Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Filosofie hoofdstuk 1: Descartes

Dovnload 143.88 Kb.

Filosofie hoofdstuk 1: Descartes



Pagina1/3
Datum17.09.2018
Grootte143.88 Kb.

Dovnload 143.88 Kb.
  1   2   3

Filosofie hoofdstuk 1: Descartes
Wat is de waarheid?

We kunnen niet zeggen dat sneeuw waar of onwaar is maar we kunnen wel zeggen dat de uitspraak ‘het heeft vandaag gesneeuwd’ waar of onwaar is.

Maar wie kan bepalen dat ons denken overeenstemt met de werkelijkheid? Wij kunnen in ieder geval niet buiten ons denken treden om dan te oordelen dat ons denken al dan niet overeenstemt met de wereld buiten het denken.
In ‘Discours de la Méthode’ argumenteert Descartes dat de moderne wetenschap vele succesvoller is dan de pré-moderne wetenschap om 3 redenen:


  1. In de moderne wetenschap is er geen onderscheid meer tussen het boven- en het ondermaanse. Hiermee bedoelen we dat in de pré-moderne wetenschap het heelal werd gezien als een geheel van cirkels, de aarde is de centrale cirkel en de cirkel daarboven is de maan. Al hetgene boven de maan is het bovenmaanse en al hetgene onder de maan is het ondermaanse.

Het ondermaanse bestaat uit 4 elementen: water, aarde, vuur & lucht, het bovenmaanse heeft nog een 5de element: ether.
Omdat het ondermaanse veranderd qua grootte, qua warmte … kunnen we hier niet echt iets over weten, het ondermaanse roteert alleen rond de maan en blijft voor de rest onveranderd waardoor we hiervan wel een goede kennis kunnen hebben.

  1. In de moderne wetenschap geloven we niet meer in de doeloorzaken, hier bedoelen we mee dat in de pré-moderne wetenschap gelooft werd dat alles in de natuur bewoog om een rustpositie, een bepaalde positie, te bereiken.
    In de moderne wetenschap spreken we niet meer over een doeloorzaak maar geloven we in mechanische oorzaken.

  2. Volgens Descartes is het grote succes van de moderne wetenschap vooral te wijten aan de wiskunde die wordt toegepast in de moderne wetenschap.

Daarom wil Descartes ook de wiskunde toepassen op de filosofie om van de filosofie een succesvolle filosofie te maken.

We zouden denken dat we alle vragen in formules moeten gieten, maar dit is niet mogelijk en moest het al mogelijk zijn zou het ons niet helpen om een antwoord te vinden op die vraag.
A. Op zoek naar de eerste zekerheid.
We moeten vertrekken van een eerste onbetwijfelbare zekerheid.

Descartes bedacht toen dat de eerste zekerheid een zekerheid zou worden waaraan je niet kan twijfelen en dat we hierop dan de wiskundige methode verder kunnen toepassen.


Vertrouwen op ons eigen zintuigen? Neen, wanneer we een stok in het water steken zien we dat deze gebroken is terwijl deze helemaal niet gebroken is. Maar, de stok die we zien waarvan we denken dat die gebroken is, is wel degelijk een stok. Maar wat als we nu voortdurend in een droom leven, dat onze zintuigen en ons leven een levenslange hallucinatie is en dat alles wat we denken een product van ons eigen denken is. Deze overtuiging wordt het solipsisme genoemd.

Wanneer we nu bijvoorbeeld denken aan de som 2 + 2, dan zullen we allemaal zeggen dat het correcte antwoord 4 is. Maar wat als er nu een malin génie is in ons hoofd, die ons telkens het foute zal laten denken, die ons dus laat denken dat 2 + 2 gelijk is aan 4 terwijl het correcte antwoord eigenlijk 5 is. Hierdoor kunnen we dus zeggen dat zelfs de wiskundige zekerheden betwijfelbaar zijn.


