Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Familiewapen familie ijzerman

Dovnload 78.29 Kb.

Familiewapen familie ijzerman



Datum01.08.2017
Grootte78.29 Kb.

Dovnload 78.29 Kb.


Familiewapen

familie IJzerman

Getekend door Johan IJzerman (Action Art Lelystad)

Geschreven door J.H.H. Hermann Hülsmann met medewerking van Rob IJzerman

Opgemaakt en bewerkt door Joh. IJzerman



INHOUD
Voorblad met wapen getekend door Johan IJzerman 1
Inhoud 2
Woord vooraf 3
“Handmerk – zehgel – wapen” 4
Een “IJzerman-handmerk” 5
Zegel 6
Het zegel van Jacobus IJserman (1723-1808) 7
Een “IJzerman-wapen”? 9
De beide “wapens – Viruly” bij Vorsterman van Oyen. 13
“Wapen – IJzerman” en “Wapen – Viruly” 14
De ‘Vlag’ van P.W. IJzerman, Oud-Beijerland 16
Aanvullende informatie 18
Schets van het familiewapen gemaakt aan de hand van

het briefpapier van Pieter Wouter IJzerman uit Oud-Beijerland 20




WOORD VOORAF
Omstreeks 1978 ben ik met de eerste stappen begonnen van wat nu de stamboom is. In mei 1981 kreeg ik een brief van ene M.J. IJzerman. De brief begon als volgt:” Toen ik laatst op het Rijksarchief te Arnhem was en ik mij op de studiezaal meldde, haalde men 2 bezoekkaarten tevoorschijn, waarvan er één van mij en de ander van u was. De betreffende functionaris was zo vriendelijk om mij uw naam en adres te laten overschrijven, vandaar dat ik uw adres weet”, einde citaat. Dit was het begin van een bijzondere mooie en boeiende (genealogische) vriendschap, tot hij in juli 2007 bezweek aan de gevolgen van kaakkanker.

Naar aanleiding van zijn brief heb ik Thijs een brief terug gestuurd met een kopie van een familiewapen die ik (waarschijnlijk) van Frans IJzerman uit Leiderdorp had gekregen en het laten tekenen door een ervaren tekenaar.

De tweede zending d.d. 28 mei 1981 die ik van Thijs kreeg bevatten een groot deel van zijn stamboom. Hij schrijft het volgende: het zijn kopieën, waarin de afstammelingen van de zogeheten “Veluwse tak”, “Rotterdamse tak” en “Betuwse tak” van mijn familie wordt behandeld. Het is een deel van een heel verhaal over het geslacht IJzerman te Heukelum en Leerdam , wat opgesteld wordt dor een ‘oom’ van mij (hij is een zoon van en oudere zuster van mijn grootvader), Mr. J.J.H. Hülsmann te Den Haag (zoon van het echtpaar Hülsmann-IJzerman). Hij doet dit voornamelijk aan de hand van gegevens van Dr. Rob IJzerman die erg veel verzameld heeft in betrekkelijk korte tijd. Daarnaast heeft hij ook de gegevens van mijn ‘overoudoom’ Jacobus IJzerman.

In het pakket zat ook het verhaal over het familiewapen. Daarover schrijft Thijs: Verder stuur ik je nog een verhandeling over Handmerk-Zegel en wapen van de fam. IJzerman. Hoewel dit gedeeltelijk betrekking heeft op mijn voorgeslacht, staat er ook e.e.a. in over het wapen dat jij me stuurde. Hopelijk wordt je in ieder geval wat wijzer over het wapen IJzerman. Dit komt overigen ook uit het voornoemde verhaal over mijn familie. Tot zover de citaten uit de brief van Thijs.

Het bijzondere van deze kopieën was dat alles met de hand geschreven was met een bijzonder mooi handschrift. Een document waar veel tijd aan besteed is.
Om het document voor iedereen beter toegankelijk te maken heb ik er een Word­document van gemaakt. Hierin zijn de gebruikte tekens en brieven zoveel mogelijk verwerkt.

Het gekleurde familiewapen aan het begin van dit document is gemaakt door Johan IJzerman uit Lelystad. Dit ook op basis van de beschrijving van de heer Hülsmann.


Dedemsvaart, december 2010

HANDMERK” – ZEGEL – “WAPEN”
Handmerk
Wanneer november 1681 Adriaen Iserman (Willemszoon, 1639-1703, een volle neef van onze voorvader Arien IJserman, Theuniszoon, de herbergier te Heukelum, aldaar in 1719 overleden)te Amsterdam met zijn tweede echtgenote Aeltie Elbers uit Emden, weduwe van Jan Jansz Blaauw, in ondertrouw gaat, ondertekent zij de akte met een simpel kruisje. De bruidegom bevestigt met zijn handtekening “Adriaen Iserman”als het ware de echtheid van het ‘persoonsmerk’ van zijn bruid. Aeltie was de schrijfkunst niet machtig. Een in die tijden nog vrij veel voorkomend verschijnsel. Ook de weduwe van de schipper Aert Thonisz, die in december 1591 aan Adriaen Jansz IJserman te Heukelum (was hij inderdaad de overgrootvader van de beide voornoemde neven?) een boomgaard verkoopt, kon hij zich, ter vervanging van de vereiste handtekening, alleen maar met een kruisje behelpen: “Dits Huybertken Hendricxdochter merck ”, constateert de steller van de koopakte,

de secretaris te Heukelum Henrick Muijll.

Maar die lieden, al konden ze niet schrijven, wel eens vaker, bijvoorbeeld in hun beroep, voor de noodzaak werden geplaatst officiële stukken te ondertekenen, bedienden zich daartoe, liever dan van zo’n onpersoonlijk kruisje, van een meer persoonlijk ‘handmerk’. Dat zien we bijvoorbeeld in de twee andere akten (van februari 1591en maart 1592) waarbij Adriaen Jansz betrokken is geweest. In het officieel bewaarde afschrift van eerstgenoemde akte noteert Muijll: Onder stont gescreven ende gemerckt aldus: Ariaen Jansoen IJserman, Michiel Herman Merck’. En wat de laatste akte betreft: “Onder stondt aldus: Jan hagen merck , anthonis Janszn .”Zo legaliseerde de secretaris de ondertekening die onder de (aan partijen afgegeven) originele exemplaren van het stuk waren geplaatst door diegenen onder de contractpartijen of ‘wijncoopsluijden’ (getuigen), die de schrijfkunst niet beheersten!

