestaan en als overwinnaar keerde de mismaakte slaaf Aesopus naar Samos terug. Daar schonk men hem de vrijheid en erkende er voortaan zijn grote geestesgaven.
Waarschijnlijk is Aesopus toen voortgegaan met het vertellen van fabels: schijnbaar argeloze dierenverhaaltjes, die een wijze les inhielden voor de mensen. Zo moet hij bijvoorbeeld aan de rijke maar gierigere koning Croesus het volgende fabeltje verteld hebben: "Een rijk man bezat zeer veel goud. Uit vrees het te verliezen begroef hij het in zijn tuin en bewaakte het daar jarenlang. Maar op een morgen vond hij zijn schat gestolen en hij bracht de hele buurt in rep en roer door zijn gejammer. Een buurman troostte hem toen door te zeggen: "Houd toch op met je gelamenteer. Je gebruikte je goud nooit... wat heb je dan verloren? Begraaf een steen op dezelfde plaats waar je goud was verborgen en je zult even rijk zijn als je altijd geweest bent!"
Een andere fabel, die zich richtte tegen de tirannen in Aesopus' tijd is de volgende:
"Een wolf en een lam kwamen bij dezelfde beek om hun dorst te lessen. De wolf stond wat hogerop aan de beek, het lam een stuk lager. Toen zocht de rover, gedreven door een schandelijke vraatzucht, ruzie met het lam. "Waarom," zo zei hij, "hebt gij het water, dat ik wilde drinken, troebel gemaakt?" Het lam antwoordde schuchter: "Hoe zou ik, o wolf, gedaan kunnen hebben, waarover gij zo klaagt? Het water stroomt immers van u naar mij toe?" De wolf, getroffen door de kracht van dit betoog, antwoordde: "Zes maanden geleden hebt gij mij beschimpt." - "Toen was ik nog niet geboren," merkte het lam op. "Bij Hercules," zei de wolf, "als gij het dan niet was, dan was het uw vader." En hij verscheurde het lam, dat op deze wijze onschuldig moest sterven. Deze fabel is geschreven voor de mensen, die om gezochte redenen de zwakkeren onderdrukken.
http://www.beleven.org/verhaal/de_vos_en_de_raaf
De vos en de raaf

Aesopus' fabel van de vos en de raaf

Het gekras van raven, die onder het roze gekleurde zwerk vlogen, vulde de lucht. Steeds schoten ze als een zwarte wolk naar en van de slordige nesten in de toppen van de bomen. Ze werden aangevoerd door een oude, reeds grijzende vogel, wiens woord wet was. Na hem kwamen de andere, oudere leden van de familie, die in het voorjaar waren geboren. Het waren ongeduldige vogels, trots op de sterke jonge vleugels en op het gekras, dat ze voortbrachten. Ver daar achter, apart van de anderen, kwam de meest verwaande raaf.
Die hoefde zich niet te haasten, omdat hij er op vertrouwde, dat hij de anderen gemakkelijk kon inhalen, als hij dat wilde. Lui klapwiekend in de avondlucht, viel zijn oog op een open raam van een huis beneden hem en hij besloot op onderzoek uit te gaan.
Naar beneden langs het raam schietend zag hij tot zijn vreugde in de kamer een tafel vol met het heerlijkste eten. Hij draaide zich abrupt om, vloog met een boog terug, door het open raam en greep een groot stuk vlees. Zijn hart klopte van opwinding toen hij met zijn vangst naar een groepje dennen, dat vlakbij stond, vloog. Het vlees was zwaar en hij streek dan ook buiten adem neer op een gerieflijke tak. Zijn heldere ogen schitterden van voldoening en begerigheid.
Een laatste zonnestraal gleed tussen de takken door. En viel op een bruine vacht tussen de dennennaalden en de varens aan de voet van de boom. De bruine vacht bewoog zich stilletjes vooruit en daar, in het roze licht van de ondergaande zon, stond een vos.

Het was nog tamelijk vroeg voor zijn nachtelijke jacht, maar hij was erg hongerig na bijna de hele dag te hebben geslapen. Toen de vos naar boven keek zag hij de raaf met het malse stuk vlees in zijn snavel. Het water liep hem uit de bek. Wat was hij jaloers op de raaf! Deze keek spottend op hem neer. Hij vond de vos maar een tamelijk gewoon schepsel. Hij kon zelfs niet vliegen!


