Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Fragment Film Blindsight 1

Dovnload 68.37 Kb.

Fragment Film Blindsight 1



Datum28.10.2017
Grootte68.37 Kb.

Dovnload 68.37 Kb.

Inaugurele rede uitgesproken bij de aanvaarding van de leerstoel Oogheelkunde aan de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit van Utrecht op 15 februari 2010 door Prof dr Saskia Imhof

Mijnheer de Rector Magnificus, Leden van de Raad van Bestuur van het UMC Utrecht, geachte collegae, beste familie en vrienden, waarde toehoorders,


Deze oratie ga ik beginnen met een samengesteld fragment uit een film. Deze film “Blindsight” inspireerde mij tot het thema van deze oratie: Blind Vertrouwen. Kinderen van een blindenschool in Tibet worden meegenomen op expeditie naar de top van de Lhakpa Ri. De expeditie is onder leiding van een blinde amerikaan en zijn team, dat ooit de Mount Everest heeft beklommen.
Fragment Film Blindsight 1
Bergen hebben op mij altijd een grote aantrekkingskracht gehad. Als kind gingen wij in de zomers altijd naar de bergen en met mijn vader hebben wij een aantal hoge toppen in de Alpen beklommen. Wat is dan de overéénkomst met de zorgsector en de oogheelkunde? In de bergen veranderen de omstandigheden vaak zo snel dat van een bergbeklimmer wordt verwacht dat zij hierop inspeelt. De route van vandaag kan morgen weggevaagd zijn door een lawine. De bergbeklimster moet dan op zoek naar nieuwe routes, zij moet vertrouwen op haar kennis, ervaring en misschien nog wel het belangrijkste, zij moet vooral blind kunnen vertrouwen op haar touwgenoten.

In dit verhaal ga ik allereerst het algemene kader van de zorgsector bespreken. Een zorgsector die de laatste jaren razendsnel aan het veranderen is, en waar de patient en de arts dagelijks mee te maken hebben. Vervolgens zal ik proberen aan te geven wat hiervan de consequenties zijn voor de oogpatient en de oogarts. Tenslotte zal ik met u mijn visie delen op de academische oogheelkunde en die van Utrecht in het bijzonder.


De veranderende zorgsector

De situatie in de film heeft een intensiteit die overeenkomsten heeft met de zorgsector:

In de zorgsector zijn de bekende wegen en paden niet meer wat ze waren. En worden we dagelijks geconfronteerd met nieuwe ontwikkelingen. We weten niet precies waar het naar toe gaat. Wat maakt dat we ook niet altijd vertrouwen hebben in de juiste weg. Ik stel me zo voor dat we ergens op die gletscher staan, die u zag in de film, met links en rechts van ons de spleten en ijspieken, ergens in de verte de top of route die we willen bereiken. In onze rugzak hebben we lichtgewicht klimmateriaal en voedsel. In ons hoofd zit de kennis en de ervaring.

De ingredienten van de situatie in de film die overéénkomsten vertonen met de zorgsector zijn dus: snel veranderende omstandigheden, we zien nog niet wat de oplossingen zijn en we moeten vertrouwen hebben in onszelf: wij, de dokters, en onze partners: de patient en de overheid.

Allereerst : wat zijn dan die veranderingen in de zorg waar we mee geconfronteerd worden?

De overheid heeft voor de zorgsector het volgende bedacht: marktwerking ook wel new public management genoemd, en kwaliteitsontwikkeling. Die nieuwe situatie biedt bedreigingen, maar voor wie het wil zien, biedt het ook kansen en mogelijkheden.

Door de marktwerking verwacht men dat de zorgsector zelfregulerend en kostendrukkend wordt. Maar om die marktwerking in goede banen te leiden is duidelijke regelgeving nodig om de kwaliteit van zorg te monitoren en te waarborgen. Die kwaliteitsnorm is momenteel sterk in ontwikkeling. Het ministerie van VWS heeft met het project Sneller Beter, beoogd om een aanzienlijke prestatieverbetering te realiseren op patiëntenlogistiek en patiëntveiligheid.

De overheid heeft het dus goed voor ons geregeld: efficiente gestandaardiseerde zorg van hoge kwaliteit. Een rationele oplossing, want de persoonlijke, integrale en continue zorg komt daardoor in de knel. In de oogheelkunde is dat goed zichtbaar.

Niet alleen de zorgsector verandert , maar ook de patient. Wie is die patient tegenwoordig?

De patient is een mondige, steeds beter geinformeerde individu wiens levensverwachting almaar stijgt. Vrouwen worden inmiddels gemiddeld 82 jaar en mannen 78 jaar.

Uit de gegevens van VWS blijkt echter ook dat we weliswaar ouder worden, maar dat het aantal gezonde levensjaren minder wordt. Dat moet je zo vertalen: mensen hebben dus in hun langere leven gemiddeld meer ‘ziekte jaren’. Een ontwikkeling die grotendeels wordt toegeschreven aan ongezond gedrag. Er zal een groter beroep gedaan worden op preventie programma’s, op geriatrische zorg en op het curatieve gezondheidszorgsysteem2,3.

Voor de oogheelkunde betekent dat een toename van leeftijd gerelateerde oogziekten zoals maculadegeneratie, diabetes, maligniteiten, staar, en misschien wel ziektes die we nog niet kennen. Uit epidemiologisch onderzoek blijkt, dat 50% van de ernstige oogaandoeningen (een gezichtsscherpte van minder dan 10%), bij mensen die ouder zijn dan 75 jaar wordt veroorzaakt door maculadegeneratie4. Dit is een degeneratie van de gele vlek, het centrale punt van het netvlies waardoor het gezichtvermogen ernstig kan verslechteren. Bij deze aandoening speelt overigens niet alleen leeftijd een rol, maar ook, ja natuurlijk roken, en genetische aanleg.

