Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Filosofie hfst 1: Wat is filosofie? 1 De filosofische vragen

Dovnload 272.33 Kb.

Filosofie hfst 1: Wat is filosofie? 1 De filosofische vragen



Pagina1/3
Datum04.06.2018
Grootte272.33 Kb.

Dovnload 272.33 Kb.
  1   2   3

FILOSOFIE

HFST 1: Wat is filosofie?
1) De filosofische vragen
Filosofie

= (filos + sofia = vrienden + wijsheid = wijsbegeerte) zoeken naar antwoorden op vagen die tot dan toe door mythologie en godsdienst behandeld waren of die om praktische redenen opzijgeschoven werden.

1. INZICHT  kennistheorie (wat kunnen we leren? Wat is waarheid?)

2. UITZICHT  Ethiek (wat is goed/slecht handelen?)

3. ZINZICHT  Metafysica (wat is de zin v/h leven?)

1. Paul de Grauwe (Prof economie @ London School of Economics)

 Doel v/d krant is mensen gelukkig maken

2. Alain Bottom over Epicurus (4e-3e E v.Chr.)

 3 elementen om tot geluk te komen / wijsbegeerte te begeren:

1. Vrienden (= bron van geluk als men samen leeft in matigheid)

2. Vrijheid (= buiten Athene, financieel en politiek onafhankelijk) 3. Vorsen (= doordacht/reflexief leven)

 Epicurus leefde simpel en materialisme (seks, schoonheid, …) brengt geen geluk!
Filmfragment:
Filosofie

= de reflectie/bezinning v/d mens op zijn specifiek menselijke bestaan en op zijn verhouding tot heel de realiteit binnen en buiten hem (en ook de poging om van dit bestaan en deze verhoudingen een rationele interpretatie te geven), i.e. een interpretatie die op bewijzen steunt en zich aldus aan anderen openbaart.


2) Filosofie en mythologie


  • °Filosofie in welvarende Griekse/Turkse handelsschepen en havens

  • mythe = een als correct aanvaarde, doch niet-gefundeerde voorstelling van zaken.

mythos = verteller, verhaal, monoloog, personages, heteronome legitimatie,

traditie.

logos = wetenschapper, betoog, dialoog, begrip, autonome legitimatie,

rationaliteit.



  • Einde mythe door:

  1. Thaumasia = een punt i/h sociale en historische groeiproces waarop mooie verhalen niet meer volstaan en de nieuwsgierigheid (thaumasia) is gewekt (bv. het groeiproces van kinderen).

  2. Groeiende ervaring door contact met verschillende culturen.

  3. Veel vrijheid in de “modernere” steden

  4. Vrije tijd voor onderzoek en onderwijs (°wetenschappen)




Nieuwsgierig (Rationalisme)

Ervaring (Empirisme)

- Geest
- Deductief
- Rationeel

- Materie
- Inductief
- Empirisch


3) Filosofie en godsdienst


  • Beantwoorden van dezelfde vragen maar de methode (weg) verschilt.

  • Filosofie verwerpt het bestaan van God niet, maar beperkt zich tot de kritisch-rationele benadering. (Soms wel tegenspraak: Socrates beschuldigd van atheïsme).

  • Ancilla theologiae = (dienstmeid v/d theologie) filosofie i/d middeleeuwse scholen, ter ondersteuning van theologie.

  •  wel kloof tussen: godsdienstig fundamentalisme X filosofisch dogmatisme


4) Filosofie en ideologie


Fundamentalistische Christenen in St-Patrick’s College

  • Christelijk fundamentalisme

  • Ideologie ≠ probleem, wel de toepassing

  • Opgedrongen fundamentalisme

  • Gecontroleerd door Republikeinen

Filmfragment:
Ideologie

= een samenhangend mensbeeld dat steun en zekerheid geeft, al dan niet bewust opgedrongen en antwoorden geeft maar geen vragen laat stellen.



  1. Verstard mensbeeld

  2. Gecontroleerd door autoritaire + absolute gezagsinstanties

  3. Opgedrongen

  4. Geeft steun en zekerheid

  5. Dissidenten/twijfelaars/sceptici achtervolgd + verbannen

  6. Filosofie kan uitweg bieden in actief-pluralistische context




Low cost-maatschappij

  • raakt aan ideologie (= de goedkoopste willen zijn)

  • personeel mag geen vragen stellen

  • alles opgelegd door economisch systeem

Filmfragment:


  • kloof tussen godsdienst + filosofie < ideologie + filosofie

  • Actief pluralisme = verschillen aanvaarden o.b.v. kritisch-rationele houding

  • Gedicht p.16  twijfel nodig om uit ideologie te blijven + tot filosofie te komen


5) Het belang v/d filosofische traditie voor iedereen
Weltanschauung

= manier waarop we mens en maatschappij zien en waarin we zijn opgegroeid.