‘Handmerken’ (in ruime zin ook ‘huis-‘ of ‘hofmerken’ genoemd) waren in vroeger tijden – met als hoogtepunt van hun verbreiding de latere middeleeuwen – heel gebruikelijk als teken die, gebonden aan een bepaalde persoon, in de plaats van diens naam werden aangebracht onder meer ten bewijze van eigendom (bijvoorbeeld aan den gevel van huis of boeienhoeve), in akten ter vervanging van een handtekening, op grafstenen, enz. Meestal bestond zo’n merk uit een samenstel van in hoofdzaak rechte lijnen; daar ze werden aangetroffen speciaal in de van ouds door Germaanse stammen bewoonde landstreken, en reeds in de vroegste Germaanse rechtsbronnen van zodanige “huismerken” sprake is, heeft men die tekens, vooral ook wegens hun uiterlijke overeenstemming met de oud-germaanse runetekens, met deze runen in verband gebracht.

Een paar van dergelijke “primitieve” tekens, aangetroffen in documenten uit 1557 te Heukelum,

heeft Rob IJzerman indertijd overgetekend en geef ik weer: zo het ‘merck’ van een zekere

Claes Daemensz, dat van Jan Tonisz braen , en dat van Jan Gerritzn Spronck .

Op het blad in deze map met de fotokopie van de voornoemde akte van 31 maart 1592 zien we nog enkele slotregels van een voorafgaande akte met daarin opgenomen met “merck” van



Jan Cortensz en dat van Bauwen Jansz

En tenslotte mag in dit verband niet onvermeld blijven het “handmerk” dat de – in de schrijfkunst uitermate bedreven! secretaris Henrik Muijll Jansz zelf aan het slot van de door hem gestelde akten achter zijn handtekening placht te zetten .



Een “IJzerman-handmerk”

Het enige “handmerk”van een IJzerman dat ons (tot dusver) bekend is. Rob heeft het aangetroffen in het “Leenregister” (akte van 17 augustus 1706) van de “Heren van Heukelum en Leijenburg”, het register dat de “leenbrieven”(pachtcontracten) bevat van de goederen van het Huis te Heukelum, het Kasteel “De Merckenburgh” tussen de stadjes Heukelum en Asperen. Arien Theunisz IJserman, de herbergier (hiervoor al genoemd), gebruikte het merk, toen hij als één van de twee “getrouwe mannen van leen” van de Heer van Heukelum samen met diens “stadhouder” Pieter de Groot en met zijn collega man-van-leen Jan de Groot geroepen was (bij uitzondering; meestal werd volstaan met aan het contract het zegel van de Heer te hechten) een leenbrief eigenhandig te ondertekenen. Terwijl Pieter en Jan de Groot bij die gelegenheid een duidelijke handtekening plaatsten, volstond Arien met een “handmerk” dat vervolgens door de secretaris W. Exalto – de man die de contracten op schrift placht te stellen – voor “echt” werd erkend.

Heeft Arien zich toen met de “A” van zijn voornaam beholpen? Was hij de schrijfkunst niet voldoende machtig? Wel opmerkelijk voor een man, die als herbergier, dagelijks toch allerhande “zaken” af te handelen zal hebben gehad!

We mogen ons gelukkig prijzen dat Rob, niet lang nadat in 1964 de toenmalige “Heer van Heukelum”, R.A. Baron van Heukelum van Brandsenburg, het archief van het Huis ter beschikking van het Rijksarchief in Den Haag had gesteld, nog in de gelegenheid is geweest het leenregister uitvoerig te bestuderen, er aantekeningen uit over te nemen, en zodoende heel wat materiaal, voor onze familiegeschiedenis van belang, bijeen te brengen. Bovengemeld “handmerk” met bijschrift heeft hij er uit overgetekend. Toen ik onlangs op het Rijksarchief het leenregister nog eens opvroeg, werd mij meegedeeld dat, wegens de zeer slechte staat waarin de stukken verkeren, deze helaas niet aan het publiek ter inzage kunnen worden gegeven.

Voor uitvoeriger bericht over de “leen“ (pacht)verhoudingen met het Huis te Heukelum verwijs ik naar het hoofdstukje hierna onder de naam “Den Wagtelvanger”, de naam van het stuk land ten zuiden van Heukelum, dat Arien – en vóór hem zijn broer Jan Teunisz IJserman vanaf 1683 tot aan zijn overlijden 1703/1704 – van de Heer van Heukelum in pacht heeft gehad.



Zegel
Ik noemde zojuist Jan Theunisz, de broer van Arien IJserman. Hij is de oudste der IJzermannen van wie we weten dat hij een zegel (ter zegeling van officiële stukken) heeft bezeten en gebruikt. In zijn nalatenschap die bij overeenkomst van 2 september 1704 tussen zijn familieleden tot verdeling is gebracht, bevonden zich een “schepenzegel” en een, zoals het in de akte heet, “signet” (fr. “signet”= zegelstempel). Een schepen kon het in die tijd niet stellen zonder een stempel waarmee hij op de talrijke voor schepenen verleden akten zijn zegelafdruk kon aanbrengen. En Jan is – kan er zijn hierna opgenomen levensbeschrijving op nazien – in de periode 1681 – 1698 bij herhaling door de Heer van Heukelum (die de benoemingen in het bestuur van de stad en baronie van Heukelum in de hand had) aangesteld tot schepen (naast zijn andere officiële bestuursfuncties: die van hogendijkheemraad en eerste of tweede burgemeester).

De heer J. Fox, rijksarchivaris, die voor Rob bij zijn onderzoekingen in het archief in Den Haag vele malen steun en vraagbaak is geweest, schreef hem in een brief van 10 maart 1971 over de werkwijze in de schepencollege het volgende:

Naar U mij schrijft, is Jan Theunisz. IJserman schepen van Heukelum geweest van 1682-1698. Als in een stad onroerend goed getransporteerd werd, placht dat in de zeventiende en achttiende eeuw ten overstaan van twee schepenen te geschieden. Er werd een akte opgemaakt in de vorm van een charter, door de betrokken schepenen bezegeld, dat de koper als bewijsstuk meekreeg. Van dezelfde akte werd de minuut dan wel het afschrift in het archief van de schepenbank bewaard.

Laat mij een voorbeeld noemen: Jan Iserman en Theunis Alerts Valck, schepenen van stad en baronie van Heukelum, geven 30 juli 1684 een akte uit inzake de overdracht van ruim drie morgen land aan de vier kinderen van de deurwaarder Johan van Ruymbeeck. We kennen van deze akte de minuut, die we ingeschreven vinden in het hier berustende rechterlijk archief van Heukelum inv. No. 23 folie 100verso. Kenmerkend voor de minuut is, dat deze door de schout, door de beide genoemde schepenen en door de secretaris van Heukelum is ondertekend. De laatste zin van de akte luidt evenwel: “ T’oirconde son hebben wij schepenen voornoemt elck onsen segel aen desen brief doen hangen op den 30en July 1684”, met andere woorden de deurwaarder Johan van Ruymbeeck moet ten behoeve van zijn kinderen de genoemde akte hebben ontvangen in de vorm van een charter dat de zegel van de beide schepenen droeg.

