Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Geen focus op: namen, data, exacte definities. Namen worden altijd gegeven met de naam van hun theorie erbij

Dovnload 307.33 Kb.

Geen focus op: namen, data, exacte definities. Namen worden altijd gegeven met de naam van hun theorie erbij



Pagina1/4
Datum27.06.2017
Grootte307.33 Kb.

Dovnload 307.33 Kb.
  1   2   3   4



Samenvatting Sociologie

Geen focus op: namen, data, exacte definities. Namen worden altijd gegeven met de naam van hun theorie erbij.

Hoofdstuk 1: Een eerste kennismaking
1.1 inleiding
Max, Weber en Durkheim = grondleggers.

Sociologische redenering: Mens -> vrije wil MAAR beïnvloed door sociale omgeving.


Belangrijk: Biologische + psychologische factor.
Oorzaak = sociaal? -> vergelijk in tijd, ruimte en verschillende groepen.
1.2 De sociologische verbeelding
= Specifieke wijze van kijken naar wat er met mensen hun leven gebeurt.
Gedrag verklaren: kijken naar het ruimere geheel. Gebeurtenissen worden beïnvloedt door sociale relaties.
-> niet zo individueel als ze op het eerste zicht lijken.
-> invloed van sociale omgeving op wat individuen meemaken in hun leven.

Mills: Vanop afstand bekijken (routine achterlaten) + bredere context betrekken.
Individuele problematiek uit individuele context halen + interpreteren vanuit bredere context.
Quote : ‘’The sociological imagination necessitates above all, being able to think ourselves, away from the familiar routines of our daily lives in order to look anew.
Seeing the strange in the familiar and the general in the particular, linking our behaviors to broader social forces”

Giddens: Probleem = maatschappelijk + niet individueel = verlichting
Quote: Adopting a sociological imagination allows us to see that many events which appear to concern only an individual actually reflect larger issues

Sociologische verbeelding = Individuele gebeurtenissen plaatsen en verklaren vanuit een geheel van sociale relaties die zelf een specifieke historische oorsprong hebben.
3 aspecten.

Stap 1: Biografie
Levensloop van een individu vb. werk vinden
Individuele keuzes + gebeurtenissen.
Verklaringen? => Waarom-vragen

Stap 2: sociale omgeving
Levensloop hieraan koppelen.
Samenleving = geheel van sociale relaties waarvan we deel uitmaken
Samenleving is het resultaat van historische ontwikkeling.
vb. familie, vrienden, arbeidsmarkt,..

Stap 3: Historische ontwikkeling
Samenleving = resultaat van historische ontwikkeling bv. Industrialisering
Continue sociale verandering.

Vb. kiezen voor universeiten:


-Biografie: studiekeuze
-Sociale omgeving: Studeren is de norm in het gezin van herkomst, in een hoogkapitalistische samenleving is er grote vraag van bedrijven naar hooggeschoolden, in een democratische samenleving moet iedereen gelijke toegang krijgen tot onderwijs.
-Historische ontwikkeling: Resultaat van modernisatie + industrialisatie, democratisering, emancipatie,..


Omgeving (cultuur + structuur)
Sociologische verbeelding helpt een verband vinden tussen maatschappelijke fenomenen.
vb. Daling jeugdcriminaliteit in de jaren 90 in USA. Sociale wetenschappers waren ervan overtuigd dat dit kwam door de legalisatie van abortus ( arme moeders konden kinderen weg laten nemen => Zij zouden veel criminaliteit hebben veroorzaakt)
Hier wordt het gedachte-experiment gebruikt: men gaat nadenken over wat er gebeurd zou zijn mochten bepaalde zaken niet hebben plaats gevonden.


Sociale interactie

Sociaal handelen -> Handelen -> Gedrag
1.3 Van gedrag tot samenleving
We zoemen in op de bouwstenen van de biografie en de maatschappelijke omgeving. Basischema:

[Trek de aandacht van uw lezer met een veelzeggend citaat uit het document of gebruik deze ruimte om een belangrijk punt te benadrukken. Sleep dit tekstvak als u het ergens anders op de pagina wilt plaatsen.]

Pijlen naar beneden zijn het belangrijkste! (samenleving -> individu)

1.3.1 Gedrag
= elke actie/reactie
2 dimensies van gedrag:


  • Objectief waarneembare / externe componenten: Door minstens 2 mensen waarneembaar. vb. gesproken woord, gebaren.

  • Subjectief / interne componenten: maar één waarnemer.
    -Motivationele component = drijfveren van handelen.
    vb. winst
    -Emotionele component
    vb. innerlijke gevoelens van schaamte
    -Cognitieve component
    vb. beelden van de werkelijkheid
    -Reflexieve component
    vb. beeld dat je van jezelf vormt.

1.3.2 Sociaal handelen
Handelen = gericht op een object.
Handelen = gedrag met doelgerichtheid.
Doelgerichtheid => betekenis geven: mentale voorbereiding/projectie voor handeling.
Gemakkelijk doel => niet bewust van mentale voorbereiding.
De betekenis van de handeling = mentale projectie voorafgaand aan de handeling.

Max Weber: sociaal handelen = rekening houden met anderen.


Sociaal handelen = wanneer de actor bij het plannen van haar/zijn handelen rekening houdt met wat anderen deden, doen, of kunnen doen.
Dus: vanuit handelende actor een subjectieve betekenis die in verband staat met een tweede actor.

typologie van sociaal handelen (EXAMENVRAAG):


Weber: 4 types, recent: 5 types.
=Ideaaltypes. In realiteit overlappen ze.

Instrumenteel rationeel handelen


Doel bereiken binnen een specifieke handelingssituatie. Er zijn altijd condities en middelen.
Afweging van condities en middelen.
condities = niet te wijzigen elementen
middelen = te wijzigen elementen
Kenmerkend: optimalisatie van de efficiëntie.

Waarde rationeel handelen

Centraal: geloof in de waardevolheid van de handeling (doel = niet belangrijk), waardevol op zichzelf, ongeacht de kosten.

Kenmerkend: volgen van de eisen die de actor als bindend inschat.



Affectief handelen

= gedreven door gevoelens/emoties.

= ongecontroleerde en automatische reactie op een stimulus.


Kan worden gerationaliseerd + krijgt dan een betekenis.

Traditioneel handelen

Handelen volgens gewoonten/ norm verleden (sociaal, niet individueel) vb. Het kerkelijk huwelijk.
Verplicht karakter, verleden bepaalt heden.

Reflexief handelen

Breken met de traditie = reflexiviteit.

“stoppen, denken en kiezen”

Vb. kerkelijk huwen omdat je dit ziet als een goede en juiste manier van handelen.

Ontdoping door misbruik kerk.



