Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Geen focus op: namen, data, exacte definities. Namen worden altijd gegeven met de naam van hun theorie erbij

Dovnload 307.33 Kb.

Geen focus op: namen, data, exacte definities. Namen worden altijd gegeven met de naam van hun theorie erbij



Pagina2/4
Datum27.06.2017
Grootte307.33 Kb.

Dovnload 307.33 Kb.
1   2   3   4
partnerselectie plaatsvindt, afstamming geregeld wordt, goederen via erfenis overgedragen worden en autoriteit geregeld wordt.

  • Exogamie = partners buiten eigen sociale groep.

    Endogamie = partners binnen eigen sociale groep.

    • Monogamie = 1 partner.
      Polyandrie = vrouw heeft meerdere mannen.
      Polygynie = man heeft meerdere vrouwen.

    • Neolokale residentie: gehuwd => nieuwe woonplaats.
      Patrilokaliteit: Wonen bij familie man.
      Matrilokale residentie: Wonen bij familie vrouw.

    • Westen: afstammingspatroon = bilateraal = kind is familie van familieleden vader + moeder.
      Patrilineair systeem: enkel familie van vaders kant.
      Matrilineair systeem: enkel familie van moeders kant.
      Beïnvloedt erfenis.

    • Patriarchaat = rode draad in alle samenlevingen = mannen domineren vrouwen.

    Menselijk handelen ~ Specifieke maatschappij.

    Framily = het idee dat nieuwe generaties onder invloed van geografische mobiliteit zich meer gaan richten op goede vrienden als deel van familie. Gezin wordt geherformuleerd.

    De Nyinba
    = groep Tibetaanse mensen die leven in Nepal.
    -Polyandrie
    -patrilineariteit + patrilokaliteit
    -Vrouw huwt met alle broers uit 1 gezin => broers bezitten seksueel + procreatierechten van vrouw.
    -Geen broers => monogaam huwelijk.
    -polygynous polyandry = kindloze vrouw => 2de vrouw nemen.

    4.1.3 De voortzetting in de tijd van instituties


    Berger + Luckmann: fases in ontstaan + voortbestaan van instituties.

    3 fasen (EXAMEN):



    1. Externalisatie
    = ontwikkelen van handelingsvormen.
    Start: sociologische premisse = elke vorm van menselijk samen handelen is een menselijk product.
    Inspiratie Marx: mens -> ingrijpen in de natuur.
    vb. domesticatie wilde dieren.
    Praxis = ingrijpen in externe omgeving + veruitwendigen van menselijke kunnen.
    Hoge adaptiewaarde => voortzetten.

    2. Objectivatie
    Nieuwe generaties => confrontatie.
    Bestaande organisatiepatronen + handelingsvormen = objectieve werkelijkheid (geen vragen bij stellen).
    -> geen verwijzing naar menselijke oorsprong.
    Enkel waaromvraag => transcendentaal karakter (= oorsprong buiten wereld + menselijk karakter wegcijferen) => legitimering.

    3. Internalisatie
    Handelingsvormen worden een wenselijke realiteit.
    De ervaren werkelijkheid = de gewenste werkelijkheid.
    Aangeleerd via socialisatieprocessen.

    Legitimatie (zie objectivatie): 4 niveaus:



    • Traditie

    • Volkswijsheid: uitspraken + gezegden = normatief voorschrift.
      Sluit aan bij traditie.

    • Expliciete legitimatietheorieën: expliciete verantwoordingen per institutie.
      =Abstracter.
      Nadrukkelijke verdediging van kenmerken van bepaalde instituties.

    • wereldbeschouwingen + ideologieën: Symbolische universa. = overkoepeld meerdere instituties.
      Omvattend kader ter verantwoording van totale institutionele orde.
      -> Liberalisme: richtlijnen voor diverse maatschappelijke regelingen.

    Legitimatie wordt explicieter.
    Instituties => omvattend kader + ° wereldbeschouwingen.
    ! Invloed populaire mediaproducten.

    Manier handelen => door internalisatieproces: deel van persoonlijkheid.

    Vb. legitimatie huis:
    1. Iedereen streeft naar een eigen huis.
    2. ‘Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens’
    3. Wettelijke bescherming gezinswoning.
    4. Ideologieën waarbij rechten van individu centraal staan.