“Onomstotelijk staat dus vast, dat Jan Iserman een zegel heeft gevoerd. De grote vraag is, of het nog ergens bewaard zou zijn gebleven. Men zal het juist niet in het rechterlijk archief van Heukelum moeten zoeken, maar elders. Ik kan er U tot mijn spijt niet direct aan helpen, maar wil er wel op bedacht blijven”.
Tot zover de heer Fox. Omtrent het uiterlijk van het bewuste zegel worden wij niets gewaar. Zal er nog ooit een afdruk van opduiken? Uitgesloten is dit niet. “In de registers van transporten van Heukelum bevinden “zich vele stukken waarbij vermeld staat dat schepenen – zoals Jan – “t ‘oirconde” (ter bekrachtiging) hun zegel aan de “brief” hebben doen hangen” aldus Rob.

In zijn brief van 6 maart 1971 aan de heer Fox (waarop bovenstaande brief het antwoord is geweest) deelt Rob nog mee, dat in de Heukelumse registers vele malen de handtekening van Jan Theunisz IJserman voorkomt (Civielle Rollen Nos. 12,13 en 14, 1675-1701; Registers van Transporten enz. No. 23, 1671-1706). Bovendien zou hij eigenhandig zijn huwelijksvoorwaarden hebben geschreven. Jan was dus geenszins een “analfabeet” (zoals – vrezen wij – zijn broer Arien).




Het zegel van Jacobus IJserman (1723-1808)
Gelukkig beschikken wij wel over een afdruk van het zegel dat Jacobus IJserman gedurende de betrekkelijk korte periode (van februari 1795 tot april 1796) waarin hij te Leerdam het ambt van schepen heeft bekleed, als zodanig heeft gebruikt.

Al lang voor de “omwenteling” van 1795 had Jacobus, smid te Leerdam, zich doen kennen als overtuigd “patriot”. In 1787, toen na de aanhouding van Prinses Wilhelmina te Goejanverwellesluis (28 juni) de oranjegezinden te Leerdam op allen die van anti-orangisme werden verdacht hun woede koelden met vernielingen en plunderingen (6 juli), had ook zijn huis in de Nieuwstraat het moeten ontgelden. Het hoeft niet te verwonderen dat alreeds enige weken na het binnenrukken van Franse troepen in Leerdam in januari 1795, bij de wisseling van het bewind op 26 februari, Jacobus, ondanks zijn leeftijd, (hij was 22 september 1723 geboren, dus 72 jaar) werd verkozen tot schepen, 3 maanden later gevolgd tot zijn benoeming tot één der burgemeesters.

Over een en ander zal hierna uiteraard uitvoeriger worden gehandeld; op het ogenblik interesseert ons het door hem in zijn kwaliteit van schepen gebezigde zegel.

Het in ons bezit zijnde stuk is een wederzijds testament van de echtelieden Jacob en Judith Joseph (waarin dezen elkander over en weer te erfgenaam benoemen, onder het treffen van voorzieningen ten behoeve van eventuele toekomstige kinderen), op 4 oktober 1795 te Leerdam verleden door Gerrit Drooglever, schout, en Jacobus IJserman en Rutter van Vooren, schepenen. Het door de secretaris

E.L. Musquetier voor “conform” getekende afschrift is voorzien van de twee schepenzegels, afgedrukt in papier (met nog zichtbaar de resten van de rode lak) en op het document vastgezet.

Wat de herkomst ervan betreft: na het overlijden van Jacobus IJzerman (‘oom Koos”, 1855-1935, oud-directeur van de Openbare Handelsschool te Amsterdam) ontving ik uit handen van zijn zoon Arie de gehele genealogische documentatie van zijn vader (waaronder het bewuste stuk) betreffende het geslacht IJzerman. Ik veronderstel dat hij het stuk tezamen met een uitgebreide verzameling knipsels (familieadvertenties) heeft kunnen verwerven van een genealogisch bureau dat zich op het bijeenbrengen van dergelijke voor familieonderzoek interessante gegevens toelegt.

De zegelafdruk is cirkelvormig. De middenpartij wordt opgevuld door – onderaan – een wapenschild, waarop afgebeeld een hoofdletter A (zoals in de tekening is weergegeven), en onderaan een enigszins onbeholpen aanduiding van een naar links gekeerde helm, voorzien van “helmteken”(twee rechtop staande vleugels) en “dekkleden”. Het randschrift luidt: .S : JACOBUS. YSERMAN.
Al in maart 1971 had Rob met rijksarchivaris Fox ondermeer over deze zegelafdruk (en een mogelijk “IJzerman-wapen”) gecorrespondeerd. In zijn hierboven grotendeels geciteerde brief van 10 maart 1971 schrijft de heer Fox: de “S” in het randschrift van het zegel zou ik als afkorting van “segel” of “sigillum” willen beschouwen. De geschreven “A” in het wapen is – dunkt me – niet op te vatten als een afkorting van Auditeur (zoals Rob, gezien de rechterlijke taak van een schepen, had gesuggereerd). “Ik zie er een meer persoonlijk kenmerk in die ik echter niet kan verklaren. Eventueel zou het m.i. de initialen van een Arie(n) IJzerman kunnen zijn”.

Naar aanleiding o.m. van deze laatste opmerking schreef Rob een paar dagen later (20 maart 1971) aan Dr. Enno van Gelder, directeur van het Penningkabinet: Heraldici zijn het er over eens dat de letter A het initiaal van een naam is. De grootvader van Jacobus IJzerman heette Arien IJserman en diens grootvader was vermoedelijk de Adriaan Jansz IJserman. Het is niet onwaarschijnlijk dat Jacobus, toen hij bij de benoeming tot schepen een zegel nodig had, een zegel van een oudere datum tot voorbeeld nam, hetzij van Arien, hetzij van Adriaan, waarbij dit oude zegel reeds een schildje droeg met de letter “A”.

Rob droeg, toen hij deze veronderstelling opperde, nog geen kennis van het door Jacobus” grootvader gebruikte “handmerk”, hiervoor besproken. Ruim anderhalfjaar later, in december 1972, komt hij in een brief aan Fox op de kwestie terug. Hij heeft inmiddels het Leenregister van de Heren van Heukelum in hanen gehad, en is daarbij gestuit op de akte van 17 augustus 1706 met het bewuste “handmerk” van Arien (zij het dan niet het gezochte zegel!). Niettemin schrijft hij: “Nu kan gemeld worden dat Uw (Fox) zienswijze bevestigd is: in 1706 wordt een leenbrief ingeschreven in het register. Arien Iserman behoort tot de mannen-van-leen. In plaats van een handtekening zet hij een “merk”, de gezochte letter A (volgt een weergave van het onderschrift, met de “bekrachtiging” door Exalto, zoals ook hierboven al weergegeven).