Het aantal mensen met diabetes neemt exponentieel toe. Het RIVM geeft aan dat het aantal mensen met diabetes in 2007 ruim 740.000 was. Door vergrijzing en het toenemend aantal mensen met overgewicht kan dat in 2025 verdubbeld zijn. Daarbij hebben nogeens naar schatting 250.000 mensen diabetes zonder dat ze het weten. Allemaal potentiele oogpatienten.

Een ander aspect van de veranderende patient is het feit dat de patient steeds beter geïnformeerd is. De meeste informatie is voor iedereen beschikbaar. In de praktijk zien wij dat patienten steeds vaker met een internet print van hun mogelijke ziektebeeld aankomen. Ook weten zij dat zij naar de juiste specialist zijn verwezen. Mensen willen en kunnen dus goed geïnformeerd zijn.


Tot zover even de patient. Wat is er veranderd voor de arts? Uit onderzoek van Yolande Witman, beschreven in haar proefschrift: de medicus maatgevend, blijkt dat de maatschappij als geheel steeds minder vertrouwen heeft in de medische wereld5. Bovendien stijgen de kosten van de gezondheidszorg hetgeen geweten wordt aan de medisch specialisten.

Hierdoor onstaat vanuit de overheid de behoefte de medische wereld te beheersen en te managen. De medische wereld op haar beurt maakt zich zorgen over deze afname van vertrouwen, en voelt zich bedreigd in haar autonomie.

Zowel patient als arts staan in deze nieuwe zorgsector nog wat onwennig. Wij kunnen niet zien welke kant het uitgaat. Ik zie ons daar ergens op die prachtige, maar gevaarlijke gletscher staan waarop klimaatverandering zijn snelle invloed heeft en we niet precies weten wat te doen.

De discussie over de financiele positie van de medisch specialist is sinds jaar en dag níet veranderd in de zorgsector. Vijf en twintig jaar geleden was mijn vader, als internist in Amersfoort, voorzitter van de Landelijke Specialisten Vereniging (dat heet nu de Orde van Medisch Specialisten). Er is sindsdien niks veranderd. Het al oude spanningsveld van stijgende kosten in de zorg, waarbij de overheid de reflex vertoont dat te wijten aan de medisch specialisten en ziekenhuizen, bestaat nog steeds. Het lijken onwrikbare brokken graniet, zie het als de niet veranderende skyline van bergtoppen.

Mijn vader is er jammergenoeg niet meer. Na hem zijn er weer nieuwe generaties voorzitters, ministers, staatssecretarissen geweest die in 25 jaar nog steeds geen stap verder zijn gekomen. Tot nu toe heeft het dus niet gewerkt. We moeten het over een andere boeg gooien. Maar welke? Laten we bij onszélf beginnen.
De oogarts en de oogpatiënt

Wat zouden wij als oogartsen kunnen doen om het vertrouwen te krijgen van overheid en patient? Wij zouden de handen in één kunnen slaan met de patienten. Want waar bent u als patient gebleven? Mag u niet meepraten over hoe de gezondheidszorg ingericht moet worden? Om serieus mee te praten over grote beleidsmatige onderwerpen is het een voorwaarde dat de patienten goed georganiseerd zijn. In Nederland zijn de oogpatienten georganiseerd in patientenverenigingen.

Het is typisch nederlands dat bijna iedere oogziekte een eigen patientenvereniging heeft. Er zijn in Nederland ongeveer 30 verschillende verenigingen waarbij de meesten zelfstandig functioneren. In Zweden waar ik een paar jaar geleden een cursus over Leiderschap in de Europese Oogheelkunde bezocht, kregen wij een lezing van de ‘blinde’ voorzitster van de zweedse blinden- en slechtzienden organisatie. Deze organisatie vertegenwoordigt alle blinden- en slechtzienden in Zweden en is directe gesprekspartner van de minister van gezondheid en tevens partner van de wetenschappelijke vereniging van oogartsen. Deze drie groepen praten regelmatig met elkaar en kennen elkaars belangen en standpunten.

Als we in Nederland verder willen komen dan zouden we meer naar patienten moeten luisteren en ons aan elkaar gaan binden. Patienten zouden bijvoorbeeld betrokken kunnen worden bij de ontwikkeling van richtlijnen en protocollen. De ouderenbond Nederland, met 800.000 leden heeft al aangegeven bij monde van haar 80-jarige, zeer kiene voorzitster, hier veel voordelen in te zien. Onze aanpak moet zijn: allianties sluiten waardoor de oogpatient en de oogarts partners in de oogzorg worden.


De geschiedenis van het Ooglijders Gasthuis te Utrecht

Om de zorgsector en oogheelkunde van de 20e eeuw, beter te begrijpen is het soms wel eens goed om terug te kijken naar de geschiedenis van ons vak. En in dit geval in het bijzonder de geschiedenis van de oogheelkunde in Utrecht.

Het is vreemd te bedenken dat oogheelkunde in het midden van de negentiende eeuw, als medisch specialisme nog nauwelijks bestond. Er wordt ergens geschreven dat het in ons land met de oogheelkunde treurig gesteld was. Er waren wel enkele medici die oogheelkunde als bijvak beschouwden, maar er waren verder geen oogartsen , die het vertrouwen van de patienten bezaten. Oogheelkundige klinieken ontbraken, en op geen enkele plaats konden oogartsen worden opgeleid. Oogheelkunde werd voor zover je hierover kon spreken dan ook door halve en hele leken uitgevoerd. In een klein dorp in Brabant was een dominee die zichzelf tot oogarts had opgeworpen, en het verhaal gaat dat hij meer patienten had dan parochianen.