Toepassing:
pipelines Trump
Waarde rationeel handelen: indianen willen de pijpleidingen niet want het is het land van hun voorouders en dat willen ze niet schenden.
Instrumenteel rationeel: Trump: economisch. Dit is het gemakkelijkste en wat de indianen willen is niet belangrijk.
affectief: protesten: veel emoties komen naar boven.
Traditioneel handelen: beschermen van het land omdat de voorvaders er leefden en het is heilig voor hen.

Onderscheid tussen de soorten is analytisch (= denkmatig). In de praktijk overlappen ze elkaar vaak.

Voorbeeld waarde rationeel handelen: ‘die man krenkte mijn trots’
Een man vermoordde een ander. Het gebeurde in naam van extremisten.

Voorbeeld affectief handelen: Bettini neemt wraak met wereldtitel


Toen hij de finish over reed, maakte hij een geweergebaar met zijn handen en richtte het op de eretribune als wraak voor alle roddels over doping. Toch heeft dit ook een sociale betekenis: hij laat zien dat hij ondanks alles nog overeind is gebleven.


Sociaal handelen
1.3.3 Interactie
Interactie = handeling van persoon A + reactie persoon B.
= dynamiek van het sociale handelen van meerdere personen.
Twee of meer mensen geven een gedeelde/complementaire betekenis aan elkaars handelen.


Interactie



Handelen



Gedrag

Interactie:


Persoon A handelt opdat er iets zou gebeuren:
-> doel bereiken.
-> waarde realiseren
-> traditie volgen of herdefiniëren
-> emotie uiten

Persoon B reageert omdat persoon A iets deed.

-> keten van sociale handelingen.

2 soorten van motieven (zie hierboven)


-Opdat motieven
= handelen opdat iets zou worden gerealiseerd.

-Omdat motieven


B reageert omdat A iets doet.

Een handeling vanuit een opdat motief wordt voor de andere een omdat motief.


-> keten van sociale handelingen

1.3.4 Vormen van interacties



Conformiteit

2 aspecten:
-Wederzijds akkoord over wat er zal gebeuren.
-Wederzijds akkoord over hoe het zal gebeuren.
= regels.

<-> deviantie = 1 iemand houdt zich niet aan de afspraken => verstoorde interactie.

Samenwerking

Samen een doel bereiken. Wederzijdse bereidheid tot samenwerking (samen combineren van inspanningen).
Conformiteit is een deelaspect hiervan.

Conflict

Mensen moeten zich aanpassen om samen te leven.
Ten minste 2 partijen niet akkoord over hoe interactie moet verlopen.
Probleem: schaarse goederen, waarden, aanzien en macht.
MAAR: niet altijd negatief. Zo kan het een stimulus zijn voor ontwikkeling van nieuwe regels.
Groepen worden zeer onverdraagzaam met betrekking tot interne dissidentie.
Gemeenschappelijk vijandsbeeld => verhoogde groepscohesie.

Ruil

Niet enkel economische ruil.
Focus: Sociale ruil.
Blau: Baten + beloningen die individuen ontvangen in sociale verbanden, betekenen meestal kosten voor de anderen.
Zowel materiële als immateriële zaken.
Vaak zijn de kosten-baten ongelijk verdeeld.
Toch: principe van de wederkerigheid.

Economische ruil: klemtoon op ruil van goederen. In interactie staat sociale ruil centraal.
Algemeen sociaal principe: bij iemand in het krijt staan.

Oefening:

OCAD: waarschuwing voor groeiende invloed van salafisme (= zeer radicaal). Vanuit Westers standpunt zijn zij zeer conservatief. OCAD zegt dat radicalen een probleem vormen (qua geweld). Wat doe je daar als samenleving mee als er ook vrije godsdienstbeleving heerst? Welke vormen van interactie ga je toepassen?

We zijn gevoelig voor meningen, gedragingen van anderen en die gaan ons beïnvloeden. De pijl gaat in de 2 richtingen.

Sociale omgeving bestaat uit cultuur en structuur

1.3.5 De stolling van interactie in cultuur en structuur


Van interactie tot samenleving
Samenleving = product van onderliggende interacties.
Gestold = stabiele inhouden en vormen van sociale interactie.

Mensen samen => ontstaan afspraken => ongelijke posities => visies over wat goed is => conflicten.


vb. Big brother / lost
Dagdagelijkse interacties:
-Ideeën over wat hoort en niet hoort, goed en slecht is => gedeelde betekenis.
-Er worden afspraken gemaakt over wie wat doet => ongelijke posities.
Er ontstaat cultuur en structuur

Cultuur = gedeelde betekenis die mensen aan het handelen en de objecten uit hun omgeving toekennen en die geformaliseerd worden in waarden, normen, overtuigingen, wetten.
Structuur= de posities.
Dit kan alleen maar ontstaan door de onderliggende interacties.

Van interactie naar samenleving.. EN TERUG
Cultuur en structuur ontstaan en bestaan enkel omdat er onderliggende interacties zijn. Niettemin een realiteit waarmee we geconfronteerd worden en als individu weinig vat op hebben.
M.a.w.: de samenleving (cultuur + structuur) is op haar beurt een determinant van interactie en gedrag.
Veranderingen van cultuur of structuur gebeuren niet zomaar. Dit gebeurt enkel na langdurige en massale niet-conformistische handelingen.
vb. Staatshervorming
= Omvorming unitaire Belgische tot federale staatsstructuur.
SHAME-betoging had weinig effect. Het duurde heel lang.

Vb. Vluchtelingenkampen Calais + Grande-Synthe
Een roadtrip van Cherbourg in Normandië tot aan de Belgische grens, langs negen geïmproviseerde locaties.
In het vluchtelingenkamp van Calais willen de Vietnamezen niet wonen. Ze blijven liever bij elkaar in de vervallen fabriek in Angres, 100 kilometer landinwaarts, om van daaruit hun reis over het Kanaal te organiseren.
De mensensmokkelaars die hier actief zijn, hebben hun eigen routes uitgestippeld: ver weg van de ‘jungle’ van Calais, waar duizenden vechten om een plaatsje op de veerboten of de trein naar Groot-Brittannië.
Het kamp van de Vietnamezen ligt afgezonderd. De bewoners van Angres merken er vrijwel niets van. De politie bemoeit zich nauwelijks. Elke nacht maken groepjes ongestoord de tocht door het donker naar de snelweg.
Dat gebeurt op steeds meer plaatsen in het noordwesten van Frankrijk. Terwijl de ogen van de wereld gericht zijn op het immense vluchtelingenkamp in Calais, en de regering er politieversterkingen heen stuurde, doken her en der andere kleine kampen op. De wet van de communicerende vaten. Komt er op één plek meer beveiliging, dan wagen vluchtelingen elders hun kans.
-> kampen worden samenleving.