Een “IJzerman-wapen”?
Wanneer het eens voorkwam dat iemand uit de familie me vroeg of er soms een “wapen-IJzerman” antwoordde ik: Wat wil je: iets moois of….iets echts (authentiek)?

Iets echts: dat zou dan moeten zijn het enige “teken” waarvan we met zekerheid weten dat het ooit door één van onze voorvaderen is gebruikt, namelijk het schepenzegel met de hoofdletter “A”, waarvan Jacobus IJzerman, de smid en “patriot”, in het jaar 1795, toen hij schepen was te Leerdam zich heeft bediend. Maar, zoals Arie IJzerman (1876-1960), de keel-neus-en oor arts te Amsterdam, heeft uitgedrukt: ‘voor dit “huismerk”kan ik niets voelen, omdat dat nog steeds slecht zóó sober is “en het bovendien “slechts van korten bestaansduur moet zijn geweest”. Dat schreef hij over een wapen dat zou moeten worden aangebracht op het wapenbord van het “Collège des Notables de l’Eglise Wallonne”, de Waalse Kerk aan het “wallenpleintje” te Amsterdam.




De voorkeur van oom Arie – zoals vóór hem van anderen in de familie - ging uit naar het “wapen-met-de-hoefijzers”, waarmee men kennis had gemaakt door contacten met de makelaar H.G.J. IJzerman te Amsterdam, en waarvan de genealoog R.T. Muschart aan deze (naar een lakstempel uit de 18de eeuw) de volgende omschrijving had gegeven:
Wapen IJzerman”

In blauw een gouden dwarsbalk vergezeld boven 2 hoefijzers met de kalkoenen naar boven en daartusschen een kleine ster, beneden van één dito hoefijzer.

Helmteeken: een dito hoefijzer tusschen een vlucht.

Aldus komt dit wapen voor op een losse lakafdruk van

A* 1700 te Amsterdam, persoons-aanduidingen zijn hieromtrent niet bekend.
Voor goed begrip: “Kalkoenen” (een term afkomstig uit het oudfrans: “calcain”) noemt men de omgebogen punten van een hoefijzer. De “crux” (d.i. het voor tweeërlei uitleg vatbare duistere punt) in de door de heer Muschert gegeven omschrijving van het wapen is gebleken te zijn de betekenis van het woord: “daartussen”. Waartussen? Slaat dat ‘daar’ in ‘daartussen’ terug op het voorgaande begrip ‘kalkoenen’, dan wel op het verder terugliggende begrip ‘hoefijzers’? Dat maakt een niet onbelangrijk verschil; hier ligt een grond voor een mogelijke misvatting (naar inderdaad is gebleken). Het gaat er om, of een ‘kleine ster’ moet worden geplaatst tussen de twee hoefijzers boven de dwarsbalk (uitleg a), dan wel tussen de naar buiten gebogen punten van ieder hoefijzer afzonderlijk (uitleg b). De eerste uitleg, die onder a (plaatsing van de -éne- ster tussen de twee hoefijzers boven de balk), is de juiste. Dit blijkt uit een door de heer Muschart (gelet op het karakteristieke handschrift!) eigenhandig gestelde omschrijving van het wapen op een fiche dat zich bevindt in het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. (De ‘verzameling Muschart’ in het CBG bevat fiches met beschrijvingen van wapens, vrucht van de ‘indiceringarbeid’ van R.T. Muschart.).

Dit bureau zond 4 februari 1971 een copie van dit fiche aan Rob. (Wij zenden U hierbij xeroxcopieën van 3 fiches uit onze heraldische collectie Muschart betreffende wapens IJzerman). De omschrijving van het wapen op het fiche luidt:

26A IJzerman

In blauw een gouden dwarsbalk vergezeld van eene kleine ster tusschen 2 hoefijzers met de kalkoenen naar boven, beneden van een dito hoefijzer.

Helmteeken: een dito hoefijzer tusschen vlucht.

familie te Amsterdam in 1700

N.B. vergelijk IJzerman met een dwarsbalk vergezeld van 3 hoefijzers.

Losse lakafdruk in 1920 in bezit van de Heer J. Steenkamp.


Deze zienswijze vindt bevestiging in een brief van 26 januari 1971 van de heer Marten N. Damstra (Heraldisch Bureau te Groenaken), met wie Rob telefonisch contact had gehad. Damstra, die de collectie lakstempels van Steenkamp had verworven, schrijft handelende over de bedoelde ‘hoefijzer-wapen’ IJzerman, waarvan hij exemplaren in verschillende uitvoeringen bezat: “Er is geen sprake van meer dan één sterretje. Een sterretje of soms een roosje enz. in het hoofd van het schild, dus midden boven, is een zgn. ‘breukteken’ voor een jongere linie. “IJzerman” zowel als “Viruly” (op de kwestie Viruly kom ik nog terug) hebben dat allebei en op alle lakken”. Tijdens een op deze brief volgend persoonlijk bezoek aan de heer Damstra heeft Rob zich van de juistheid van één en ander kunnen overtuigen. Zijn conclusie – neergeschreven op een kladje – is kort en afdoende: ‘Het is duidelijk dat de sterretjes in de hoefijzers ontbreken in de wapens en lakafdrukken zowel van Muschart als van Damstra, en deze sterretjes voor het eerst optreden in de zegelring (of ook een wapen) die H.G. IJzerman liet maken. Verder blijkt dat H.G. IJzerman de eerste is die een ring (of een wapen) liet maken, en dat Jo Schreve via oom Koos een doosje met lakafdrukken ontving die aan H.G. IJzerman toebehoorden en die zij gebruikt heeft voor haar eigen creatie (zie brief van oom Koos d.d. 23.09.1930 aan H.G.IJ.).
Ik laat hier buiten beschouwing, als berustende enkel op ‘van horen zeggen’, hetgeen Abraham IJzerman, gemeenteontvanger te Leerdam, in een brief van 19 december 1905 schreef aan zijn nicht Jo Schreve-IJzerman te Amsterdam (die zich blijkbaar toen al voor de vraag van een ‘IJzerman-wapen’ interesseerde): “Het spijt mij, dat het door u gevraagde (wapen) niet in mijn bezit is. Ik heb er vroeger met mijn vader, en met de oud tante van Meerteren (Dora meu) over gesproken: die hebben mij beide verteld dat er wel een familiewapen bestaan had, doch na de dood van Arie IJzerman, een broeder van mijn grootvader, is het weggeraakt; volgens hun beider mededeling bestond het uit een Griekse Y met een kroontje er boven”.

