Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen

Dovnload 1.69 Mb.

Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen



Pagina3/10
Datum05.12.2018
Grootte1.69 Mb.

Dovnload 1.69 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

Paragraaf 1.8 - Invloeden van buiten- en binnenaf op de (sport-)journalist en het publiek

Van een (sport-)journalist wordt verondersteld dat hij of zij probeert gebeurtenissen op een objectieve manier naar buiten te brengen. Dit lukt niet altijd. Verschillende zaken zijn van invloed op de journalist en dus ook op wat de journalist als eindproduct aflevert bij zijn krant of tijdschrift. Persoonlijke opvattingen, emotie, religie, chauvinisme, de kleur van de krant waarvoor de journalist schrijft, et cetera: allemaal zaken die zijn weerslag (kunnen) hebben op de journalist. In deze paragraaf zal dieper ingegaan worden op welke invloeden van buiten- en binnenaf zijn weerslag hebben op het functioneren van de (sport-)journalist, al dan niet bewust.


1.8.1 - Invloeden van buitenaf: ‘framing’

Hoewel een journalist in principe altijd zal proberen het nieuws op een objectieve manier naar buiten te brengen, is er in de journalistiek vrijwel altijd sprake van ‘framing’, wordt gesteld door Connie de Boer en Swantje Brennecke (1995). Een journalist (of een dagblad) bepaalt over welk onderwerp hij überhaupt gaat schrijven, de manier waarop erover wordt geschreven en op welke manier het onderwerp wordt ingekleed. Verschillende interne en externe factoren kunnen hierop van invloed zijn, zoals of een journalist voor een landelijk of een lokaal dagblad schrijft. Voor een journalist vereenvoudigt het gebruik van frames zijn werk. Interne factoren als routine en persoonlijke opvattingen, zoals bijvoorbeeld religie en externe factoren, zoals druk van de politiek of belangengroeperingen beïnvloeden de journalist. Het proces waarbij een journalist in zijn keuze wordt beïnvloed door deze interne en externe factoren wordt ‘framebuilding’ genoemd.

Op individueel niveau en op maatschappelijk niveau heeft framebuilding gevolgen. Op individueel niveau doordat het publiek zijn mening over een bepaald onderwerp zou kunnen aanpassen of geheel veranderen. Dit is niet alleen omdat er over een bepaald onderwerp meer informatie wordt gegeven en het publiek dus meer kennis over dit onderwerp tot haar beschikking heeft, maar ook doordat er door de journalist bepaalde specifieke punten over een onderwerp worden benadrukt of hierover zelfs een waardeoordeel geeft (De Vreese, 2003).
Er zijn verschillende dimensies waarop mediaframes kunnen worden onderverdeeld (Ghanem, 1997):


  1. aspecten van een onderwerp die belicht worden

  2. presentatie en prominentie, de omvang en plaatsing van het bericht

  3. cognitieve attributies, details en verbanden die worden benadrukt

  4. affectieve attributies, de toonzetting van de berichtgeving.

In dit onderzoek zal niet worden gekeken naar presentatie en prominentie van de artikelen aangezien er per krant het beschikbare wedstrijdverslag van de desbetreffende wedstrijd wordt onderzocht. Of dit wedstrijdverslag op pagina 15 of pagina 16 van de krant geplaatst is, doet voor dit onderzoek niet ter zake. Er wordt ook niet naar gekeken hoe groot de ruimte is die het wedstrijdverslag op de sportpagina inneemt . Het gaat in dit onderzoek namelijk puur om de inhoud van het verslag. Aan de overige drie dimensies die Ghanem (1997) formuleert zal wel aandacht worden besteed.

In dit onderzoek wordt door middel van inhoudsanalyse dieper op het wedstrijdverslag ingegaan dan door middel van framing. Framing is een manier om de globale inhoud van artikelen in kaart te brengen, terwijl in dit onderzoek er preciezer wordt gekeken naar de inhoud van de onderzochte wedstrijdverslagen. Toch blijft de manier waarop de frames kunnen worden ingedeeld van toepassing op dit onderzoek omdat ook hier wordt gekeken naar toonzetting, details en verbanden die worden benadrukt en onderwerpen die worden belicht in de wedstrijdverslagen.


1.8.2 - Invloeden van binnenaf: ‘priming’

Het concept ‘priming’ hangt sterk samen met framebuilding en framesetting. ‘Priming’ is de impliciete voorbereiding op een mentale operatie (Bergsma & Van Petersen, 2004). Meestal wordt hiermee faciliterende priming bedoeld, die het gemakkelijker maakt een antwoord te vinden. De letter ‘k’ is bijvoorbeeld een prime voor de vraag welk dier honden graag achterna zitten. Er bestaan ook neutrale vormen van priming, bijvoorbeeld de kleur geel voor het antwoord lucht. Hierbij is een leerproces nodig voordat de prime het geven van een goed antwoord kan versnellen. Ten slotte kent men incongruente of negatieve priming. Hierbij moet de persoon juist zijn normale reactie op de prime onderdrukken en een andere reactie geven. Een klomp kan dan dienen als negatieve prime voor laars en een laars voor sportschoen. Negatieve priming maakt de reactie moeilijker. Priming is dus een onbewuste vorm van het menselijk geheugen, dat verband houdt met de perceptuele identificatie van woorden en objecten. ‘Feyenoord’ zou men bijvoorbeeld kunnen zien als prime voor ‘hard werkende voetballers’, wat weer een prime is voor ‘voetbal zoals het hoort’. Een sportjournalist zou door deze prime bijvoorbeeld een artikel kunnen schrijven over het feit dat Feyenoord weliswaar heeft verloren, maar de voetballers hebben wel hard gewerkt en hun best gedaan en dit als ‘goed voetbal’ beoordelen (uiteraard een extreem voorbeeld). Connie de Boer en Swantje Brennecke (1995) zeggen dat door priming mensen die iets of iemand moeten beoordelen niet eerst een uitgebreide analyse van alle beschikbare informatie over het onderwerp of de persoon zullen maken, maar een meer intuïtief waardeoordeel geven. Dit waardeoordeel is gebaseerd op basis van de meest toegankelijke informatie. Hoewel een journalist deze intuïtieve manier van het geven van een waardeoordeel zoveel mogelijk zal proberen te beperken, heeft priming toch een zekere invloed op de manier waarop een journalist werkt.

