Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Gedeclassificeerd verslag van het onderzoek naar de wijze waarop dE firma epsi eventueEl door de inlichtingendiensten werd gevolgd in het kader van de strijd tegen de prolifEratiE

Dovnload 111.64 Kb.

Gedeclassificeerd verslag van het onderzoek naar de wijze waarop dE firma epsi eventueEl door de inlichtingendiensten werd gevolgd in het kader van de strijd tegen de prolifEratiE



Datum05.12.2018
Grootte111.64 Kb.

Dovnload 111.64 Kb.

GEDECLASSIFICEERD VERSLAG VAN HET ONDERZOEK NAAR DE WIJZE WAAROP dE firmA EPSI EventueEl DOOR DE INLICHTINGENDIENSTEN WERD GEVOLGD IN HET KADER VAN DE STRIJD TEGEN DE PRolifEratiE

  1. InLEIDING

Diverse artikelen die op 29 en 30 april en op 11 mei 2005 verschenen in de kranten “Le Soir” en “Gazet van Antwerpen”, hebben de aandacht getrokken van verschillende parlementsleden, onder wie enkele senatoren die lid zijn van de Commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité I. In deze artikelen werd de vraag gesteld of een Belgische firma materieel dat kon bijdragen tot de nucleaire proliferatie in Iran had uitgevoerd of daartoe pogingen had ondernomen1.



  1. De fEITEN ZOALS weergegeven in DE PERS

Volgens de bewuste artikelen stuurde de directie van het ministerie van Financiën op 22 december 2004 een bericht naar alle regionale directies van de Douane. Volgens het ministerie van Financiën ‘zouden sommige Belgische bedrijven proberen om producten voor tweeërlei gebruik uit te voeren zonder communautaire uitvoervergunning’. Het zou gaan om isostatische persen of onderdelen daarvan, bestemd voor Iran. De mogelijkheid zou bestaan om dit materieel om te bouwen tot nucleaire isostatische persen. Dit zou volstaan om de beslaglegging te rechtvaardigen, ook al is er geen uitvoervergunning vereist. Aan de douanediensten werd dus gevraagd bijzondere aandacht te besteden aan deze mogelijkheid en versterkt toezicht uit te oefenen op de uitvoer en doorvoer van soortgelijke producten.


De enige firma in ons land die dit materieel kan vervaardigen, zou de firma EPSI zijn, die in Temse, Vlaams Gewest, is gevestigd. Overigens zou de directie van deze firma hebben toegegeven in januari 2005 een kleine isostatische pers per vrachtwagen en zonder vergunning naar Teheran te hebben uitgevoerd: deze (warme) laboratoriumpers was bestemd voor de Iraanse luchtvaartindustrie. De pers zou het mogelijk maken om schoepen van vliegtuigturbines onder hoge druk aan een thermische bewerking te onderwerpen. Aangezien de oven van de pers een doorsnede van maximum 152 mm had, was er conform het non-proliferatieverdrag (NPV) geen uitvoervergunning vereist. Boven 152 mm zou de oven worden beschouwd als een ‘product voor tweeërlei gebruik’, d.i. een product dat kan worden gebruikt voor nucleaire of militaire doeleinden. Het eindgebruikcertificaat dat door Iran Aircraft Industries werd uitgereikt, vermeldt overigens dat het materieel niet zal worden gebruikt voor militaire, defensie- of nucleaire doeleinden. De pers zou geïnstalleerd zijn geweest op de zetel van de onderneming Iran Aircraft Industries in Teheran.
De krant “Le Soir” suggereerde echter dat de isostatische oven die aan voornoemde Iraanse onderneming werd geleverd, zou kunnen dienen om, ofwel onderdelen van raketten met een bereik van 2.000 of zelfs 3.000 kilometer te produceren, ofwel ‘drones’, die Iran al zou hebben geleverd aan de Hezbollah-militie, ofwel losse onderdelen voor zijn militaire vliegtuigen.
De kranten schreven dat de douane na een inspectie ter plaatse in februari 2005 een proces-verbaal van zes pagina’s zou hebben opgesteld over de firma EPSI: de firma zou in totaal vier persen, waarvoor geen uitvoervergunning vereist is, aan Iran hebben verkocht. Toen het ministerie van Financiën aan de douanediensten vroeg hun waakzaamheid te vergroten, zou de firma EPSI geen vergunning hebben gekregen om aan Iran een grotere isostatische pers te leveren dan de persen die de firma eerder wel al had geleverd.
Tot slot lezen we in de artikelen dat de Amerikaanse inlichtingendiensten (de CIA) België zouden hebben verwittigd. Het feit dat dit type uitvoer aan de controle van de Belgische overheden kon ontkomen, zou moeilijkheden met de VS-regering kunnen veroorzaken.
In zijn editie van woensdag 11 mei 2005 publiceerde “Le Soir” het commentaar van een ‘Amerikaanse bron’ volgens dewelke ‘dit materieel moest worden tegengehouden’ en ‘de internationale situatie de Belgische overheden ertoe moest aanzetten strenger te controleren’. De directie van de firma EPSI ontkent ook maar iets te maken te hebben met een atoom- of kernprogramma van Iran en is van mening dat de tussenkomst van de Amerikanen zou zijn ingegeven door een vorm van ‘handelsprotectionisme’.

  1. DE BELANGSTELLING VAN HET parlement

Op 29 april 2005 stelde mevrouw Muriel Gerkens (ECOLO), federaal parlementslid, een parlementaire vraag aan mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie, over ‘het kernmaterieel dat in België wordt geproduceerd en naar Iran wordt uitgevoerd’. Het parlementslid vroeg zich meer bepaald af of er reden was om een onderzoek in te stellen naar deze zaak.


De minister beantwoordde deze vraag op 3 mei 20052 op basis van een nota die ze op 2 mei van de Veiligheid van de Staat had ontvangen. In punt 6.3. van dit verslag bespreken we de inhoud van deze nota.

  1. DE ONDERZOEKSProcEdure

De informatie die op 29 april 2005 in de pers verscheen, werd besproken tijdens de vergadering op dinsdag 3 mei 2005 van de Senaatscommissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité I.


Het Vast Comité I wees de commissieleden erop dat het al een toezichtsonderzoek had geopend naar de rol van de inlichtingendiensten op het gebied van de strijd tegen de proliferatie van niet-conventionele of heel geavanceerde wapens.
De leden van de commissie lieten weten dat ze de bevoegde personen van de Administratie der Douane wensten te verhoren met betrekking tot de firma EPSI. Ze gaven het Vast Comité I de opdracht de vereiste informatie in te winnen bij de inlichtingendiensten.
Dezelfde dag besliste het Vast Comité I een specifiek onderzoek te openen naar de wijze waarop de firma EPSI eventueel werd gevolgd door de inlichtingendiensten in het kader van de strijd tegen de proliferatie.
De bevoegde diensten en ministers kregen daarvan kennis op 4 mei 2005.
Op 12 mei 2005 bevestigde de Senaatscommissie haar vraag aan het Vast Comité I om een onderzoek te openen.
Voor het eerst in zijn 12-jarig bestaan vond het Vast Comité I het nodig gebruik te maken van twee dwangmiddelen die de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten aan dit Comité verleent:


  • Het liet beslag leggen op bepaalde documenten in overeenstemming met artikel 51 van voornoemde wet;

  • De Voorzitter van het Vast Comité I heeft aan een gerechtsdeurwaarder de opdracht gegeven drie personeelsleden van de Veiligheid van de Staat te dagvaarden in overeenstemming met artikel 48 § 2 van dezelfde wet.

