Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Galatea neemt Scylla in vertrouwen Met. 13. 730-48 (pag. 80)

Dovnload 19.95 Kb.

Galatea neemt Scylla in vertrouwen Met. 13. 730-48 (pag. 80)



Datum29.06.2018
Grootte19.95 Kb.

Dovnload 19.95 Kb.

Galatea neemt Scylla in vertrouwen Met. 13.730-48 (pag. 80)


Scylla maakt de rechterkant onveilig, de rusteloze Charybdis de linker; zij verzwelgt de [door haar] geroofde schepen en braakt ze weer uit, de ander omgeeft haar donkere onderbuik met wilde honden, [maar] zij heeft (hebbend) het gezicht van een meisje en, als dichters niet alles verzonnen hebben achtergelaten, is zij ook op een zeker tijdstip een meisje geweest. Vele vrijers hebben achter haar aangezeten; nadat dezen [door haar] waren afgewezen, ging zij naar de nimfen van de zee, zeer welkom aan de nimfen van de zee, en vertelde over de verlangens van de jongemannen die [door haar] ontweken waren. Tot haar, terwijl zij heur haren laat kammen, spreekt Galatea herhaaldelijk zuchtend met deze woorden: ‘Toch, meisje, maakt jou een niet hard soort van mannen het hof en je kunt straffeloos nee zeggen tegen hen, zoals je [ook] doet. Maar ik, die Nereus tot vader heb, (ik) die de zeeblauwe Doris heeft gebaard, ik die ook veilig ben door een stoet van zusjes, ik kon slechts (niet tenzij) met veel verdriet ontkomen aan de liefde van de Cycloop’ – en tranen belemmerden haar stem terwijl zij sprak (de stem van de sprekende). Toen het meisje deze met haar hand (duim) blank als marmer had weggeveegd en de godin had getroost, zei zij: ‘Vertel, zeer dierbare, en verberg niet (zo betrouwbaar ben ik) de oorzaak van jouw verdriet.’

De Cycloop verliefd op Galatea Met. 13.749-88 (pag. 81)


Hierop antwoordde de Nereïde met deze woorden de dochter van Crates: ‘Faunus en de nimf Symaethis hadden een zoon Acis, weliswaar een grote lieveling van zijn eigen vader en moeder, toch een [nog] grotere van mij; want hij had mij met hem (zichzelf) alleen verbonden. Mooi en met zijn zestien jaren (nadat voor de tweede keer acht jaar waren volgemaakt) had hij zijn jeugdige wangen gemarkeerd met aarzelend donshaar. Hem wilde ik eindeloos, [maar] mij de Cycloop; als je zou vragen of de haat jegens de Cycloop of de liefde voor Acis in mij sterker was, zou ik het niet kunnen zeggen: ze waren beide gelijk. Ach, hoe groot is de macht van uw heerschappij, zegenrijke Venus! Natuurlijk voelt die wilde en zelfs voor de bossen (zelf) huiveringwekkende [man](en) die door geen gast straffeloos bezocht is en die de grote Olympus met goden en al veracht, wat liefde is en gegrepen door een krachtig verlangen wordt hij verteerd, niet meer denkend aan (vergetend) zijn vee en grot. En nu eens besteed je aandacht aan je uiterlijk, en dan weer aan het in de smaak vallen, [weer] een andere keer, Polyphemus, kam je je stugge haar met een hark, dan weer vind je het leuk je ruige baard met een snoeimes te snoeien en om naar je woeste gelaatstrekken te kijken in het water en [deze] een aardiger uitdrukking te geven; moordlust en woestheid en reusachtige dorst naar bloed zijn afwezig (rusten), en veilig komen en gaan de schepen (weg). Telemus, ondertussen beland bij de Etna op Sicilië, Telemus de zoon van Eurymus, die geen enkel voorteken had bedrogen, ging naar de verschrikkelijke Polyphemus en zei: “Het oog dat jij als enige midden op je voorhoofd hebt, zal Ulixes jou ontroven.” Hij lachte en: “O domste van de zieners, jij vergist je,” zei hij; “Een ander heeft het al geroofd.” Zo wijst hij hem die tevergeefs waarschuwt voor ware dingen af en of stappend met een geweldige pas drukt hij zwaar op de kust of hij keert vermoeid terug diep in zijn duistere grot. Er steekt een wigvormige heuvel uit in zee met een lange punt; de golven van de zee omstromen beide zijden. Hier klom de wilde Cycloop omhoog en ging in het midden zitten; zijn wol dragend vee volgde terwijl niemand hen leidde. Nadat zijn pijnboom die hij als staf gebruikte (die het gebruik van een staf gaf) door hem voor zijn voeten was geplaatst, [een pijnboom] geschikt voor het dragen van een ra, en de herdersfluit, samengevoegd met honderd rietstengels, [door hem] genomen was, hoorden de bergen allemaal zijn herdersgefluit, hoorden alle golven van de zee het. Ik, verborgen in een kloof en rustend in de schoot van mijn Acis, heb van verre met mijn oren de volgende woorden in mij opgenomen en wat ik heb gehoord, onthouden (in mijn geest).