Maar wat kan dan eigenlijk wel nog ontsnappen aan de twijfel? Het antwoord hierop is, dat je aan alles kan twijfelen, behalve aan het feit dat je twijfelt. Want als je twijfelt aan je twijfel, dan twijfel je nog steeds. De eerste zekerheid is dus de activiteit van het twijfelen zelf. Misschien is er helemaal niks waar van wat ik denk, maar dat ik denk is dus wel degelijk onbetwijfelbaar, aangezien dat twijfelen een vorm van denken is. En met deze zekerheid is dan ook meteen gegeven dat ik besta, maar alleen als een denkend iets. (res cogitans)
B. Op zoek naar andere zekerheden.
Voor het vinden van andere zekerheden vertrekt Descartes bij het principe van de oorzakelijkheid. Dit principe houdt in dat alles een oorzaak heeft.
Twijfelen is eigenlijk onvolmaakt denken. Als we de idee van het twijfelen in ons aantreffen als een onbetwijfelbare zekerheid, dan vinden we ook meteen het de idee van de onvolmaaktheid in ons. Die idee is dan weer niets meer dan de ontkenning van de volmaaktheid, we hebben dus ook de volmaaktheid in ons cogito aangetroffen.

Maar de oorzaak van iets moet minstens even groot zijn als het gevolg, dus kan de idee van de volmaaktheid niet verder komen uit ons onvolmaakt denken.

Alleen de volmaaktheid is groot genoeg om de idee van de volmaaktheid voor te brengen, en die volmaaktheid is gewoon een andere naam voor God.
Het is volmaakter te bestaan dan niet te bestaan. Tot de essentie van de volmaaktheid behoort algoedheid, almacht, alwetendheid, …. maar ook het bestaan. Kortom, de volmaaktheid of God bestaat dus echt.
Aangezien dat God volmaakt is kan hij dus geen bedriegeer zijn en wordt het idee van de malin génie verworpen. Meteen verdwijnt ook de enige reden om te twijfelen aan de wiskunde.

Het resultaat is dat we ondertussen al 3 onbetwijfelbare zekerheden hebben:



  1. Het cogito

  2. De idee van de volmaaktheid

  3. De idee van de uitgebreidheid (geometrische ruimte)

Bestaat er een uitgebreidheid buiten ons denken en geven onze zintuigen een redelijk accuraat beeld van deze uitgebreidheid?

Probleem van de brug. De brug tussen de idee van de uitgebreidheid en de uitgebreidheid zelf.
Brug op 3 pijlers:


  1. Zintuiglijke indrukken

  2. Gods waarachtigheid: God zou ons nooit de neiging geven om foute conclusies te trekken.

  3. Causaliteitsprincipe

Hieruit kunnen we afleiden dat de buitenwereld de oorzaak is van mijn zintuigelijke indrukken ze dus degelijk bestaat.

Maar hieruit kunnen we nog niet besluiten dat onze zintuigelijke indrukken de werkelijkheid weergeven zoals die is. Dit komt omdat de natuurlijke neiging om te besluiten dat onze zintuiglijke indrukken de werkelijkheid weergeven zoals ze is, minder sterk is dan de natuurlijke neiging om te besluiten dat er een werkelijkheid is die aan de oorsprong ligt van onze zintuigelijke indrukken.
We hebben 3 middelen om schijn van zijn te onderscheiden:


  1. De andere zintuiglijke indrukken

  2. Geheugen

MAAR deze 2 middelen zijn niet volledige betrouwbaar omdat de ene zintuigelijke indruk de andere zou moeten corrigeren, maar waarom zou die 2de zintuiglijk indruk betrouwbaarder zijn dan de eerste?

  1. Denken is dan het enige betrouwbare instrument in kwestie volgens Descartes.

Dit betekent dat we de werkelijkheid kunnen kennen zoals ze is, maar dat de zintuiglijke indrukken ons niet het accuraat beeld geven van de werkelijkheid. Als we de werkelijkheid kunnen kennen, dan is dat alleen te danken aan de wiskunde.