Op grond van de ‘regel van de derde dienst’3 heeft de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat twee initiatieven genomen om de toegang van het Vast Comité I te beperken tot bepaalde documenten en bovendien het gebruik van die documenten te beperken.
Zo meende de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat dat het beslag op bepaalde geclassificeerde documenten een bedreiging kon vormen voor de uitvoering van de opdrachten van de Veiligheid van de Staat die worden omschreven in de artikelen 7 en 8 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. De Veiligheid van de Staat heeft contact opgenomen met het orgaan dat de bewuste documenten had opgesteld om zijn standpunt te kennen betreffende de toepassing van het verzet bij de voorzitter van het Comité I zoals bedoeld in artikel 51 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten.
De in beslag genomen documenten waren als ‘geheim’ geclassificeerd volgens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, aangezien ze informatie bevatten die buitenlandse inlichtingendiensten hadden verstrekt (toepassing van de ‘regel van de derde dienst’).
Aangezien de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat zich niet formeel tegen de beslaglegging had verzet, werd de zaak niet overgelegd aan de voorzitter van het Vast Comité I, zoals bedoeld in artikel 51, 2de lid van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten.

Op 30 mei 2005 liet de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat weten waarom hij niet geneigd was de in beslag genomen documenten te bezorgen en gaf hij het Comité I in de volgende bewoordingen kennis van het standpunt van de verzender:


De verzender had de documenten als ‘geheim’ geclassificeerd om een van zijn belangen te beschermen. Hoewel de beslaglegging steunt op een wet, is ze van aard deze belangen schade te berokkenen. In deze context verwacht de verzender door de ontvanger op de hoogte te worden gebracht van elke gebeurtenis die een van zijn belangen in gevaar zou kunnen brengen. Het niet-nakomen van deze verbintenissen zou het vertrouwen tussen de diensten schaden en bijgevolg nadelig zijn voor de goede werking van de ontvanger, die immers geen informatie meer zou ontvangen. In zijn antwoord van 18 mei 2005 bevestigt de verzender dat voorzichtigheid van onze kant volkomen gerechtvaardigd was. Via een geheime boodschap stuurt deze dienst ons een niet-geclassificeerde tekst die we kunnen gebruiken buiten de loutere context van de inlichting.’
Deze niet-geclassificeerde tekst, afkomstig van de verzender (een Amerikaanse dienst), werd in dit verslag opgenomen onder punt 6.3. infra.
De administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat verwees niet alleen naar artikel 51 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, maar stuurde ook een mondelinge verwittiging naar de Dienst Enquêtes van het Vast Comité I. Volgens deze verwittiging moest het Comité I heel omzichtig te werk gaan bij het gebruiken van bepaalde documenten en de minister niet in moeilijkheden brengen tegenover het Parlement.
Deze mondelinge verwittiging werd op 2 juni 2005 bevestigd met een brief aan het hoofd van de Dienst Enquêtes I.
Het Vast Comité I meent dat het de verantwoordelijkheid moet nemen geen enkel document uit zijn onderzoeksdossier te weren.
Het Comité I heeft de wettelijke opdracht de werking en de efficiëntie van de inlichtingendiensten te onderzoeken. Men kan het Comité I niet beletten de gevolgen te trekken die zich opdringen, ook al zouden sommigen geneigd zijn dit in hun eigen politieke voordeel aan te wenden.
Op 14 juni 2005 werd een als ‘geheim’ geclassificeerd verslag goedgekeurd.
De classificatie van dit verslag wordt gerechtvaardigd door het feit dat het als ‘geheim’ geclassificeerde informatie bevat die een Amerikaanse dienst aan de Veiligheid van de Staat heeft meegedeeld.
De gedeclassificeerde versie van dit verslag werd op 14 juni 2005 goedgekeurd.

  1. HeT BELGISCH WETGEVEND EN REGELGEVEND KADER

In de krantenartikelen stond te lezen dat het door EPSI uitgevoerde materieel kon worden omgebouwd tot een nucleaire isostatische pers, wat voldoende reden is om het materieel in beslag te nemen, zelfs indien een uitvoervergunning niet vereist was. Voorts werd geopperd dat de isostatische pers kon dienen om onderdelen van raketten, ‘drones’ of onderdelen voor de militaire luchtvaart te produceren.


Diverse wetten komen in aanmerking om toepasbaar te zijn op de uitvoer van beide soorten materieel.

    1. De wet van 9 februari 1981 ‘houdende de voorwaarden voor export van kernmaterialen en kernuitrustingen, alsmede van technologische kerngegevens’ en zijn koninklijke uitvoeringsbesluiten.

Deze wet, aangenomen in toepassing van het non-proliferatieverdrag (NPV), verbiedt de overdracht van kernmaterialen, kernuitrustingen en technologische kerngegevens of hun afgeleiden aan niet-kernwapenstaten, behalve voor vreedzaam gebruik en na de vereiste controles. Opdat de naleving van die voorwaarden wordt verzekerd, is elke overdracht onderworpen aan een voorafgaande machtiging die wordt afgegeven door de minister of de staatssecretaris tot wiens bevoegdheid de Energie behoort. Sinds 2004 wordt de machtiging toegekend door de gewestelijke minister belast met Economie van het Gewest waar de betrokken onderneming gevestigd is.


Deze machtiging wordt gegeven na advies van een commissie van advies, de Commissie van Advies voor de Niet-Verspreiding van Kernwapens, (afgekort: C.A.N.V.E.K. in het Nederlands, C.A.N.P.A.N. in het Frans).
De materialen, uitrustingen en technologische gegevens waarvan de export onderworpen is aan een ministeriële machtiging worden ook vastgesteld door de Koning, rekening houdend met de internationale akkoorden tot regeling van het kerngebied en die België heeft ondertekend. Op verzoek van de minister geeft de C.A.N.V.E.K. ook advies over elk ontwerp tot wijziging van de bij het koninklijk besluit gevoegde lijst van materialen en technologieën.
Deze wet van 9 februari 1981 wordt ten uitvoer gelegd door het koninklijk besluit van 12 mei 1989 ‘betreffende de overdracht aan niet-kernwapenstaten van kernmaterialen, kernuitrustingen, technologische kerngegevens en hun afgeleiden4.
Volgens de bijlagen van dit koninklijk besluit moet de C.A.N.V.E.K. advies verlenen voor ‘isostatische persen die een maximale werkdruk van 69 MPa of meer kunnen bereiken en die zijn voorzien van een holte met een binnendiameter groter dan 152 mm, evenals voor speciaal ontworpen matrijzen en mallen en voor besturingen en ‘speciaal ontworpen programmatuur’ hiervoor’.

    1. De regels van de Europese Unie voor de controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik en van militaire uitrustingen.

De verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad van 22 juni 20005 stelt een communautaire regeling in voor de controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik. Het gaat om alle producten die bestemd (kunnen) zijn voor een gebruik verbonden met massavernietigingswapens en met conventionele wapens indien deze laatste bestemd zijn voor uitvoer naar bestemmingen waarvoor een wapenembargo geldt.


Iran is niet onderworpen aan een multilateraal embargo op conventionele wapens. Alleen de Verenigde Staten en Engeland hebben eenzijdig een embargo ingevoerd.
De uitvoer van de producten die in de bijlage I van de verordening worden opgesomd, is onderworpen aan een machtiging. Het gaat om uitrustingen bedoeld door de Nuclear Suppliers Group (NSG, Groep van leveranciers van kernmateriaal)6, het Wassenaar Arrangement betreffende producten voor tweeërlei gebruik7 en het Missile Technology Control Regime (MTCR, Controleorgaan Rakettechnologie)8.
Deze bijlage bevat verschillende modellen van isostatische persen.
Voor de uitvoer van goederen die in deze bijlage van de verordening niet worden genoemd, kan ook een vergunning zijn vereist ‘indien de bevoegde overheden van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is aan deze laatste hebben meegedeeld dat de bewuste producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren’.
Twee ministeriële besluiten van 28 september 2000 tot regeling van de uitvoer en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik bekrachtigen de toepassing van deze Europese verordening nr. 1334/2000 voor België.

  1. VASTSTELLINGEN




    1. De rol van de Veiligheid van de Staat

Artikel 8 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst geeft aan de Veiligheid van de Staat de expliciete opdracht oog te hebben voor bedreigingen in verband met proliferatie, d.i. ‘de handel of de transacties betreffende materialen, producten, goederen of knowhow die kunnen bijdragen tot de productie of de ontwikkeling van non-conventionele of zeer geavanceerde wapensystemen’. Artikel 8 voegt eraan toe: ‘In dit verband worden onder meer bedoeld de ontwikkeling van nucleaire, chemische en biologische wapenprogramma's, de daaraan verbonden transmissiesystemen, alsook de personen, structuren of landen die daarbij betrokken zijn.


De wijze waarop de Veiligheid van de Staat deze materie behandelt, wordt beschreven in een handboek dat wordt gebruikt in het kader van de opleiding van agenten van de buitendiensten: ‘De activiteiten van de Veiligheid van de Staat zijn er vooral op gericht de uitvoer te voorkomen van knowhow en producten die kunnen worden gebruikt om arsenalen en systemen van nucleaire, biologische en/of chemische wapens aan te leggen. De inbreng van voornoemde dienst situeert zich op het louter informatieve vlak. De dienst beschikt immers niet over beslissingsbevoegdheid inzake niet-proliferatie.’ De Veiligheid van de Staat geeft de volgende beschrijving van zijn taken:


  • Informatie verstrekken aan de bevoegde overheden: ‘Het betreft zowel algemene informatie over de ontwikkeling van alles wat met proliferatie verband houdt als specifieke informatie die tot doel heeft ongewenste transacties te verhinderen’, bijvoorbeeld informatie over ‘verspreidende’ landen, over verdachte kopers of leveranciers;

  • Informatie bezorgen aan deze overheden ‘teneinde de ongewenste deelname aan de uitvoering van niet-conventionele wapenprogramma’s te voorkomen’;

  • Informatie bezorgen aan commerciële en industriële actoren en aan gespecialiseerde laboratoria;

  • Op het nationale grondgebied instaan voor de operationele opvolging (d.i. inlichtingen verzamelen) van situaties waar er vermoedens zijn van inbreuk op de bepalingen tegen proliferatie, eventueel in samenwerking met andere bevoegde diensten;

  • Bijdragen tot de concrete uitvoering en tot de aanpassing van het Belgische niet-proliferatiebeleid;

  • Deelnemen aan nationale en internationale coördinatievergaderingen of aan eender welk ander initiatief op het vlak van niet-proliferatie.

Een vertegenwoordiger van de Veiligheid van de Staat is lid van de Commissie van Advies voor de Niet-Verspreiding van Kernwapens, (afgekort: C.A.N.V.E.K. in het Nederlands, C.A.N.P.A.N. in het Frans).




    1. De wijze waarop de Administratie der Douane en Accijnzen kennis heeft genomen van de feiten

Tijdens hun verhoor door de Senaatscommissie die belast is met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité I hebben drie vertegenwoordigers van de Administratie der Douane en Accijnzen van de FOD Financiën uiteengezet hoe hun dienst kennis heeft gekregen van de feiten die ons aanbelangen, te weten de uitvoer van een isostatische pers van de firma EPSI naar Iran, en hoe zij deze zaak hebben behandeld.


Dit relaas is het voorwerp van een schriftelijke nota vanwege de directeur-generaal van de Douane en Accijnzen. Dit document werd overhandigd aan de Commissieleden en aan de leden van het Vast Comité I. De wijze waarop de Administratie der Douane en Accijnzen kennis heeft gekregen van deze zaak kan als volgt worden samengevat.


  • Op 28 september 2004 kreeg de Douane van de CANVEK een e-mailbericht met het oog op het toepassen van de alarmprocedure. De geheime informatie was als volgt geformuleerd: ‘Op de vergadering van de CANVEK heeft een lid informatie verspreid - met classificatie «geheim» - over de mogelijkheid tot omzeilen van het Belgisch nucleaire exportregime, waarbij een Belgisch bedrijf is genoemd. De bron van deze informatie is een buitenlandse inlichtingendienst.’ Het bericht eindigt met de aankondiging van een vergadering van de CANVEK die dezelfde dag zou plaatsvinden.

  • Op 1 oktober 2004 stelde de CANVEK een ontwerp van rondzendbrief op betreffende de mogelijke uitvoer van een isostatische pers naar Iran.

  • Op 5 oktober 2004 werd dit ontwerp van rondzendbrief voor advies verzonden naar de gewestelijke overheden bevoegd voor het toekennen van uitvoervergunningen. De Douane kreeg het akkoord van het Vlaams Gewest, maar er kwam geen enkele reactie van het Waals Gewest.

  • Op 28 oktober 2004 heeft de attaché van de Amerikaanse douane bij de ambassade van de Verenigde Staten in Brussel een bezoek gebracht aan de Administratie der Belgische Douane. De Amerikaanse attaché overhandigde aan zijn Belgische ambtgenoot een beknopte geheime nota. Volgens dit document stond de firma EPSI op het punt diezelfde dag een isostatische koudpers naar Iran te versturen. Het transport zou per vrachtwagen plaatsvinden.

  • Vervolgens werden de vijf douanekantoren tot dewelke de firma EPSI zich gewoonlijk richtte voor de aangifte van de uitvoer van producten (Sint-Niklaas, Antwerpen, Zaventem, Meer en Mechelen) verwittigd en kregen ze het verzoek het konvooi tegen te houden.

  • Op 3 november 2004 voert de firma EPSI een isostatische pers per vrachtwagen uit via het douanekantoor van Eynatten. Volgens de documenten was de pers bestemd voor de Iraanse firma Iran Aircraft Industry. Bij de pers zat een brief van het Vlaams Gewest waarin stond dat het uitgevoerde materieel niet bestemd was voor tweeërlei gebruik en dat een uitvoervergunning bijgevolg niet vereist was.