In die tijd leefde Franciscus Cornelius Donders, geboren in 1818. Donders was één van de belangrijkste oogdeskundigen van Nederland ooit.

Van oorsprong was Donders fysioloog, maar zijn wetenschappelijk werk op het gebied van de oogfysiologie vergrootte zijn belangstelling voor het oog. Hij was al snel een grote autoriteit op dit gebied. Het is dan ook niet verwonderlijk dat toen Donders aan de universiteit van Utrecht, zijn colleges over de oogheelkundige fysiologie gaf, niet alleen studenten, maar ook patienten naar hem kwamen om raad en advies . En zo werd hij tegen wil en dank de oogheelkunde ingedreven.

Hij publiceerde en vertaalde oogheelkundige literatuur en daarom werd hij in 1851 uitgenodigd in de zoals hij het noemde ‘groote kliniek Moorfields’ in Londen.

Dit bezoek had betekenisvolle invloed op de toekomst van het leven van Donders, en bovenal op de oogheelkunde in Nederland. Donders ontmoette er de grote mannen van de oogheelkunde, Bowman, von Graefe, Helmholz. Een vriendschap groeide tussen de mannen, en de grondleggers van de oogheelkunde zochten elkaar regelmatig op om de oogheelkunde in Europa te bevorderen.

Geinspireerd door zijn bezoek aan Londen, richtte Donders een paar jaar later in 1858 het Nederlandsch Gasthuis voor Behoeftige en Minvermogende Ooglijders op. De visie van Donders om een ziekenhuis op te richten voor alleen oogpatienten, is uniek geweest. De doelstelling van het Gasthuis was , naast het behandelen van oogpatienten, ook het geven van onderwijs en het doen van onderzoek. Aan deze doelstellingen is het Gasthuis, altijd trouw gebleven6,7,8.

Het Ooglijders Gasthuis, had als motto:” Liefdadigheid is de grondslag van het geheel”. Wij lezen in de behandelingsoveréénkomst: De geneeskundige behandeling in het Nederlands Gasthuis voor Ooglijders is geheel kosteloos. Het tarief voor de huisvesting en voeding is vastgesteld op 2 gulden per dag. Er was nog wel een andere voorwaarde om een oogheelkundige behandeling te krijgen, namelijk: de Opneming wordt alleen toegstaan indien de ooglijders voorzien zijn van: zindelijke kleding en het noodige ondergoed ter verschooning.
Context voor oogheelkunde, marktwerking en kwaliteit

Ja, de context waarin de oogarts werkt is behoorlijk veranderd. Logisch natuurlijk, en we moeten ook niet doen alsof vroeger alles beter was. Tenslotte was het toen niet eens vanzelfsprekend dat een patient de beschikking had over schoon ondergoed.

Dan nu terug naar deze tijd. Wat is er zo veranderd voor de oogarts en de oogpatient?

Allereerst de marktwerking, dit heeft vele gevolgen voor het werk van de oogarts. De oogarts wordt door het veranderde systeem ineens gevraagd ondernemer te zijn, en haar vroegere collega’s zijn ineens concurrenten geworden. U zult gezien hebben in uw eigen omgeving dat zich oogklinieken vestigen buiten de muren van het ziekenhuis.

Deze zijn opgezet met als primaire doel een betere bedrijfsvoering, onafhankelijk van de overhead van het ziekenhuis. Een begrijpelijke ontwikkeling, want de ingezette marktwerking biedt hier alle ruimte voor.

De patient ziet dicht bij huis een oogkliniek, zonder wachttijd, toegankelijk en erg client gericht. Efficient en standaard. Dat biedt vertrouwen. Ook voor de oogarts, een prettige omgeving om te werken, geen last van de logheid van het ziekenhuis en financieel aantrekkelijk. Voor beiden, patient en oogarts, pure winst zou je zeggen. Maar wat nu te doen met de patient die meerdere ziekten tegelijk heeft. Deze patient behoeft multidisciplinaire zorg. Kan deze patient terecht voor acute verergering van zijn klachten buiten kantoortijden? Kan de oogheelkundige zorg integraal geleverd- en kunnen de eventuele complicaties opgelost worden? En waar ik me echt zorgen over maak, is er binnen deze organisatie ruimte voor de opleiding van co-assistenten en arts assistenten? We moeten ons als oogartsen collectief de vraag stellen of de zakelijke ontwikkeling van ons vak niet een verschraling tot gevolg heeft. De oogarts als zakelijk directeur van haar oogkliniek, of als medisch professional met alle competenties die van ons verwacht worden.

Naar mijn idee kan de oogarts niet tegelijkertijd ondernemer en een integrale arts zijn. Gelukkig verkiezen de meeste oogartsen de meerwaarde van het werken in haar eigen biotoop, het ziekenhuis, boven de bedrijfsmatige uitdaging van een buitenkliniek.

Een andere verandering in de zorgsector waar ik al over sprak is de kwaliteitsontwikkeling.

Met de nieuwe vorm van rapportage kunnen we ons zelf toetsen en inzicht krijgen in onze resultaten.

De resultaten komen als het ware in de etalage van de oogkliniek en u als patient loopt langs alsof u letterlijk op de markt bent. De patient kan hierop de kliniek kiezen waar hij geholpen wil worden. Hierin lopen de Nederlandse oogartsen in Europa voorop. Dankzij de inzet van de oogartsen Tan en Henry zijn er gedegen kwaliteitsregistraties ontwikkeld. De staar operatie, de refractiechirurgie (de lasers om van de bril af te komen), de netvlies en scheelziensoperaties worden landelijk webbased geregistreerd. Vanuit de Europese Gemeenschap is financiering gekomen voor het ontwikkelen van een Europees Kwaliteit Registratie Systeem waarbij het Nederlandse systeem als voorbeeld heeft gediend9.