C. Ik en de wereld.
We hebben zekerheid over 3 zaken:

  1. Het ik

  2. God

  3. Buitenwereld

Om de echte buitenwereld te kennen moeten we onze zintuiglijke indrukken omzetten in wiskunde indrukken. Deze mathematisering is misschien wel een vervorming van onze zintuiglijke indrukken, maar het gaat om een vervorming die de vervorming van onze zintuiglijke indrukken ongedaan maakt.


Dualisme

De uitgebreidheid en het denken zijn 2 ideeën die op zichzelf kunnen worden begrepen:



  1. Zowel de idee van de uitgebreidheid en de idee van het denken staan op zichzelf

  2. Ze kunne los van elkaar bestaan

  3. Ze hebben een fundamenteel andere aard:
    denken = onstoffelijk & uitgebreidheid = stoffelijk.


D. Had Descartes het fout?
We kunnen beter de vraag stellen of Descartes een goede filosoof was. En de vraag hierop is ja!

Maar hij heeft wel enkele fouten gemaakt:

Vooral het dualisme is een grote schietschijf omdat het menselijke denken volgens de moderne filosofen helemaal niet los kan staan van de materie.

Maar er zat ook wel waarheid in het dualisme, het denken en de uitgebreidheid hebben wel degelijk een heel andere aard.


Zonder hersenactiviteit zullen we helemaal niet kunnen denken maar daarom is het denken niet noodzakelijk identiek aan de hersenactiviteit. Het denken is namelijk onstoffelijk en in meer filosofische termen niet reduceerbaar tot stof.
Ik denk ongetwijfeld en dat denken is onstoffelijk maar dat betekent niet dat ik alleen maar denken en onstoffelijkheid ben. De grenzen van mijn ik zijn minder duidelijk dan Descartes dacht, daaruit volgt dan ook dat de grenzen van de buitenwereld minder duidelijk zijn.

Filosofie hoofdstuk 2: Denken en lichaam
Denken is altijd denken over iets, en dat ‘iets’ kan het denken niet zelf produceren.
A. Denken en hersenen: nauw verbonden maar niet identiek
Het dualisme heeft zijn beste tijd gehad.

Qualia:


1. Het mentale heeft wel eigenschappen die het materiële niet heeft.

Experiment van Frank Jackson ‘What Mary didn’t know’ toont aan dat ervaring iets totaal anders is dan het materiële. Dus de subjectieve eigenschappen van ervaringen kunnen niet worden herleid tot de objectieve eigenschappen die bestudeerd worden door de natuurwetenschappen. De subjectieve eigenschappen kunnen niet aangeleerd zijn, tenzij door het ervaren zelf.


2. Het immateriële bestaat slechts wanneer er iemand bij aanwezig is. Elke mentale toestand heeft een subjectpool en een objectpool en bovendien is de subjectpool even immaterieel als de objectpool.

Hier tegenover blijven de hersenen wel werken ook al is er niemand die er naar kijkt of er aan denkt.


We moeten natuurlijk niet denken dat er een soort niet aan de materie gebonden zieltje in ons hoofd zit. Er zit geen klein mensje (homunculus) in onze hersenen dat zorgt voor de vertaling van hersenprocessen in gedachten. Dit zou trouwens het probleem niet oplossen maar alleen verleggen want zit er dan ook zo’n homunuculus is het hoofd van de homunuculus?

Het is gewoon zo dat de hersenactiviteit noodzakelijk is en voldoende is voor de gedachten en voor de denker.


De gedachten die superveniëren op de materiële processen, kunnen niets veranderen aan het materiële want ze hebben geen eigen causale rol. Iets onstoffelijks kan onmogelijk iets stoffelijks bewegen.
De geest heeft het materiële nodig om te bestaan.