  • Op 19 november 2004 stuurde de Administratie der Douane een e-mailbericht naar de CANVEK. Verwijzend naar het bericht van 28 september 2004 vroeg de douane aan de CANVEK of de betrokken firma wel degelijk in het Waasland was gevestigd. Op 22 november 2004 antwoordde de CANVEK bevestigend.

Op basis van haar onderzoek bij de firma EPSI kwam de Administratie der Douane en Accijnzen tot het besluit dat er geen enkel spoor van fraude was en dat er geen reden was om de ‘catch all’-procedure toe te passen. Het materieel werd volkomen legaal besteld, vervoerd en uitgevoerd. Aangezien het niet ging om producten voor tweeërlei gebruik, was er geen uitvoervergunning vereist.




    1. De verwerking van de informatie over de firma EPSI door de Veiligheid van de Staat

Op grond van de documenten die de Veiligheid van de Staat aan het Vast Comité I heeft bezorgd en van de verklaringen onder ede van de personeelsleden van voornoemde dienst, kan de behandeling van de zaak-EPSI door deze dienst als volgt worden gereconstrueerd:



De firma EPSI is sinds 1994 bij de dienst gekend.
De maatschappelijke zetel van EPSI is in Temse gevestigd. De onderneming is gespecialiseerd in het onderzoek, de ontwikkeling en de productie van hogedruktoepassingen: isostatische warmte- en koudpersen, hogedrukpompen, werktuigen voor reactoren enzovoort. De producten van de firma worden meer bepaald gebruikt in de ruimtevaartindustrie.
Vroeger was EPSI een filiaal van NATIONAL FORGE USA, een onderneming die deel uitmaakt van de Amerikaanse groep RCR Group Incorporated, met zetel in Pennsylvania. EPSI heette in die tijd NATIONAL FORGE EUROPE NV en de zetel was gevestigd in Sint-Niklaas. In 1996 verkreeg de firma zijn onafhankelijkheid van de Amerikaanse groep en werd hij EPSI (Engineered Pressures Systems International NV). De maatschappelijke zetel werd overgebracht naar Temse en de firma behield een filiaal in de staat Massachusetts in de Verenigde Staten.
De eerste verwittiging van de Amerikaanse dienst (15 juli 2004)

Op 15 juli 2004 ontving de Veiligheid van de Staat een nota van de Amerikaanse ambassade in Brussel. Het betreft een als ‘geheim’ geclassificeerd document dat de Dienst Enquêtes I op 12 mei 2005 in beslag heeft genomen. Volgend op de verwijzing naar de ‘regel van de derde dienst’ bij de beslaglegging op voornoemd document op 12 mei 2005, verleende de verzendende dienst de declassificatie van de volgende inhoud:




  • «In the spirit of our close missile nonproliferation partnership, we would like to alert you to a matter of potential proliferation concern and request your government’s assistance in investigating this activity.

  • The U.S. has information that an Iranian company is attempting to purchase a hot isostatic press from the Belgium firm Engineered Pressure Systems International N.V. (EPSI).

  • Hot isostatic presses can be used in making nose tips for reentry vehicles and nozzle inserts for rocket motors. They also can be used to form metal laminates and improving the quality of metal castings and forgings.

  • Some isostatic presses are controlled under category II items 6 of the MTCR annex.

  • We hope you will be able to use this information to investigate this activity and disrupt Iran’s ability to procure sensitive equipment for its missile programs from Belgium.

  • In particular, we urge your government to employ all appropriate measures, including catch-all controls, to ensure that Belgian entities do not contribute, even inadvertently, to missile programs in Iran.»

De administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat becommentarieert de inhoud van deze nota als volgt: ‘In eerste instantie moesten we de waarde van de informatie beoordelen. Het kon om een eenvoudige waarschuwing gaan in het kader van de niet-proliferatie, maar het kon ook een poging zijn om economische schade toe te brengen. Niettemin heeft de dienst veeleer geloof hecht aan de hypothese van niet-proliferatie, aangezien de Amerikanen Iran beschouwen als een land dat deel uitmaakt van de As van het Kwaad.’
Bijgevolg kregen de afdeling Proliferatie en de lokale afdeling in Gent op 16 juli 2005 de opdracht een onderzoek in te stellen naar de Belgische firma EPSI en naar zijn exportactiviteiten naar Iran.

Deelname aan de vergadering van de CANVEK op 6 september 2004
Een hoofdcommissaris vertegenwoordigde de Veiligheid van de Staat op deze vergadering. Er was geen vertegenwoordiger van de Administratie der Douane en Accijnzen aanwezig.
De vertegenwoordiger van de Veiligheid van de Staat verklaarde dat hij beschikte over informatie, beschermd door het beroepsgeheim, waaruit bleek dat een exporteur zou pogen het toezicht op de uitvoer van kernmaterialen te omzeilen. In de notulen van deze vergadering wordt de naam van de betrokken exporteur noch het land van bestemming vermeld.

Nochtans is uit het onderzoek van het Comité I gebleken dat de firma EPSI en Iran wel degelijk mondeling werden genoemd als hoofdrolspelers in deze verdachte transactie.


De hiërarchie van de Veiligheid van de Staat ging akkoord met deze mededeling. Hoewel niet alle leden van de CANVEK over een veiligheidsmachtiging beschikken, leek het noodzakelijk hun kennis te geven van deze geclassificeerde informatie, zonder dewelke zij onmogelijk de passende maatregelen konden treffen. De Amerikaanse dienst had zeker niet de bedoeling de mededeling van de informatie te beletten, aangezien hij aan de Belgische overheden vroeg de uitvoer te voorkomen.
In de notulen van de vergadering staat dat het secretariaat van de CANVEK aan de douane de opdracht zou geven het toezicht op nucleaire producten voor tweeërlei gebruik te versterken, ‘zodra het geheim van de informatie zou worden opgeheven en op voorwaarde dat de Gewesten hun medewerking zouden verlenen’.

Deelname aan de vergadering van de CANVEK op 28 september 2004
Een analist van de studiedienst Proliferatie vertegenwoordigde de Veiligheid van de Staat op deze vergadering. Evenmin als op de vorige vergadering van 6 september was een vertegenwoordiger van de Administratie der Douane en Accijnzen op deze vergadering aanwezig.
Tijdens deze vergadering werden twee dossiers besproken:


  • Een eerste dossier betreffende de uitvoer van een isostatische pers van de firma EPSI naar Iran: de aanwezige leden van de CANVEK verleenden een ongunstig advies, aangezien ze meenden dat er ‘een onaanvaardbaar risico [bestond] dat de uitrusting betrokken zou worden bij activiteiten in verband met nucleaire wapens of een activiteit van kernexplosie’.




  • Het geval, ter sprake gebracht op 6 september 2004, van de Belgische firma die ervan werd verdacht het systeem van nucleaire uitvoer te willen omzeilen: de notulen vermelden noch de naam van de interveniënt noch de naam van de betrokken firma.