Aandacht voor kwaliteit is ontzettend belangrijk, en meten en registreren is misschien wel nog belangrijker. Maar met meten weten we nog niet alles, en zijn we onvolledig.

Ik wil er op wijzen dat we, in deze formele sturing van buiten af, de menselijke maat niet uit het oog moeten verliezen. Meten is prima,maar laten we ons niet verschúilen achter registraties en getallen. Het allerbelangrijkste blijft tenslotte de inhoud van ons vak zelf, een professionele houding en hoe je daar vorm aangeeft.


Geschiedenis oogheelkunde

Hoe anders was dat in de tijd dat oogheelkunde nog niet eens bestond als medisch specialisme?

Hiervoor heb ik al gesproken over de geschiedenis van de oogheelkunde in Utrecht en de rol van Donders hierin. Nog even terug naar het begin van de oogheelkunde en dan de stand van zaken nu.

Het oogheelkundig vak was, voor zover het brillen voorschrijven betrof in handen van opticiens en reizende kooplieden. Wat betreft de oogziekten werd de behandeling toevertrouwd aan een reizende operateur. En ten dele was de oogheelkunde ondergebracht bij de algemene chirurgie. De chirurg had niet zoveel interesse in dit schijnbaar kleine onderdeel van zijn veelomvattende vak. Hij veroorzaakte zóveel mislukte operaties, dat hij de oogoperatie graag overliet aan rondtrekkende ‘marktschreeuwers’ , gewoonlijk kwakzalvers, die de kunst verstonden om de stad te verlaten vóór de ongelukkige resultaten bekend werden.


Stand van zaken in de oogheelkunde

Hoe is dat nu? Waar kunnen wij het vakmanschap, de vernieuwing en wetenschappelijke ontwikkeling in ons vak aan zien?

De technologische ontwikkelingen: Bij de moderne staaroperatie wordt, in een steriel veld, via een wondje van 1.5 mm de troebele humane lens verpulverd en vervangen door een kunstlensje. Het kunstlensje wordt opgevouwen in het oog geplaatst, ontvouwt zich en blijft levenslang zitten. De ambulante patient krijgt na de operatie een kopje koffie en vertrekt weer naar huis. Het succespercentage van deze operatie is zeer hoog, met een heel laag complicatie risico, slechts één op de duizend ogen krijgt een ontsteking met schadelijke gevolgen voor de patient. Dit is het laagste infectierisico binnen de chirurgische vakken.

De oogarts verricht de hoogste vorm van microchirurgie, ogenschijnlijk een routine operatie maar bij iedere patient vergt het uiterste concentratie en expertise.


De ontwikkeling van nieuwe medicijnen: We zien een enorme ontwikkeling op het gebied van de maculadegeneratie afgekort AMD, waarvoor wij tot voor kort geen behandeling beschikbaar hadden. Patienten met AMD worden op oudere leeftijd matig tot ernstig slechtziend, waardoor zij niet meer in staat zijn de algemene dagelijkse verrichtingen te doen, zoals autorijden, lezen en TV kijken. Het enige dat wij tot voor kort konden bieden waren hulpmiddelen zoals luisterboeken en TV loupes. Met de introductie van nieuwe geneesmiddelen die de groei van vaatnieuwvorming remmen, kan in de meeste gevallen het degeneratieproces tot stilstand gebracht worden en soms verbeterd. U realiseert zich waarschijnlijk nauwelijks wat de impact is van macula degeneratie op de kwaliteit van leven van ouderen.

Er is op dit gebied veel onderzoek gedaan en de publicaties van Gary en Melissa Brown geven oa aan dat ernstige AMD een verlaging van 60% van de kwaliteit van leven veroorzaakt 10,11,12. Dit is gelijk aan wat een patient ervaart met terminale prostaatkanker of iemand die vanwege een herseninfarct in een verpleeghuis ligt, incontinent en bedlegerig.

Technologische en pharmacologische ontwikkelingen hebben een enorme vlucht genomen. Maar ook de kennis en begrip over het onstaan van ziektes neemt steeds verder toe, bijvoorbeeld in de genetica van retinoblastoom. Zoals u weet een gebied dat mij na aan het hart ligt.

Retinoblastoom is een zeldzame, kwaadaardige tumor van het netvlies bij kinderen in de leeftijd van 0-6 jaar. Retinoblastoom kan aan één of twee ogen voorkomen, en heeft een sterk erfelijke component. Patienten met de erfelijke vorm hebben meestal de ziekte aan beide ogen, en hebben vijftig procent kans om een kind te krijgen met retinoblastoom. Bij de patienten met die erfelijke vorm bestaat er een mutatie- een foutje in het DNA van de stamcellen, dwz in alle lichaamscellen. Door verder onderzoek naar de werking van het RB-gen heeft men ontdekt dat we te maken hebben met de inactivatie van het tumor suppressor gen.

Dit zijn genen waarvan de afwezigheid of de slechte werking het ontstaan van kanker bevordert. Toekomstig onderzoek is nu vooral gericht op het uitbreiden van de genetische diagnostiek, zodat meer dan 95% van de DNA afwijkingen gevonden kan worden. Maar ook op het ontwikkelen van nieuwe mogelijkheden om gen-therapie toe te passen13. Zo duiken we met wetenschappelijk onderzoek steeds dieper de menselijke cel in.