Zowel het concept framing als het concept priming hebben logischerwijs ook hun invloed op het publiek. Bij mediapriming zal de door de media verspreide informatie in het geheugen van de ontvanger bepaalde kenniseenheden tijdelijk gemakkelijker toegankelijk maken, waardoor de waarschijnlijkheid toeneemt dat deze gemakkelijk toegankelijke kenniseenheden ook bij de receptie, interpretatie en beoordeling van daaropvolgende informatie eerder geactiveerd en gebruikt wordt dan de minder toegankelijke kenniseenheden (Boer & Brennecke, 1995). In dit onderzoek wordt echter aan de effecten van priming en framing op het (lezers-)publiek geen aandacht besteed.
1.8.3 - Relevantie mediaframes in dit onderzoek

In bovenstaande paragrafen komt naar voren dat mediaframes op verschillende manieren kunnen worden onderverdeeld. In dit onderzoek worden drie van de vier manieren vertaald naar onderzoekbare hypothesen, namelijk:



  1. de aspecten van een onderwerp die belicht worden;

  2. de cognitieve attributies, details en verbanden die worden benadrukt

  3. de affectieve attributies, de toonzetting van de berichtgeving.

De eerste dimensie is die van de aspecten van een onderwerp die belicht worden. In dit onderzoek wordt gesteld dat sportjournalistiek non-objectief, chauvinistisch en gericht is op emotie. De vraag is of in de onderzochte wedstrijdverslagen daadwerkelijk deze aspecten van de wedstrijd worden belicht.

De tweede beschreven dimensie is die van de cognitieve attributies, de details en verbanden die benadrukt worden in de wedstrijdverslagen. In de theorie wordt gesteld dat er in de sportjournalistiek sprake is van scorebordjournalistiek. Dit wil dus zeggen dat er bepaalde verbanden worden gelegd tussen de uitslag van de wedstrijd en de kwaliteit van deze wedstrijd. Of deze verbanden inderdaad in de onderzochte wedstrijdverslagen worden benadrukt, zal uit dit onderzoek blijken.

De derde dimensie, die van de affectieve attributies, komt tot uiting in het deel over chauvinisme in regionale dagbladen. De vraag of regionale dagbladen positiever of juist kritischer berichten over clubs uit ‘hun’ stad heeft te maken met de toonzetting van de berichtgeving.
Paragraaf 1.9 – Formulering probleemstelling en onderzoeksvragen

In dit onderzoek wordt een inhoudsanalyse uitgevoerd van wedstrijdverslagen en de daarbij behorende koppen van eredivisievoetbalwedstrijden in Nederlandse kranten. Het gaat hier niet alleen om welke zaken in het wedstrijdverslag worden besproken, maar het zwaartepunt van het onderzoek berust in het oordeel dat de journalist aan deze zaken verbindt.

De journalist kan in zijn wedstrijdverslag verschillende zaken beoordelen. Hij kan een kwaliteitsoordeel geven over de doelpunten die tijdens de wedstrijd zijn gemaakt, een kwaliteitsoordeel geven over het spel, de gehele wedstrijd of over de spelers.

De ‘objectieve’ kwaliteit van deze zaken hangt af van verschillende factoren. De ‘objectieve’ kwaliteit van de wedstrijd hangt bijvoorbeeld af van de factoren pressie, overwicht en artisticiteit. Bovendien is het kanssaldo belangrijk. Dit is het verschil in kansen tussen de thuisploeg en de uitploeg. Pressie, kansen en overwicht zijn meetbaar, artisticiteit is dat niet. In dit onderzoek zal de ‘objectieve’ kwaliteit van deze zaken worden berekend en worden gekeken naar in hoeverre deze ‘objectieve’ kwaliteitsbepaling overeenkomt met het oordeel van de journalist. Wanneer het kwaliteitsoordeel van de journalisten in de wedstrijdverslagen in mindere mate afhangt van de ‘objectieve’ kwaliteit en in meerdere mate afhangt van de uitslag van de wedstrijd kan er worden gesproken van scorebordjournalistiek. Scorebordjournalistiek is één van de vooroordelen die bestaan over sportjournalistiek.

Tevens wordt er gekeken naar in hoeverre er sprake is van de overige heersende vooroordelen over de Nederlandse sportjournalistiek. De sportjournalistiek wordt immers door ‘serieuze’ journalisten gezien als chauvinistisch, non-objectief en emotioneel.
Hoofdvraag onderzoek

De hoofdvraag van dit onderzoek wordt als volgt geformuleerd:


Komt het kwaliteitsoordeel over de doelpunten, spelers, wedstrijden en het spel in de wedstrijdverslagen overeen met de ‘objectieve’ kwaliteitsbepalingen en is er in de wedstrijdverslagen sprake van een zekere mate van scorebordjournalistiek?
Deelvragen

Om de hoofdvraag te kunnen beantwoorden, is een aantal deelvragen geformuleerd die voortvloeien uit de in dit hoofdstuk geformuleerde theorieën, bestaande vooroordelen en verwachtingen.




  1. Welke zaken komen aan de orde in de onderzochte wedstrijdverslagen en de daarbij behorende koppen?

a. Welke niet-wedstrijdgerelateerde zakelijke mededelingen worden gedaan in de onderzochte wedstrijdverslagen en de daarbij behorende koppen?

b. Welke wedstrijdgerelateerde zaken komen voor in de onderzochte wedstrijdverslagen en de daarbij behorende koppen?

c. Waarop wordt in de wedstrijdverslagen en koppen de nadruk gelegd?