Fasen om van dit vanzelfsprekende mensbeeld tot filosofie te komen:


  1. Het geleefde/geëxisteerde mensbeeld

 via ouders + omgeving meekrijgen

 onbewust (bv. hoofddoek, godsdienst, katholieke school, etc.)




  1. Het gesproken mensbeeld

 bij vieren van overgang kindertijd naar volwassenheid (bv. communie, bar-mitswa, …)

 maken van eerste eigen keuzes

 velen blijven binnen het overgeërfde, traditionele mensbeeld


  1. Het besproken mensbeeld

 mensbeelden kritisch benaderen (°filosofie)

 zeer bewust hiervoor kiezen

 Krinein = onderscheiden
6) Filosofie: descriptief of normatief?
Descriptieve filosofie = filosofie die het bestaande beschrijft.


  1. Ontologie = (zijnsleer) Lao-Tse: onderscheid tussen het zijn v/e steen, plant, dier, en mens + onderscheid tussen zijn en worden.

  2. Metafysica = de vraag naar de oorsprong v/h zijnde + een oerprincipe van God

 ZIJN



  1. Wijsgerige antropologie = wat is de mens?

  2. Cultuurfilosofie = wisselwerking tussen mens, tijd en omgeving?

  3. Sociale filosofie = relatie tussen mens en samenleving?

 MENS
Normatieve filosofie = filosofie omtrent het bepalen van het juiste denken en handelen.



  1. Logica = theorie v/h juist redeneren

  2. Kennisleer = (epistemologie) wat is de waarde van ons kennen?

 JUIST KENNEN : INZICHT




  1. Moraalfilosofie = (ethiek)

 JUIST HANDELEN : UITZICHT




  1. Juiste zin v/h leven?

 JUISTE ZIN : ZINZICHT




De Rodenburgs

  • Niet ethisch: minst bekwame persoon opvolger en verbrandt nalatenschap van vader

  • Materiële waarden = belangrijk (chic huis, geld, …) maar dochter is emotioneel kapot en haat haar moeder.

Filmfragment:



7) Wat kan je met filosofie doen?


  • Filosofie = gevaarlijke bezigheid want met doordenken overschrijdt je het bestaande (en soms de machthebbers tegenwerken).

  • Filosofie = nutteloos op persoonlijk, praktisch niveau want zo kunnen materiële waarden soms voorrang krijgen op onmeetbare persoonlijke waarden.

  • Filosofie = onvermijdelijke, noodzakelijke bezigheid want mens is nieuwsgierig (°vrijheden omdat filosofen nadachten over slavernij, hekserij, …)

  • Economie (Profit/Inzicht) + Sociaal (People/Uitzicht) + Ecologie (Planet/Zinzicht)

= duurzame samenleving
HFST 2: Van Thales tot Thomas
1) De présocratici: op zoek naar de oerstof en het ordende principe


  • 6e E v.Chr. in Klein-Azië

  • Basisprincipes van natuurfilosofen:

  1. De vraag naar de oerstof (= archi)

  2. Veelheid reduceren tot een eenheid

  3. Kosmos i/d chaos ontdekken

  4. Maatstaf zoeken om een verklaring voor mens en werkelijkheid te vinden

  5. Dialectiek i/d evolutie v/h denken (these + antithese = synthese)


Thales van Milete


  • 7e - 6e E v. Chr.

  • Vooral geïnteresseerd in wiskunde en magnetisme

  • Hypothese: oerstof = water

  • IJs, water en wolken bestaan uit dezelfde materie

  • Mens bestaat voornamelijk uit water


Anaximenes van Milete


  • 6e E v. Chr.

  • Hypothese: oerstof = lucht

  • Vuur is verfijnde lucht, water is vloeibaar door lucht

  • Kwantitatieve differentiatie toepassen

  • Belang v/d 4 elementen (water, lucht, vuur, aarde)  °grote gevolgen op menselijk denken


Heraclitus van Ephese


  • 6e – 5e E v.Chr.