    4.2 Socialisatie


    4.2.1 Omschrijving
    Socialisering/ socialisatie = het proces waarbij een persoon de gewoonten, waarden en normen, kennis en bedrevenheden van een gegeven groep of maatschappij aanleert, om in die groep of gemeenschap te functioneren (= kunnen interageren, relaties aanknopen, sociale posities innemen,..).
    -> bereid voor op maatschappelijke leven.

    Omvat 2 zaken:


    -bestendigen van continuïteit van maatschappelijke organisatie.
    -Vermaatschappelijking van nieuwkoper: persoon opnemen.

    = Continu proces


    Primaire socialisatie = socialisatie in kindertijd.


    Self

    Mind



    Zelfbewustzijn:
    Me + I


    Bewustzijn




    Society

    Sociale interactie:


    -Betekenis
    -Taal
    -Role taking

    4.2.2 De belangrijkste socialisatietheorieën


    Hoe ontwikkelen kinderen een identiteit? ~ sociale interactie.
    = sociaal leerproces.

    Centraal: socialisatieproces kinderen MAAR het is levenslang.


    ° geweten: concreet moraal => ethisch denken (Generalized other + Über-ich).

    4.2.2.1 George Herbert Mead (1863-1931)


    Mens: rationeel handelen. Hoe ontstaat rationaliteit?
    verbinding tussen Mind, Self en society.
    Mind = bewustzijn/ vermogen om te reflecteren.
    Self = zelfbewustzijn = Jezelf leren kennen vanuit posities van anderen.
    Behaviorisme:
    studie waarneembare, observeerbare handelingen (<-> introspectie).
    -Klassieke conditionering:
    Pavlov: Voedsel mond = niet-geconditioneerde stimulus, speeksel afscheiden = niet-geconditioneerde respons, de bel = geconditioneerde stimulus, speeksel afscheiden = geconditioneerde respons.
    -Operante conditionering:
    Permanente gedragsveranderingen.

    Operant = handelen dat inwerkt op de omgeving met bedoeling een bepaald resultaat te verkrijgen.

    Verschillen tussen sociaal behaviorisme (Mead) en klassiek behaviorisme:
    -Mead: handeling in natuurlijke context
    klassiek: laboratorium.
    -Mead: ook aandacht voor delen van handeling die niet extern waarneembaar zijn.

    Mead: Gedrag = aanpassing aan omgeving.


    Voorwaarde: betekenis ° door sociale interactie.

    Bewustzijn/mind: hoe °?
    = bestaan van intelligentie.
    = gevolg van sociale interactie.

    • Primitieve uitwisselingsvorm
      = geen communicatie!
      =Lichamelijke bewegingen + emoties
      vb. Gezichtsuitdrukkingen
      =Gestures
      => communicatie (conversation of gestures)
      =Symbolen zonder betekenis.

    • Significant gestures
      =symbolen met betekenis door passende respons.
      =communicatie

    Uitgestelde respons = belangrijk:
    => role-taking.

    2 centrale factoren:


    -Taal -> symbolische interactie.
    -Role taking: capaciteit om zich in de plaats van de anderen te stellen.

    Identiteit = gevormd door zelfbewustzijn.

    Filmpje: wolfskinderen = kinderen opgevoed zonder menselijke interactie.


    Linken met Mead (interactie is de basis): Het maakt een verschil of je bij mensen of bij dieren opgroeit. Ze hebben de cruciale fase gemist om te leren omgaan met mensen. Ze leren geen taal, symbolische interactie. Als we niet met anderen kunnen interageren, leren we niet om onszelf als object te nemen. In de interactie met anderen, leren we afstand doen van eigen ervaring en verplaatsen in de andere. Dieren hebben dit vermogen niet. Deze 2 zaken zijn cruciaal in het ontwikkelen van mensen. We leren zo onszelf als sociaal wezen zien in de interactie met anderen mensen. Het is moeilijk om zo’n kinderen na al die jaren nog te rehabiliteren. Dat is de basisassumptie van Mead. Socialisatie gaat terug op sociale interactie.

    Proces naar volwassenheid/ zelfbewustzijn bestaat uit 2 fases:


    -Play stage
    -Game stage

    Aanloop naar play stage = imitatie (nadoen zonder begrijpen wat ze doen) + geen rol taking.