1.3.6 De context


Centraal bij verklaren van interactie en gedrag staat de analyse van de structurele en culturele context, maar er is veel meer dan dat. Hier volgen enkele voorbeelden:

  • Demografische factoren:
    -primaire demografische kenmerken vb. geboortes, huwelijken.
    -Secundaire demografische kenmerken (vloeien voort uit primaire) vb. Gemiddelde gezinsgrootte.
    Vb. Vergrijzing => verandering sociale posities

  • Ecologische factoren:
    Betrekking op natuurlijke omgeving. Vb. het klimaat.

  • Materiële en technologische factoren
    De elementen die we aanwenden ter beheersing van de omgeving en die dienen om de behoeften te bevredigen. Vb. organisatie van economie.

1.4 De sociologie en haar aanverwante disciplines
Geschiedschrijving
-Geen enkelvoudige verklaringen (Focus: algemene wetmatigheden).
-Tracht het verleden te verklaren (middelen: algemene wetmatigheden, verwijzen naar factoren die tijd- en plaatsspecifiek zijn.
-creatieve omgang met informatiebronnen.

Culturele antropoloog
-Beschrijft en interpreteert culturen.
-Richt zich op 1 samenleving (uniek + specifiek)
-kwalitatief onderzoek

Sociologen
verklaren d.m.v sociale omgeving (= andere sociale handelingen/ interacties)

  • Microsociologie: studie van groepen en interactie tussen individuen

  • Macrosociologie: focus op grotere sociale eenheden vb. organisaties

Biologen
Variaties in fysiologische eigenschappen => variaties in gedrag?

Psychologie
interne mechanismen bestuderen.
Gedrag = weerspiegeling van cognitieve en emotionele processen die van binnenuit gedrag bepalen.

<-> sociologie: nemen biologische en psychologische component op, maar gaan ervan uit dat gedrag finaal ontstaat door sociale omgeving.

Vb. leerprestaties ~ van intelligentie, innerlijke drang, maar ook van stimulatie van ouders,..


Het is dus zowel biologisch, psychologisch als sociaal.

Sociale psychologie
= mix tussen sociologie en psychologie
Interindividuele benadering
vb. Sociale contacttheorie: mensen hebben door gebrek aan kennis en ervaring een negatieve houding tegenover vreemden. Maar wanneer ze die beter leren kennen, verandert door interactie hun houding.

Sociobiologie
Gedrag = resultaat van jarenlange aanpassing aan externe omgeving (adaptieve waarde).
Wilson: handelen bekijken vanuit een evolutionair tijdsperspectief.

Biosociale verklaring
Wisselwerking tussen biologie en sociologie
focus: de wijze waarop biologische processen aan de basis liggen van interactie etc.

Stijging van echtscheidingen in het Westen. Redenen?


-Hogere tewerkstelling vrouwen => financiële middelen => onafhankelijker
-Lager testosterongehalte (biologische factor)
Dit is een biosociale verklaring

1.7 De plaats van de socioloog in de maatschappij


Speciaal: de socioloog maakt ook deel uit van de sociale werkelijkheid, terwijl dat is wat hij probeert te bestuderen. Probleem: Onderzoeksresultaten mogen niet beïnvloed worden door de waarden van sociologen. Het onderzoek met waarderingsvrij zijn.

Waardegebonden: Sociologen zijn er niet bewust van dat hun waarden een invloed hebben.

Onderzoek wordt ook bepaald door machtspatronen. Financiering => Deze zaken worden onderzocht.


vb. Vrouw centraal => dan pas onderzoeken over vrouwen.

Frankfurter Schule = Duitse sociale wetenschappers die op basis van inzichten tot een wetenschappelijk gemotiveerde kritische maatschappijvisie kwamen.
Er is geen scheiding tussen theorie en praktijk.
Radical Sociology = Socioloog kan nooit een vrijblijvende houding aannemen.

Het onderscheid fundamentele en toegepaste kennis in de sociologie kan je vertalen naar sociologisch problemen en sociale problemen.



Sociologisch probleem = over sociologisch inzicht en theorievorming
vb. zijn er meer huwelijken tussen partners met hetzelfde opleidingsniveau?
Sociale problemen
vb. Waarom raken mensen zo moeilijk uit armoede?

Klinische sociologie
Gericht op interventie.
Problemen = resultaat van sociale organisatie van menselijke relaties.
Start klinische analyse = formulering door cliënt van het probleem.
Vb. Huwelijksproblemen

1.8 Slotbeschouwing


-Verklaring ahv sociale omgeving
-Sociologie wordt gekenmerkt door objectiviteit, verificatie, cumulativiteit, generalisatie en de combinatie van theorie en empirie.

Hoofdstuk 2: Cultuur
2.1 inhoud van het georganiseerd samenleven: cultuur
2.1.1 Inleiding
Socialisatie = proces om lid te worden van een samenleving vb. Inburgeringscursussen.
Wat is cultuur?
Oorspronkelijk: antropologische betekenis (materieel). Colere = actief bewerken van grond. Vroege nederzettingen waren materiële cultuur.
Mens: cultuur. Dit onderscheidt hen van dieren.
Cultuur: geen biologische evolutie, maar culturele accumulatie = leerprocessen om beter om te gaan met de situaties. In het boek is dit onderscheid zeer sterk. Biologisch is er ook wel sprake van accumulatie, maar bij cultuur is dit sterker kenmerkend.

Tylor: Cultuur = het complexe geheel van kennis, geloofsovertuigingen, kunst, wetgeving, waarden en normen, tradities en alle andere capaciteiten en gewoonten die door de mens als lid van een samenleving verworven worden.
eerst: zeer primitief
Kenmerkend voor samenleving = gelijkvormigheden = resultaat van wetmatigheden + hier onderheven aan.

Sociologische definitie= betekenisgeving staat centraal. De mens onderscheidt zich van het dier omdat de mens symbolisch is. De mens kan betekenis delen en dat kan een dier niet. We geven zin aan ons leven. Symbolen zijn een heel centraal begrip. Ze geven betekenis aan de materiële wereld. Het maakt een verbinding tussen de wereld en de betekenis die we eraan geven.
Vb religie zorgt ervoor dat alledaagse voorwerpen een andere realiteit kunnen vormen.
Aan materiële zaken geven we een andere betekenis. Vb duif = vrede
Cultuur = gedeelde betekenis
EXAMENVRAAG OVER EINDIGE ZINGEVINGSDOMEINEN!!!!!!!!

Koeber: cultuur = gekenmerkt door accumulatie (niet door evolutie)
Mensen passen omgeving mee aan => ° menselijke beschaving
Kenmerk: taal via leerprocessen

White: mens = symbolisch wezen.
Symbool: onderscheid betekenis – fysieke drager maken.