Dit oordeel is juist, behoudens opmerking dat Jo Schreve geen lakafdruk in handen heeft gehad, maar afbeeldingen`van een wapen op briefpapier, afgedrukt 'in wit en rood’, zoals Koos haar 23 juni 1930 schreef. De conclusie is juist dat de vormgeving van het wapen dat H.G.IJ. te harer beschikking stelde, op een misverstand berustte, een gevolg was van een onjuiste interpretatie (naar pas later gebleken is) van het woord ‘daartussen’ in de omschrijving die de heer Muschart in zijn bericht d.d. 21 maart 1926 aan H.G.IJ. van het wapen had verstrekt. Dientengevolge vertonen ook de eigen creaties’ (zegelring en zegelstempel) van Jo Schreve dezelfde afwijking van het originele losse lakstempel van Muschart uit 1700: de drie sterretjes binnen de drie hoefijzers in plaats van de ene ster boven tussen de twee hoefijzers. Overigens zijn die eigen creaties’ van Jo Schreve, wat de ‘heraldieke kleuren’ van het schild en de dwarsbalk van het wapen betreft, in overeenstemming met de opgave van Muschart; op het zegelstempel – dat zich in mijn bezit bevindt – tenminste, is het schild ‘horizontaal gearceerd’ (hetgeen de weergave is van de kleur “blauw” of “lazuur”) en den dwarsbalk ‘gepointilleerd’(hetgeen betekent “geel” of “goud”). Over de kleur of de kleuren van hoefijzers en ster zwijgt Muschart in zijn opgave; voor zover in kan zien, zijn op mijn zegelstempel die figuren blank gelaten, hetgeen zou duiden op de kleur ‘wit’ of ‘zilver’. De door Jo Schreve ‘gecreëerde’ zegelring is in het bezit gekomen van haar nicht (tantezegster) Leni Dinger Hattink-Wolff, dochter van Maria Frederika Wolff- IJzerman.


Tenslotte – en dat is ‘naar buiten toe’ niet onbelangrijk, heeft het wapen, zoals het al door vader en zoon H.G. IJzerman en door Jo Schreve – IJzerman was ‘aanvaard’ (het wapen met de sterren binnen de hoefijzers), zijn weg gevonden naar het wapenbord in de Waalse Kerk aan het ‘Wallenpleintje”(oude Zijdse Achterburgwal 157/g) te Amsterdam. Ter herdenking van Mattheus Johannes IJzerman die jarenlang (1883-1929) ‘ancien’ (ouderling) is geweest bij de Waalse Gemeente. 7 april 1940 schreef zinj zoon – oom Arie – dat ten behoeve van een te vervaardigen wapentafel van het Collège des Notables de l'Eglise Wallone de architect Kok hem om gegevens omtrent het familiewapen (zo de familie er een voert) had verzocht. Samen met andere gegevens stuurde ik daarop aan mijn oom een lakafdruk van net in mijn bezit zijnde zegelstempel, afkomstig van tante Jo; inmiddels had oom Arie zich ook nog gewend tot de toentertijd te Basel woonachtige zoon H.G.IJ. die hem een blad postpapier met het daarop in wit en zwart ingedrukte wapen deed toekomen: “op de grootte van je lakstempel, maar uit den aard der zaak in onderdeelen scherper afgeteekend”, schreef oom me, “In de hoefijzers staan 4 zwarte stippen, spijkergaten wel”. “Gewapend” met dit materiaal kon architect Kok verder met het wapenbord, dat voorjaar 1941 gereed is gekomen.



De brief betreffende 2 IJzerman-wapens die de heer Muschart in november 1926 heeft gezonden aan de heer H.G. IJzerman, Leidsegracht 25, Amsterdam. Naar de omschrijving onder “A” liet deze het ‘hoefijzer-wapen’ met de sterren tussen de kalkoenen ontwerpen. 23 juni 1930 schreef “Oom Koos” (Jacobus IJzerman) aan zijn nicht Jo Schreve – IJzerman: …..zend ik je het echte ? IJzermannen-wapen dat de heer H.G. IJzerman (….) naar een stempel van ± 1700 heeft laten afdrukken in wit en rood (in rood op wit papier?H.H.). Naar dat voorbeeld heeft Jo S.IJ. een lakstempel en een zegelring laten maken. De zoon H.G.IJ. zond in maart 1932 de brief van Muschart aan Jacobus IJzerman om te laten zien “dat er van de Zeeuwsche tak een geheel ander wapen bestaat”. Deze brief bevond zich onder de papieren van ‘oom Koos’ die ik na zijn overlijden in 1935 ontving. (H.H.)


De beide “wapens – Viruly” bij Vorsterman van Oyen.




Wapen – IJzerman” en “Wapen – Viruly”
In het voorgaande kwamen al enkele malen ter sprake de contacten die de te Amsterdam aan de Leidschegracht gevestigde makelaar-taxateur Hendricus Gijsbertus IJzerman (1879-1944) en diens in 1904 geboren gelijknamige zoon in de jaren ’20 en ’30 hebben onderhouden met mijn oom Jacobus IJzerman (1855-1935). Deze laatste was na zijn aftreden in 1921 als directeur van de Eerste Openbare Handelsschool te Amsterdam (als zodanig heb ik hem op de school nog tijdens het laatste jaar van zijn directeurschap meegemaakt) naar Den Haag verhuisde.

Daar in zijn woonplaats, had ‘oom Koos’ op het Rijksarchief en het daarin mede opgenomen archief van de Provincie Zuid-Holland volop gelegenheid zich te wijden aan zijn grote liefhebberij: naspeuringen te ondernemen naar ‘de IJzermannen ‘, in de eerste plaats natuurlijk naar zijn eigen voorvaderen, maar daarnaast naar mogelijke verbinding tussen dezen en andere IJzermannen in den lande. Het toen al, op grond van zijn eigen onderzoek, bestaande sterke vermoeden dat hijzelf en H.G. IJzerman ‘in de verte’ nog ‘familie van elkaar’ waren, is later, dank zij het ijverige speurwerk van Rob IJzerman – deze ontdekte tenslotte het in 1764 te Baarn voltrokken huwelijk van de op Het Loo in dienst van de Prins werkzame Cornelis IJserman met Jannetje van Marle -, onomstotelijk bevestigt. Hun gemeenschappelijke stamvader was Arien IJserman, waard in de herberg ‘de Prins’ te Heukelum (overl. 1719), de steller van het ‘handmerk’ A, hiervoor al besproken; onze ‘Leerdamse’ tak stamt uit Arien’s eerste, de tak van H.G. IJzerman (door mij in het navolgende genoemd ‘Veluwse’ tak, ter onderscheiding van nog een andere ‘Betuwse’ tak) stamt uit Arien’s tweede huwelijk.