    • Play stage (3-6 jaar)
      Dubbele rollen: zichzelf + significante andere => zichzelf zien vanuit extern standpunt + als object.
      vb. spelen met pop.
      -> eigen positie leren kennen.

    • Game stage (7+)
      = meer georganiseerde sociale activiteiten => rekening houden met meerdere anderen (attitudes + rollen)
      Taking role of ‘the other’ = de groep.
      The generalized other = geheel van rollen van diegenen die bij de georganiseerde activiteit betrokken zijn.
      => inzicht groepsleven + zelfkennis
      => socialisatie in sociale wereld + identiteit.
      vb. tikkertje

    Culturele verschillen met betrekking tot georganiseerde spelen
    3 groepen spel:
    -Fysische vaardigheden:
    Samenleving: fysieke omgeving = uitdaging.
    opvoeding: prestatiemotivatie.
    vb. Jagerssamenleving.
    -Strategie + rationeel inzicht:

    Complexe samenlevingen (Politiek + sociale ongelijkheid).
    => samenwerking => opvoeding: gehoorzaamheid.
    vb. Economie centraal
    -Kans/ toeval:
    samenleving: geloof in bovennatuurlijke wezens.
    kan ook gecombineerd voorkomen.
    Opvoeding: verantwoordelijkheidszin.
    Verantwoordelijkheidszin (=> vervullen functie) is niet hetzelfde als initiatief (=> verandering)!
    vb. Rijkdom door geluk.

    Generalized other = geïnternaliseerd => Volwassen persoon.


    Me = Houding die de gemeenschap als norm neemt.
    Vangt impulsen van I op.
    =Geweten.
    =Sociaal deel.
    vb. Wat is vrouwelijk?
    Dit voelt aan als logisch, normaal.
    I = het strikt individuele, niet-gesocialiseerde element + het creatieve, impulsieve, volledig spontane en autonome gedeelte.

    Zelfbewustzijn = dynamisch gegeven, ° in een sociaal proces.


    Voorwaarde ontwikkeling: harmonische context.
    <-> Structurele ambivalentie

    4.2.2.2 Jean Piaget (1896 – 1980)


    = Universeel
    4 fasen:

    1. Sensorimotorische stadium (geboorte-2jaar)
      -Primitieve contactvormen vb. zuigen, aanraken,…
      Eerste 4 maanden:
      -geen onderscheid eigen lichaam – omgeving.
      -Geen objectpermanentie (niet zichtbaar => bestaat niet)
      Tien maanden:
      -° objectpermanentie
      -Egocentrisch = wereld zien vanuit eigen positie

    2. Preoperationele stadium (2-7jaar)
      -Symbolen gebruiken, maar geen betekenis
      -Geen ‘rol van anderen’ aannemen

    3. Concreet-operationeel stadium (7-12jaar)
      -Redeneercapaciteit stijgt, maar concreet
      -Begrijpen aantallen, oorzaak-gevolg, snelheid
      -Rollen andere innemen

    4. Abstract/formeel operationeel stadium (12jaar-..)
      -°abstract denken

    Eerste 3 stadia = universeel.
    4: niet iedereen bereikt dit.

    4.2.2.3 Sigmund Freud (1856 – 1939)


    Psychoanalyse
    doel: inzicht krijgen in emotioneel leven van mensen door hen vrij te laten praten over emoties.

    Centraal: onbewustzijn (gedreven door onbewuste driften)


    Mens: op zoek naar onmiddellijke bevrediging van driften.
    Centraal: erotische driften (vb. warmte van ander lichaam voelen).

    Es = de behoeften
    Über-ich = maatschappelijke disciplinering
    Ich = realiteitsprincipe

    Oedipuscomplex: kind staat dicht bij ouders, maar moet hiervan loskomen. Zoon: ervaart concurrentie van vader.

    Freud: gericht op mannen.


    Vrouw = spiegelproces van mannelijke ontwikkeling.

    4.2.2.4 Margaret Mead (1901 – 1978)


    Culture-and-personality school: Culturele organisatie beïnvloedt ontwikkeling van persoonlijkheid.
    Centraal: onderscheid geslacht. 2 studies:

    • Problemen puberteit + adolescentie ook op Samoa?
      -Meisjes ervaren de problemen niet.
      -Zien heftige gebeurtenissen als normale feiten.