Een belangrijk thema van wetenschappelijk onderzoek is tegenwoordig de kwaliteit van leven van patienten. Een voorbeeld: Kinderen behandeld voor retinoblastoom worden in hun leven geconfronteerd met een aantal aspecten van de ziekte, zoals erfelijkheid, slechtziendheid, een oogprothese, late effecten van de behandeling, en het risico op andere vormen van kanker op latere leeftijd. In haar proefschrift beschrijft Jennifer van Dijk, dat de kwaliteit van leven van retinoblastoompatienten opmerkelijk genoeg niet veel verschilt van de gemiddelde nederlandse bevolking. En dat deze levenskwaliteit afhangt van de zogenaamde coping strategie. Dat wil zeggen hoe een persoon omgaat met omstandigheden en tegenslagen, en of hij dan last ondervindt van de gevolgen14.

Over het algemeen doen de patienten het dus heel goed. Een verklaring kan zijn dat deze kinderen hiermee al vanaf hun geboorte geconfronteerd zijn. Hun referentiekader is anders dan dat van de algemene bevolking.
Graag vertel ik u een voorbeeld uit mijn eigen praktijk: Een jongen van 15 jaar, is sinds zijn geboorte ernstig slechtziend. Hij woont op een boerderij met zijn ouders en broer. Zijn ouders vroegen hem een keer, wat hij zou wensen als hij een wens mocht doen waarbij alles kon! De ouders verwachtten dat hij zou zeggen dat hij zijn gezichtsvermogen terug zou krijgen. Hij wenste een pony.
Oogheelkunde in het UMC Utrecht

En dan de academische oogheelkunde. We hebben dus te maken met marktwerking, kwaliteitsontwikkeling en de kennissamenleving. Het is voor een Universitair Medisch Centrum een uitdaging daarop in te spelen en onze rol daarin te bepalen.

De UMC’s zullen zich dus meer gaan focussen op centralisatie en de écht academische taken.

Hier zal de afdeling oogheelkunde van het UMCU ook mee te maken krijgen. De afdeling is qua patienten aantallen een grote afdeling met 75.000 patienten contacten per jaar. Dat is één derde van het totaal aantal patienten contacten in het UMCU. Voor ons geldt ook de triade van academische taken.

De eerste taak is de patientenzorg. Met de invoering van de marktwerking is duidelijk merkbaar dat de toestroom van complexe oogheelkundige patiënten of patienten met multipele aandoeningen, naar het academisch ziekenhuis steeds groter wordt.

Om deze patientstroom de juiste zorg te kunnen bieden is het nodig om aan de poort selectief te zijn. We moeten keuzes maken. Hiervoor is het ten eerste belangrijk om duidelijkheid te verschaffen over welke subspecialistische zorg wij bieden. Onze functie als landelijk verwijscentrum voor immunologische- en infectieuze afwijkingen van het oog is bekend. Dit zal zelfs meer focus krijgen.

Daarnaast vitreoretinale- en orbita chirurgie, complexe cataract chirugie en de behandeling van hoornvlies- en retinale afwijkingen.

Bij alle oogaandoeningen zal onze rol als kínderspecialistisch centrum gehandhaafd blijven. Ten tweede is het van belang een goed huisartsennetwerk op te zetten en een duidelijk verwijssysteem voor collega oogartsen. Wij zijn gelukkig met de ontwikkelingen binnen het UMC voor het bouwen van de ‘polikliniek van de toekomst’ waarvoor de oogheelkunde hopelijk als eerste aan de beurt is.


De afdeling stelt zich nadrukkelijk ten doel om de tweede taak, het wetenschappelijk onderzoek verder uit te breiden. Het strategisch plan van de raad van bestuur heeft de oogheelkunde geinspireerd tot het uitwerken van drie speerpunten. Het bestaande onderzoek Immunologie en Infecties tot nu toe uitgevoerd door Prof Rothova en Dr de Boer, zal uitgebreid worden door de gestarte samenwerking met Prof. Erik Hack, hoogleraar Immunologie. Met name de glasvocht – en netvlies chirurgie wordt hieraan gekoppeld. De twee andere speerpunten zijn: uniek onderzoek op het gebied van hoornvlies afwijkingen zowel morfologisch als infectieus door herpesvirus, en kinderoogheelkunde.

Ik pleit ervoor om bij wetenschappelijk onderzoek over onze eigen schaduw heen te stappen. Bijvoorbeeld door samenwerking te zoeken met andere afdelingen die ons kunnen versterken, in binnen- en buitenland.

Wij zijn oogartsen, wij zien heel veel patienten met ingewikkelde oogziektes, wij hebben klinische vraagstellingen. Maar laten we niet vergeten dat wij de basale wetenschappers nodig hebben om ons onderzoek op een hoger plan te trekken. En zij hebben ons natuurlijk net zo hard nodig. Samenwerking tussen afdelingen binnen- en buiten het UMCU leidt in ieder geval tot kruisbestuiving. Verder zullen wij ons graag aansluiten bij de kenniscentra het Juliuscentrum, het Rudolf Magnus Instituut en het Hubrecht Instituut.
De derde taak is de opleiding van studenten en aios. Wat betreft de opleiding voor arts assistenten hebben wij de ambitie om in Nederland voorop te lopen met de implementatie van de Modernisering Opleiding Oogheelkunde Nederland 15.

Deze is in juli 2009 door het Centraal College Medisch Specialisten goedgekeurd. Dat zal nog een hele klus worden, maar we zijn al een eind op weg dankzij de inspanningen van Prof Stilma en Dr Bijlsma. Ik heb er alle vertrouwen in dat onze zestien aios binnenkort zullen beschikken over de belangrijke zeven competenties van de medisch specialist van de toekomst 16.