De vos concentreerde zich op het vlees, terwijl zijn hersens snel werkten. Zijn geelkleurige ogen schitterden fel. Hij besloot, dat hij ten koste van alles het vlees moest hebben. Zijn mooie staart zwaaide zachtjes heen en weer en zijn tong trilde tussen zijn kaken. Toen glimlachte hij naar de raaf en sprak met zachte stem: "Wat zie ik daar voor moois?"
De raaf hield zijn kop scheef en keek naar beneden, terwijl hij het stuk vlees nog altijd stevig in zijn bek hield. Toen hoorde hij de vos zeggen: "Die prachtige vleugels komen absoluut uit een goed nest. Wat zijn ze mooi en sterk! En dan die ogen, zo zacht glanzend, en die blik zo teder en voornaam..."
De raaf werd wat onrustig en dacht: "Misschien had ik het mis. De vos schijnt een erg elegant en gevoelig dier te zijn."
De vos haalde even adem en ging toen verder: "Op al mijn reizen heb ik nooit zo'n gracieuze houding, zo'n waardigheid gezien. Wat een klasse! Zelfs de sierlijke zwanen op het meer zouden zeker groen van afgunst worden als zij zoiets moois zouden zien!"
De raaf raakte hoe langer hoe meer met zichzelf ingenomen, maar hij hield de buit stevig vast. Hij wilde nog graag meer horen en wachtte vol verwachting. De vos ging verder: "Die gladde snavel, die sierlijke klauwen. Dit moet de wonderschone raaf zijn, waarover ik zo veel heb horen praten."
De raaf deed een stap naar rechts en een stap naar links, maar hij hield het vlees nog steeds goed vast. Toen mompelde de vos: "Als hij nu nog eens zou kunnen zingen als de nachtegaal! Maar natuurlijk, met zulk een uiterlijke schoonheid kan hij waarschijnlijk helemaal niet zingen. Wat jammer!" De vos zuchtte: "Als hij maar kon zingen, dan zou hij de koning van allen zijn." De verwaande jonge raaf kon zich niet langer in bedwang houden. De vos, zo besloot hij, was een heer van smaak en kwaliteit. Hij moest hem tonen, dat zijn stem in alle opzichten even mooi was als zijn figuur en kleur. Hij kon eenvoudigweg niet langer stil blijven. Hij opende zijn bek zo ver mogelijk. "Kra, Kra, Kra!" kraste hij, daarbij het meest afschuwelijke geluid, dat men ooit hoorde, makende.
Plotseling was er opwinding aan de voet van de boom, toen het stuk mals vlees op de grond viel. De vos sprong er direct bovenop en greep het tussen zijn sterke kaken. Toen de vos wegrende, kraste de raaf woedend: "Kra, kra, kra! Jij gemene dief! Geef mijn vlees terug, kra, kra, kra! Jij gemene dief!" Maar de vos kwam niet terug, ondanks zijn mooie woorden.
http://www.beleven.org/verhaal/de_raaf_en_de_vos
De raaf en de vos

Jean de la Fontaine - De raaf en de vos

Meester raaf zat in een eikenboom.

Hij klemde in zijn bek een heerlijk brokje kaas uit Gouda.

Meester vos, gelokt door deze droom

Van geur, keek op en sprak: "Doctor honoris causa,

U met uw wijs en alziend oog

En met uw glanzend zwarte toog,

Als ook uw stemorgaan zo mooi is als uw veren

dan moet toch ieder dier u als een feniks eren!"


Meester raaf, ontroerd door zoveel eer,

Wipte van tak tot tak en boog zich wat naar voren,

Keek toen trots over zijn snavel neer

Op meester vos en om zijn stem te laten horen

Gaapte hij met zijn bek héél wijd.

Maar ja, de kaas was hij toen kwijt.

Hij hapte er nog naar, keek treurig naar beneden.

De vos pakte zijn prooi en fleemde toen tevreden:


"Denk eraan, mijn waarde heer,

Elke vleier schenkt zijn eer

Aan door 't lot verwende vrinden

Die zichzelf belangrijk vinden.