Schütz: materiële wereld = dominante realiteit/paramount reality
Wordt doordrongen door andere realiteiten vb. dromen.
Niet-materieel = Eindige zingevingsdomeinen/ finite provinces of meaning = de realiteit van dromen, fantasie, religie,…

Symbolen = verbinding tussen materiële wereld en niet-materiële werkelijkheid.


Droom -> symbool -> materiaal bestaan
Religie/mythologie -> symbool -> materiaal bestaan + paramount reality
Wetenschap -> symbool -> paramount reality

Kluckhohn: Cultuur = afhankelijk van:
-Biologische kenmerken
-Omgeving

Cultuur => inzicht in gedrag

Samengevat:
Cultuur = vorm geven aan menselijk handelen + antwoord op overlevingseisen + symbolen en taal + accumulatie

2.1.2 Is cultuur een specifiek menselijke eigenschap?


betekenis ~ definitie

  • Antropologische definitie: Cultuur = enkel menselijk
    -Enkel in menselijke samenlevingen
    -enkel door menselijke capaciteiten vb. taal en symbolen
    gebarentaal apen: begrijpen lukt, maar geen evidentie voor aanleren aan soortgenoten en nieuwe tekens creëren.
    Praten = niet (onderontwikkelde stembanden)

  • Inclusieve/ethologische definitie
    vb. McGrew
    cultuur ° als gedrag door leren wordt doorgegeven naar andere generaties.
    alle primaten: culturele transmissie MAAR verschil van niveau (mens hoger)
    reden: mens: symbolen => zonder direct contact doorgeven => meerdere generaties

2.1.3 Symbolen, tekens en taal
Cultuur = gedeelde betekenissen geven
-> meedelen aan elkaar -> communicatie -> taal
Taal = geheel van symbolen en tekens die op een oneindige manier verbonden kunnen worden.
Taal = primair medium voor betekenisgeving.

Symbolen = geen verband tussen betekenis (niet-materiële, Schutz: eindige zingevingdomeinen) en drager (materiële, Schutz: dominante realiteit).


Symbolen -> opening naar andere realiteit.
Van het materiële (het eten) -> naar het immateriële (een gesprek met God).

Schütz:
Eindige zingevingsdomeinen die betekenis geven aan materiële wereld.


Wetenschap

Politieke ideologie

Religie / mythologie

Esthetiek



Materieel bestaan
(Paramount reality)

Symbolen
Non-verbale communicatie = o.a. gebaren
Artefacts = objecten (vb. juwelen) die kenmerken van personen uitdrukken
Haptics = aanrakingen (vb. handdruk)
chronemics = tijd die iemand praat
proxemics = territoriumbepaling
kinesics = lichaamstaal, houding
Non-verbaal gedrag = niet universeel

Taal als cultuur
Taal = primair medium voor symbolische communicatie.
Belang: gedeelde betekenis.

1. Taal maakt het mogelijk menselijke ervaringen over te dragen, zodat die cumulatief bewaard kunnen worden

2. Taal geeft mensen een sociaal en gedeeld verleden
Zonder taal: herinneringen blijven individueel.

3. Taal geeft mensen een sociale + gedeelde toekomst

4. Taal maakt het mogelijk standpunten te delen

5. Taal maakt complex, gedeeld en doelgericht handelen mogelijk



Taal als bril
Sapir-Whorf-hypothese
Hopi indianen: geen woorden voor verleden, heden en toekomst.
Hypothese: taal vormt waarnemen + kijken naar de wereld.

Een taal leren is meer dan woorden en grammatica leren. Via taal leren we een specifieke manier van denken en waarnemen.


-> these van linguïstische relativiteit (cognitieve psychologie)

‘Sterke’ versus ‘zwakke’ interpretatie.

In individuele waarneming gaat informatie uit de omgeving voortdurend door een ‘taalfilter’.


    1. Ontstaan van cultuur

Probleem => nieuw gedragspatroon => overgenomen door groep (blijvend karakter)

Cultuur verwerft consistentie en algemeenheid, krijgt een blijvend karakter, wordt van de ene generatie overgedragen op de andere.


-Dominante cultuur.
-Subculturen.
-Tegenculturen.
Cultuur kunnen op verschillende niveaus:
-Macroniveau (samenlevingsniveau)
-Mesoniveau (organisaties)

Grote groepen => variaties => subculturen = groepen: verschillen van dominante cultuur MAAR verwerpen dominante cultuur niet



Tegenculturen/countercultures = wel verwerpen
vb. Hippiecultuur: klemtoon ‘hebben’ naar ‘zijn’

Subcultuur kan tegencultuur worden.

Hiphop
=> meer drugs, criminaliteit etc.
-Muzikale elementen
-Breakdance
-graffiti
Werd een leefstijl
Soms ook tegencultuur: songteksten, bombing (= illegaal graffiti)

Subcultuur relativisme = kijken naar variatie + mogelijkheid tot kritische houding.

Cultuur als aanpassing aan de omgeving:
Amerikaanse cultuur -> waarden (individualisme, onafhankelijkheid,..) zijn gevolg van strijd om zich op een gebied te vestigen + domineren
Japanse cultuur -> waarden (respect, orde,..) zijn gevolg van aanpassing grote groep aan klein oppervlakte.

2.1.5 Cultuur als lens


Kenmerkend voor cultuur = vanzelfsprekendheid.
-> ijsbergprincipe: grotendeels onzichtbaar.
Bewust van realiteit na confrontatie andere cultuur.
Etnocentrisme = eigen cultuur als superieur + maatstaf
Cultuur relativisme = culturen zijn gelijk

De culturele realiteit van perceptie:


Turnbull -> onderzoek pygmeeën (the forest people).
Open ruimte: waterbuffels = klein. Geen ervaring open ruimte (dieren kleiner als ze verder zijn)

Cultuur wordt deels bepaald door gevoelens en emoties.