  1. In hoeverre hangt de beoordeling van de wedstrijden in de onderzochte wedstrijdverslagen door de journalist af van de uitslag? Kan men spreken van een zekere mate van scorebordjournalistiek?




  1. In hoeverre hangt de beoordeling van de kwaliteit van de gespeelde wedstrijden in de onderzochte wedstrijdverslagen door de journalist af van de factoren pressie, kansen en overwicht?

  1. Komt de beoordeling van de kwaliteit van de gespeelde wedstrijd door de journalist overeen met de wedstrijdstatistieken?

  2. Zo nee, waarop baseert de journalist zijn oordeel over de kwaliteit van de gespeelde wedstrijd nog meer?




  1. Is in de onderzochte krantenkoppen sprake van het beschrijven van emoties, wat de verwachting is die voortvloeit uit de door Henri Beunders (2002) beschreven theorie?




  1. Is in de onderzochte wedstrijdverslagen en koppen sprake van het vaak voorkomen van namen van spelers en kunnen voetballers dus daadwerkelijk gezien worden als ‘sterren’ (Stokvis, 2007)?

  1. Wanneer de namen van voetballers vaak voorkomen, zijn dit dan aanvallers, verdedigers, middenvelders of keepers?

  2. In welke context worden deze namen van voetballers genoemd? Worden zij genoemd wanneer zij goed of slecht hebben gespeeld of worden zij met een andere reden besproken?




  1. Welke verschillen bestaan er in de wedstrijdverslagen tussen de regionale en landelijke dagbladen?




  1. Berichten de regionale dagbladen positiever of kritischer over de club uit ‘hun’ stad? Is er sprake van een zekere mate van chauvinisme in de regionale dagbladen met betrekking tot voetbalwedstrijden?

In hoofdstuk 2 zal de methode worden besproken waarmee de onderzoeksvragen die hier zijn geformuleerd kunnen worden beantwoord.



Hoofdstuk 2 – Methode

In dit onderzoek worden wedstrijdverslagen van voetbalwedstrijden uit Nederlandse kranten onderzocht. Welke wedstrijden, uit welke dagbladen en op welke manier dit gebeurt zodat de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden, wordt beschreven in dit hoofdstuk.


Paragraaf 2.1 - Onderzoekseenheden

In deze paragraaf wordt uitgelegd welke keuzes zijn gemaakt bij de selectie van de onderzoekseenheden en de analyse eenheden.


2.1.1 – Selectie onderzoekseenheden

Selectie wedstrijden

In dit onderzoek worden de wedstrijdverslagen van wedstrijden uit de Nederlandse eredivisie bekeken. Er is gekozen voor wedstrijden uit de Nederlandse eredivisie van de laatste vijf seizoenen, dus van seizoen 2004 - 2005 tot en met seizoen 2008 - 2009. Uit deze seizoenen worden de onderlinge wedstrijden geanalyseerd van de drie ‘klassieke’ Nederlandse topclubs uit de Nederlandse geschiedenis Ajax, PSV en Feyenoord en de stabiele ‘middenmoter’ SC Heerenveen. In totaal gaat het in dit onderzoek dus om vijf seizoenen van vier clubs die onderling tegen elkaar voetbalden. Er worden dus 60 wedstrijden geanalyseerd. Een lijst van alle 60 wedstrijden waarop de wedstrijdverslagen betrekking hebben, is bijgevoegd als bijlage B.


Selectie dagbladen

In dit onderzoek is ervoor gekozen om per wedstrijd verschillende wedstrijdverslagen uit verschillende dagbladen te analyseren. De wedstrijdverslagen komen uit de vier grootste landelijke dagbladen: er worden twee ‘populaire’ dagbladen, het AD en de Telegraaf en twee ‘kwaliteitskranten’, het NRC Handelsblad en de Volkskrant geanalyseerd. Om te bekijken of de plaatselijke dagbladen wellicht positiever of kritischer berichten over ‘hun’ club, worden er ook twee regionale dagbladen geanalyseerd. Er is gekozen voor het Parool, een Amsterdamse krant die wellicht positiever of juist kritischer bericht over de Amsterdamse club Ajax en het Eindhovens Dagblad, een krant uit Eindhoven die wellicht positiever of juist kritischer bericht over de Eindhovense club PSV.

Het Algemeen Dagblad heeft in de jaren waarop dit onderzoek betrekking heeft nogal wat veranderingen ondergaan. Het dagblad richt zich nu op verschillende regio’s, waaronder Rotterdam, in de vorm van het huidige AD Rotterdams Dagblad. Omdat tijdens het onderzoek is gebleken dat de wedstrijdverslagen in het AD Rotterdams Dagblad hetzelfde zijn als die in bijvoorbeeld AD Rivierenland, AD Utrechts Dagblad en AD Amersfoortse Courant, wordt het Algemeen Dagblad geschaard onder de landelijke dagbladen en niet onder de plaatselijke. Er is dus geen ‘echte’ Rotterdamse krant onderzocht.

Een lijst van alle onderzochte wedstrijdverslagen is te vinden in bijlage A, dit zijn in totaal 262 wedstrijdverslagen.


Selectie wedstrijdverslagen

In principe worden er in dit onderzoek (60 wedstrijden x 6 dagbladen = 360) 360 wedstrijdverslagen onderzocht.