De heren IJzerman, Jacobus en H.G.IJ., beiden sterk geïnteresseerd in de familiehistorie, wisselden vanzelfsprekend onderling hun gegevens uit. En zo kwam het dat H.G.IJ. van zijn kant, nadat hij op grond van in 1926 door de heer Muschart verstrekte gegevens omtrent een 18de-eeuws lakstempel “IJzerman” voor zich een wapen in tekening had laten brengen (het wapen met de 3 hoefijzers), dit ontwerp bereidwillig ter reproductie in handen stelde van Jacobus IJzerman en, door diens bemiddeling, in handen van diens nicht (mijn tante) Jo Schreve-IJzerman (1867-1933) te Amsterdam.

Hiervoor heb ik al aangetoond, dat de vormgeving van dit wapen (door het aanbrengen, in afwijking van het oorspronkelijke lakstempel, van sterren binnen de hoefijzers in plaats van de ene ster tussen de twee bovenste hoefijzers) op een vergissing, een verkeerde interpretatie van de door Muschart verstrekte omschrijving, heeft berust. Maar dat was in dit geval nu eens niet een, wat men wel noemt ‘betreurenswaardige ‘ vergissing, nee, integendeel, dit was juist een heel gelukkige vergissing!

Ik zal uitleggen waarom.

Ik heb terloops al de naam genoemd van de heraldicus Marten N. Damstra, met wie Rob begin 1971 contact heeft gehad, zowel schriftelijk als door een bezoek van rob aan zijn ‘heraldisch atelier’ te Groenaken (onder Maartensdijk, Utrecht). Het lakstempel ‘ijzerman’ dat de heer Muschart in1926 voor H.G.IJ. had beschreven, bevond zich in 1971 in Damstra’s uitgebreide collectie lakken en stempels, afkomstig uit de collectie Steenkamp die Damstra in 1945 had verworven. Damstra beschikte over twee 18de eeuwse lakafdrukken onder de naam IJzerman in 2 verschillende typen uit verschillende perioden (na de stijl te oordelen), en daarnaast over een aantal afdrukken onder de naam Viruly.

“Merkwaardig nu is`, schreef Damstra aan Rob (26-I-1971), ( onderstrepingen van mij H.H.) `dat ik lakafdrukken van het eerstgenoemde type heb die gelijken als twee druppels water op dat van IJzerman, maar op de naam Viruly, behoudens het formaat. Als of dit niet voldoende verwarrend is, heb ik het tweede genoemde lak (IJzerman) ook onder de naam Viruly. Dit van dezelfde stempel afgedrukt”. Hoe moet men dit verklaren, vroeg Damstra zich af in zijn brief; zou ‘door aanhuwelijking’ het stempel van Viruly bij IJzerman of omgekeerd dat van IJzerman bij Viruly beland zijn? De lakken van het 2de type hadden een verschillende herkomst, het lak IJzerman kwam oorspronkelijk uit de collectie Van der Meulen, het lak van Viruly bevond zich in de collectie die Jhr. Graswinkel ± 1850 heeft verworven en die over Steenkamp in het bezit van Damstra is gekomen. Behalve de genoemde twee lakken Viruly die overeenkomen met de twee lakken IJzerman, bezat Damstra nog een lak Viruly dat hij, naar de stijl te oordelen, voor ouder hield dan de beide andere; dit zou kunnen leiden tot een ‘voorkeur’(….) dat Viruly de afkomst, de herkomst bepaalt. Daar tegenover staat, aldus Damstra, dat het wapen IJzerman een kennelijk sprekend wapen is met ijsers, zoals Voorhoeve ook 3 ijsers heeft.

Ik voor mij (H.H.) kan hierbij nog opmerken, dat Viruly al heel oude aanspraken op een soortgelijk wapen heeft, tenminste volgens de aantekeningen bii dat geslacht in het Ned. Patriciaat, jaargang 21 (1933/34): reeds de stamvader Carolus Viruly (1413-1493) zou een wapen hebben gevoerd (de kleuren ervan zijn blijkbaar niet geheel zeker), dat als volgt wordt omschreven: ‘in groen (?) een gouden (?) dwarsbalk, vergezeld van drie zwarte (?) omgekeerde hoefijzers’.

Hoe dit alles nu precies zij – ook Damstra immers kan, wat de onderlinge verhoudingen tussen de met elkander overeenstemmende 18de-eeuwse lakken IJzerman en Viruly betreft, niet tot een definitieve verklaring komen – voor de huidige beoordeling van de vraag of een bepaald wapen voor een bepaald geslacht als ‘familiewapen’ in aanmerking kan komen, is het onder meer van belang na te gaan, of het te kiezen wapen soms een té grote gelijkenis vertoont met een wapen bij een ander geslacht in gebruik; in dat geval is de keuze ontoelaatbaar. Dat is niet zozeer een kwestie van ’recht en wet’, als wel van fatsoen. Zoals de conservator van het Centraal Bureau voor Genealogie, de heer W. Wijnand van Resandt, 4 februari 1971 aan Rob schreef: “(merken we op), dat het in Nederland altijd aan iedereen heeft vrij gestaan om een wapen aan te nemen en te voeren. Het is daarbij slechts een kwestie van fatsoen om niet het wapen van meegaandere (eventueel gelijknamige) familie te gebruiken. Alleen de wapens van de tot de Nederlandse adel behorende geslachten zijn geregistreerd bij de Hoge Raad van Adel”. – En toen het Centraal Bureau enige maanden later (juni 1971) de mogelijkheid opende om familiewapens in een eigen wapenregister te doen opnemen, luidde de eerste bepaling ter toetsing van het voorgestelde wapen dan ook: ‘een wapen dat eerst na 1795 is gevoerd of onlangs voor de aanvrager is ontworpen, komt niet in aanmerking voor registratie, indien door gelijkenis met het wapen van een ander geslacht verwarring kan ontstaan’ (mededeling Centraal Bureau, juni 1972).
Een ‘wapen IJzerman’ dat zou zijn ontworpen volgens de omschrijving uit 1926 van de hand van de heer Muschart, zoals deze het had bedoeld (vergelijk zijn Andersluidende omschrijving op de fiche welke berust op het Centraat Bureau: ‘in blauw een gouden dwarsbalk, vergezeld boven van eene kleine ster tusschen 2 hoefijzers met de kalkoenen naar boven, beneden van een dito hoefijzer”) zou de bovenbedoelde toets zeker niet doorstaan en zou evenmin in overeenstemming zijn met de eisen van fatsoen. Immers, een zodanig ontwerp zou identiek zij met het ene van de twee wapens-Viruly in het werk van Vorsterman van Oyen, dat als volgt kan worden weergegeven: ‘in blauw een gouden dwarsbalk, vergezeld van drie omgekeerde gouden hoefijzers, tussen de twee hoefijzers een zilveren ster’. Zoals ik het zie, zou het daarbij geen verschil maken, indien bijvoorbeeld de kleuren van hoefijzers en ster (waarover Muschart zwijgt) anders zouden zijn ingevuld dan bij Viruly het geval is; evenmin de omstandigheid dat inmiddels (zie Ned. Patriciaat Jg. 21, 1933/34) in het wapen Viruly de ‘zilveren ster’ tussen de hoefijzers officieel is vervangen door een ‘zilveren komeet’).