Eén van die belangrijke competenties wordt ons voor deze éne keer geleerd door een internist. Mijn overgrootvader Abraham Albert Hijmans van den Bergh, hoogleraar interne geneeskunde in Utrecht was een bijzonder arts, opleider en wetenschapper. Hij vond dat een arts in de eerste plaats wetenschappelijk geschoold moest zijn. Daarnaast moest hij oog hebben voor wat nu professioneel gedrag wordt genoemd. In zijn benadering stelde hij de patient altijd centraal. Ik kan dat duidelijk maken door een bekende anekdote. Hijmans van den Bergh vroeg eens aan een student: “wat is de ernstigste ziekte die u bij een patient kunt tegenkomen”? De student noemde de vreselijkste ziektes maar het juiste antwoord kwam niet. Hijmans van den Bergh zei daarop: “dat is de ziekte die de patient heeft die tegenover u zit”. Helaas moest Hijmans van den Bergh, in 1938 vanwege zijn slechte gezondheid de universiteit verlaten17.
Vrouwen naar de top

Even terug naar de film uit het begin. De expeditie was ambitieus waarbij het unieke doel was om met blinde kinderen een top van 6500 meter te beklimmen.

De voorwaarde om dit doel te bereiken is zoals u kon zien, het vertrouwen in een team waarin iedereen zich in dienst stelt van het doel van de expeditie. Maar een ander thema uit de film heb ik nog niet besproken. Het is u wellicht opgevallen dat er nogal wat vrouwen tussen de bergklimmers zaten, zowel bij de kinderen als bij de begeleiding. Blijkbaar is het in Tibet mogelijk dat vrouwen de top bereiken, in Nederland is dat lastiger.

Het is allang bekend dat vrouwelijk leiderschap in een organisatie leidt tot betere prestaties. In 1997 werden hierover al de eerste artikelen gepubliceerd.

De Nederlandse regering heeft twee jaar geleden streefcijfers opgesteld voor het aandeel vrouwen in hogere functies bij de overheid, onderwijs, bedrijfsleven en politie. Opvallend genoeg niet voor de zorgsector. Nee, het aantal vrouwen in de zorgsector is gemiddeld hoog, maar kijken we naar de specialisten en hogere, leidinggevende functies, dan is het aantal vrouwen schrijnend laag. Maar.....er is goed nieuws, zoals blijkt uit onderzoek van de Vereniging Nederlandse Vrouwelijke Artsen18!

Het percentage medisch specialisten en vrouwelijke hoogleraren is de afgelopen jaren, let wel, met een één procent per jaar gestegen.

Het slechte nieuws is dat:

Wanneer de groei zich in dit tempo voortzet, Nederland pas in 2030 het streefpercentage haalt dat de EU zich stelde voor 2010. We lopen dan nog net voor op Malta en Cyprus.

Er lijken hardnekkige wetmatigheden te kleven aan de plakkende vloer, het glazen plafond en de lekkende pijplijn van vrouwen naar de top.

En dan ook nog dit: uit neurobiologisch onderzoek blijkt dat het mannelijke brein gemiddeld tien procent groter is dan het vrouwelijke brein. Dit mag volgens mij niet het argument zijn dat mannen voor hetzelfde werk gemiddeld tien procent meer verdienen.


Slotbetoog

Ik kom tot een afronding.

Ik heb u geschetst wat de omstandigheden voor de oogarts en de oogpatient in de snel veranderende samenleving zijn. De invoering van de marktwerking heeft grote invloed op de wijze waarop oogheelkunde nu georganiseerd is. Een deel van de oogartsen kiest om allerlei redenen voor een beperkt pakket aan werkzaamheden. Waarbij het de kunst is om de oogzorg niet te laten verschralen. Daarnaast de collega’s die het volledige pakket aan oogzorg willen uitoefenen, meestal in de ziekenhuizen en UMC’s. De nieuwe technologische en pharmacologische ontwikkelingen maken dat wij steeds meer kunnen betekenen voor de patient, zodat wij op die manier geboeid blijven door de inhoud. Zolang de patient juist en duidelijk geinformeerd is zal die vrijelijk kunnen kiezen in deze markt. Kwaliteitsregistraties zullen hieraan weliswaar een bijdrage leveren, maar zullen niet leidend kunnen zijn of een instrument waarop de oogzorg bepaald wordt. Laten we de menselijke maat niet uit het oog verliezen.

Ik vind, dat als wij in zowel UMC’s, als algemene praktijken, onze maatschappelijke rol verder uitbreiden door samen te gaan werken met patienten organisaties, onze betrokkenheid laten zien door oog te hebben voor de ernstige ziekte van de patient die voor ons zit, door kritisch te zijn op de geleverde kwaliteit van zorg, door nieuwsgierig te zijn naar oorzaak en resultaat, door jonge collega’s op te leiden, dat wij dán het vertrouwen verdienen van de patient en de overheid.

Voor de oogheelkunde van het UMC Utrecht voorzie ik mogelijkheden om, zowel in te spelen op de gevolgen van de marktwerking als op een toenemende stroom complexe patienten die topklinische zorg behoeven. Aan de andere kant vind ik dat wij duidelijkheid moeten verschaffen over de subspecialismen die wij willen bieden, welke patienten wij topzorg kunnen leveren, en aan welke topzorg ons toponderzoek gekoppeld is. Samenwerking tussen afdelingen binnen en buiten het UMC is een voorwaarde om op wetenschappelijk gebied te excelleren.