    • Sex and Temperament in 3 primitive socities:

    Arapesch

    Mannen en vrouwen
    -> vrouwelijk

    Coöperatief, vreedzaam, oog voor de noden van anderen.
    Opvoeding = beiden.
    Geen radicale scheiding.

    Mundugumor

    Mannen en vrouwen
    -> mannelijk

    Ongedisciplineerd, agressief.
    Seksualiteit drijvende kracht van de persoonlijkheid.
    Kinderen niet liefdevol bejegend.

    Tchambuli

    Vrouwen
    -> mannelijk

    Mannen
    -> vrouwelijk



    Vrouwen dominant en onpersoonlijk.

    Mannen emotioneel afhankelijk, kunstzinnig, lichaamsdecoratie.



    Besluit: Westerse geslachtsrollen zijn culturele constructies i.p.v. biologische verschillen (cf. nature-nurture debat).
    menselijke persoonlijkheid = plastisch + culturele constructie.
    Geslachtsverschillen = cultureel bepaald.
    MAAR: veel kritiek gekregen (niet wetenschappelijk genoeg).

    Tinky Winky met handtas
    -> seksuele ondertoon.

    4.2.3 Identiteit en zelfbeeld


    Internalisatie => identiteit.
    Ouder worden => stijging aantal sociale relaties => stijging aantal rolverwachtingen.

    Identiteit gaat samen met gevoelens + hoe anderen ons zien.


    Evaluatie die we op onszelf toepassen = Zelfbeeld = collectieve identiteit.
    Positief/negatief => Zelfwaardering = gevoelens die we tov onszelf hebben = resultaat van onze inschatting van hoe anderen ons evalueren.

    Charles Horton Cooley: looking-glass-self (spiegelbeeldzelf):
    -Focus: functie van zelfbewustzijn.
    -° door van buitenaf naar jezelf te kijken/ zich te spiegelen aan anderen.
    3 elementen:

    1. ° idee over ons voorkomen bij anderen.

    2. Interpretatie reacties van anderen + ° besluiten.

    3. ° Zelfbeeld/zelfconcept.

    • Hoeft niet accuraat te zijn.

    • Continu, levenslang proces.

    Ichiyama: mensen manipuleren hun voorkomen.

    Verschijnselen
    Anorexia Nervosa: vertekend zelfbeeld.
    ° door dwangmatige behoefte naar controle.
    => isolatie: vermijden sociale leven (verleiding eten) + vermijden bemoeienis van vrienden en familie.

    Invloed sociale structuur:


    ~ statusverschillen:
    Lagere status => weinig invloed op zelfbeeld van mensen met hogere status.
    Sociaalstructurele regelingen: invloed op sociaal-psychologsiche processen + processen houden de sociaalstructurele regelingen in stand.

    Vlaamse jeugd: positief zelfbeeld + goede relatie met ouders.

    4.2.4 Emoties
    = basis nieuwe gedragingen.
    = gedragsregulatoren.

    Zelfbewustzijn + emoties = 2 essentiële pijlers waardoor mensen de aan hen gestelde rolverwachtingen invullen.



    Ontwikkeling van emoties:

    • 0 – 3 maanden: verrassing, plezier, opwinding, ongemak (niet aangeleerd)

    • 4 – 10 maanden: angst, boosheid

    • 11 – 24 maanden: droefheid (vb. verlies knuffel), angst (vb. wanneer het niet doet wat je vroeg), affectie.
      Geen zelfbewustzijn.

    • 4 jaar: Schuld, schaamte: zelfbewustzijn (vereist beoordeling door anderen)

    • 5 jaar: trots, na-ijver, jaloezie

    • 6 – 7 jaar: gevoelens over eigen mogelijkheden, aantrekkelijkheid, eerlijkheid, moed, dominantie.
      zichzelf zien vanuit positie van anderen (role-taking).

    • Puber: emoties ~ abstract denken vb. onrecht, medelijden.

    Nature-nurture debat.
    Angst = sociaal controlemechanisme => integriteit van individu.

    Uiting emoties in specifieke situaties = sociaal + aangeleerd

    Emoties kunnen sociaal geconstrueerd worden:
    Determinanten van emoties
    experiment Schachter en Singer:
    pp worden geïnjecteerd met epinephrine ( => hartkloppingen)
    3 groepen:
    -Niet geïnformeerd + handlangers zijn euforisch => voelen zich euforisch.
    -Niet geïnformeerd + handlangers zijn woedend => voelen zich boos.
    -Geïnformeerd => rapporteren enkel gevolgen van hartkloppingen.