Damstra schrijft (14-III-1971): ‘op sommige van de lakfdrukken onder Viruly opgenomen komt een vreemd en toch opzettelijk haaltje voor Dit doet sommigen het wapen beschrijven met de ster als komeet erin. Het enigste oudere lakje onder IJserman vertoont die komeet-streep niet. In elk geval, een echte staartster in een wapen ziet er heel anders uit”.


Wat wezenlijk voor het bezit van een ‘eigen wapen’ is zijn onderscheidend vermogen ten opzichte van andere wapens, de aanwezigheid van voldoende ‘afstand’ tot de andere wapens. Aan die voorwaarde wordt niet voldaan. Door betrekkelijk kleine verschillen als ik zo even noemde. Aan die voorwaarde wordt nar mijn mening – maar het blijft natuurlijk een persoonlijke, een subjectief oordeel – wel voldaan door afwijkingen (plaatsing van sterren binnen de hoefijzers in de plaats van de ster – of komeet – tussen de twee bovenste hoefijzers) die het gevolg zijn geweest van de onjuiste interpretatie van Muschart’s omschrijving uit 1926. Het uit deze ‘vergissing’ geboren wapen is mijns inziens een voldoende onderscheidend zelfstandig wapen dat met gerust geweten (‘met goed fatsoen”) als een eigen “IJzerman-wapen” kan worden gebruikt. Dat is de reden, waarom ik hiervoor die vergissing noemde: ‘een gelukkige vergissing”.


De ‘Vlag’ van P.W. IJzerman, Oud-Beijerland


“Een IJzermanwapen (den Haag 1930): in zilver een gouden dwarsbalk, vergezeld van 3 hoefijzers

met kalkoenen naar boven en binnen elk hoefijzer een ster. Helmteken: dito

hoefijzer met ster tussen een vlucht.

Bron: mededeling van de heer Lach de Bere in 1930 te ’s Gravenhage aan de Kolonel Muschart”.

In bovenstaande bewoordingen was dit wapen volgens zijn zeggen, opgegeven aan Pieter Wouter IJzerman, geb. 16-01-1941 te Oud-Beijerland, wonende te Oud-Beijerland, leraar wiskunde aan de Ambachtsschool te Rotterdam, door K.J.J. van Rijn, Leidsegracht 108 te Amsterdam . P.W.IJ. had dit wapen dat – behoudens de afwijkende kleur van het schild: zilver in plaats van blauw – overeenkomt met het ‘hoefijzer-wapen’ zoals ontworpen door H.G. IJzerman (de sterren binnen de hoefijzers) reeds in gebruik als postpapier, toen in 1969 Rob IJ. met hem in contact kwam. Zou de heer Lach de Bere soms contact hebben gehad met Jacobus IJzerman in den Haag, die in 1930 kennis droeg van het wapen (HGIJ)?

Tijdens een op 14 juli 1969 gebracht bezoek aan Oud-Beijerland heeft P.W. IJzerman Rob enige curieuze mededelingen gedaan aangaande zijn eigen voorouderonderzoek en – vooral! – zijn hiervoor behandelde “IJzerman-wapen”.

P.W.IJ. had enige jaren tevoren meer dan 100 personen een lijst gezonden met verzoek hierop de voorvaderen in te vullen; hij had vele reacties ontvangen. In enkele gevallen ging het terug tot ca. 1650. Maar tot een stamboom van groot formaat, waarop verschillende takken verenigd zijn, was het niet gekomen. Zijn eigen familie gaat terug tot 1803. Vóór dat jaar heeft en grote brand in Goudswaard (= Koornwerd) de archieven vernield. Toch zijn er andere, oudere gegevens beschikbaar van vóór de brand, waarmee de aansluiting mag worden aangenomen wegens het voorkomen van een typische naam voor en na de brand. Hij heeft deze aansluiting laten opsporen door de al eerder genoemde Van Rijn en eveneens door de genealoog G. Halwasse, Stationsplein 34 den Haag.

Zeer belangrijk: zijn familiewapen. Dit zou sinds 1680 in de familie zijn voorgekomen en zou zijn toegekend wegen verdienste van een voorvader IJzerman die in het voormalige Ned. Indië heeft deelgenomen aan de strijd tegen de inheemse bevolking, welk wapenfeit voor 1650 zou hebben plaatsgehad. P.W.IJ. vernam dit van voornoemde Van Rijn. Intussen wachtte hij nog op bericht uit Batavia, alwaar hij heeft getracht door tussenkomst van de ambassade meet gegevens te verkrijgen omtrent het wapenfeit en de toekenning van het wapen. Het harnas (bedoeld is blijkbaar: de helm) in de figuur werd gedragen in de strijd; het hoefijzer in de vlucht houdt hier ook verband mee; hetzelfde geldt voor de links en rechts van het schild staande versieringen (‘deze versieringen werden door P.W.IJ. kalkoenen genoemd, hetgeen me een vergissing lijkt met de omgebogen hoefijzers”, aldus Rob in het verslag over de bespreking, dat hij na thuiskomst op schrift heeft gesteld). Tot zover de mededelingen van P.W. IJzerman aan Rob op 14 juli 1969.



Enige maanden later (8 november 1969) zond P.W. IJ aan Rob de “vlag” met het wapen, inderdaad fraaie, uitvoering door het genealogisch bureau Halwasse, waarop Rob hem – als aandeel in de onkosten – fl. 15,- gireerde.