Vandaag ben ik begonnen u een filmfragment te laten zien over een groep blinde kinderen die met ervaren bergbeklimmers een hoge top gaan beklimmen. Om het doel te bereiken was het een voorwaarde dat de kinderen vertrouwden op hun begeleiders. Wat u niet zag is dat de groep de top nooit bereikt heeft. Naarmate men hoger kwam bleek een aantal kinderen last van hoogteziekte te krijgen en werd het vertrouwen in het veilig de top bereiken minder. In het belang van de veiligheid, de gezondheid en het plezier voor de kinderen, heeft de groep besloten 500 meter onder de top om te keren. Oog hebben voor het belang van de patient die voor u zit, en daarbij het eigen belang ondergeschikt maken is precies wat wij als artsen moeten doen om blind vertrouwen te verdienen.


Dankwoord

Tot slot wil graag mijn dankwoord uitspreken:


Het College van bestuur van de Universiteit van Utrecht, en de Raad van bestuur van het UMC Utrecht wil ik graag bedanken voor het vertrouwen dat zij in mij hebben gesteld.
Het management team van de Divisie Heelkundige Specialismen onder voorzitterschap van Professor Rene Castelein, wil ik bedanken, voor het vertrouwen, maar ook voor het inzicht om voor het eerst een vrouw in de gelederen van snijdende afdelingshoofden op te nemen. Professor Chris van der Werken dank ik voor het interim management van de afdeling Oogheelkunde.
Ook dank ik de vrouwen met leidinggevende functies , die hebben aangegeven dat het nuttig is om elkaar te steunen en te helpen waar nodig.
Ik dank de Afdeling Oogheelkunde. De staf, veertien toegewijde oogartsen die allen staan voor de zorg voor de patient, die topzorg leveren, en die er voor zorgen dat de patient met de ernstigste ziekte, centraal staat, maar ook belangstelling hebben voor toponderzoek en opleiding. Het was de afgelopen jaren niet makkelijk en er was veel onduidelijkheid maar desondanks is de afdeling op koers gebleven. Onder leiding van Aniki Rothova, hoogleraar immunologie van het oog, is er steeds een continue stroom aan onderzoek geweest. Ik ben super trots om met jullie te mogen samenwerken.
De aios, het zijn er veel en ze zijn goed, slim en gezellig. Dank voor jullie scherpte, positieve habitus, en het kritisch meedenken in belang van de patient en de afdeling. Ik dank de oogartsen van het Meander en Gelre ziekenhuis voor het opleiden van onze aios in een kwalitatief goede en inspirerende omgeving.
De medewerkers van de afdeling. Sommigen ken ik nog van 17 jaar geleden. Dat wil iets zeggen over de unieke werksfeer op de afdeling, de bijzondere toewijding aan de zorg voor de oogpatient. Ik heb zin om met jullie door te gaan. Samen met Woudie Ensie, als duaal management, hopen wij de omstandigheden te scheppen waarin de afdeling zal bloeien.
Dat ik hier niet had gestaan dankzij velen zal duidelijk zijn, maar als Professor Jan Stilma en Professor Frits Treffers mij niet in opleiding tot oogarts hadden genomen, was ik waarschijnlijk kinderarts geworden. Zij namen mij aan met de boodschap dat er toch ook oogartsen voor de periferie opgeleid moesten worden.

Het is voor mij een eer om in mijn eigen opleidingskliniek nu het stokje over te mogen nemen. Ik dank Professor Karel Tan, mijn promotor, voor het toevertrouwen van de retinoblastoom patienten.


En dan Amsterdam. Bijna 17 jaar heb ik met ongelofelijk veel plezier gewerkt in het VU mc. Ik dank Hennie Völker-Dieben (emeritus hoogleraar oogheelkunde VUmc ) voor het feit dat zij mij geleerd heeft altijd positief kritisch te zijn en mij gewezen heeft op de noodzaak dat vrouwen nu eens echt moeten doorstomen. Ook wil ik Professor Bettine Polak (hoogleraar, opleider oogheelkunde VUmc) bedanken voor het zijn van de stabiele factor in het Vumc en een voorbeeld van iemand die onvoorwaardelijk voor het wetenschappelijk onderzoek staat. Annette Moll en het hele retinoblastoom team, wil ik bedanken voor het gezamenlijk opzetten van het retinoblastoom centrum en onderzoek. En ik hoop in de toekomst op verdere samenwerking op dit gebied.

Ik ben trots op de promovendi , die met veel enthousiasme hun onderzoek doen en zich betrokken voelen bij de patientenzorg. En de patienten die hun blind vertrouwen hadden in ons en ook altijd bereidwillig zijn om mee te werken aan onderzoek. Het plezier dat ik in Amsterdam had was dankzij de geweldige collega’s en medewerkers. Collega Ype Henry, dank ik voor de heftige discussies over hoe wij denken dat de oogheelkunde in Nederland eruit zou moeten zien.


Ik dank Professor Peter Ringens (medisch afdelingshoofd oogheelkunde VUmc), die mij voorgesteld heeft als voorzitter van het NOG bestuur, en daarnaast wist hij de benoemings advies commissie te vertellen dat hij mij liever niet kwijt wilde. Dat maakte precies het verschil. Van Peter heb ik heel veel geleerd. Ik dank jou voor je onvoorwaardelijk vertrouwen.
Het bestuur van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap, wil ik bedanken voor hun ongelofelijke professionaliteit, de gezelligheid, maar vooral voor de steun die ik krijg als voorzitter in deze drukke tijden. Ook wil ik alle leden die zich actief inzetten in werkgroepen en commissies heel erg bedanken voor hun onvoorwaardelijk inzet om het belang van de nederlandse oogartsen te dienen. In deze tijd waarin collega’s concurrenten worden, is het des te belangrijker dat wij ons gezamenlijk inzetten voor elkaar.
Mijn vader is helaas lang geleden overleden, maar wij missen hem nog dagelijks. Hij was internist, opleider en wetenschapper in het ziekenhuis de Lichtenberg in Amersfoort.