Superveniëntie:

De mentale eigenschappen komen boven op de fysische eigenschappen, dus fysische eigenschappen kunnen dus de mentale eigenschappen beïnvloeden.

Maar de superveniërende fenomenen kunnen geen invloed uitoefenen op datgene waarop de superveniëren.


Maar iedereen is geneigd om te zeggen dat bv. de gedachte ‘ik ga mijn arm strekken’ ook effectief leidt tot het strekken van mijn arm. Maar we weten ook dat het mentale geen invloed kan hebben op het fysische, maar hoe lossen we deze paradox nu op?
Volgens de wet van behoud van energie kunnen we geen energie verliezen maar ook geen energie ‘tevoorschijn toveren’. Dus het denken dan niet leiden tot het strekken van de arm.

Hieruit kunnen we dan zeggen dat de hersenprocessen niet alleen de gedachte ‘ik ga mijn arm strekken’ leveren maar dat de hersenprocessen ook degelijk de arm gaan strekken in plaats van mijn gedachten.


Dus eigenlijk leiden de zaken die leiden tot gedachten of gevoelens ook tot de veranderingen in de werkelijkheid.
De gedachten kunnen wel een causale rol hebben, maar dan zullen ze deze enkel kunnen uitoefenen op iets wat onstoffelijk is.
MAAR, we mogen niet vergeten dat deze oppervlaktefenomenen (superveniërende kwaliteiten) voor de meeste mensen het allerbelangrijkste zijn.

De mensen leven niet voor hersenprocessen maar leven voor vreugde, kennis, liefde enzovoort.

Vb. Een zombie die hetzelfde doet als de mens (de liefde bedrijven, eten, lachen om iemands grappen …) is dat deze de oppervlaktefenomenen mist die we ‘res cogitans’ en ‘gedachte’ hebben genoemd.
B. Ben ik ook mijn lichaam?
Het feit dat elk bewustzijn een ‘bewustzijn van iets’ is, noemt men de intentionaliteit van ons bewustzijn.
1. Wat is het ik?
Enkele algemene beschouwingen over het ‘ik’:


  1. Het ik is een subjectpool, het is eigenlijk een perspectief van waaruit de dingen en de wereld worden bekeken of van waaruit over de dingen wordt nagedacht. Zo’n perspectief is altijd tijd-ruimtelijk, dat wil zeggen dat als je geen positie inneemt dat je ook geen perspectief kan hebben op de dingen.

  2. Het zelf is hetgene wat onze ervaringen tot onze ervaringen maakt.

  3. Het ik is datgene wat mijn denken en handelen tot mijn denken en handelen maakt.
    Lichamelijke continuïteit: mijn daden van 10 jaar geleden en mijn daden van nu worden allemaal aan hetzelfde subjectpool toegeschreven.
    De lichamelijke continuïteit is een noodzakelijke voorwaarde voor het ‘ik’ of het ‘zelf’, maar en noodzakelijke voorwaarde is nog geen voldoende voorwaarde.

  4. Dit betekent nog niet dat mijn concrete lichamelijkheid identiek is aan mij ‘ik’.


C. Het lichaam en de lichaamsfuncties
Descartes meende – vermoedelijk terecht – dat de moderne wetenschap zijn succes te danken had aan het verwerpen van de doeloorzaken.
Aristoteles zag de natuur als een soort ‘superorganisme’ met een bepaalde bedoeling. Dit wereldbeeld noemt men een teleologisch wereldbeeld.
Het verschil tussen de moderne benadering en de aristotelische benadering ligt dan ook in de verschillende chronologie van de oorzakelijkheid.

Vb. Moderne: appel valt van de boom door dat de zwaartekracht eerst inwerkt op de appel en dan pas de appel gaat vallen


Aristotelische: appel valt eerste van de boom om in rustpositie te zijn en dan pas zal de zwaartekracht inwerken op de reeds vallende appel.
1. Het lichaam als automaat

Het lichaam is niet meer dan een mechanische pop die volledig gehoorzamen aan de mechanische wetten van de fysica.