Hoewel het simpel lijkt te bepalen welk artikel het wedstrijdverslag is waarnaar gezocht wordt, is dit niet altijd even duidelijk. Wanneer via LexisNexis bijvoorbeeld gezocht wordt naar het wedstrijdverslag van Ajax-Feyenoord van een bepaalde dag in een bepaalde krant, blijkt dat er vaak meerdere artikelen zijn geschreven naar aanleiding van deze wedstrijd. Sommige dagbladen, zoals de Telegraaf, maken het de lezer makkelijk door de uitslag van de wedstrijd in de kop van het artikel te zetten om zo duidelijk te maken dat het een verslag is van de wedstrijd en geen achtergrondartikel. Bij andere dagbladen was dit soms lastiger. Vandaar dat er soms wel vijftien kleinere en grotere artikelen gelezen moesten worden die naar aanleiding van een bepaalde wedstrijd zijn verschenen om te bepalen welke tot wedstrijdverslag kon worden gerekend.

De keuze is gebaseerd op in welk artikel het meest werd geschreven over de wedstrijd zelf, dus op de inhoud. Soms verschenen er in hetzelfde dagblad meerdere artikelen die inhoudelijk op de desbetreffende wedstrijd ingingen. Hier is gekozen voor het langste artikel in woorden.

Bovendien is er logischerwijs gekeken naar het artikel dat zo kort mogelijk na het spelen van de wedstrijd is geschreven. Dit is makkelijk voor wedstrijden die op zondagmiddag worden gespeeld, want deze worden besproken in de krant van maandagochtend of –avond. Maar wanneer een wedstrijd op vrijdag is gespeeld, blijkt dat een aantal kranten op zaterdag een verslag plaatst, terwijl de Telegraaf dit soms bewaart voor de Telegraaf Op Zondag. Wanneer een wedstrijd op zaterdagavond is gespeeld is het nog lastiger een wedstrijdverslag te vinden. Sommige kranten schrijven hier überhaupt niet meer over (in een maandagkrant is een wedstrijd van zaterdag vaak alweer ‘oud nieuws’), terwijl bijvoorbeeld de Telegraaf in haar zondageditie wel vaak een verslag publiceert van de op zaterdag gespeelde wedstrijd. Dit is tevens een verklaring voor de verschillen in aantallen wedstrijdverslagen bij de verschillende wedstrijden. Over de ene wedstrijd wordt in alle onderzochte dagbladen geschreven, over een andere wedstrijd slechts in twee of drie.

2.1.2 - Analyse eenheden in dit onderzoek: doelpunten, spelers, artikelen en koppen

In dit onderzoek is sprake van 4 analyse eenheden: artikelen, koppen, doelpunten en spelers. De inhoud van de wedstrijdverslagen wordt op verschillende manieren geanalyseerd.


Doelpunten

Alle doelpunten die in een wedstrijd zijn gemaakt zijn ingevoerd in een bestand. Dit bestand wordt vergeleken met de inhoud van de wedstrijdverslagen. Komt dit doelpunt voor in het wedstrijdverslag? Worden de maker en de assist (voorbereider) van het doelpunt genoemd? En hoe worden deze mensen door de journalist beoordeeld? Wordt de keeper van de verdedigende partij genoemd en hoe wordt deze beoordeeld? Is het doelpunt te wijten aan een fout van de verdediging? Heeft de scheidsrechter volgens de journalist invloed gehad op het doelpunt? En hoe is deze scheidsrechtersbeslissing door de journalist beoordeeld? Heeft de tactiek van de trainer van de scorende ploeg volgens de journalist invloed gehad op het maken van het doelpunt? En hoe beoordeelt de journalist de door de trainer gekozen tactiek? In paragraaf 2.2 wordt het codeboek met betrekking tot de doelpunten besproken.


Spelers

Alle spelers die tijdens een wedstrijd hebben gespeeld zijn ingevoerd in een bestand. Ook is aangegeven hoe lang deze speler in het veld stond en wat zijn positie is in het veld. Dus keeper, verdediger, middenvelder of aanvaller. Hoewel één speler in verschillende wedstrijden verschillende rollen kan aannemen (een aanvaller wordt opgesteld als middenvelder, een middenvelder kan ook in de verdediging spelen, et cetera), is er voor gekozen om elke speler één ‘vaste’ positie toe te kennen op basis van de positie die de speler in de meeste wedstrijden innam.

Dit bestand is vergeleken met de inhoud van het wedstrijdverslag. Welke spelers komen voor in het verslag? In welke context wordt deze speler genoemd en hoe wordt de speler door de journalist beoordeeld? In paragraaf 2.3 wordt het codeboek met betrekking tot de spelers besproken.
Artikelen en koppen

Het wedstrijdverslag wordt als geheel geanalyseerd. Hiervoor is niet alleen gekozen om pragmatische redenen, aangezien het makkelijker is een wedstrijdverslag in zijn geheel te analyseren dan bijvoorbeeld per zin of alinea, maar ook om te voorkomen dat details uit het wedstrijdverslag relatief gezien (te) veel aandacht krijgen. Hoofd- en bijzaken kunnen door de wedstrijdverslagen op artikelniveau te analyseren makkelijker onderscheiden worden.

In paragraaf 2.4 wordt uitgelegd welke zaken in het wedstrijdverslag als geheel en in de daarbij behorende kop voorkomen en hoe deze zaken door de journalist worden beoordeeld.
Paragraaf 2.2 – Codeboek doelpunten

Om de verschillen te kunnen bekijken tussen de doelpunten ‘in werkelijkheid’ en de doelpunten zoals die voorkomen in de artikelen, is voor de doelpunten een codeboek samengesteld.

Allereerst wordt aangegeven of het doelpunt wordt genoemd in het wedstrijdverslag. Zo ja, dan wordt er ingevuld of de maker wordt genoemd, of de voorbereider van het doelpunt wordt genoemd (ook wel de ‘assist’ genoemd) en welke spelers van de eigen ploeg er nog meer bij het doelpunt waren betrokken. Tevens wordt aangegeven hoe deze spelers (de maker, de assist en de overige voorbereiders) door de journalist worden beoordeeld.