  • politicus en filosoof

  • hypothese: oerstof = vuur

  • vuur verandert alle substanties (bv. hout in as)

  • Principe v/d voortdurende verandering  wereld van WORDEN i.p.v. zijn

  • Basisideeën:

  1. “Alles vloeit. Je kan je voet niet tweemaal in dezelfde stroom dompelen”

alles is voortdurend in verandering

  1. “God (=logos) is dag en nacht, zomer en winter, oorlog en vrede”

 alles bestaat uit tegenstellingen, alles staat in verhouding tot iets anders

  1. “De oorlog is de vader van alle dingen”

 alleen vooruitgang door conflict van tegengestelden (°dialectisch denken)

  1. “Logos”

 belang v/h ordende principe (wijsheid) zorgt voor verborgen harmonie van alle tegenstellingen

Einstein

  • Atoombom werd gebruikt om oorlog te stoppen maar 70 000 doden en 70 000 bestraalden in Hiroshima

  • Oerknal: vernietiging werd ontstaan v/h heelal

 Ordenend en verwoestend principe in één!
Filmfragment:

Inzicht: tegenstellingen

Uitzicht: orde door logos

Zinzicht: hoogste geluk door aanvaarding v/d werkelijkheid
Parmenides van Elea


  • 6e – 5e E v.Chr. (Zuid-Italië)

  • Antithese Heraclitus: verandering is schijnbaar bedrog, alleen inzicht i/h eeuwig blijvende “ZIJN” is waarheid.

  • Zoals i/d politiek: conservatief X progressief


Zeno van Elea


  • 5e E v.Chr. (Zuid-Italië)

  • Aporieën = denkonmogelijkheden  d.m.v logica beseffen we dat onze zintuigen ons bedriegen

    Achilles en de schildpad

    Achilles en de schildpad houden een race en de schildpad krijgt een voorsprong van 10 meter. Onze zintuigen vertellen ons dat de schildpad snel wordt ingehaald, maar de logica beweert het tegendeel. Wanneer Achilles de 10 meter heeft ingehaald, heeft de schildpad 1 meter afgelegd die Achilles op zijn beurt moet inhalen. Telkens komt er een nieuwe afstand bij die ingehaald moet worden en dit tot in het oneindige. Achilles kan de schildpad dus nooit inhalen.



  • Bv. Achilles en de schildpad




  • eeuwige verandering X eeuwige stilstand  empirisme X rationalisme




Klein-Azië
(Thales, Heraclitus)


Zuid-Italië
(Parmenides, Zeno, Pythagoras)


- natuurwetenschappen
- inductief
- empirisch
- ervaring

- mathematica
- deductief
- rationalistisch
- verwondering

Protagoras


  • 5e E v.Chr.

  • Sofisten = een leraars, rondreizend professoren die privéonderwijs gaven.

  • Basisideeën:

  1. “Over de goden weet ik evenmin dat ze bestaan of niet bestaan”

 niet overtuigd door absolute tegenstellingen (rationalisme X empirisme)

  1. “De mens is de maatstaf van alle dingen, v/d zijnden, dat ze er zijn, en v/d niet-zijnden, dat ze er niet zin.”

 homo-mensura-stelling: de mens staat centraal

  1. °relativisme : een overal geldige waarheid is een illusie, waarheid is relatief want kan door elke mens apart bepaald .

  • Slechte naam omdat sofisten alleen uit zijn om discussies te winnen en dus een techniek beheersen voor advocaten en politici. Dit kan leiden tot immoreel cynici.


2) Socrates en Plato: ethiek en utopie
Socrates


  • 5e E v.Chr.

  • De socratische kwestie: weinig over hem weten, alleen uit teksten van zijn studenten Xenofoon en Plato.

  • Filosoferen volgens Socrates = kritisch onderzoeken v/h menselijke denken en handelen en de vorming v/d jeugd. (ethiek)

  • Afdalen: eerste woord in zijn werk “De Staat” van Plato. Socrates daalde altijd af v/h centrum van Athene (Acropolis) tot de havenstad Piraeus voor dialogen. Mensen komen via wederzijdse interesse tot inzicht en door kritische vragen relativeert men zijn eigen standpunten.

  • Socratische methode:

  1. Geen negatieve houding

  2. Dialogeren (met kritische vragen)

  3. Wederzijdse interesse

  4. Geen dictaten opleggen

  5. Het vermogen van anderen om kennis zelf te genereren (=maieutiek)

  6. Relativeren van aanvankelijke opvattingen

  • Socratische ironie = (negatieve moment) scherpe en onbarmhartige vragen stellen (dit leidde tot zijn gifbeker-veroordeling door de competentie van politici in vraag te stellen). Dit is bedrieglijk omdat hij toch al veel weet, ook al beweerde hij van niet.

  • Socratische maieutiek = (positieve moment) geestelijke bevallingstechniek om de waarheid/inzicht dat verborgen zit in ieder, geboren te laten worden.

 metafoor: vroedvrouw

  • Het juiste inzicht i/h morele leidt tot een juist inzicht betreffende het handelen:

Het ware (inzicht) leidt tot het goede (uitzicht) en het schone (zinzicht). In het goede handelen volgens het ware denken men een schone mens. Het schone is een harmonie tussen het ware en het goede.