Uiteindelijk is het hele lichaam, ook datgene wat het lichaam tot een levend lichaam maakt, niet meer dan een materiële, mechanische kwestie.

3 punten die i/h voordeel spreken van Descartes:



  1. Het menselijk lichaam en het menselijke leven kan beschouwd worden als een deel van de natuur.

  2. Het levende (het biologische) kan zich niet keren tegen het fysische en de fysische wetmatigheden

  3. Onderscheid kunnen maken tussen het beleefde lichaam en het mechanische lichaam, ook al zegt Descartes dat het beleefde lichaam niet het echte lichaam is.

1 punt dat i/h nadeel spreekt van Descartes:



  1. Doeloorzaken zijn moeilijk te vermijden van zodra men het over levende natuur en over het menselijke lichaam heeft. De organen van de mensen hebben immers functies en deze functies lijken altijd teleologie te veronderstellen.


2. Het levende lichaam is zijn eigen oorzaak

Descartes legt heel sterk de nadruk op het mechanische karakter van het lichaam. Dat doet hij door het lichaam te vergelijken met mechanische poppen. Bv. zo zijn er poppenmakers die poppen maken die kunnen dansen. Het hele mechanische systeem van die pop is erop gericht de pop te kunnen laten dansen. Daarom kan je zeggen dat het doel de oorzaak is van de pop.

Descartes zag in dat dit een probleem was. Opl.: Descartes zegt dat God doelen zou hebben gegeven aan het lichaam waarna die lichamen in de zuiver mechanische natuur geplaatst zijn. Descartes suggereert dat God dit gedaan heeft met het welzijn van het lichaam op het oog: omdat het goed is voor het lichaam om te blijven bestaan, zijn alle organen erop gericht het lichaam te laten verder bestaan.

Maar moest dit al zo gebeurt zijn, dan zijn hiermee de problemen nog niet opgelost.

Kant meende dat een ‘Newton van de biologie’ er nooit zou komen omdat het over een contradictie gaat die door geen enkele wetenschapper kan worden opgelost. Maar waarom niet?
Uitwendige doelmatigheid: in de natuur zijn heel wat dingen goed voor andere dingen in de natuur of voor de mens. Deze doelmatigheid is ofwel toevallig ofwel van buitenaf de natuur opgelegd door de mens. (leidt ook niet tot contradicties)

Inwendige doelmatigheid: dieren en planten (en alle andere levende organismen) zijn hun eigen oorzaak en hun eigen effect. En wanneer oorzaak en effect identiek zijn spreken we over doeloorzakelijkheid. 3 redenen waarom we aan levende wezens een inwendige doelmatigheid moeten voorschrijven:



  1. Ze genereren kopieën van zichzelf (olifant maakt een olifant …)

  2. Ze zetten datgene wat verschilt van zichzelf om in een deel van zichzelf (mens eet een appel, konijnen, bier en maakt hieruit opnieuw menselijke lichamen)

  3. De delen van het organisme, houden zichzelf, elkaar en het hele organisme bij elkaar. (bladeren van bomen hangen van de boom af voor hun groei maar zijn ook nodig voor de groei van de stam)

Dit leidt tot wat Kant een antinomie van het oordeel noemt, waar wat eigenlijk net zo goed kan begrepen worden als een contradictie.

Enerzijds zijn ze echt natuurlijk en als natuurlijke dingen zijn ze een deel van de louter mechanische natuur, anderzijds veronderstellen ze wel een teleologisch oordeel om ze te begrijpen.
De oplossing van Kant: We begrijpen de natuur ALSOF die doelmatig is en dat is ook de enige manier waarop we met ons menselijk verstand de natuur kunnen begrijpen, maar misschien is er een ander soort verstand die de levende natuur wel begrijpt zoals ze is.
3. Functies: tussen feit en norm
Niet wat een orgaan doet, maar wel wat een orgaan hoort te doen is de functie van dit orgaan.
Subjectivisme: de mens was de maat en de norm van alle dingen.