Wanneer een doelpunt volgens de journalist direct te wijten valt aan een bepaalde beslissing van de scheidsrechter, wordt dit aangegeven. Of het oordeel van de scheidsrechter volgens de journalist terecht of onterecht is wordt ook ingevuld.

Als laatste wordt de verdedigende ploeg in kaart gebracht. Er wordt aangegeven wanneer een doelpunt volgens de journalist direct te wijten valt aan een fout van een verdediger. Wanneer een doelpunt volgens de journalist te wijten valt aan een fout van de gehele verdedigende linie, of een fout van een middenvelder of het middenveld in zijn geheel wordt dit ook genoteerd. Het codeboek dat betrekking heeft op de doelpunten is bijgevoegd als bijlage C. Een voorbeeld van het invulschema dat is gebruikt om deze gegevens in te voeren is bijgevoegd als bijlage F.
Paragraaf 2.3 – Codeboek spelers

Wat de spelers betreft zijn van 17 wedstrijden de wedstrijdverslagen op spelersniveau geanalyseerd. Deze 17 zijn steekproefsgewijs gekozen. Elke spelersnaam die voorkomt in het wedstrijdverslag is genoteerd, met daarbij de reden van de journalist om de speler te noemen. Deze redenen (in het codeboek ‘context’ genoemd), zijn ondergebracht in de volgende 12 categorieën:



  1. Doelpunt

  2. Aanvallende actie

  3. Verdedigende actie

  4. Keepende actie

  5. Overtreding

  6. Ontvangen gele of rode kaart

  7. Blessure

  8. Wissel, in of uit

  9. Spel algemeen, de gehele wedstrijd

  10. Gedrag van de speler

  11. Positie speler

  12. Overig

Vervolgens is aangegeven per reden (context) hoe de journalist deze reden heeft beoordeeld: geen oordeel (geen oordeel gegeven door de journalist), een negatief oordeel, neutraal of een positief oordeel. Het codeboek dat betrekking heeft op de spelers is bijgevoegd als bijlage D. Een voorbeeld van een schema dat is gebruikt om deze gegevens in te vullen, is bijgevoegd als bijlage G.
Paragraaf 2.4 – Codeboek artikelen en koppen

Om de inhoud van de verschillende wedstrijdverslagen en koppen in kaart te kunnen brengen en de verschillende onderzoeksvragen te beantwoorden, is een codeboek samengesteld waardoor de informatie die nodig is om de wedstrijdverslagen te kunnen analyseren uit de wedstrijdverslagen gedestilleerd kan worden.

In deze paragraaf worden de verschillende elementen uit het codeboek van de artikelen en koppen besproken zodat duidelijk wordt welke informatie er uit de wedstrijdverslagen gehaald wordt.

Dit codeboek is bijgevoegd als bijlage E. Een voorbeeld van het invulschema dat is gebruikt bij het invoeren van de gegevens uit de koppen en artikelen is bijgevoegd als bijlage H.


Ambiance en supporters

De sfeer in het stadion kan als positief, neutraal of negatief worden beoordeeld door de journalist. Het gedrag van de supporters van een bepaalde club kan ook worden besproken op een positieve, neutrale of negatieve manier. Bijvoorbeeld wanneer er volgens de journalist ‘veel wordt gescholden door het publiek’, wordt het supportersgedrag van club A gezien als negatief.

De mate waarin het stadion gevuld is valt ook onder dit deel. Wanneer er wordt gesproken van een uitverkocht stadion, wordt dit beoordeeld als positief. Wanneer het stadion leeg is, wordt dit gezien als negatief. Wanneer slechts het aantal toeschouwers wordt genoemd, valt dit onder neutraal.
Historie, heden & toekomst

In een wedstrijdverslag kunnen historische zaken worden beschreven. Hieronder vallen zaken als “club A won al tien keer van club B”, “club B heeft zijn laatste drie wedstrijden verloren”, et cetera. Deze worden in het codeboek gespecificeerd. Ook de huidige stand in de eredivisie en welke invloed deze wedstrijd heeft op deze stand vallen onder dit deel van het codeboek. Wanneer er wordt gesproken over de huidige stand in de eredivisie van een bepaalde club wordt dit genoteerd. Wanneer de uitslag van de wedstrijd invloed heeft op de stand in de eredivisie wordt dit ook genoteerd. Uitspraken over de toekomst, bijvoorbeeld over of een bepaalde club nog kans heeft zich te plaatsen voor de Champions League of nog uitzicht heeft op het Nederlands kampioenschap, worden ook in kaart gebracht.


Voetballers als sterren

Wanneer er in het wedstrijdverslag een naam van een speler wordt genoemd, wordt behalve de naam ook genoteerd of deze speler als positief, neutraal of negatief wordt beoordeeld. Tevens wordt in kaart gebracht in welke positie deze speler speelt.

Ook wordt de context van het noemen van de naam van de speler genoteerd. Dit kan zijn dat de speler een doelpunt scoort, een belangrijke voetballende actie maakt, een overtreding maakt (positief of negatief), een redding maakt en een slechte of juist goede pass of voorzet geeft.

Door deze zaken in kaart te brengen kan worden gekeken naar of het inderdaad zo is dat voetballers als ‘sterren’ worden gezien, welke spelers het vaakst worden genoemd (aanvallers, middenvelders, verdedigers, keepers) en waarom.


Emotie

Wanneer in de krantenkop sprake is van het gebruik van typisch emotionele bewoordingen, wordt dit in het codeboek genoteerd. Hieronder vallen woorden als ‘drama’, ‘treurig’, ‘tranen’, et cetera. Tevens zal worden genoteerd waarop deze emotionele uitdrukking betrekking heeft. Dit kan zijn op de emotie van een speler, de emotie van het publiek of de emotie van de journalist naar aanleiding van de wedstrijd. Op deze manier kan worden bekeken of er sprake is van ‘emotionalisering in de sportpers’, zoals gesteld door Henri Beunders (2002). Tevens kan in kaart worden gebracht in welke context deze ‘emotionele’ uitdrukkingen het vaakst voorkomen.