De Cycloop prijst zijn bezit aan Met. 13.808-37 (pag. 83)


“Maar als je [mij] goed zou (hebben leren) kennen, [dan] zou het je spijten voor mij gevlucht te zijn en zou je zelf je uitstel vervloeken (veroordelen) en zou je je inspannen om mij vast te houden. Ik heb een grot, deel van een berg, waarover een natuurlijke rots hangt (hangend in een natuurlijke rots), waarin noch de zon wordt gevoeld midden in de zomerhitte noch de winter wordt gevoeld. Ik heb fruit dat zijn takken zwaar maakt, ik heb druiven, goud gelijk in lange wijnranken, ik heb ook donkerrode; zowel deze als die bewaar ik voor jou. Eigenhandig (zelf met jouw handen) zul je verzamelen rijpe (zachte) aardbeien gegroeid in de schaduw van het bos, eigenhandig de herfstkornoeljes en pruimen, niet alleen de blauwe met hun donkere sap, maar ook de delicate (en) die de kleur hebben van (lijken op) verse was. Noch zal het jou ontbreken aan kastanjes wanneer ik jouw echtgenoot ben, noch aan de vruchten van de aardbezieboom; elke boom zal jou ten dienste staan. Dit vee is allemaal van mij; ook grazen (dwalen) er vele in de dalen, het bos verbergt er vele; vele staan op stal in grotten. En niet zou ik je kunnen zeggen hoeveel het er zijn als je het toevallig zou vragen; het hoort bij een arme man om zijn vee te tellen! Over hun verdiensten zou jij mij geenszins geloven; je kunt zelf met eigen ogen zien hoe ze met moeite met hun poten om hun uiers heen lopen. De lammetjes, de jongere worp, zitten in warme schaapskooien, ook bokjes, even oud, zijn in de geitenstallen. Ik heb altijd melk in voorraad blank als sneeuw; daarvan wordt een deel bewaard om te drinken, een [ander] deel doet vloeibaar stremsel stollen. En niet zullen makkelijk te bemachtigen troeteldieren jou ten deel vallen en niet alleen maar de cadeautjes die iedereen geeft (alledaags), reeën, hazen en een geit, of een paar duiven of een nest gehaald uit de kruin van een boom; helemaal hoog in de bergen heb ik een tweeling gevonden, die met jou kan spelen, onderling (zo)gelijk (zo)dat je ze nauwelijks uit elkaar kunt houden (onderscheiden), de welpen van een harige berin; ik vond ze en ik zei: “ Die zal ik bewaren voor mijn geliefde.”

De Cycloop prijst zichzelf aan Met. 3.838-55 (pag. 84)


Steek eindelijk eens je mooie hoofd boven de blauwe zee uit, kom nu, Galatea, en kijk niet neer op mijn (onze) cadeaus! Ik ken me[zelf] beslist en ik zag mij onlangs in de spiegeling (het beeld) van het heldere water, en mijn schoonheid beviel me toen ik die zag. Kijk hoe groot ik ben! Niet is Juppiter in de hemel (want jullie vertellen vaak dat er een of andere Juppiter heerser is) groter dan dit lichaam; mijn haar hangt in een enorme (zeer grote) hoeveelheid over mijn woest uitziende gezicht en overschaduwt mijn schouders zoals een bos. En het feit dat mijn lichaam zeer dichtbezet met hard borstelig haar een ruig aanzien heeft, moet je niet lelijk vinden; een boom zonder loof is lelijk, een paard [is] lelijk, tenzij manen zijn goudgele nek bedekken. Een verenkleed bedekt de vogels, voor de schapen is hun eigen wol tot sieraad: bij mannen past goed een baard en ruig borstelig haar op hun lichaam. Eén oog heb ik midden op mijn voorhoofd, maar zo groot als een enorm rond schild. En dan? Ziet de grote Zon niet al deze dingen vanuit de hemel? Toch heeft de Zon [maar] één enkele ronding [van een oog]. Voeg daaraan toe dat mijn vader in jullie zee heerser is; hem geef ik jou als schoonvader.