Deze wijze les, helaas,

Kost u wel dit brokje kaas!"

Beschaamd verborg de raaf zich in de eikentakken

En kraste toen wat laat: "Mij zul je niet meer pakken!"



http://www.beleven.org/verhaal/de_stadsmuis_en_de_veldmuis
De stadsmuis en de veldmuis

Aesopus - De fabel van de stadsmuis en de veldmuis



Eens nodigde een brave, verstandige veldmuis zijn goede vriend, die in de naburige stad woonde, uit voor een bezoek. Deze nam de uitnodiging, om over een paar weken te komen, aan. De veldmuis bekeek zijn nederige woning, een holletje aan de voet van een grote eikeboom, eens goed. Hoewel niet rijk, was deze toch wel gerieflijk ingericht. Alles wat de muis zelf nodig had, was er.
Hij begon met de boel netjes op te ruimen en hoewel zuinig van aard, wilde hij toch zijn voorraad edelmoedig ter beschikking stellen aan zijn vriend. Elk zorgvuldig bij elkaar gezocht hapje eten werd uit de voorraadkamer te voorschijn gehaald. Rogge en gerstekorrels, kaaskorstjes en noten. Al het voedsel, dat hij had lag tenslotte hoog opgestapeld in afwachting van de komst van zijn gast. De veldmuis hoopte, dat er genoeg te eten zou zijn voor zijn vriend. Die had vast keurige manieren, veronderstelde hij. Hij vreesde, dat de kwaliteit van zijn voedsel misschien niet zou voldoen aan de verfijnde smaak van de stadsmuis.
Eindelijk was het bezoek er. En nadat ze elkaar hadden begroet, gingen ze aan tafel. De stadsmuis verwaardigde zich hier en daar wat te pikken. Hij trok zijn neus op en scheen helemaal niet onder de indruk van het vele voedsel vóór zich. De veldmuis at bijna niets en knabbelde op een korenaar. Hij deed of hij geen honger had voor 't geval er voor zijn vriend eens niet genoeg zou zijn.
Eindelijk ging de stadsmuis achterover zitten en veegde hij met een verachtelijk gebaat wat kruimels van zijn jas. "Beste vriend," begon hij, "laat ik eens openhartig met je praten. Hoe kun jij dit eenvoudige en saaie leven toch verdragen?" Hij pauzeerde even en de veldmuis begon langzamerhand de moed te verliezen.
"Hoe kun je het verdragen zo te wonen?" ging hij verder, terwijl hij in het kleine, donkere hol, waar ze zaten, rondkeek. "Je kunt deze vochtige bossen toch echt niet liever hebben dan de drukke straten vol wagens en mensen! Is het praten van mensen niet aangenamer om te horen dan het gesjilp van vogels? Is de warm aandoende pracht van een rijk huis niet te verkiezen boven die wilde, winderige woestenij?"
De veldmuis was terneergeslagen. Hij keek eens om zich heen en voor het eerst zag hij zijn eenvoudige woning, zoals anderen die zagen. De stadsmuis stak zijn borst vooruit: "Je moet niet langer treuzelen!" zei hij. "Je moet direct met mij vertrekken. Bedenk wel, dat aan alles een eind komt. Je kunt je leven onmogelijk altijd hier slijten."
Hij stond op en ging naar de deur. "Kom op, ik zal je het leven in de grote stad laten zien." Zulke mooie, overtuigende woorden overdonderden de eenvoudige veldmuis. Hij stemde vlug toe met zijn vriend mee te gaan. Samen vertrokken ze naar de stad, waar ze in de buitenwijken aangekomen, even wachtten. Toen de duisternis was ingevallen, slopen ze de stad in.
Midden in de nacht bereikten de muizen het voorname huis, waar de stadsmuis woonde. Hier waren rood fluwelen banken, hier was heel mooi houtsnijwerk. Alles duidde inderdaad op rijkdom. Op tafel lagen de restjes van een heerlijk diner. Nu was het de beurt aan de stadsmuis om voor gastheer te spelen. Hij rende heen en weer om aan de wensen van zijn vriend te voldoen. Stapelde schaal op schaal, hapje op hapje, alsof hij de koning verwachtte.
De veldmuis, van zijn kant, deed alsof hij thuis was. Hij prees het geluk, dat zulk een verandering in zijn manier van leven had gebracht. Toen, midden in zijn vreugderoes, waarbij hij er zich over verbaasde hoe hij tevreden had kunnen zijn met het armzalige voedsel thuis, ging de deur plotseling open. Een gezelschap dames en heren kwam de kamer binnen.
De twee vrienden sprongen in doodsangst van de tafel en verstopten zich in het eerste het beste hoekje. Toen het weer helemaal rustig was in de kamer waagden ze het om te voorschijn te komen. Maar het geblaf van honden dreef ze nog angstiger dan eerst terug.
Eindelijk, toen alles in huis sliep, sloop de veldmuis uit zijn schuilplaats te voorschijn. Hij wilde weer naar zijn eigen huis. Bij het afscheid fluisterde hij zijn gastheer in het oor: "Beste vriend, deze fijne manier van leven zal degenen, die hier wonen, wel bevallen. Geef mij echter maar gerst en brood, dat ik in alle rust en veiligheid kan eten. Ik geef daar de voorkeur aan boven het fijnste feestmaal, waar angst en zorg op de loer liggen."
Een eenvoudig leven in vrede en rust