        1. Kinderculturen: ‘peergroups’ en socialisatie

    Socialisatie: door wie?
    -Primaire socialisatie: gezin, peergroup = belangrijkste socialisatiekanaal.
    =Vertegenwoordiger maatschappij + cultuurfilter: vertaler relevante waarden en normen.
    -Secundaire socialisatie: school, werk, verenigingen.
    -Tertiaire socialisatie: massamedia.
    -Referentiegroepen.

    -> differentiële socialisatie!


    -Klassengebonden socialisatie.
    -Geslachtsrolsocialisatie.

    Eerst: peergroup:



    • Deterministische visie: kind = passieve recipiënt + staat buiten samenleving.
      Externe sociale processen => volwaardig lid van maatschappij.
      Beperkt: éénrichtingsverkeer: volwassenen + samenleving -> kinderen.

    • Constructivistische visie: kind: actief informatie uit omgeving halen.
      Rijping stijgt => volwassenheid.
      lost beperking determinisme op: socialisatie = actief leerproces + niet enkel top-down.
      Kind = actor.

    MAAR: kind = onvolwaardig lid + autonomie wordt onderschat.

    Leeftijd
    Invloed leeftijdsgenoten bestuderen (kindercultuur). Kenmerken van de benadering:

    • Kinderen = sociale categorie => differentiatie volwassenen + identificatie andere kinderen => interactie => ° groepen.

    • Gedrag kinderen ~ participatie aan collectieve activiteiten.
      Socialisatie = situationeel proces.

    • Kind = lid van kindergemeenschap + dominante gemeenschap (volwassenen).
      Duale positie als volwaardig lid van de kindergemeenschap + ondergeschikt lid van de leefwereld van volwassenen.

    Geslacht
    3 jaar: ° onderscheid.
    Voor intrede puberteit: maximum

    Geslachtssegregatie vb. contact ander geslacht vermijden


    => 2 verschillende leefwerelden: Meisjes-en jongenscultuur.

    vb. verschillende spelactiviteiten.



    • Jongens:

    -Afstand volwassenen => eigen regels + standaarden.

    -Status- en machtsrangorde


    -Conflict en competitie
    => beter voorbereid op functioneren binnen hiërarchie.

    • Meisjes:
      -Coöperatief
      -Groepsharmonie
      -Indirecte vormen van competitie vb. behalen van bepaalde standaarden
      -aanwezigheid volwassenen opzoeken
      => Makkelijker aanpassen aan schoolse omgeving + beter samenwerken in kleinere groepen

    4.2.6 Rolsocialisatie
    Socialisatie volwassenen: afzonderlijke stadia.
    Stadium = fase van toenemende bewustwording van impliciete + expliciete rolverwachtingen, gedrag, aangepaste houdingen en waarden, kennis en vaardigheden die met de nieuwe positie gepaard gaan.

    1. Anticiperende fase:


    Rolaspirant: verwachtingen over rolvervulling (maar vervult rol nog niet).
    Beeld over rol is gevormd, maar op basis van onvolledige informatie.
    =Mentale voorbereiding op eventuele rolvervulling.
    Stereotype/geïdealiseerd beeld.

    2. Formele periode:


    positie wordt ingenomen.
    Kenmerkend: conform gedrag.

    3. Informeel stadium:


    = leren van inofficiële en informele gedrag + flexibiliteit in rolvervulling.
    =Ongeschreven regels.

    4. Persoonlijke invulling van rol (link: roldistantiering). Eigen verwachtingen + opvattingen aan rol opdringen.


    Rol = aangepast aan persoonlijkheid.

    Tertiaire socialisatie
    Volgt niet noodzakelijk na secundaire.
    = Impliciet, via massamedia, maar wel dominant (ideaalbeelden, rolgedrag = normatieve idealen) + indirect.
    Onpersoonlijke socialisatie: geen directe interactie/communicatie.

    Politieke rolsocialisatie
    Mickey Mouse roept op tot terrorisme.