Dreigende taal Met. 13.855-69 (pag. 85)


Heb slechts medelijden en verhoor de smeekbeden van een smekeling! Want ik bezwijk voor jou alleen, en ik die Jupiter en [zijn] hemel en snijdende bliksem veracht, ik, Nereïde, aanbid jou; jouw toorn is wreder dan bliksem. En toch zou ik meer bestand zijn tegen deze minachting, als jij voor allen op de loop zou gaan; maar waarom bemin jij Acis na de Cycloop afgewezen te hebben en verkies jij Acis boven mijn omhelzingen? Toch laat hem maar en bij zichzelf in de smaak vallen en ,wat ik niet zou willen, bij jou, Galatea; moge slechts de gelegenheid gegeven worden, [dan] zal hij ervaren dat ik een kracht bezit net zo groot als mijn lichaam. Ik zal zijn ingewanden terwijl hij nog leeft (levend) uit hem trekken en zijn ledematen in stukken (verdeeld) over het land uitstrooien en over jouw golven (moge hij zich zo met jou verenigen!). Want ik brand [van liefde] en liefde(svuur), gekwetst, laait feller op, en ik schijn de Etna [in mij] overgebracht met haar kracht in mijn borst mee te dragen – maar jij, Galatea, wordt niet geraakt (bewogen)!”

Dood en metamorfose van Acis Met. 13.870-903 (pag. 86)


Nadat hij tevergeefs dergelijke klachten heeft geuit (want ik zag alles), staat hij op en zoals een stier woedend omdat zijn koe hem ontnomen is, kan hij niet blijven staan en zwerft rond in het bos en de bekende weideplaatsen, wanneer de woesteling mij en Acis ziet, terwijl we niets vermoeden en niet iets dergelijks vrezen, en uitroept: “Ik zie [jullie wel] en ik zal ervoor zorgen (maken) dat dit jullie laatste ongestoorde liefdesuurtje is.” En die stem was zo hard (zo groot) als de woedende Cycloop moest hebben; de Etna sidderde door zijn geschreeuw. Maar ik duik verschrikt diep weg in een naburige zee; de Symaethische held had zich omgedraaid en was gevlucht (had zijn omgedraaide rug aan de vlucht gegeven) en had gezegd: “Help mij, ik smeek je, Galatea! Help mij , moeder, en laat mij, die [anders] zal sterven, toe in uw rijk.” De Cycloop volgt [hem] op de voet en gooit een deel van een berg dat hij heeft losgerukt, en hoewel de uiterste hoek van het rotsblok hem trof (bereikte), bedelft hij Acis toch in zijn geheel. Maar wij hebben ervoor gezorgd (gemaakt), wat als enige gedaan mocht worden van het noodlot, dat Acis de krachten van zijn grootvader kreeg. Vuurrood bloed sijpelde van het brok steen (de massa), en binnen weinig tijd begint de rode kleur te verdwijnen en ontstaat eerst de kleur van een rivier die is omgewoeld door een stortbui en na verloop van tijd wordt hij schoongemaakt. Dan splijt het (daardoor) aangeraakte brok steen, en door de spleten komt tierig en hoog oprijzend het riet te voorschijn, en de holle mond van het rotsblok bruist door de opspringende golven; en, wonderbaarlijke zaak, plotseling komt tot aan het midden van zijn buik te voorschijn een jongeman met zijn nieuwe hoorns omkranst met gevlochten riet, [een jongeman] die, behalve (het feit) dat hij groter, (het feit) dat hij over zijn hele gelaat blauw [was], Acis was, en ook zo toch Acis was, hoewel veranderd in een rivier, en de rivier heeft zijn vroegere naam behouden.’ Galatea was opgehouden te spreken en nadat hun samenzijn is ontbonden, gaan de Nereïden uiteen en zij zwemmen in de kalme golven. Scylla keert terug (want zij durft zich niet toe te vertrouwen aan het midden van de zee) en zij dwaalt of ongekleed (zonder kleding) op het dorstige zand of, zodra ze moe is geworden, laat zij, na een afgelegen inham aangetroffen te hebben, haar ledematen afkoelen in het omsloten water van een zeekolk.

  • De Cycloop verliefd op Galatea Met. 13.749-88 (pag. 81)
  • De Cycloop prijst zijn bezit aan Met. 13.808-37 (pag. 83)
  • De Cycloop prijst zichzelf aan Met. 3.838-55 (pag. 84)
  • Dreigende taal Met. 13.855-69 (pag. 85)
  • Dood en metamorfose van Acis Met. 13.870-903 (pag. 86)

  • Dovnload 19.95 Kb.