Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Functionele morfologie

Dovnload 482.85 Kb.

Functionele morfologie



Pagina1/3
Datum06.12.2018
Grootte482.85 Kb.

Dovnload 482.85 Kb.
  1   2   3







Functionele morfologie.

Zoals de term laat vermoeden, wordt hier de relatie tussen vorm (morphos) en functie bestudeerd.

Er wordt met name onderzocht hoe de morfologie van een dier (of plant) is aangepast aan zijn omgeving, aan zijn manier van voortbewegen en voeden.

Mierenvoeten en olifantenpoten

Evie Vereecke

http://weetlogs.scilogs.be/index.php?op=ViewArticle&articleId=21&blogId=4


Mieren onderste boven



Figuur overgenomen uit http://www.zoo.cam.ac.uk/zoostaff/federle/

Een mooi voorbeeld hiervan werd gegeven door dr. Walter Federle van de Universiteit van Cambridge.

Hij bestudeert onder meer hoe mieren erin slagen om ondersteboven te lopen, en waarom ze zelfs als ze een blad of prooi meesleuren (dat tot 6 keer zo zwaar is als de mier zelf) niet naar beneden tuimelen.

Dr.Federle bekeek mierenpoten onder een elektronenmicroscoop, en ontdekte dat mieren hechtorganen (arolia) bezitten die uit- en ingeklapt kunnen worden via een vrij simpel mechanisme (zie figuur; Federle & Endlein, 2004).

Nu hebben bepaalde planten (o.a. Macaranga) een speciale waslaag ontwikkeld waardoor de meeste insecten niet omhoog kunnen klimmen.

Enkel bepaalde miersoorten, die in symbiose leven met de plant, hebben zich zodanig gespecialiseerd dat ze ondanks de waslaag vlotjes omhoog kunnen rennen waar ze veilig zijn voor niet-gespecialiseerde vijanden.

In bekerplanten (Nepenthes) werken de hechtorganen van mieren zolang de bekerrand (periostoom) droog is, maar van zodra er een waterfilm op ligt, glijden mieren en andere insecten massaal de met verteringssap gevulde beker in.

Er zijn echter mieren die ‘bekerplant-specialisten’ zijn, en die er wel in slagen over de natte bekerrand te lopen, en die zelfs vrolijk in de verteringssappen kunnen rondzwemmen (en zich tegoed doen aan de prooien van de bekerplant)!

Dit zijn elegante voorbeelden van adaptatie en co-adaptatie: een organisme (vb. mier) is geadapteerd aan zijn omgeving (vb. bekerplant), als de omgeving verandert (vb. ontwikkelen van mogelijkheid tot produceren van verteringssappen), dan zullen organismen die aan deze omgeving aangepast zijn (vb. mieren met resistentie tegen verteringssappen) selectief bevoordeeld zijn ten opzichte van niet-aangepaste organismen.

Het ontwikkelen van die resistentie gebeurt per toeval, door een mutatie, maar natuurlijke selectie zal ervoor zorgen dat deze eigenschap doorgegeven wordt en dat een resistente mierenpopulatie kan onstaan.



Functionele morfologie is niet los te koppelen van natuurlijke selectie en evolutie.

Het merendeel van de structuren die we aantreffen in organismen is aanwezig omdat die op een bepaald moment in de evolutie van dat organisme een selectief voordeel voor dat organisme opleverde.



Natuurlijke selectie is een krachtig mechanisme dat leidt tot vernuftige adaptaties. Echter, evolutie leidt niet perse tot een optimaal design.


Figuur overgenomen uit http://www.zoo.cam.ac.uk/zoostaff/federle/

Prof. emeritus R.Mc.Neill Alexander, de ‘vader’ van de biomechanica, gebruikte het voorbeeld van schildpaddenschilden.

Een schildpaddenschild zou idealiter een dusdanige vorm moeten hebben dat een schildpad die op zijn rug belandt, via een minimale inspanning weer op zijn poten kan rollen (zie figuur).

De optimale vorm hiervoor blijkt (volgens computersimulaties) een bol-rond schild, vergelijkbaar met een pingpongbal met een gewichtje in (Domokos & Vrkonyi 2008).

Echter, schildpadden hebben schilden in alle maten en vormen, van klein en plat tot groot en driehoekig, en slechts enkelen hebben een bol-rond schild.

Is dit een bewijs dat evolutie via natuurlijke selectie niet klopt?

Uiteraard niet, dit duidt veeleer op een beperkte appreciatie van de probleemstelling.

Het feit dat niet alle schildpaddenschilden bol-rond zijn zoals voorspeld door optimalisatietheorien komt doordat er verschillende factoren meespelen.

Een schild moet niet alleen van dusdanige vorm zijn dat een schildpad terug op zijn poten kan rollen, het moet ook voldoende bescherming bieden tegen predatoren en uitdroging, en eventueel zwemmen of graven mogelijk maken. (Bovendien zijn er ook fylogenetische restricties die ervoor zorgen dat niet eender welke schildvorm mogelijk is).




over de morfologie van olifantenpoten.
  1   2   3

  • ‘bekerplant-specialisten’
  • Functionele morfologie is niet los te koppelen van natuurlijke selectie en evolutie.
  • Natuurlijke selectie is een krachtig mechanisme dat leidt tot vernuftige adaptaties. Echter, evolutie leidt niet perse tot een optimaal design.
  • Prof. emeritus R.Mc.Neill Alexander

  • Dovnload 482.85 Kb.