2.1.6 De componenten van cultuur
Meest duidelijk: Uitdrukkingsvormen vb. gebouwen, muziek.
Cultuur= alles wat door mens gemaakt werd
2 soorten:
-Materiële cultuur = alles in stoffelijke vorm
-Immateriële cultuur = de manier waarop groepen denken + waarden + normen
3 componenten (dalend in abstractie)


  • Gedeelde denkbeelden / werkelijksopvattingen:
    = voorstellingen die zeggen hoe de wereld in elkaar zit (‘beliefs systems’ of ‘werkelijkheidsopvattingen’).
    = Vrij vanzelfsprekend, niet altijd bewust.
    -Empirische kennis = hoe wereld is opgebouwd + werking + resultaat van ervaring en wetenschappelijk onderzoek (ervaring, wetenschap)
    -Existentiële kennis = antwoorden op concrete vragen/grote vragen + opgeslagen in filosofische en religieuze systemen.
    (Religie, filosofie)
    Filmpje reïncarnatie: We kijken vanuit een rationeel en wetenschappelijk standpunt naar de werkelijkheid en vinden dit heel onnatuurlijk omdat het niet te verklaren valt vanuit dat standpunt. Ze denken dat hij ziek is want het is niet normaal wat hij zegt. De wetenschappelijke visie van een psychiater wordt ingeschakeld. Het wordt als mysterieus en akelig voorgesteld. Met dit filmpje wordt gedeelde denkbeelden duidelijk. Het westen vindt dit allemaal maar iets vreemd.

  • Waarden en normen
    Waarden = groepsopvattingen + hoogst morele goed
    Vb. schoolreglement: benadrukt soepelheid
    = cognitieve voorstellingen van behoeften
    Waardensystemen = Waarden komen niet geïsoleerd voor

Normen = Concrete gedragsregels die het gedrag van de leden van de gemeenschap bepalen en die algemeen aanvaard zijn.
“Sociale” normen: collectief gedeeld karakter.
Uit 1 waarde kunnen verschillende (conflicterende) normen afgeleid worden.
Niet volgen => Deviant gedrag

  • Materiële cultuur
    = meest zichtbare en concrete component van cultuur.
    -> artefacten (werktuigen, kleding,..)
    -> uitdrukkingsvormen (kunst, muziek,..)
    Omgeving beheersen + overlevingskansen vergroten.
    Gebruiksvoorwerpen / artefacten => expressievormen (mode, sieraden) => expressievormen (muziek, kunst, theater).

Symbolische betekenis = zichtbare uitdrukking van dieperliggende gedeelde overtuigingen.
Antropologen + archeologen: overblijfselen bestuderen.

De eerste twee puntjes zijn immaterieel.

2.1.7. Kenmerken die culturen van elkaar onderscheiden
Kenmerkend = zelfsprekendheid
Ijsbergprincipe = grotendeels onzichtbaar
Onderscheid door aard van gedeelde overtuigingen.


  1. Tijdsperspectief
    A. Verleden: geschiedenissen, verhalen, tradities
    B. Heden: zintuigelijke waarneming + onmiddellijke beloning
    C. Toekomst: plannen + toekomstige beloningen

  2. Relatie met fysische werkelijkheid
    A. Overheersing: Zichzelf opstellen als meester van omgeving
    B. Harmonie: Harmonische relatie met natuur. Mens als gelijke.

C. Onderschikking => fatalistische aanvaarding van dominante natuur
vb. American dream: gebaseerd op worden

  1. Relatie mensen onderling
    A. Hiërarchie: hogere/lagere graden status en macht => gehoorzaamheid
    vb. Dictatoriale samenleving
    B. Individualisme: Verantwoordelijk voor zichzelf
    vb. Amerikaanse samenleving
    C. Collectief: als gelijken behandelen
    vb. Japanse samenleving

2.2 Slotbeschouwing
Cultuur = typisch menselijk
= aangeleerd
-Taal is noodzakelijk
-Essentie: gedeelde overtuigingen of denkbeelden.

Hoofdstuk 3: Sociale structuur


De laatste vraag van het hoofdstuk moet niet gekend zijn! Dat mag weg (ook in handboek)

3.1 De vorm van het georganiseerde samenleven: de sociale structuur


3.1.1 Sociale groepen
structuur = de vorm, organisatie van het samenleving.
vb. een school, parlement, ziekenhuis, instituties,..

Sociale structuur = geheel van verhoudingen tussen leden van een sociale groep.


≠ sociaal aggregaat = toeval.
≠ sociale categorie = zelfde eigenschappen.

Vb. McCain waarschuwde voor een dictatuur. Als je gelooft in een democratie wil dat zeggen dat je dat ook in een vorm gaat gieten. Een belangrijk element van democratie is scheiding van machten (wetgevend, uitvoerend, rechterlijk). Die drie houden elkaar in balans en controleren elkaar ook. De media wordt vaak de vierde macht genoemd.


McCain: het muilkorven van de pers is het eerste wat dictators doen. Hij waarschuwt voor Trump.

Interactie ≠ louter tussen individuen.


= collectief gebeuren volgens vaste patronen.
Interactiepatronen = autonome entiteiten met eigen structuur + dynamiek die het sociale handelen aansturen.

Dyade = de kleinst mogelijke sociologische eenheid die bestaat uit twee personen.
vb. huwelijk
=1 directe interactie: A weet wat B doet.
2 participerende individuen + controle over de groep.

Triade = interactie tussen 3 personen + geen volledige controle over groep (coalitie mogelijk).
° autonoom t.o.v. de samenstellende leden.
onzekerheid neemt toe: A weet niet wat B en C samen doen.
Complex -> indirecte relaties.

Meer leden => aantal relaties stijgt.


N personen : N(N-1)/2 relaties.

!!Zie tabel boek!!



Interdependentie = afhankelijk van elkaars openheid en goodwill => onzekerheid.

Figuratie = Personen die onderling samenwerken, de interacties
Geheel van figuraties = Structuur.

Toename groepscomplexiteit
Voordeel: meer complexe taken uitvoeren (specialisatie + arbeidsdeling).
MAAR: interdependenties moeten op elkaar afgestemd worden.
Problemen: toename indirecte kennis, onvrijheid, oncontroleerbaarheid.

Elias: coördineren => nood aan weet en juiste inschatting van relaties tussen de anderen.

3.1.2 Basiskenmerken van groepen


Sociale structuur ligt vast voordat je er deel van uitmaakt + interacties = gestructureerd (voorspelbaar)
Sociale groep: interactiepatronen verschillen naargelang de situatie.
Sociaal Aggregaat = Mensen toevallig op dezelfde plaats.
vb. iedereen aan de kust
Sociale categorie = mensen met dezelfde kenmerken. Je moet je geen deel voelen als je erbij hoort. Het is abstract.

Kenmerken van groepen:



  • Gemeenschappelijke belangen

  • Interageren interactie = gestructureerd (regels).

  • Gedeelde rechten en plichten
    Initiatiefrecht

  • Gedeelde identiteit + groepsgevoel
    Zelfbesef.

3.1.3 Groepscultuur en groepsstructuur
Groepscultuur: betekenissen geven aan interacties
= geheel van sociale relaties in de groep, waarbij de verschillende posities en statussen een rol spelen.

Meer groepscohesie => meer voorrang geven aan groep op eigenbelang.