    Geslachtsrolsocialisatie
    Traditioneel:
    -Vrouwen: passief, huiselijk, sociaal, afhankelijk, afwachtend, emoties tonen.
    -Mannen: actief, onafhankelijk, agressief, ondernemend, doelgericht.
    Feminisme => rolpatronen onder druk.

    Houding moeders t.o.v. baby’s:

    -Meisjes dichtbij houden.
    -Meer lichamelijk + verbaal contact.

    => Na 13 maanden:


    -Meisjes wenen meer + meer hulpbehoevend.

    Interpretatie:


    Passief + afhankelijk gedrag belonen.

    Geslachtsverschillen in spelgedrag van éénjarigen
    Goldberg + Lewis:
    Moeders hielden meisjes veel meer bij zich => meisjes zoeken moeders sneller op.
    Hindernis speelgoed => meisjes huilen sneller + jongens actief oplossing zoeken.
    Conclusie: moeders belonen meisjes als ze passief en afhankelijk zijn (jongens: actief en onafhankelijk).

    Geslachtsrolsocialisatie in de media
    Williams: meisjes komen minder voor in kinderboeken + traditionele vrouwenrol.
    Heintz: jongens 3x meer beroepskeuzes in prentenboeken.
    Vande Berg: 65 procent hoofdpersonages op TV zijn mannen + vrouwen als belangrijk voor interpersoonlijke relaties.

    4.2.7 Socialisatie en structuren


    4.3.7.1 Structuur van een gezin
    -Eerste fasen van het socialiseringsproces.
    Primaire groep: intiem, direct, hecht.
    = vertegenwoordiger van de maatschappij waarvan het een sociale deeleenheid vormt.

    Gezin = vertaler van waarden en normen + cultuurfilter.

    Bepaalt ook intellectuele ontwikkeling. Invloeden:
    -Structurele kenmerken zoals grootte, geboorterang, geboorteafstand:
    Best: klein gezin + eerstgeborene: meer gestimuleerd.
    Resource dilution theory: hoe meer kinderen, hoe meer de middelen binnen het gezin gespreid moeten worden.
    meer jonge kinderen => daling intelligentieniveau.
    Geboorteafstand: groter => meer tijd => nakomeling opgevoed als eerstgeborene.

    Eerstgeborene:


    -Meer gestimuleerd door ouders
    -verantwoordelijkheid broers + zussen
    -Minder risico’s
    -Angstiger => restrictievere houding
    -Meer gecontroleerd

    Sulloway:
    Eerstgeborenen: eerder conservatieve sociale attitudes.
    Verklaring: eerstgeborene = sterker, groter, intellectueel hogere ontwikkeling => dominant.
    Later geborenen: gericht op verandering (willen ook een plaats bemachtigen)
    Conclusie: persoonlijkheid wordt meer bepaald door geboorterang dan door geslacht, ras, klasse. (Structuur binnen gezin > structuur in samenleving m.b.t. conservatief of progressieve eigenschappen).

    Freese, Powell, Steelman: hedendaagse metingen van sociale attitudes <-> Sulloway: geboorterang is niet overheersend.
    Belangrijk: houding van samenleving t.o.v. geboorterang:
    Primogeniture = eerstgeborene = voornaamste/enige erfgenaam => geboorterang groter effect.

    4.2.7.2 Het gezin binnen de sociale structuur


    Waarden + normen ~ sociale klassenpositie ouders.
    Sociale klasse = een groep van mensen die in soortgelijke arbeidsomstandigheden verkeert.
    -Arbeiders= geen eigenaar van middelen die ze produceren + afhankelijke positie.
    -Middenklassen = meer leiding over anderen.
    -Hogere klassen = scholing, leidinggevende verantwoordelijkheden, eigendom van productiemiddelen.

    Kohn
    Waardenoverdracht aan kinderen wordt beïnvloed door arbeidsomstandigheden.
    vb. arbeiders: gehoorzaam, fysieke straffen.
    Middenklasseouders= stimuleren nieuwsgierigheid, zelfcontrole.

    Arbeiders = sterk gesuperviseerd. Geen eigen initiatief => opvoeding zonder eigen initiatief van kinderen.


    Middenklassen = eigen initiatief + creativiteit. Verwachting soortgelijk leven voor kinderen => dit stimuleren.

    Onderzoek:


    -Socialeklassepositie => mate van onafhankelijkheid binnen het werk: occupational self-direction: Veel of weinig supervisie + veel of weinig iniatief.