is beter dan een weelderig leven met gevaar en risico.


http://www.beleven.org/verhaal/de_wolf_en_de_hond
De wolf en de hond

Aesopus - De fabel van de wolf en de hond

Op een nacht, 't was heldere maan, kwam een eenzame wolf, vanuit de schaduw te voorschijn. Hij was mager en hij stierf bijna van de honger. Terwijl hij rondliep kwam hij opeens een erg dikke, goed gevoede hond tegen. De twee groetten elkaar en de wolf merkte op, terwijl hij de hond van onder tot boven bekeek: "Mijnheer, wat ziet u er buitengewoon goed uit. Ik geloof niet ooit een gezonder en gelukkiger dier te hebben gezien. Vertelt u mij eens, hoe het komt, dat u beter schijnt te leven dan ik? Zonder valse bescheidenheid kan ik gerust zeggen, dat ik op de jacht mijn leven honderd keer vaker op het spel zet dan u. En toch bent u goed gevoed, terwijl ik bijna sterf van de honger." De hond gromde: "U kunt een even goed leven hebben als ik, als u doet, wat ik doe," zei hij kortaf. De wolf spitste zijn oren. "En wat is dat dan?" vroeg hij.
De hond lachte geheimzinnig, zoals ieder doet, die een geheim kent. "Het is heel eenvoudig, ik bewaak het huis gedurende de nacht en houd zo de dieven buiten de deur."
"Dat zou ik graag doen, want ik heb het nu ellendig," zei de wolf. "Mijn leven in het bos, waar ik last heb van regen, vorst en sneeuw, verruilen voor een warm dak boven mijn hoofd en lekker eten, zou me wel passen." De hond draaide zich om, gaf de wolf een teken hem te volgen en begon de weg af te lopen.
Terwijl ze naast elkaar voortsukkelden, zag de wolf toevallig een rare streep om de nek van de hond. Hij kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vroeg hem hoe hij daar aan kwam. De hond deed of hij de vraag niet hoorde. Maar de wolf drong op een antwoord aan. "U moet dan weten," zei de hond tenslotte, "dat ik overdag vastgebonden ben, anders verlies ik mijn geduld en bijt ik een onschuldige vreemdeling. Ik mag alleen 's nachts vrij rondlopen." - Hij hield op en vervolgde toen op een toon, die scheen te betekenen, dat het zo nu eenmaal hoorde: "Als ik overdag toch nergens heenga, kan ik alleen maar slapen. 's Nachts, als ik vrij rondloop, ben ik des te waakzamer. Mijn baas en de hele familie zijn erg trots op me en ze geven me borden met botjes en restjes van de tafel. Mijn beloning is prima, dat zeg ik u."
De wolf bleef ineens staan. "Wat mankeert u?" vroeg de hond ongeduldig. "Kom op, treuzel niet zo." - "Nee," antwoordde de wolf, "neem me niet kwalijk, maar ik ga niet verder mee. Mijn vrijheid is me te lief en ik wil geen koning zijn op de voorwaarden, die u beschrijft." Terwijl hij dit zei, draaide de wolf zich om en rende terug naar het bos.
Vrijheid is beter dan comfort in gevangenschap.