Spel en voetbalkwaliteit

Logischerwijs komen in het wedstrijdverslag verschillende uitspraken voor die betrekking hebben op het spel en de voetbalkwaliteit. Hieronder vallen de beoordeling van de journalist van de wedstrijd in het algemeen (positief, neutraal of negatief), de gespeelde wedstrijd per ploeg (positief, neutraal of negatief) en de trainer en zijn beslissingen zoals bijvoorbeeld het door hem gekozen spelsysteem (door de journalist beoordeeld als positief, neutraal of negatief). Bij het ingevulde oordeel van de journalist wordt gebruik gemaakt van compensatie: bijvoorbeeld wanneer de journalist eerst heel positief oordeelt over de spelkwaliteit van een ploeg en daarna heel negatief, wordt ingevuld dat de journalist ‘neutraal’ oordeelt. Wanneer de journalist overwegend positief of overwegend negatief oordeelt, wordt ‘positief’ of ‘negatief’ ingevuld.

Wanneer de kwaliteit van de wedstrijd wordt beoordeeld aan de hand van de uitslag van de wedstrijd wordt dit genoteerd.

De beoordeling van de uitslag van de wedstrijd wordt ook genoteerd. Hierbij gaat het dan om uitspraken als “club A heeft verdiend gewonnen” (beoordeling van de uitslag van de wedstrijd als positief) of “club B heeft onverdiend gewonnen” (beoordeling van de uitslag van de wedstrijd als negatief.


Wedstrijdgebeurtenissen

Bepaalde gebeurtenissen tijdens de wedstrijd worden door de journalist expliciet genoemd. Onder de wedstrijdgebeurtenissen vallen dan ook het optreden van de scheidsrechter (door de journalist beoordeeld als positief, neutraal of negatief, omschreven als bijvoorbeeld ‘goed gezien’ of ‘slechte beslissing’), een doelpunt (hierbij wordt genoteerd aan wie dit doelpunt wordt toegeschreven en of er een positief, negatief of neutraal waardeoordeel aan wordt gegeven door de journalist, bijvoorbeeld in bewoordingen als ‘prachtgoal’ of ‘lullig terugspeelballetje’), het ontvangen van een gele of rode kaart door een speler, het krijgen van een vrije trap, een corner of een penalty en het maken van een overtreding (met een positieve, neutrale of negatieve beoordeling door de journalist, bijvoorbeeld door een omschrijving te geven als ‘nuttig’ of juist ‘onnodig’, ‘schwalbe’ of ‘nare overtreding’).


Overige zakelijke mededelingen

In dit deel worden alle overige zakelijke mededelingen die in het wedstrijdverslag worden gedaan in kaart gebracht. Dit om te kunnen onderzoeken welke niet-wedstrijdgerelateerde zaken er worden besproken in het wedstrijdverslag. Dit zijn de blessures van spelers, transfers van spelers en overige zaken met betrekking tot het spelersmateriaal van een bepaalde club (bijvoorbeeld een ‘spitsentekort’ of juist ‘veel goede verdedigers’, ‘luxeprobleem’) en zaken met betrekking tot het bestuur van de voetbalclub of de trainer. Wanneer de mededeling een waardeoordeel van de journalist behelst, wordt dit aangegeven (positief, neutraal of negatief).

Het gebruik van de term ‘klassieker’ wordt in kaart gebracht en er wordt aangegeven wanneer en hoe vaak deze term wordt gebruikt.

Paragraaf 2.5 – Het vaststellen van de ‘objectieve’ spelkwaliteit

Om de waarheidsgetrouwheid van de inhoud van de wedstrijdverslagen te kunnen vaststellen, wordt de inhoud van de wedstrijdverslagen vergeleken met de zogenaamde quasi-objectieve criteria. Zo kan toch een zekere mate van objectieve spelkwaliteit vastgesteld worden. Er wordt in dit onderzoek gebruik gemaakt van cijfers afkomstig van Infostrada Sports, het bedrijf dat voor alle eredivisiewedstrijden in Nederland de wedstrijdstatistieken bijhoudt. Dit zijn indicatoren die pogingen zijn om de kwaliteit van het voetbal te meten. Het gaat in dit onderzoek om de volgende cijfers en percentages per club, die betrekking hebben op de zaken ‘pressie’, ‘overwicht’, ‘hardheid’ van de wedstrijd en ‘reddingen’.


Pressie

  1. Aantal corners

Het aantal corners kan voor een deel de pressie die de ene ploeg op de andere zet aangeven. Wanneer er meer druk wordt gezet door de ene ploeg, zal de andere ploeg soms (noodgedwongen) een corner moeten ‘weggeven’.

  1. Aantal keer buitenspel

Wanneer een speler buitenspel staat en hier wordt voor gefloten, betekent dit meestal dat de ploeg van deze speler aanvallend speelt en druk zet op de tegenpartij.
Kansen

  1. Aantal schoten op doel

Het aantal schoten op doel (die dus zonder eventuele redding van de keeper een doelpunt zouden zijn geweest) hangt samen met het aantal kansen dat een ploeg heeft gehad om een doelpunt te maken.

  1. Aantal schoten naast het doel

Het aantal schoten naast het doel hangt samen met het aantal kansen dat een ploeg heeft gehad tijdens de wedstrijd.

  1. Aantal schoten op de paal/lat

Het aantal schoten op de paal of lat geeft voor een deel het aantal kansen aan dat een ploeg had.
Overwicht

Percentage balbezit

Het percentage balbezit kan een indicatie geven van het overwicht van een bepaalde club op zijn tegenstander.
Hardheid’ van de wedstrijd


  1. Aantal ‘fouls’ (fouten)

Het aantal keer dat de scheidsrechter fluit voor een fout. Dit heeft direct te maken met de hardheid van de wedstrijd, zeker wanneer dit aantal erg hoog ligt.