    Socialisatie in context: politieke socialisatie in de school.
    elke institutie = eigen socialisatie.
    School beïnvloedt politieke ontwikkeling:
    -Filterfunctie leerkrachten in aanbrengen van formeel leerprogramma. Scholen hebben zelfde curriculum, maar leerkrachten leggen zelf accenten etc.
    -Leerprogramma (hoe?) => houding t.o.v. deze onderwerpen.
    -Interactie leerkracht-leerling => invloed op evaluatie later gezag.
    Sociale herkomst leerling + schoolcultuur hebben een invloed.

    4.2.7.3 Referentiegroeptheorie


    Mead: enkel groepen waarvan je lid bent hebben een invloed.
    <-> Menton + Lazarsfeld: individuen bepalen zelf welke groep als referentiekader voor kun gedrag fungeert.

    Stouffer: Onderzoek soldaten: kleine kans promotie voor iedereen => niet ongelukkig.
    Relative deprivation = Het tekort wordt pas gemerkt door zich te vergelijken met anderen.

    Waarden van referentiegroepen zijn ook belangrijk!



    Merton: 2 types referentiegroepen:

    • Normatieve referentiegroep: bron van waarden + normen

    • Comparatieve referentiegroep: vergelijkingsbasis om eigen situatie te beoordelen.

    Welke groep als referentiegroep?
    = Vrije keuze
    Meer prestige => meer kans om deze te kiezen.
    anticipatory socialization = een persoon neemt normen, waarden en attitudes over van een groep waartoe ze wensen te behoren.

    Bv. Gevangenen:


    Gevangenis = samenlevingsverband.
    -Codes, normen, dogma’s en mythes over gevangenis + buitenwereld.
    -Loyaliteit t.o.v. andere gevangenen.
    -Afzetten tegen het personeel.
    -> schadelijk voor rehabilitatie.
    MAAR: neemt af naarmate vrijlating nadert = anticipatory socialization.

    Doorkruisende referentieschema’s = meer dan 1 referentieschema.
    Jongensculturen: veel tegenstrijdigheden. Vb. Diploma halen maar studeren is niet stoer.

    Effortless attainment = zo weinig mogelijk doen, maar toch diploma halen.

    Kinderen worden tieners
    -> verandering van referentiegroep.
    Kind: activiteiten + voorwerpen overnemen => loskomen van ‘kind’ zijn.
    1. Vervreemding van kind zijn.
    Kind-zijn = toegeschreven status.
    Tiener-zijn = verworven status.
    2. Normen + waarden nieuwe groep leren kennen via anticiperende socialisatie.

    Besluit: kind zijn stopt wanneer je jezelf gaat zien, vergelijken en beoordelen vanuit het referentiekader van een tiener.



    Kritische kanttekening:
    Het gaat over continuïteit in de samenleving + een nieuwkomer op te nemen in de groep of de gemeenschap door aan te leren wat het gepaste rolgedrag is.
    Dit gebeurt niet altijd harmonieus. We moeten kritisch kijken naar socialisatie. Het gaat over overbrengen van de dominante cultuur + reproductie van sociale ongelijkheid.

    Hoofdstuk 5: sociale controle en deviantie
    5.1 Sociale controle
    = Formele + informele sociale processen die het gedrag van individuen of groepen regelen en afwijkingen van de norm proberen te minimaliseren.

    • Socialisatie en sociale controle zijn verbonden.

    • Sociale mechanismen of vormen van gedragsbeïnvloeding die afwijkend gedrag willen tegengaan.

    • Sanctiegerichte visie op sociale controle:
      -Geïnstitutionaliseerde cultuur is niet alleen voorgegeven, maar ook dwingend.
      -Morele regels (Durkheim): bij niet-naleving wordt er sanctionerend opgetreden.

    Conflicten ook tussen individu-totale sociale groep.
    Ross: 2 ordes, met elk hun controlemechanismen:
    -Ethisch controlestelsel (zacht)
    Morele controle orde -> publieke opinie, persoonlijke idealen, religie,..
    -Politieke controlestelsel (hard)
    Politieke controleorde -> recht, leger, politie,..
    Vooral bij ongelijkheid.

    Samenleving = homogeen => identieke inspanning van iedere groep => ethische orde.


    Samenleving = ongelijk => exploitatierelaties => politieke orde.