Aanvullende informatie
Wapen op naam “IJzerman”.
A: Het wapen met de hoefijzers in twee (onderling niet gelijkluidende) omschrijvingen van de hand van de heer Muschart, nl (a) in zijn bericht d.d. 21 maart 1926 aan H.G. IJzerman (met het dubbelzinnige woordje ‘daartussen’), en (b) op een fiche no. 26A in het Centraal Bureau voor Genealogie (‘ster tussen 2 hoefijzers’). Eén en ander hiervoor besproken.
B: Het wapen met de hoefijzers volgens de (verkeerd begrepen) interpretatie van de omschrijving onder (a) van het wapen onder A. Aldus is dit wapen in gebruik bij leden van de familie IJzerman (‘Leerdamse tak” en ‘Veluwse’ tak) en is het aangebracht op een wapentafel in de Waalse Kerk te Amsterdam. Eén en ander eveneens hiervoor besproken.
C: “In blauw 2 gouden menschenoogen naast elkaar”, aldus omschreven in bovenvermelde brief van 21 maart 1926 door Muschart, met aantekening “volgens Nagtglas in de Prov. Bibl. te Middelburg het wapen eener familie in Zierikzee”In het Centraal Bureau voor Genealogie opgenomen op fiche No 50C. Volgens de heraldicus M.N. Damstra (brief 26 januari 1971 aan Dr. Rob IJzerman) zou het evenwel gaan om een lak van de familie Heshuijzen, al zou het wapen nog in 1940 door IJzermannen te Amsterdam zijn gebruikt. Over deze laatste bewering zijn geen nadere gegevens bekend. Vorsterman van Oyen (plaat 39) beeldt het wapen (maar met ogen in de natuurlijke kleuren) af als wapen van het Naardense geslacht Heshuysen; de 1721 te Naarden geboren Andries H. trok naar Zierikzee, kwam daar in de stadsregering, kocht in 1753 voor fl. 24.000,- de “Heerlijkheid Dreischor” en werd in 1771 bijgezet in de kerk aldaar. Zijn wapenbord (met hartschild Dreischar) kwam later in de gemeentekamer aldaar, maar men had het eigenlijke wapen (de mensenogen) weggeschilderd en alleen het hartschild Dreischar laten staan! (P.D. de Vos, De vroedschap van Zierikzee, blz. 693).
D: “In zilver een gouden dwarsbalk, vergezeld van 3 hoefijzers met kalkoenen naar boven, en binnen elk hoefijzer een ster”. Als wapen “IJzerman” in het C.B.v.G. op fiche No 25E, met als aantekening “Familie te ’s Gravenhage in 1930; mededeling van den Heer Lach de Bere in 1930 te ’s Gravenhage”. Dit wapen wordt gevoerd door P.W. IJzerman te Oud-Beijerland, over wie hiervoor uitvoeriger. Wegens de grote overeenstemming – afgezien van de afwijkende kleur van het schild – met het wapen onder B (sterren binnen de hoefijzers!) vraag ik mij af, of de heer L.d.B. contact heeft gehad met de in den Haag woonachtige Jacobus IJzerman die juist in 1930 uit handen van H.G.IJ. het wapen onder B ontving om dit door te geven aan Jo Schreve – IJzerman.
E: “In rood een zilveren geklede man met in de rechterhand een zilveren hellebaard, aanziend gesteld”. Op het gebouw van de Drost -IJzerman Stichting te Moordrecht, in 1876 gesticht krachtens testamentaire beschikking van Maria Margaretha Catharina Drost-IJzerman (1801-1876); uit een familie IJserman oorspronkelijk afkomstig uit Zwartewaal. Van verwantschap met “onze IJzermannen” is (tot dusver) niet gebleken.
F: Wapen op het graf van Maria Adriana IJzerman (1806-1849) dat ligt op het oude kerkhof bij de kerk te Havelte (Dr.). Links daarnaast het graf van haar echtgenoot Andries van der Vlies (1802-1873). Op elk graf een liggende zerk met een ‘familiewapen’. Toen ik in augustus 1935 tijdens een fietstocht van de Stad Vollenhoven naar Diever, de graven ontdekte, maakte ik een schetsje. Het ‘familiewapen’ op het graf van M.A. IJzerman (waarin ook zijn bijgezet 3 jong gestorven kinderen van het echtpaar) is niet, zoals men zou verwachten, het wapen van haar geslacht (IJzerman). Het komt voor op een schilderstuk ter herinnering aan een zekere Anthonis Muloc die dat wapen blijkbaar voerde en die, zoals Reygersberch in zijn ‘Cronycke van Zeelandt’ meedeelt, in 1528 te Zierikzee is teruggekeerd van een scheepsreis naar verre landen, vanwaar hij onder meer ‘de eerste Calcoetsche hoenderen’ (kalkoenen) naar Zeeland heeft meegebracht.

Kits Nieuwenkamp (Nederlandsche Familiewapens I, blz. 62) omschrijft het wapen als volgt: “Gevierendeeld: I en IV een driemaster met gereefde zeilen op zee, met vlaggen naar heraldisch links uitwaaiende; II en III drie brakskoppen rood op zilver geplaatst (2-1);

Hartschild van zilver beladen met een rood hart;

Helmteeken een uitkomende kalkoenskop van blauw met een roode lel;

Dekkleeden rood en blauw (d.i. heraldisch onjuist en zal moeten zijn zilver en blauw)”.

(N.B. brak = jachthond; de kalkoenskop verwijst naar de “Calcoetsche hoenderen”). Het schilderij met het wapen, dat in 1870 is tentoongesteld te Middelburg, berustte in 1915 bij de heer M.C. Mulock Houwer te Zierikzee. Maria Adriana IJzerman was 9 maart 1806 te Gouda geboren als dochter van Hendrik Mulock IJzerman en Geertruida Catharina Telshuis. “Mulock” is de naam van een oud vooraanstaand Zierikzees geslacht dat in rechte lijn in 1800 is uitgestorven. Leden van dit geslacht voerden (volgens P.D. de Vos in zijn werk “De vroedschap van Zierikzee”, blz. 788) andere wapens dan het boven omschreven wapen van Anthonis Muloc uit 1528. Op blz. 693 schrijft De Vos: “De naam Mulock leeft voort in de familienamen Mulock Houwer en Mulock IJzerman”.

Wat betreft de laatstgenoemde combinatie van namen is het niet juist fat die combinatie door Maria Adriana en haar naaste verwanten als zgn. ‘dubbele achternaam’ werd beschouwd. Indien dit zo ware, had zij – als dochter van Hendrik Mulock IJzerman – op haar graf moeten zijn vermeld als ‘Maria Adriana Mulock IJzerman”. Aan de twee, op haar grafsteen genoemde, jong gestorven zoontjes (wier achternaam luidde ‘van der Vlies”) was de naam “Mulock” als voornaam meegegeven; eveneens aan de op 9 juni 1840 te Havelte geboren zoon Willem Gerard Mulock van der Vlies die 17 februari 1871 trouwde met jkvr. Emistine Caroline van Hogendorp, te Padang; hij was waterstaatsingenieur te Salatiga (Ned. Adelsboek 1920, blz. 365, 1925 blz. 295). Het was, o.m. in Zeeuwse geslachten, niet ongebruikelijk om een ‘familienaam’, in het bijzonder van moederskant, als “voornaam” aan een jonggeborene mee te geven.



Schets van het familiewapen gemaakt aan de hand van het briefpapier van Pieter Wouter IJzerman uit Oud-Beijerland.





  • HANDMERK” – ZEGEL – “WAPEN” Handmerk
  • Het zegel van Jacobus IJserman (1723-1808)
  • De beide “wapens – Viruly” bij Vorsterman van Oyen.
  • De ‘Vlag’ van P.W. IJzerman, Oud-Beijerland
  • Aanvullende informatie Wapen op naam “IJzerman”. A

  • Dovnload 78.29 Kb.