http://www.beleven.org/verhaal/de_haas_en_de_schildpad
De haas en de schildpad

Aesopus' fabel over de wedstrijd tussen de haas en de schildpad

De haas moest altijd lachen wanneer hij de schildpad zag lopen, want het ging zo langzaam. "Ik begrijp niet waarom jij nooit naar iets onderweg gaat," zij hij pesterig. "Als jij eindelijk aankomt, is het altijd te laat en alles is al lang voorbij."
De schildpad lachte een beetje. "Vlug ben ik niet," zei hij, "maar toch durf ik te wedden, dat ik eerder aan de overkant van dit veld ben dan jij. Zullen we een wedstrijd houden? Dan kun je het zien."
"Goed!" riep de haas en meteen sprong hij er vandoor, zo snel als hij kon. De schildpad ging heel rustig op weg.
Nu was het die dag erg warm weer met een brandende zon, en de haas werd halverwege moe en slaperig. "Weet je wat," dacht hij. "Ik doe even een tukje onder die heg hier. Zelfs als die schildpad me onderwijl voorbij loopt, heb ik hem in een flits weer ingehaald." De haas ging in de schaduw liggen en sliep in.
De schildpad kroop gestaag voort onder de warme zon.
Pas na lange tijd werd de haas wakker. Het was veel later dan hij dacht en hij keek eens rond. Geen schildpad te bekennen. "Nou nou," mompelde hij, "waar zit dat vriendje? Wacht maar, ik zal hem eens wat laten zien."
Als een pijl uit een boog schoot hij weg, door het korte gras, door het koren, over sloten, langs braamstruiken, en bij de laatste bocht bleef hij even staan om te zien waar de eindstreep lag. Daar! En nog geen halve meter ervoor kroop de schildpad, langzaam maar zeker, stap voor stap, dichter en dichter naar het eindpunt.
Met een geweldige sprong stoof de haas erop af. Maar hij was te laat. Toen hij de lijn passeerde, was de schildpad hem juist voor geweest.
"Zie je nou wel," zei de schildpad.
Maar de haas had geen adem meer om te kunnen antwoorden.

http://www.beleven.org/verhaal/de_wolf_en_de_kraanvogel
De wolf en de kraanvogel

Aesopus - De fabel van de wolf en de kraanvogel

Eens op een dag greep een wolf een mooie, vette kip. Hij vond het een heerlijk hapje en hij at het arme schepsel dan ook met huid en haar op. Helaas voor onze wolf bleef met de laatste hap een scherp botje in zijn keel steken. Hij kuchte en hoestte en de tranen rolden uit zijn ogen. Maar ondanks al zijn inspanningen raakte hij het botje niet kwijt. Hij verging van de pijn en rende het bos op en neer op zoek naar hulp.
Ieder dier, dat hij tegenkwam, smeekte hij hem te helpen. Daarbij zinspeelde hij er op, dat men een royale beloning zou krijgen, als het botje uit zijn keel zou worden gehaald. Echter, zijn manier van doen was bij veel dieren bekend en ze hadden dan ook geen zin de wolf te helpen. De leeuw en de luipaard deden net of ze zijn angstige kreten niet hoorden. De roek en de raaf vlogen hoog de bomen in, ver weg van zijn gevaarlijke kaken. De vos en de beer dachten, dat de wolf ze een poets wilde bakken en maakten, dat ze wegkwamen. Zelfs de ezel weigerde om te helpen. Dat leek tenminste zo, want hij balkte een beetje en ging verder met het eten van dorens.
Eindelijk trof de wolf later op de dag een kraanvogel aan, die tussen het riet aan de waterkant opdook. Hij luisterde naar het verzoek van de wolf en toen hij van de beloning hoorde stemde hij toe te helpen. Diep in de keel van de wolf kijkend, kon de kraanvogel het scherpe botje zien zitten. Zijn snavel en uitgestrekte lange hals draaiend tussen de geduchte kaken, trok hij het botje langzaam maar zeker uit de keel.

  1   2   3   4   5   6


Dovnload 409.26 Kb.