Dankzij hem heb ik een paar kernwaarden in mijn leven geleerd en waarschijnlijk ook geerfd: “Wat je doet doe je goed, en respect hebben voor anderen”. Hij was vast trots geweest dat ik nu in zíjn stad en aan zíjn universiteit werk. Maar hij had het me misschien ook wel afgeraden. Zelf is hij ooit benaderd om hoogleraar te worden maar verkoos de patientenzorg boven de vergadercultuur.


Mijn moeder was zelf oogarts, opgeleid in het Ooglijders Gasthuis en later hiervan regent. De utrechtse geschiedenis zit dus een beetje in ons bloed. In mijn jeugd was zij ongeveer de enige moeder die werkte. Tot de kleinkinderen teveel tijd in beslag namen, heeft zij altijd praktijk gevoerd in Amersfoort. Ik ben mijn ouders dankbaar voor het onvoorwaardelijke vertrouwen en de vakanties in de bergen.
Tenslotte, de allerbelangrijkste mensen in mijn leven: Jaap, gelukkig ben jij geen arts. Jij bent mijn verbinding naar die andere belangrijke dingen in het leven, namelijk de cultuur. Als directeur van Kasteel Amerongen creeer jij voor Nederland een nieuw cultureel middelpunt op de Utrechtse Heuvelrug. Daan, Sanne en Floris, jullie helpen mij mijn werk te vergeten. Met ons gezin wil en durf ik alle bergen die er maar bestaan te beklimmen.

In jullie heb ik altijd Blind Vertrouwen.

Ik heb gezegd.

Referenties



  1. Blindsight, een documentaire van Lucy Walker. Met toestemming van ABC Distribution Cinemien Amsterdam.

  2. World Health Statistics 2009, WHO

  3. H.F. Treurniet, N. Hoeymans, R. Gijsen, M.J.J.C. Poos, J.A.M. van Oers, W.M.A.H. Thien. Health status and challenges for prevention in The Netherlands. Public Health (2005) 119, 159-166.

  4. Ronald Klein. Overview of progress in the epidemiology of age-retaled macular degeneration. Ophthalmic Epidemiology, 2007;14:184-187

  5. Yolande Witman, De medicus maatgevend, over leiderschap en habitus. Van Gorcum/ 1e druk / 2008. ISBN-13: 9789023244066

  6. Prof. Dr F.C. Donders, Rede uitgesproken te Utrecht op 28 mei 1888, ter gelegenheid van de aanbieding van de oorkonde der Donders Stichting.

  7. Driekwart eeuw Nederlandsch Gasthuis voor behoeftige en minvermogende ooglijders 1858-1933, Gedenkschrift uitgegeven door College van Regenten. Uitgeverij Joh. De Liefde N.V. Utrecht.

  8. Dr. F.P. Fisher, Dr G. Ten Doesschate. F.C. Donders. Uitgegeven op 6 november 1958 ter gelegenheid van het eeuwfeest van het NGvO.

  9. EureQuo, European Society of Cataract and Refractive Surgery: www. escrs.org, www.eurequo.org

  10. Gary C. Brown, Melissa M. Brown, Sanjay Sharma & Heidi Brown. Patient perceptions of quality-of-life associated with bilateral visual loss. International Ophthalmology 22: 307-312, 1998

  11. GC Brown, S Sharma, MM Brown, J Kistler. Utility values and age related macular degeneration. Arch Ophthalmol 2000 Jan;118(1):47-51

  12. MM Brown, GC Brown, S Sharma, J Stein, Z Roth, J Campanella, G Beauchamp. The burden of age-related macular degeneration: a value-based analysis. Current opinion in Ophthalmology June 2006(17);3: 257-266

  13. Kim Nichols, Susan Walther, Elizabeth Chao, Carol Shields, Arupa Ganguly. Recent advances in retinoblastoma genetic research. Curr Opin Ophthalmol 2009: 20;351-355

  14. Jennifer van Dijk. Quality of life and psychosocial functioning of Retinoblastoma survivors in The Netherlands, Proefschrift VU Amsterdam, Januari 2009, ISBN 978-90-9023805.

  15. J. Stilma, W. Bijlsma, H. Tan. Modernisering Opleiding Oogheelkunde Nederland, 2009.

  16. Richard Mills, Mark Mannis, Task force on competencies. Guest Editorial Ophthalmology 111;7: 1267-1268, 2004

  17. Dr J. Wagenaar. A.A. Hijmans van den Bergh (1869-1943), internist. Erflaters van de geneeskunde, 94-105. Onder redactie van Kaandorp, van Everdiingen en Mooij. Uitgeverij Belvédère/Medidact, Alphen aan de Rijn. ISBN 90-71736-26-1.

  18. Monitor vrouwelijke hoogleraren 2009, uitgegeven door Stichting de Beauvoir, www.stichtingdebeauvoir.nl





  • Fragment Film Blindsight 1
  • De veranderende zorgsector
  • De oogarts en de oogpatiënt
  • De geschiedenis van het Ooglijders Gasthuis te Utrecht
  • Context voor oogheelkunde, marktwerking en kwaliteit
  • Geschiedenis oogheelkunde
  • Stand van zaken in de oogheelkunde
  • Oogheelkunde in het UMC Utrecht
  • Vrouwen naar de top

  • Dovnload 68.37 Kb.