  1. Aantal vrije trappen

Het aantal toegekende vrije trappen is een deel van het aantal ‘fouls’ (fouten). Wanneer de scheidsrechter fluit voor een fout, kan hij, wanneer hij de overtreding zwaar genoeg acht, een vrije trap toekennen.

  1. Aantal toegekende penalty’s

Het aantal toegekende penalty’s is een deel van het aantal ‘fouls’ (fouten). Wanneer de scheidsrechter fluit voor een overtreding en deze vindt plaats in het strafschopgebied, kan een penalty worden toegekend.

  1. Aantal gele en rode kaarten

Het aantal gele en rode kaarten dat uitgedeeld wordt tijdens een wedstrijd kan een indicatie geven van de ‘hardheid’ van de wedstrijd.
Reddingen

  1. Aantal reddingen

Het aantal reddingen geeft de reddingen aan van de keeper. Het gaat om schoten die anders doelpunten zouden zijn geweest.

  1. Aantal ‘line saves’ (reddingen op de lijn)

Het aantal reddingen op de lijn geeft reddingen aan van een veldspeler. Het gaat dan om een schot dat anders een doelpunt zou zijn geweest.
Door deze cijfers, deze quasi-objectieve criteria, te gebruiken, kan worden bepaald in hoeverre elk van deze zaken de uitslag van de wedstrijd bepaalt. Vervolgens kan worden gekeken naar in hoeverre de beoordeling van de kwaliteit van de wedstrijd in wedstrijdverslagen afhangt van de quasi-objectieve kwaliteitsmeting. Naarmate dit meer het geval is en er minder wordt gekeken naar de uitslag, is er dus minder sprake van scorebordjournalistiek.

Paragraaf 2.6 – Gegevens wedstrijden, spelers en clubs

Van elke wedstrijd worden behalve bovenstaande gegevens ook andere zaken geanalyseerd die voor kunnen komen in het wedstrijdverslag of die invloed kunnen hebben op de beoordeling van de kwaliteit van de wedstrijd door de journalist in het wedstrijdverslag.


Spelers

Van elke wedstrijd zijn de speelminuten ingevoerd van alle spelers. Er is ingevoerd of de speler de gehele wedstrijd speelde of dat hij inviel of uitviel. Ook is genoteerd welke positie deze speler stond, dus of de speler een aanvaller, middenvelder, verdediger of keeper is. Dit zodat er kan worden gekeken naar welke spelers het vaakst worden genoemd in de wedstrijdverslagen.


Doelpunten en scoreverloop

Van elke wedstrijd zijn alle gevallen doelpunten ingevoerd. Ook zijn de makers van de doelpunten ingevoerd, de eventuele assist (aangever), de speelminuut waarin het doelpunt is gemaakt en vanuit welke situatie het doelpunt is gescoord (normale spelsituatie, dode spelsituatie, rebound, penalty, eigen doelpunt of solo).


Clubs

De prestaties van de club vorig seizoen, de stand eredivisie op dit moment (voorafgaand aan de wedstrijd, na afloop van de wedstrijd), de uitslag van de wedstrijd, de speelronde en het spelsysteem kunnen voor komen in het wedstrijdverslag en worden genoteerd. Dit om te kijken naar of de journalist zijn kwaliteitsoordeel baseert op de gespeelde wedstrijd, of dat hij de wedstrijd niet ‘los’ ziet en andere zaken mee laat wegen.


Hoofdstuk 3 – Resultaten

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek worden gepresenteerd en de deelvragen beantwoord.


Paragraaf 3.1 –Intercodeursbetrouwbaarheid

Om ervoor te zorgen dat dit onderzoek betrouwbaar is, is van alle geanalyseerde doelpunten in de wedstrijdverslagen 15 procent door een tweede codeur gecodeerd. Er bleken nogal wat verschillen te zitten in de coderingen door de eerste en tweede codeur. Vandaar dat het codeboek later is aangescherpt.


Paragraaf 3.2 – Resulaten ‘objectieve’ spelkwaliteit

Om de ‘objectieve’ spelkwaliteit en de verhoudingen tussen de ploegen te bepalen, zijn verschillende berekeningen uitgevoerd. Hiervoor zijn de wedstrijdstatistieken van onderzoeksbureau Infostrada gebruikt. Van het eerste seizoen zijn deze wedstrijdstatistieken incompleet, omdat Infostrada pas in het tweede seizoen uit dit onderzoek(2005 – 2006) is begonnen met het bijhouden van alle cijfers van de eredivisiewedstrijden.

Allereerst is het kanssaldo per wedstrijd bepaald. Het kanssaldo per ploeg is het gemiddelde tussen het aantal schoten op het doel, op de paal en lat en het aantal schoten naast het doel per ploeg en het aantal reddingen en linesaves per ploeg. Om het totale kanssaldo per wedstrijd te berekenen is het kanssaldo van de thuisploeg verminderd met het kanssaldo van de uitploeg. Hiermee kan een begin worden gemaakt om de verhoudingen tijdens de wedstrijd tussen beide ploegen te bepalen.

Vervolgens is de pressie per wedstrijd bepaald. De pressie per ploeg is het gemiddelde tussen het aantal keer buitenspel per ploeg en het aantal corners per ploeg. De pressie per wedstrijd is berekend door de totale pressie van de thuisploeg te verminderen met de totale pressie van de uitploeg.

Ook is de zogenaamde hardheid van de wedstrijd bepaald. De hardheid per ploeg is het gemiddelde tussen het aantal vrije trappen dat een ploeg heeft meegekregen en het aantal fouten dat een ploeg heeft gemaakt waarvoor is gefloten. De hardheid van de wedstrijd is bepaald door de totale hardheid van de thuisploeg te verminderen met de totale hardheid van de uitploeg.