Kleine groepen (iedereen kent elkaar) vs grote groepen


  • Primaire groepen

  • Klein => face-to-face

  • Blijvend

  • Diffuse relaties (gebaseerd op alle aspecten/ hele persoon)

  • Gebaseerd op emotie + niet-instrumenteel

  • Secundaire groepen

  • Variërende grootte

  • Wisselende permanentie: ledenwissel (groep blijft gelijk, maar andere mensen)

  • Gespecialiseerde en gesegmenteerde relaties: enkel kenmerken met verbanden met basis van groep zijn belangrijk.

  • Formeel + instrumenteel: relaties gebaseerd op voor-en nadelen.

3.1.4 Formele organisaties
= groep waarvan de organisatie gericht is op het bereiken van een specifiek doel door een gecoördineerde, collectieve inspanning.
Toenemende interdependentie => nood aan beheersingsstructuur die figuraties op elkaar afstelt.
Vooral secundaire groepen.
Gemeenschappelijk doel => noodzakelijk: beheersingsstructuur.

Vb. bureaucratie (Weber)


= historisch ontwikkeld om efficiëntie bij bereiken doelen te bevorderen.
Gerelateerd aan macht en autoriteit.
Macht = mogelijkheid/capaciteit om andere mensen iets te laten doen in overeenstemming met bepaalde regels of dictaten met/zonder hun goedkeuring.
Vraag voor legitimering.
Autoriteit = legitimering van macht.
Ondergeschikten ervaren machtsuitoefening als rechtmatig.

3 types autoriteit:



  • Traditionele autoriteit = als legitiem aanschouwd door traditie vb. koning, het klassieke gezin.
    = particulier: gebonden aan specifieke personen.
    Beheersing = stabiel, maar particularistisch.

  • Charismatische autoriteit = intense verering van persoon
    -> persoon valt weg => beweging valt weg.
    Basis = geloof in intrinsieke kwaliteiten van leider.
    Beheersing = onstabiel. ~ relatie met volgelingen.
    Vaak bij sociale verandering.

  • Rationeel-legale autoriteit = geloof in geldigheid van het recht => universeel

nood aan administratie + beheersing.

Traditionele autoriteit => stabiele beheersingssystemen + particularistisch (specifieke mensen + plaatsen)

Charismatische autoriteit => onstabiele beheersingssystemen
Vooral bij snelle sociale veranderingen + crisissituaties

Rationeel-legale autoriteit ° bij precieze en universele beheersingssystemen


vb. bureaucratie

Vb. Trump:


vroeger: charismatische autoriteit (geslaagd zakenman + sprak taal van arbeiders)
nu: rationeel-legale autoriteit: president omdat hij verkiezingen won.

Kenmerken bureaucratie:


-Posities = functies: onderling afhankelijk
-Relaties = gebaseerd op regels
-Neergeschreven regels => materiële cultuur
-Gespecialiseerde taken, opgesplitst in deeltaken
-Formele, hiërarchische ketting
-Functionarissen: loon bepaald door hiërarchische positie.
-Scheiding werk-privé.
-Geen eigendomsrecht.

Nadelen bureaucratie:


-Onpersoonlijk karakter: mens = case.
-Ritualisme: Ritueel afhandelen van problemen. Regels heel strak volgen + geen ruimte voor uitzonderingen.
-Inertia = Zichzelf in stand houden
-Goal displacement = ontbinden niet na doelverwezenlijking, maar heroriëntering.
-IJzeren wet van de oligarchie (Michels) = Regels moeten volgen die van bovenaf worden bepaald.
bureaucratisering gaat hand in hand met toename van machtsconcentratie => eigenbelang nastreven.

=typische valkuilen

Gevangene vrij omdat dossier zoek is.

3.2 Het individu binnen de sociale structuur


Sociale relaties = verband tussen 2 of meer actoren gekenmerkt door de kans dat er interactie plaatsvindt.
Minimaal 2 personen + gebaseerd op rechten en plichten + personen beschrijven adhv verschillende statussen.

3.2.1 Sociale structuur en de verdeling van het initiatiefrecht en het volgplicht


Wederzijds karakter van interactie:
Bepalen wie volgplicht en initiatiefrecht heeft (onderschikking en bovenschikking).

Interactie = collectief volgens vaste patronen (niet random!)


Interactiepatronen = autonome entiteiten met eigen structuur en dynamiek die het sociale handelen aansturen.

3.2.2 Sociale status


= gebaseerd op sociale rangorde.
Persoon in verschillende sociale relaties vaker het initiatiefrecht.
Sociale status = relationeel concept.

Toegeschreven status = zelf geen vat + relevant voor samenleving
Niet noodzakelijk meest geschikte personen.
Verworven status = Op basis van prestaties + kan verloren gaan => statusangst => statussymbolen = status beklemtonen uit angst te verliezen.
vb. Meritocratie

Statusangst:
=onzekerheid behoud verworven status -> beklemtonen van uiterlijkheden die de statuspositie beklemtonen (statussymbolen).

vb. filmpje Alain
snobisme = mensen die een deel van je nemen en dat gebruiken om een totaalbeeld van je te vormen. Het draait over wat je bereikt.
Hoe dichter je staat tot personen, hoe jaloerser je bent. Je kan niet jaloers zijn op mensen die totaal niet op je lijken.
samenleving maakt ons wijs dat we alles kunnen, maar er is ook een laag zelfbeeld.
Sociale structuur: er is carrière-angst. Je voelt druk om een betere job dan anderen te hebben en je hebt angst om niet te slagen. Dit komt doordat het nu aan het individu zelf ligt. Vroeger was het god, daarna kwamen de sociale klassen.
Nu is het individu vrij en er wordt verwacht dat hij of zij een succesvolle carrière gaat uitbouwen.
Alain zegt dat het probleem erbij is dat we geloven dat alles puur uit onszelf komt. Als je een carrière wil maken, heeft de samenleving alle mogelijkheden om dit waar te maken. Als je dat niet doet, wordt je beschouwd als een loser. Het ligt aan jezelf. Je telt niet mee als je niets bereikt hebt in het leven. Je bent pas interessant als je enige status hebt. Dit is een meritocratische samenleving. Iedereen zou gelijk zijn, maar dat is niet zo. Er zijn maatschappelijke structuren en culturele barrières waardoor het nog altijd verdeeld is. Er is maatschappelijke druk om status te verwerven.


Elias: ° van etiquette
° levensstijl + strenge etiquettedoor voorrechten en posities: statussymboliek = zichtbare beklemtoning van status.

Status = weerspiegeld in statusindicatoren (materieel en immaterieel).


Verticale dimensies: hiërarchie.