In de notulen van de vergadering staat alleen maar dat het secretariaat van de CANVEK contact heeft gehad met de diensten van de Douane. Zij stellen een rondzendbrief op om het toezicht te versterken op de uitrusting die tijdens de vorige vergadering ter sprake is gekomen.


Op 5 oktober 2004 bevestigde de minister van Economie de weigering om de vergunning voor de uitvoer van een isostatische pers naar Iran, aangevraagd door de firma EPSI, toe te kennen.

Het eerste interne rapport van de Veiligheid van de Staat dat volgt op de door de Amerikaanse dienst verstrekte informatie, op 5 oktober 2004
Het onderzoek werd gevoerd in de tweede helft van september en begin oktober.
De stelling volgens dewelke de firma EPSI zou proberen de controle door de douane te omzeilen door de doorsnede van de pers tijdelijk is verkleinen is weinig waarschijnlijk. Het zou bijzonder moeilijk zijn om een dergelijke aanpassing uit te voeren. Als gevolg van een dergelijke wijziging zou de uitrusting ontsnappen aan de normen in de bijlage van het koninklijk besluit van 12 mei 1989 betreffende nucleaire overdrachten, maar niet aan de normen van de Wassenaar Arrangement.
In het rapport wordt opgemerkt dat Iran perfect op de hoogte is van de regels die in Europa gelden voor de gevoelige export naar risicolanden. Iraanse bedrijven maken gebruik van de verschillen in de regelgeving van de Europese landen om het toezicht door de douane en de weigering van uitvoervergunningen te omzeilen.

De tweede Amerikaanse verwittiging (28 en 29 oktober 2004)
Op 29 oktober 2004 kreeg de Veiligheid van de Staat een nieuwe verwittiging van de Amerikanen op datum van 28 oktober 2004. In het document lezen we dat de firma EPSI op het punt stond een isostatische koudpers te leveren aan een bedrijf in Iran. Het transport zou per vrachtwagen plaatsvinden. Het voorkomen van het uitgevoerde materiaal zou kunnen worden gewijzigd om de Belgische douanereglementering te omzeilen. Er wordt ook gemeld dat de Belgische douane dezelfde verwittiging heeft gekregen.
De Veiligheid van de Staat heeft nooit een antwoord verstuurd naar de Amerikaanse dienst betreffende de verwittigingen van 15 juli en 28 oktober 2004.
Op 3 november 2004 voert de firma EPSI via het douanekantoor van Eynatten een isostatische pers per vrachtwagen uit.

Het tweede interne rapport van de Veiligheid van de Staat (25 november 2004)
In dit rapport van 25 november 2004, dat als ‘geheim’ werd geclassificeerd, staat dat de firma EPSI eind oktober inderdaad een ‘kleine’ isostatische pers aan Iran heeft geleverd. Volgens de officiële documenten zou de eindgebruiker van de pers de onderneming Iran Aircraft Industries zijn, die de pers zou gebruiken om vleugeltjes voor turbines te maken. Volgens de verslaggever is dit een aannemelijke uitleg.
De hypothese volgens dewelke Iran de binnendiameter van de pers na levering zou kunnen wijzigen (vergroten), is niet ernstig. Hoewel een dergelijke technische aanpassing in theorie niet uitgesloten is, is ze moeilijk realiseerbaar en heeft men bovendien weinig zekerheid over de gevolgen. Het is dan ook weinig waarschijnlijk dat een land als Iran, dat niet over de technische capaciteiten beschikt om een isostatische pers te produceren, de eigenschappen van een dergelijke pers zou kunnen wijzigen.
Bovendien lezen we in het rapport dat de firma EPSI een klacht heeft over een lacune in de exportreglementering. Eens toegekend, zijn vergunningen één jaar geldig, terwijl de termijn tussen de toekenning van de vergunning en de effectieve levering van het materieel vaak langer dan één jaar duurt. Dit betekent dat men de procedure moet hernemen op het ogenblik waarop de bestelling klaar is om te worden geleverd. Deze situatie is commercieel nadelig voor onze exportbedrijven. De verslaggever stelt voor om de procedure te volgen die in sommige buurlanden toepasbaar is: een soort van voorafgaand advies afleveren op het ogenblik van de bestelling.

Deelname aan de vergadering van de CANVEK op 1 maart 2005
Een analist van de studiedienst Proliferatie vertegenwoordigde de Veiligheid van de Staat op deze vergadering, waar ook een vertegenwoordiger van de Administratie der Douane en Accijnzen aanwezig was.
De firma EPSI werd genoemd in het kader van verschillende dossiers betreffende de uitvoer van isostatische persen naar het buitenland.
Daarna boog de Commissie zich over ‘de informatie betreffende het mogelijk omzeilen van het systeem van nucleaire uitvoer, een zaak waarin een Belgische firma betrokken zou zijn’.
Aan de vertegenwoordiger van de Administratie der Douane en Accijnzen werd gevraagd ‘om uitleg [te geven] over de getroffen en nog te treffen maatregelen die als elementen van antwoord zullen kunnen dienen’.
Volgens deze uitleg werd de firma EPSI (die hier dus bij naam wordt genoemd) onder permanent toezicht vanwege de douanediensten geplaatst. De douane moest nog nagaan of de uitgevoerde pers al dan niet onder de controle op de export viel.


Het antwoord op de parlementaire vraag van 29 april 2005
Op 2 mei 2005 kreeg de Veiligheid van de Staat de opdracht aan mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie, de nodige elementen te bezorgen om haar in staat te stellen een antwoord te formuleren op de parlementaire vraag van mevrouw Muriel Gerkens, federaal parlementslid, over ‘het kernmateriaal dat in België wordt geproduceerd en naar Iran wordt uitgevoerd9. Op grond van de gegevens die “Le Soir” op 29 januari 2005 had gepubliceerd, vroeg mevrouw Gerkens meer bepaald of de Belgische inlichtingendiensten weet hadden van de uitvoer van kernmateriaal door Belgische bedrijven naar Iran.
Dezelfde dag bezorgde de Veiligheid van de Staat het volgende antwoord aan mevrouw de Minister:
De Veiligheid van de Staat beseft dat materieel dat in het kader van een kernprogramma kan worden gebruikt, van België kan worden uitgevoerd naar landen zoals Iran. Bijgevolg proberen we in het kader van onze opdracht van strijd tegen de proliferatie van chemische, biologische en nucleaire wapens zoveel mogelijk, en in samenwerking met de andere bevoegde overheden in België, dit soort transacties te volgen en in voorkomend geval te beletten.
Als inlichtingendienst zijn we echter niet bij machte alle Belgische exportverrichtingen te volgen. In juli 2004 bleek uit informatie van een buitenlandse dienst dat het mogelijk was dat een HIP naar Iran zou worden uitgevoerd. Dit element kwam ter sprake op een vergadering van de Commissie van Advies voor de Niet-Verspreiding van Kernwapens (CANVEK). Deze vertrouwelijke vergaderingen hebben tot doel de dossiers te onderzoeken waarvoor een vergunning noodzakelijk is.


Met betrekking tot het geval waarover Le Soir berichtte, was de Veiligheid van de Staat niet op de hoogte van de export van deze isostatische warmtepers, ook al had deze dienst kennis van de algemene activiteiten van de firma EPSI, meer bepaald via de vele dossiers die deze firma regelmatig indient bij de CANVEK.