Dit zou inhouden dan wetenschappers geen functies van organen ontdekken maar zelf gaan creëren, wat dus niet klopt.

Maar het subjectivisme mag niet volledig worden afgewezen aangezien


  1. dat bv. voor artefacten (verplaatsbaar object) wel degelijk geldt dat hun functie bestaat in het ten diensten staan van de mens (bv. een kachel)

  2. dat het ook kan worden volgehouden voor wat men de ‘zwakke functies’ van organen’ kan noemen. (zwakke functie = dokter kan het hart horen kloppen, maar de intrinsieke functie van het hart is niet om het te horen kloppen maar om bloed rond te sturen, dus het horen kloppen van het hart is een zwakke functie van het hart.)

Gewoonlijk plaatst met tegenover de ‘zwakke functies’ de ‘eigenlijke functies’ (proper functions). Maar deze laatste kunnen we heel moeilijk begrijpen vanuit subjectivistisch perspectief. Maar hoe moeten we ze dan begrijpen?

De functie van X is de verzameling effecten van X die de aanwezigheid of het bewaren van X verklaart. (deze definitie bevat geen verwijzing naar een (boven)natuurlijke schepper!)

Maar nog 2 problemen:



  1. probleem van de teleologie nog niet helemaal opgelost: ook in deze definitie beschrijft men effecten als oorzaken

  2. Onduidelijk hoe die functies er zijn gekomen

Hierop vinden we een antwoord in de darwinistische wijsbegeerte.

D. Darwins theorie: het lichaam tussen wetenschap en wijsbegeerte

1. Darwins theorie als wetenschappelijke theorie


  1. Variatie (sommige mensen groter of dikker dan andere, sommige goudvissen roder dan andere…)

  2. Verschillen tussen individuen is erfelijk (zo lijkt een geadopteerd kindje meer op de biologische vader dan op de adoptievader)

  3. Niet alle nakomelingen van een organisme zullen overleven tot ze zich kunnen voortplanten

  4. Bepaalde nakomelingen kunnen beter overleven (een traag koolmeesje zal eerder worden doodgeschoten tijdens de jacht dan een snel koolmeesje)

Dit laatste wordt selectie genoemd.

Men noemt de mutaties ‘blind’ omdat deze mutaties niet met een plan optreden. De meeste mutaties zijn slecht voor het organisme maar af en toe zit er eens een positieve mutatie tussen die dan hoogstwaarschijnlijk zal worden doorgegeven op de nakomelingen en zo wordt verspreid na vele jaren.
Haast uitsluitend zullen de mutaties die meer nakomelingen op de wereld zetten verder verspreid worden doorheen de jaren. Deze eigenschappen noemt men adaptaties of aanpassingen.

Verschillende vormen van selectie:



  1. Natuurlijke selectie: schutkleur van een dier zorgt voor meer overlevingskans, hierdoor worden de beste schutkleuren doorgegeven

  2. Interseksuele selectie: hoe mooier de staart van een mannetjespauw hoe meer vrouwtjes met hem willen paren. Hierdoor worden de mooie mannetjesstaarten doorgegeven.

  3. Intraseksuele selectie: mannetjesherten zullen tegen elkaar vechten met hun gewei & meestal zal degene winnen met het grote gewei waardoor deze hoger in de hiërarchie komt te staan en dus vrouwtjes herten meer interesse voor hem zullen tonen. Hierdoor wordt het groot gewei doorgegeven.

  4. Artificiële selectie: de haast onnatuurlijke rode kleur van sommige goudvissen werd op deze manier bekomen. De artificiële selectie is natuurlijk NIET blind.

Vaak spelen deze vormen van selectie zich af tussen verschillende soorten, dat wordt dan groepsselectie genoemd.