Statuskristallisatie = dezelfde plaats binnen alle hiërarchieën.
vb. ouders = arts => zelfde verwachtingen voor jou.
<-> statusinconsistentie (perspectief individu zelf)

Toename vrouwen die werken MAAR ondanks zelfde diploma minder betaald dan mannen => statusinconsistentie.
Vrouwen: werkrol minder centraal.
Vooral in midden SES-groepen.
Stress deels neutraliseren door zich te richten op moederrol.

Politieke actie bij migranten in Zwitserland
oorspronkelijk: arbeidskrachten regelen d.m.v. migranten. 2 groepen:

  • Gevestigde migranten:
    -tijdelijk, maar hernieuwbare verblijfsvergunningen.
    -Dezelfde rechten qua arbeid als Zwitsers.
    -Statusinconsistentie: geen rechten in politiek => frustratie => terugvallen op culturele mobilisatie.

  • Onzekere migranten:

-Beperkte rechten.
-Verblijf = regionaal verbonden.

Tussen groepen: mobiliteit.


Ander onderscheid:

  • Nieuwe migranten:
    -onzekere situatie.
    -Geen rechten.
    --Situatie verbeteren door gevestigde politieke kanalen + verbeteren onmiddellijke materiële situatie.

  • Oudere, gevestigde migranten:
    -Statusinconsistentie + kristallisatie.
    -ontwikkelen eigen collectieve strategieën + ijveren voor politieke rechten.

Statusconsistentie = consistent in statussen.

Statusconflict = inconsistentie tussen statusindicatoren die wordt ervaren door de interactiepartner.
= onverenigbaarheid tussen hoofdstatus en bijkomende statuskenmerken. Dit kan ervaren worden als statusinconsistentie.
vb. een zwarte arts bij blanken patiënten.

Soms:
hoofd patiënt = statusconflict


hoofd arts = statusinconsistentie

EXAMENVRAAG:
Marginale mens
(Hughes) = persoon met een hogere status, maar hij blijft inferieur op basis van een andere status (niet aanvaard in nieuwe groep). Door de mobiliteit behoort hij tot geen enkele groep meer.

Persoon x verlaat eigen groep.


Niet volledig aanvaard in nieuwe groep.
=> gemarginaliseerd.

3.2.3 Macht


Bovenschikking ~ macht.

2 aspecten van interactie:


-Wat willen gaan doen
-De manier waarop

Interactie = wederzijds!

Bierstedt:
-Verschil macht en invloed:


Macht

Invloed

Dwingend

Overtuigend

Sociaal

Persoonlijk

-Verschil macht en dominantie:

Macht

Dominantie

Sociologisch

Psychologisch

Basis: sociale relaties

Basis: persoonlijkheid

-Verschil macht en recht: verweven met elkaar, maar zeker niet hetzelfde.
-Verschil macht en dwang:
Dwang = toepassen van sancties/elimineren van bepaalden alternatieven.

Klassieke definitie (Weber) van macht = berust op de waarschijnlijkheid dat een actor binnen een sociale relatie in staat is haar/zijn wil op te leggen niettegenstaande weerstand van de medeactor.


Onderscheid volgens machtsbronnen vb. geld, prestige.

Autoriteit = sociale erkenning van het nemen van initiatief van domeinen van het leven waar de autoriteit betrekking op heeft.
= gebonden aan potentiële machtsuitoefening in context van sociale groep.

3.2.4 Sociale rol


Status = de plaats en rangorde in een interactiepatroon => statisch concept
Sociale rol = gedragspatroon dat geassocieerd is met rechten en plichten of verwachtingen + gekoppeld aan positie. (dynamisch)

Experiment Garfinkel:
Doen alsof je gast bent thuis => negatieve reacties.
Reden: voorgeschreven regels doorbreken

Filmpje: kinderen over gender roles
Geslacht = toegeschreven positie + centraal kenmerk vanaf geboorte
Sociale posities => duidelijk omschreven taakverdelingen en rollen (rigide stereotypen).
vb. Vrouw draagt zorg voor de kinderen, man gaat werken.
Dit wordt vanaf jonge leeftijd meegegeven in de opvoeding.

Rolverdeling in gezondheidszorg
Parsons: analyse rolverdeling in gezondheidszorg. Je hebt een patiënt en arts ( = posities). Je kan er verschillende rollen bij bedenken.
vb. patiënt wordt niet verantwoordelijk geacht voor de ziekte => recht op verzorging.
Er is een zakelijke relatie tussen de twee.

Filmpje euthanasiewet. De regel is dat drie artsen een oordeel moeten vellen. Er zijn vragen rond de deskundigheid van de artsen. Moet de wet niet terug geëvalueerd worden?



Rolverwachtingen = essentieel voor sociale structuur.
= Verwacht rolgedrag verbonden met bepaalde statuspositie.
Garandeert dat sociale leven geordend + voorspelbaar verloopt.
-> voortbestaan structuur ~ rollen.

Sociale rollen = relationeel + gericht op anderen.



Merton: Rollenset = Geheel van rolrelaties waarbij personen betrokken zijn o.b.v. een specifieke sociale status.

Rolspanning = intern rolconflict: tegengestelde aanspraken binnen een rollenset.
vb. prof: lessen voorbereiden => weinig tijd voor onderzoek.
-Enkelvoudige statuspositie, interacties met leden van verschillende groepen.
6 mechanismen om dit te beperken:

  1. i.v.m. relatieve belang dat medeactoren hechten aan inbreng van actor. => ° volgorde van prioriteiten

  2. Medeactoren andere mate van macht => Machtsbalans

  3. Zichtbaarheid van handelen: niet bewust van tegenspraken => geen probleem

  4. Tegenstrijdigheid verplaatsen: medeactoren moeten oplossing vinden.

  5. Identieke positie => probleem = structureel => oplossen d.m.v. onderlinge ondersteuning / aangaan bondgenootschappen.

  6. Inkrimpen van role set: interacties met veel tegenstrijdigheden worden afgesneden.

Samengevat: centrale kenmerken van role set:

  • Elke sociale status heeft een role set (=georganiseerd geheel van rolrelaties)

  • Betrekking op statusbekleder + verhoudingen tussen medeactoren.

  • Verschillende statussen => verschillende belangen + verwachtingen => ° sociologisch probleem.

  • Mechanisme => evenwicht herstellen

  • Zelfs met mechanismen soms nog tegenstrijdige aanspraken = residuele conflicten: verhinderen effectief rolgedrag.

Vrouwen zorgen voor behoeftige gezinsleven => huisvrouw + zorgtaak => rolspanning => depressiever + slechtere fysieke gezondheid.