Als laatste is het balbezit van belang om de ‘objectieve’ spelkwaliteit te bepalen. Het balbezit hangt namelijk nauw samen met het overwicht per ploeg.



De resultaten van het kanssaldo, het pressiesaldo, het hardheidssaldo van de wedstrijd en het overwichtssaldo is in onderstaand schema weergegeven voor alle 60 geanalyseerde wedstrijden.

Tabel 2Kanssaldo, pressiesaldo, hardheidssaldo en overwichtssaldo voor wedstrijden nummer 1 tot en met 60 (Ajax, Feyenoord, PSV en SC Heerenveen tegen elkaar in seizoenen 2004 – 2005 tot en met seizoen 2008-2009)1

Wedstrijd

Kanssaldo

Pressiesaldo

Hardheidssaldo

Overwichtssaldo

1

.

.

.

.

2

.

.

.

.

3

.

.

.

.

4

.

.

.

.

5

.

.

.

.

6

.

.

.

.

7

.

.

.

.

8

.

.

.

.

9

.

.

.

.

10

.

.

.

.

11

.

.

.

.

12

.

.

.

.

13

2,09

-1,78

0,17

0,08

14

-0,17

-2,89

0,77

0,07

15

0,25

1,14

-0,56

-0,02

16

-1,08

1,16

-0,07

-0,02

17

1,1

-2,07

0,38

0,14

18

-1,1

0,6

0,15

-0,05

19

1,25

0,46

0,32

0,01

20

0,51

0,31

-0,1

0

21

0,4

0,39

0,3

0,06

22

-0,44

-0,58

0,06

0,08

23

-1,57

2,25

-0,47

0,01

24

-0,91

-0,89

0,3

0,02

25

0,29

0,41

-0,06

-0,01

26

-0,5

0,44

-0,2

0

27

-2,31

0,64

-0,18

-0,07

28

-1,54

-0,78

0,04

-0,04

29

0,05

-0,71

-0,07

0,04

30

-0,3

0,59

0,28

0

31

0

1,51

-0,56

0,04

32

1,73

-1,43

0,29

0,12

33

0,12

0

-0,32

0,09

34

0,95

-1,63

0,61

0,1

35

-0,5

2,1

-0,21

0,02

36

-1,83

0,46

0,4

0,01

37

0,68

-0,31

0,29

0,11

38

-0,06

0,37

0,17

-0,03

39

-0,99

-0,93

0,75

0,09

40

-0,07

0,21

-0,34

-0,08

41

1,09

0,43

-0,31

0,08

42

1,05

-2,15

-0,2

0,14

43

-1,63

1,52

-0,56

-0,02

44

0,23

0,68

-0,32

0,03

45

0,55

-0,7

0,04

0,03

46

-1,61

-0,85

0,17

0,05

47

-0,39

0,39

-0,45

-0,07

48

1,54

0,01

-0,47

0,04

49

-0,42

-0,04

-0,05

-0,01

50

0,72

0,69

-0,18

-0,07

51

0,09

-0,38

0,07

0,6

52

0,67

0,44

-0,32

0,11

53

-0,31

2,18

0,02

-0,06

54

0,16

-0,62

0,17

0,04

55

-1,22

0,51

-0,08

-0,9

56

-0,54

0,26

-0,33

0,02

57

1,92

-0,3

0,18

0,08

58

0,93

-1,85

0,53

0,07

59

0,19

1,35

-0,57

-0,03

60

0,82

0

0,51

0,07

De interpretatie van deze tabel is als volgt. Wanneer bijvoorbeeld bij wedstrijd nummer 60 (19 april 2009, PSV – Ajax, 6 – 2) het kanssaldo 0,82 is, heeft PSV 82 procent meer serieuze kansen gehad dan Ajax. Het pressiesaldo in wedstrijd 60 is 0. Dit betekent dat beide ploegen evenveel pressie hebben gezet op elkaar. Het hardheidssaldo is 0,51. PSV heeft dus 51 procent meer hardheid getoond in het spel. Althans, zo is dit door de scheidsrechter tijdens de wedstrijd bepaald, want deze heeft immers gefloten voor fouten en vrije trappen toegekend. Het overwichtssaldo is 0,07. Dit betekent dat PSV 7 procent meer balbezit had dan Ajax in deze wedstrijd.


Om nu de totale ‘objectieve’ spelkwaliteit per wedstrijd te bepalen, wordt het gemiddelde van het kanssaldo, het pressiesaldo en het overwichtssaldo berekend. Het hardheidssaldo wordt buiten beschouwing gehouden, omdat dit niet direct verband houdt met de kwaliteit van het spel. Dit is in de volgende tabel te zien.


Tabel 3Totale spelkwaliteit van wedstrijden nummer 1 tot en met 60 (Ajax, Feyenoord, PSV en SC Heerenveen tegen elkaar in seizoenen 2004 – 2005 tot en met seizoen 2008-2009)2

Wedstrijd

Totale spelkwaliteit

1

.

2

.

3

.

4

.

5

.

6

.

7

.

8

.

9

.

10

.

11

.

12

.

13

0,13

14

-1

15

0,45

16

0,02

17

-0,27

18

-0,18

19

0,57

20

0,27

21

0,28

22

-0,31

23

0,23

24

-0,59

25

0,23

26

-0,02

27

-0,58

28

-0,78

29

-0,21

30

0,1

31

0,52

32

0,14

33

0,07

34

-0,19

35

0,54

36

-0,45

37

0,16

38

0,09

39

-0,61

40

0,02

41

0,53

42

-0,32

43

-0,05

44

0,32

45

-0,04

46

-0,8

47

-0,02

48

0,53

49

-0,16

50

0,45

51

0,1

52

0,41

53

0,6

54

-0,14

55

-0,54

56

-0,09

57

0,56

58

-0,28

59

0,5

60

0,3
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


Dovnload 1.69 Mb.