Volgens de berichtgeving in Le Soir beantwoordde de HIP niet aan de criteria die vereisen dat een dossier bij de CANVEK wordt ingediend.


Blijft de mogelijkheid dat de Amerikaanse overheden, via hun verbindingsagenten bij de Douane, bepaalde informatie die niet voor de Veiligheid van de Staat is bestemd direct meedelen.
Met betrekking tot de informatie die in de pers verscheen, had het ministerie van Financiën onze dienst niet van tevoren op de hoogte gebracht.

Algemeen is de CANVEK, waarvan de Veiligheid van de Staat lid is, het klassieke orgaan voor het uitwisselen van informatie betreffende de bestrijding van nucleaire proliferatie.
Daarnaast zijn de gebruikelijke mechanismen van uitwisseling en contact met andere Belgische entiteiten natuurlijk ook van toepassing in nucleaire aangelegenheden.
Natuurlijk komen de huidige mechanismen van strijd tegen de proliferatie in België voor verbetering in aanmerking, ook al zijn de resultaten die ze tot op heden boeken niet verwaarloosbaar. Men mag niet vergeten dat de menselijke en logistieke middelen die in het kader van de strijd tegen de proliferatie in België worden toegekend, niet toelaten een volledig en stelselmatig toezicht uit te oefenen op de gevoelige export en zoiets wellicht nooit voor 100% mogelijk zullen maken.

Met betrekking tot de nood aan een onderzoek, moet ten minste worden nagegaan wat niet heeft gewerkt om de toepassing van het ‘catch all’-beding toe te passen.
Op grond van dit schrijven heeft mevrouw de minister van Justitie geantwoord dat de Veiligheid van de Staat geen kennis had van de informatie die Le Soir had gepubliceerd, ‘zelfs al was deze dienst op de hoogte van de algemene activiteiten van de firma EPSI, meer bepaald via de vele dossiers die deze firma regelmatig indient bij de Commissie van Advies’.
In zijn brief van 18 mei 2005 aan het Vast Comité I bevestigt de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat ook dat deze dienst geen informatie had gekregen over de isostatische pers HIP waarover Le Soir het had op 29 april 2005.
Commentaar van het Vast Comité I: In het bewuste artikel in Le Soir is er sprake van een isostatische pers die in januari 2005 per vrachtwagen zou zijn uitgevoerd naar Teheran, zonder vergunning. In het kader van dit onderzoek hebben we echter geen enkel spoor gevonden van een dergelijke exportverrichting in januari 2005. De context en de omstandigheden die in het artikel worden beschreven, lijken echter overeen te komen met het export door EPSI op 3 november 2004. Het Comité I meent dan ook dat het verkeerd is te verklaren dat men niets afweet van de exportverrichting, gelet op de nauwkeurige verwittigingen van de CIA en het rapport van 25 november 2004.


    1. Commentaar van de Veiligheid van de Staat

In zijn brief van 18 mei 2005 geeft de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat de volgende uitleg bij de manier waarop zijn dienst het probleem heeft behandeld:




  • In tegenstelling tot de verkeerde voorstelling die soms werd gegeven, is een isostatische warmtepers wel degelijk een product voor tweeërlei gebruik dat eventueel een toepassing kan vinden in het kader van een kernprogramma; het gaat echter geenszins om kernmateriaal, wat sommigen ook mogen beweren.




  • Anderzijds is het volgens specialisten ter zake weinig waarschijnlijk dat de technische kenmerken van dit type pers worden gewijzigd om bepaalde exportcontroles te omzeilen, aangezien het een moeilijke operatie betreft en het gevaar bestaat dat het materiaal niet langer in staat is datgene te doen waarvoor het is bestemd; het gevaar bestaat zelfs dat het materiaal helemaal niet meer kan worden gebruikt.




  • Met betrekking tot de Belgische organen voor de strijd tegen de proliferatie van kernmateriaal, moet men weten dat de menselijke en logistieke middelen die voor de strijd tegen de proliferatie aan de verschillende bevoegde entiteiten worden toegekend ruimschoots onvoldoende zijn om een optimaal en stelselmatig toezicht op de Belgische ondernemingen en op de export uit en via ons land te verzekeren.




  • Nemen we het voorbeeld van de Douane, dan lijkt dat haar agenten zelfs met de beste wil van de wereld niet meer dan maximum 4 tot 5% van de export kunnen controleren. Met de menselijke en logistieke middelen waarover de Veiligheid van de Staat beschikt, kan deze dienst slechts een heel gedeeltelijke en vaak alleen maar gerichte opvolging verzekeren.




  • Weliswaar werden er sinds september 2001 middelen vrijgemaakt om de bestrijding van het terrorisme te versterken. Helaas is de strijd tegen de proliferatie tegelijk in de schaduw blijven staan, terwijl deze problematiek sinds 2001 meer dan ooit aanwezig is op het mondiale schaakbord.




  • Samengevat zijn alle betrokken actoren op het terrein het erover eens dat België vandaag niet over de middelen beschikt om een sterk niet-proliferatiebeleid te voeren. Hoewel er sinds 2001 bepaalde initiatieven zijn genomen, geldt dit helaas niet voor de middelen die nodig zijn om die initiatieven concreet uit te voeren.




  • Welke middelen er ook worden ingezet in het kader van de strijd tegen de proliferatie, een toezicht van 100% zal steeds een illusie blijven.




  • Hoewel de Veiligheid van de Staat op dit vlak onbetwistbaar een rol te vervullen heeft, wensen we erop te wijzen dat we geen bevoegdheid genieten met betrekking tot de ‘materiële’ controle van de uitvoer noch met betrekking tot intercepties.




  • In het geval waarover Le Soir verslag uitbracht, blijkt, zonder dat we over nadere gegevens beschikken, dat alleen de gewestelijke overheden die bevoegd zijn om een uitvoervergunning uit te reiken en/of de Administratie der Douane hadden kunnen optreden om de uitvoer van de HIP naar Iran te beletten.




  • Wanneer men het heeft over de uitvoer van een HIP door de firma EPSI, zonder vermelding van alle technische eigenschappen van dit materieel of van de precieze omstandigheden van de exportverrichting, is het moeilijk uit te maken of iedereen het wel over dezelfde HIP heeft, aangezien we momenteel over weinig elementen beschikken die een vergelijking mogelijk maken.


  1. HeT problEEm VAN HET MEEDELEN VAN GECLASSIFICEERDE INFORMATIE AAN DE AMBTENAREN EN AAN DE LEDEN VAN DE CANVEK

Niet alle leden van de CANVEK beschikken over een veiligheidsmachtiging die hun toelaat kennis te nemen van geclassificeerde informatie.