Rollenconlict = extern rolconflict: Meerdere sociale statussen => meerdere sociale rollen => ° conflict.
Onverenigbaarheid tussen sociale rollen.
vb. Carrièrevrouw: gezin vs werk

Rollenconflict en dilemma van Palestijnse leraren in Israël:
Onderwijs:
-Jongeren socialiseren
-Minderheid conformeren
-Emancipatie-instrument
-Rolconflict leraren: staatsambtenaar vs kritische geest.


Hoe handelen in complexe groepen?
Rolverwarring/rolconfusie = Niet kunnen kiezen uit gepast rolgedrag => hoe gedragen?
<-> Rolsegregatie => zich passend kunnen gedragen in diverse situaties.
Rollen passen binnen bepaalde situaties en sociale relaties; verwachtingen die in 1 situatie passen, passen daarom niet in een andere.


Formele organisaties
-bureaucratie

Roldistantiëring = individualiteit binnen invulling rol.
Gebeurt na verloop van tijd.

Samenvattend:


Geordende relaties
-posities/status
-Rollen


Slaagt niet altijd:
-Verstarde bureaucratie
-Statusinconsistentie
-Statusconflict
-Rolspanning
-Rolconflict
-Macht

Hoofdstuk 4: institutionalisatie en socialisatie


vb. . Limburgse Iron Lady: Zuhal = rolmodel voor meritocratie: Het is puur je eigen verantwoordelijkheid. In een open brief doet iemand een oproep aan haar dat ze ook moet herkennen dat mensen kwetsbaar zijn. Er is ook een collectieve verantwoordelijkheid.
Unia: zowel Homans (ook meritocratisch) als Demir hebben Unia aangevallen. Ze komen niet op voor de gelijke kansen van iedereen.
Hoewel mensen dezelfde waarden delen (gelijke behandeling van mensen) geven ze er een hele andere invulling aan. Vanuit algemene waarden kan er een discussie ontstaan over de normen (de concrete invulling van de waarden.
Dit is een illustratie van hoe de concepten die we aanleren ook in de media worden gebruikt.

4.1 Institutionalisering


= het proces van stolling (vast worden) van interactiepatronen.
= Culturele aspecten worden betrokken op structurele componenten:

4.1.1 Omschrijving


Instelling/ institutie = samenstelling van rollen (structuur), die het gedrag van leden van de gemeenschap - of deelgroepen ervan – reguleert op grond van de waarden (cultuur) van die gemeenschap en dit met de bedoeling aan bepaalde behoeften te voldoen.
vb. gezin: vervullen reproductieve + opvoedkundige behoeften.
= Manier waarop essentiële taken uitgevoerd worden + menselijke behoeften bevredigd worden op een maatschappelijk voorgeschreven manier.

Ontlastingsmechanisme: instituties beperken keuzes door opleggen passende interactiepatronen.



Gehlen: filosofische antropologie = verenigt kennis over mens uit sociale + biologische wetenschappen in globaal beeld.
Uitgangspunten: biologische kenmerken mens, o.a. wereldopenheid (<->dieren) = niet gebonden aan habitat.
Oorzaak: afwezigheid voorgeprogrammeerd gedrag (open instincten) => handelingsplasticiteit.

Mens: geen lichamelijke kenmerken voor bescherming + vluchten.

Wereldopenheid => stroom zintuigelijke prikkels + info => ontlastingsmechanisme (° door socialisatie) = niet telkens als we in een groep samenkomen opnieuw moeten nadenken over hoe handelen.

Instituties => interactiepatronen:



  • Voortplanting

  • Seksueel contact

  • Zorg voor kinderen

  • Socialisatie = aanleren van cultureel aanvaarde levenswijze.

  • Opvoeding = overdracht kennis tussen generaties.

  • Zingeving = wat is zin van het leven?

  • Verdeling macht

  • Productie, distributie, consumptie goederen

  • Sociale controle = sociale orde in stand houden + bestraffen van afwijkingen.

° Algemene richtlijnen.

4.1.2 Ontstaan van instituties


-Wisselende continuïteit.
-Historische constructies => verschillend ~ ontstaanscontext + = menselijke constructies.

Malinowski: onderscheid primair – secundair.

Primaire instituties:
= direct antwoorden op basisbehoeften individu.
-Gericht op voeden, voortplanting, opvoeding, veiligheid, lichamelijk comfort,..
-Zorg voor kinderen vb. Gezin
-Zingeving.
-Materieel levensonderhoud.
-Voorwaarde: afspraken door bestaande machtsverhoudingen + Politieke organisaties.
vb. Huwelijk: gedragsregels => sancties.

Secundaire instituties:
= regulerende context bij primaire instituties.
= stelsel van sociale controle.
-Integratie + instandhouding van primaire instituties verzekeren.
vb. Eindtermen onderwijs: politiek, echtscheiding: recht.

Institutionalisering: 2 deelprocessen:


-° waarden + normen = cultuurvorming
-° rollenpatroon = structuurvorming
= complementair + gelijktijdig.
Interactie => ° structuur van rollen, overeenkomstig met de zich ontwikkelende waarden.

Kenmerken instituties:

  • Bepalen doelen + middelen

  • Taakverdeling + onderlinge verhoudingen

  • ° netwerken tussen mensen die de kern van een groep uitmaken (door gemeenschappelijke doelen)

  • Afwijken => sancties

  • ° Rolverwachtingen

Instituties => ° organisaties waarin institutionele regelingen realiteit worden.

Tabel (slide)


Gedecentraliseerd = veel inspraak door iedereen = horizontale structuur.

Instituties zijn dwingend en normatief
Ze leggen bepaalde denkkaders op en als individu bots je daarop.
Ze zijn historisch gesitueerd.

De historiciteit van de voortplanting en familie
Instituties = basis van ‘zijn’.

  • Plaats geboorte heeft invloed (vb. arbeidersgezin).
    Westen: huwelijk => kinderen
    Banaro (nieuw-Guinea): kinderen => trouwen (niet met vader)

  • Huwelijkspartners = tegengestelde geslacht.
    Maar: Noord-Amerikaanse Native Americans: Berdache of two-spirits: plechtigheid => man krijgt status van vrouw => trouwen met andere man.

  • Opvoeding kinderen:
    Westen: door gezin (vader + moeder)
    Trobianders: door oudste broer van moeder.

  • Seksuele relaties:
    Nayar van Malabar: verboden seks tussen echtgenoten + familie = verwanten door bloed, huwelijk, adoptie, keuze.

  • Gezin = personen die wooneenheid delen.
    nucleair gezin: echtgenoten + eventueel kinderen
    uitgebreid gezin: nucleaire gezin + andere verwanten (vb. nonkels)
    oriëntatiegezin: familie waarin persoon opgroeit.
    procreatiegezin: ° als koppel zijn eerste kind krijgt.

  • Gezin/familie = de instelling waarin
  1   2   3   4


Dovnload 307.33 Kb.