Alleen wanneer de genetische variatie tussen groepen groter is dan de genetische variatie binnen de groep, kan groepsselectie plaatsvinden. Dus dit vindt heel zelden plaats.
The survival of the fittest is een soort spel tussen individuen van dezelfde soort, waarbij dat andere soorten een soort ‘scheidsrechter of selecterende omgeving’ spelen.
2 vormen van altruïsme:

  1. Soms kan het in je eigen belang zijn om samen te werken of zelfs om anderen iets te geven = reciprook altruïsme

  2. Er kunnen trekken worden geselecteerd die evolutionair nadelig zijn voor het individu, zonder dat men daar groepsselectie voor moet inroepen.

2. Darwinisme en doeloorzaken in de natuur
Darwins evolutietheorie betekende de doodsteek voor een bepaald soort teleologie, met name het ooit zo populaire ‘argument from design’.

Dit argument hield in dat de doelgerichtheid van de natuur een intentionele schepper veronderstelde en dus meteen ook bewees.


Er waren 2 fundamentele bezwaren tegen dit argument:

  1. In de natuur is er veel onvolmaakt ontwerp

  2. Eindeloze regressie

De zwakte van deze 2 bezwaren is dat ze geen tegenargument hebben, er was geen betere theorie dan de goddelijke klokkenmaker (p.53) om het doelgerichte ontwerp in de natuur te verklaren.

Deze theoretische lacune werd door Darwin opgevuld want Darwin maakte immers duidelijk dat doelgericht ontwerp mogelijk was zonder een intentionele ontwerper.


De evolutietheorie huldigt een methodologisch naturalisme, dit wil zeggen dat er alleen maar natuurlijke en geen bovennatuurlijke verklaringen worden gegeven. De evolutietheorie is er ook in geslaagd te verklaren wat hun uiteindelijke criterium is voor de aanpassing en functie: een orgaan kan alleen positief geselecteerd worden als dat orgaan de kansen op de overleving of voortplanting van het organisme verhoogd.
Het begrip functie werd eerder al gedefinieerd als ‘de verzameling effecten van X die de aanwezigheid van X verklaren’, uit Darwins evolutietheorie kunnen we een nieuwe definitie voor het begrip functie vormen: ‘de functie van trek X is de reden waarom natuurlijke (of seksuele) selectie die trek positief heeft geselecteerd.’

De darwinistische bepaling van functie stelt dus dat een functie identiek is aan het effect dat ervoor zorgde dat een bepaalde trek werd geselecteerd.


De evolutietheorie toont aan dat de paradox waar Kant en Descartes mee worstelden eigenlijk helemaal geen paradox is, niettemin is deze oplossing ook niet vrij van problemen. 3 van de problemen:

  1. De functionaliteit van een ‘rudiment’: gegeven de definitie van functie als de effecten die de aanwezigheid van een trek verklaren, zou de functie van de appendix het afbreken van cellulose zijn. Dit botst natuurlijk met de definitie van een rudiment, de appendix heeft helemaal geen functie meer.

  2. Natuurlijke selectie creëert niks nieuws: het zijn mutatie en seksuele recombinatie die creatief zijn, maar volgens de darwinistische definitie van functie zou men dus moeten concluderen dat de functie van een trek ontstaat zonder dat er iets veranderd aan die trek.

  3. De ongedetermineerdheid van functie: zie voorbeeld p. 57

Ondanks dit alles blijft de darwinistische definitie van functie wel de beste tot heden.
  1   2   3

  • A. Op zoek naar de eerste zekerheid.
  • B. Op zoek naar andere zekerheden.
  • C. Ik en de wereld.
  • D. Had Descartes het fout
  • Filosofie hoofdstuk 2: Denken en lichaam
  • B. Ben ik ook mijn lichaam
  • C. Het lichaam en de lichaamsfuncties
  • D. Darwins theorie: het lichaam tussen wetenschap en wijsbegeerte

  • Dovnload 143.88 Kb.