De vertegenwoordigers van de Veiligheid van de Staat bij voornoemde commissie hebben geen richtlijnen gekregen over de wijze waarop ze binnen de commissie bepaalde informatie konden meedelen. Een hoofdcommissaris heeft dit probleem in de volgende bewoordingen overgelegd aan de administrateur-generaal:
‘Ten tweede stelt zich een niet onbelangrijk probleem dat verbonden is met de wetgeving inzake classificatie en veiligheidsmachtiging, namelijk in welke vorm (mondeling of schriftelijk?) en aan elke bevoegde ambtenaar kan de VS deze «intelligence» doorgeven. Hierbij speelt tevens de graad van waarachtigheid een rol, vermits de bevoegde Overheden zich bij hun beslissing zullen steunen op de bekomen adviezen, waarin o.a. door de VS zou zijn gecontribueerd.
De commissaris stelt aan de administrateur-generaal voor dit probleem te onderzoeken in het licht van een aantal concrete dossiers die de CANVEK heeft besproken. Blijkbaar is er tot op heden nog geen antwoord op dit probleem.


  1. BESLUITEN

Dit onderzoek had niet tot doel na te gaan of de firma EPSI bij het uitvoeren van uitrusting naar Iran een inbreuk had gepleegd op een door België geratificeerd internationaal stelsel van toezicht op de export. Het Vast Comité I is daarvoor niet wettelijk bevoegd.


Het Comité I heeft zich ertoe beperkt een onderzoek te voeren naar:


  • de bevoegdheid van onze inlichtingendiensten m.b.t. deze problematiek;

  • de manier waarop onze inlichtingendiensten de informatie hebben verwerkt die ze van een buitenlandse dienst over deze verdachte exportverrichting hebben ontvangen.

Onmiddellijk is gebleken dat de ADIV geen kennis heeft gekregen van deze zaak en er ook niet bij was betrokken.


De informatie die de Veiligheid van de Staat op 14 juli 2004 van de Amerikaanse dienst heeft ontvangen, was van aard de bevoegde overheden te verwittigen voor de verdachte aard van de exportverrichting. Er moest een onderzoek worden ingesteld naar de mogelijkheid dat een dergelijke exportverrichting naar Iran een inbreuk vormde op een internationaal stelsel van toezicht op de export.
Ook al kwam het de Veiligheid van de Staat niet toe zelf een oordeel te vellen, deze dienst had ten minste te gelegener tijd een onderzoek moeten voeren, de situatie analyseren en de informatie schriftelijk bezorgen aan de bevoegde overheden, d.i. de Administratie der Douane en Accijnzen, de FOD Economie, de CANVEK en de buitenlandse dienst die de informatie aanvankelijk had bezorgd.


  • Het onderzoek werd snel aangevraagd bij de externe dienst belast met proliferatie (op 16 juli 2004); pas op 5 oktober 2004 werd een rapport opgesteld. Dit rapport bevat geen definitieve conclusies, maar somt een aantal elementen en vragen op die verder onderzoek rechtvaardigen.




  • De analyse: hetzelfde rapport bevat een beknopte analyse van de mogelijkheid om de isostatische pers al dan niet om te bouwen teneinde de controle door de douane te omzeilen. Blijkbaar heeft de studiedienst hierover geen analyserapport opgesteld. De hypothese van een poging om de firma EPSI economisch nadeel te berokkenen werd mondeling geopperd, maar wordt door geen enkele schriftelijke analyse bevestigd.




  • De informatie aan de overheden: de enige informatie die de Veiligheid van de Staat heeft verspreid, was een mondelinge mededeling van de vertegenwoordiger van deze dienst tijdens de vergadering van de CANVEK op 6 september 2004. De informatie in de notulen van deze vergadering is vaag en stelt de Administratie der Douane en Accijnzen niet in staat de noodzakelijke maatregelen te treffen ten opzichte van de firma EPSI. Tijdens het onderzoek waren er ook informele contacten tussen de dienst A7 en leden van het Bestuur Energie van de FOD Economie.

Pas op 28 oktober 2004 kreeg de Belgische douane van de Amerikaanse douane de volledige informatie. Pas vanaf deze datum kon de Belgische douane gerichte maatregelen treffen ten opzichte van EPSI. Op hetzelfde ogenblik stond deze firma op het punt het verdachte product uit te voeren.


Het is opmerkelijk dat EPSI het product uitvoert via een douanekantoor waarmee de firma niet gewoon was te werken. Deze bijzondere omstandigheid had moeten worden onderzocht.
De Veiligheid van de Staat heeft de buitenlandse dienst geen kennis gegeven van het gevolg dat hij aan het bericht van 14 juli 2004 heeft verleend.
Deze vaststellingen illustreren eens te meer het probleem van de toepassing zonder onderscheid van de ‘regel van de derde dienst’. Het Vast Comité I heeft al vaak gewezen op dit probleem, meer bepaald in zijn activiteitenverslagen van 2003 en 2004.
In verband met de internationale samenwerking stelde het Vast Comité I tijdens de activiteitenperiode 2003 «een tussentijds verslag op van een onderzoek naar de wijze waarop de Veiligheid van de Staat antwoordt op de vragen van buitenlandse veiligheidsdiensten die een vertegenwoordiger hebben in het koninkrijk».
Dit verslag onderstreept bepaalde moeilijkheden waarvan de belangrijkste in deze materie wel voortvloeit uit een extreme en ongenuanceerde «cultuur van het geheim».
Het Vast Comité I oordeelt dat de zonder enig toezicht toegepaste «regel van de derde dienst» niet als een automatisme mag gelden. Zulks zou kunnen impliceren dat de politieke macht zich op een bijna exclusieve en vaak zelfs gevaarlijke wijze zou verschuiven van de Staat naar een dienst van deze Staat.
Het Vast Comité I deed reeds opmerken dat een strikte interpretatie van deze gewoonteregel voor wat het Comité betreft een hinderpaal vormt voor een doeltreffend toezicht.10
In het onderhavige geval heeft de toepassing van de ‘regel van de derde dienst’ ertoe geleid:


  • Dat de naam van de firma EPSI niet werd vermeld in de notulen van de vergadering van de CANVEK waar de vertegenwoordiger van de Veiligheid van de Staat de aandacht van dit orgaan heeft gevestigd op een verdachte levering aan Iran.

  • Dat de CANVEK de Administratie der Douane en Accijnzen slechts in algemene bewoordingen heeft gewaarschuwd voor dit probleem, zodat deze Administratie geen gerichte actie kon ondernemen tegen de betrokken firma.

  • Dat uiteindelijk de Amerikaanse overheden het initiatief hebben genomen om de Belgische douane rechtstreeks te verwittigen.

  • Dat de Administratie der Douane geen kennis heeft gekregen van de naam van de firma EPSI binnen een termijn die volstond om een preventieve controle te organiseren.

  • Dat een isostatische pers van de firma EPSI zonder uitvoervergunning naar Iran kon worden uitgevoerd, zonder grondig onderzoek naar de conformiteit van deze operatie met de internationale regels betreffende de uitvoer van uitrustingen voor tweeërlei gebruik.

Bovendien meent het Comité I dat de uitleg die de Veiligheid van de Staat begin mei 2005 aan de minister heeft gegeven, onvolledig en bijgevolg niet bijzonder waarheidsgetrouw is. Zo waren de volgende verklaringen onjuist:




  • Met betrekking tot het geval waarover Le Soir berichtte, was de Veiligheid van de Staat niet op de hoogte van de export van deze isostatische warmtepers’;




  • Blijft de mogelijkheid dat de Amerikaanse overheden, via hun verbindingsagenten bij de Douane, bepaalde informatie die niet voor de Veiligheid van de Staat is bestemd direct meedelen.