  • juist inzicht = het inzicht dat het ware nut en geluk v/d mensen tot stand brengt.

  1. deugden (deugd = inzicht)

  2. “Ken uzelf”

  3. Daimonon/daimon = innerlijk goddelijk beginsel (=geweten)

  4. Valse behoeften ontmaskeren en verwerpen.

  • De staat moet volgens hem geregeerd worden door filosofen (bekwamen)

  •  verschillende methoden om tot waarheid te komen:

maieutiek (Socrates), dialectiek (Heraclitus), retoriek (Protagoras), hermeneutiek.

  • Socrates = mondiale filosoof (zelfde standpunten werden i/h oosten aangenomen)



Socrates

  • Logisch denken maakt zelfzeker. Je moet een eigen mening vormen en niet meelopen zoals een schaap

  • Socrates sprak tegen “belangrijke” mensen  lef, non-conformisme

  • Iedereen moet filosoferen

  • Mening = aarden pot: niet elke pot is gemaakt om water te houden

  • Haalt democratie eronder uit want moest eigen mening hebben
Filmfragment:
Plato



Ideeënleer = niets i/d materiële werkelijkheid is zo volmaakt als het idee dat we ervan hebben.


  • De echte werkelijkheid is het ideaal en onze realiteit is een zwakke afschaduwing

  • Je kan de wereld verbeteren door te vertrekken vanuit idealisme

    De allegorie van de grot

     grot die met de buitenwereld is verbonden door een gang (geen daglicht).

     rij gevangenen met rug naar ingang: vastgeketend  niet bewegen

    Alleen de wand kunnen waarnemen en niet de echte werkelijkheid

    Achter hen is vuur en ertussen een muurtje waarachter mensen lopen.

    Schaduwen worden weerspiegeld op de waargenomen wand

     we zijn gevangenen die slechts schaduwen en echo’s waarnemen


  • De allegorie v/d grot (uit “De Staat”)

    De onsterfelijkheid v/d ziel

    De ziel = het intellectuele (inzicht) en morele (uitzicht) zelf.

    De ziel is een driespan (°tripartite ziel)


    1. Logos (wagenmenner): het intellectuele, redenerende, kennende deel

    2. Thumos (nobel paard): passie, wil, doorzettingsvermogen

    3. Epithumia (weerspannig paard): lust, driftleven




  • onsterfelijkheid v/d ziel (uit “Phaedrus”)




  •  dualistische scheiding tussen de (goede) ziel en het (slechte) lichaam

 platonische liefde in christendom, onderschikking v/d vrouw (vooral lichaam)

  • de rede is nodig om lichaam en geest te combineren en te voorkomen dat begeerte en wilskracht ontsporen.


Kennisleer = (amneseleer) we kunnen alleen kennen wat onze ziel herinnert uit de wereld v/d ideeën. Kennis is herinnering. We mogen ons niet laten doen door het fatum.


  • kalos-(k)agathos = idee v/h schoon-goede, het hoogste idee, verwezelijkt in God, het absolute schone en goede.

  • Verband met ideeënleer: gevangenen moeten moeite doen (=nadenken om tot het ware te komen) om zich te bevrijden. Dit vergt discipline (Thumos) om de verleidingen (epithumos) te weerstaan. Eens ontsnapt wil men nooit meer terug.



Actualiteit van Chinezen in Afrika

  • De grot: kobalt gaan vinden in Afrika

  • De arme Afrikaan als idee zijn de concrete Afrikaanse kinderen

  • De moeite om uit de grot te komen is enorm

  • Affiches op omheining gaan over het abstracte idee zonder kinderarbeid

  • De rechtvaardige economie als illusie voorgesteld door gouverneur



Filmfragment:
Deugdenleer = de deugd is orde en harmonie v/d ziel bereiken voor mensen die in het stof gevangen zitten.


  • Deugd = een positieve eigenschap om het juiste handelen te kennen.

  1. Wijsheid

  2. Dapperheid

  3. Matigheid

  4. Rechtvaardigheid

  5. (Later bij christendom: geloof, hoop, liefde)

  • Bij een utopische staat bestaat er “natuurlijke” ongelijkheid door verschillende deugden:

- Boeren en arbeiders: bescheidenheid, gehoorzaamheid, matigheid

- Soldaten en ambtenaren: dapperheid, moed

- Heersers (filosofen): wijsheid
3) Aristoteles


  • 4e E v.Chr.

  • Nuchtere, onderlegde pedagoog van Alexander de Grote

  • Pseudoniem: “Opvoeder van Europa” want heeft filosofie geopend voor wetenschap

  1   2   3


Dovnload 272.33 Kb.