Hoewel Le Soir het heeft over een export dat in januari 2005 zou hebben plaatsgevonden, is uit dit onderzoek gebleken dat:




  • De Veiligheid van de Staat op 15 juli 2004 een nota van de CIA had ontvangen waarin stond dat een Iraanse firma probeerde een isostatische warmtepers te kopen bij de Belgische firma EPSI.

  • Dezelfde Amerikaanse dienst dezelfde informatie op 28 oktober 2004 aan de douane heeft bezorgd en ter herinnering van de Veiligheid van de Staat heeft gebracht.

  • Een intern rapport van 25 november 2004 vaststelt dat de firma EPSI eind oktober 2004 inderdaad, zonder daarvoor over een uitvoervergunning te beschikken, een ‘kleine’ isostatische pers heeft geleverd aan een Iraanse firma. De eindgebruiker zou de pers gebruiken om vleugeltjes van turbines te maken.

Bijgevolg meent het Comité I dat het onjuist is te beweren dat men niets afwist van de feiten waarover Le Soir op 29 april 2005 verslag heeft uitgebracht.


Op grond van de toepassing van de ‘regel van de derde dienst’ heeft de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat ook pogingen ondernomen om de toegang van het Vast Comité I tot bepaalde documenten te beperken. De administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat verwees niet alleen naar artikel 51 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, maar stuurde ook een mondelinge verwittiging naar de Dienst Enquêtes van het Vast Comité I. Volgens deze verwittiging moest het Comité I heel omzichtig te werk gaan bij het gebruiken van bepaalde documenten en de minister niet in moeilijkheden brengen tegenover het Parlement.
Deze waarschuwing werd bevestigd in een brief van 2 juni 2005 aan het hoofd van de Dienst Enquêtes:
Volgend op uw telefoontje heb ik u de gevraagde documenten op 31 mei toegestuurd.
Voor de goede orde bevestig ik mijn zienswijze die ik u tijdens ons onderhoud heb toegelicht en volgens dewelke alleen de minister van Justitie kan beslissen of de informatie die wij haar hebben bezorgd om een antwoord op een parlementaire vraag voor te bereiden, door het Comité openbaar kan worden gemaakt. Alleen de minister beslist wat er gebeurt met de informatie die hij aan het parlement wil meedelen in het kader van parlementaire vragen. Bijgevolg draagt hij de politieke verantwoordelijkheid.
Geen enkele administratie heeft het recht informatie aan te brengen die bijdraagt tot een externe politieke evaluatie.
Aangezien de dienst tot op heden altijd - en terecht - heeft geweigerd informatie mee te delen die hij aan de minister had bezorgd, heb ik gewenst opnieuw uw aandacht op dit principe te vestigen. Indien u het absoluut noodzakelijk zou vinden de inhoud te onthullen van de informatie die wij aan de minister hebben bezorgd, lijkt het mij absoluut noodzakelijk dat u het expliciete akkoord van de minister krijgt.
Daartoe stuur ik een kopie van dit schrijven naar de Strategische Cel van mevrouw de minister Onkelinx.
Getekend: Koenraad Dassen
Het Vast Comité I meent dat het de verantwoordelijkheid moet nemen geen enkel document uit zijn onderzoeksdossier te weren en de gevolgen te trekken die zich opdringen, ook al zouden sommigen geneigd zijn dit in hun eigen politieke voordeel aan te wenden. In dit geval luidt de conclusie dat de Veiligheid van de Staat aan zijn bevoegde minister niet de volledige waarheid heeft verteld.
Deze laatste dienst zal dus zijn verantwoordelijkheid moeten opnemen indien de minister voor het Parlement in moeilijkheden wordt gebracht. Dit is niet de verantwoordelijkheid van het Vast Comité I, dat belast is met de wettelijke opdracht toe te zien op de efficiënte werking van de inlichtingendiensten.
Aangezien de Veiligheid van de Staat de bevoegde overheden en zijn toezichthoudende minister niet correct heeft ingelicht, is deze dienst onbetwistbaar in gebreke gebleven zijn opdracht inzake het bezorgen van informatie aan de overheden uit te voeren. In deze zaak heeft deze dienst blijk gegeven van een gebrek aan efficiëntie.

1 Le Soir, 29 april 2005, Christophe Schoune: ‘Du “nucléaire” belge en Iran ?’- Gazet van Antwerpen, 30 april 2005, Roger Huisman: ‘Vlaams bedrijf leverde verdachte pers aan Iran’- Le Soir, 11 mei 2005, Christophe Schoune: ‘Il fallait arrêter ce matériel…’

2 Vraag Kamer nr. 6763 – 3de zitting CRABV 51 COM 586.

3 De ‘regel van de derde dienst’: het gaat om een regel (soms schriftelijk, soms mondeling) die in de wereld van de inlichtingendiensten toepasbaar is. De regel impliceert dat een inlichting die een officiële dienst van een Staat aan een andere officiële buitenlandse dienst bezorgt, ‘eigendom’ blijft van de dienst die de inlichting meedeelt. Dit betekent dat de inlichting:

  • Bij de ontvanger dezelfde graad van classificatie moet behouden als die welke de verzender heeft toegekend;

  • Alleen mag worden meegedeeld en bewerkt voor zover de passende veiligheidsvoorwaarden worden nageleefd (bescherming van het geheim, veiligheidsmachtigingen enzovoort);

  • Alleen mag worden gebruikt voor het doel waarvoor de inlichting werd verstrekt;

  • Zonder het akkoord van de verzender niet mag worden meegedeeld aan niet-gemachtigde derden.

Het Vast Comité I heeft al een studie aan deze regel gewijd (zie Parl. Doc., Kamer 1997-1998, 1139/5,55).

4 Belgisch Staatsblad van 15 juni 1989.

5 Gewijzigd door de verordening (EG) nr. 149/2003 van de Raad van 27 januari 2003.

6 Aanvankelijk ‘Club van Londen’ genoemd.

7 http://www.wassenaar.org

8 www.mtcr.info

9 Vraag nr. 6763, Kamer – 3de zitting CRABV 51 COM 586.

10 Vast Comité I, Activiteitenverslag 2003, Internationale samenwerking met buitenlandse diensten, pagina’s 14-16.

--

  • De fEITEN ZOALS weergegeven in DE PERS
  • DE BELANGSTELLING VAN HET parlement
  • DE ONDERZOEKSProcEdure
  • HeT BELGISCH WETGEVEND EN REGELGEVEND KADER
  • De regels van de Europese Unie voor de controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik en van militaire uitrustingen.
  • VASTSTELLINGEN
  • De wijze waarop de Administratie der Douane en Accijnzen kennis heeft genomen van de feiten
  • De verwerking van de informatie over de firma EPSI door de Veiligheid van de Staat
  • Commentaar van de Veiligheid van de Staat
  • HeT problEEm VAN HET MEEDELEN VAN GECLASSIFICEERDE INFORMATIE AAN DE AMBTENAREN EN AAN DE LEDEN VAN DE CANVEK

  • Dovnload 111.64 Kb.