    5.1.1 De morele orde: het ontstaan en internalisatie van normen en waarden
    Sumner: hoe ontwikkelen normen?
    Doel mens = overleven.
    Trail and error => beste wijze van handelen.
    Handelswijzen toepassen zoals vereist => ° folkways = gebruiken/gewoonten.
    ° niet bewust door de mens.

    Folkway = collectieve gewoonten, elementaire gezichtspunten of methodes die betrekking hebben op wat juist, effectief en/of goed is.

    Overleven -> trail and error -> folkways.

    Folkway wordt doctrine = mores.

    Mores = rationalisaties van gewoonten / bewuste reflectie over folkways.
    -> sancties: dwingend karakter.
    Mores = basis instellingen = weerspiegeling van mores.
    Congruente wetten = doeltreffend.
    Wetten moeten op mores gebaseerd zijn, anders werkt het niet.

    Kritiek: relatie mores-wetten = te eenzijdig. Wetten kunnen mores veranderen.

    Naleving mores essentieel voor adequaat functioneren van groep/samenleving.
    Mores vormen basis van instellingen binnen samenleving.
    => wetten weerspiegelen mores.

    Opdat wetten worden nageleefd, moeten ze congruent zijn met de mores.



    Boete voor spuwen op straat op chinezen manieren te leren
    = voor de olympische spelen.

    Het gebruik van genotsmiddelen
    1920-1933: alcoholische dranken = illegaal.
    Drinken = afgekeurde folkway => verbiedende mores.

    Durkheim: Oorsprong morele regels?
    Morele regels: verplicht + gewenst.
    2 soorten moraliteit:

    • Objectieve moraliteit
      = gemeenschappelijke + onpersoonlijke standaard die we gebruiken om menselijk handelen te evalueren.
      -De wet

    • Subjectieve moraliteit
      = elk individu drukt het morele bewustzijn op eigen manier uit.

    Morele regels herkennen o.b.v. gevolg:

    • Analytisch gevolg:
      = direct gevolg van de handeling.
      vb. kater door teveel drank.

    • Synthetisch gevolg:
      = sanctie omdat het regels overtreedt.
      vb. intrekken rijbewij.

    • Naleven regels => positieve sanctionering.

    Sanctioneringstheorie van Mead:
    = proces van internalisering waarden + normen.
    Onderscheid I-Me.

    I = handelen van individu in een bepaalde sociale situatie -> niet op voorhand vastgelegd.


    Individu kan handeling onthouden/vasthouden.
    Vastgehouden handeling vergelijken met Me (= geheel van geïnternaliseerde attitudes).
    Evaluatie ~ Me + reacties significante anderen.
    vb.
    I = kind wil snoepen.
    ME = besef dat het niet mag.
    + reacties significante anderen = ouders verstevigen ME
    => spontaan juiste handeling.

    Piaget:
    Relatie tussen sociale verhoudingen + rationele bewustzijn.
    Onderscheid:

    • Coöperatieve relaties -> basis van bewustzijn van ideale en gewenste regels die men zonder dwang naleeft.

    • Relaties die berusten op dwang of autoriteit -> uiterlijk systeem van dwingende regels.

    Maatschappelijke evolutie = toenemende differentiatie (cf. Spencer) => samenleving gebaseerd op samenwerking.

    Parallel tussen ontwikkeling van logisch denken bij kinderen en ontwikkeling morele bewustzijn.


    Denken: toenemende abstraheringscapaciteit

    -> toenemende capaciteit tot abstract denken:


    1. Egocentrisme: moraliteit onmogelijk.
    2. Dwang: moreel realisme.
    3. Coöperatieve relaties: regels hebben autonoom karakter.

    Egocentrische fase: geen onderscheid zelf-wereld.
    Zelf= middelpunt wereld.
    Dwang anderen => egocentrisme wordt identificatie met houding volwassenen.
    Relatie kind-volwassenen: dwang + unidirectionaliteit.

    Autoriteit vervangen door coöperatie.


    Geen coöperatie => moraliteit = moreel realisme: gebonden aan concrete externe figuren.
    Coöperatie => kritiek + dialoog.

    5.1.2 De politieke orde
    Howard Becker: mensen wijken af omdat anderen met meer macht in de samenleving beweren dat ze afwijkend zijn en dat macht en controle cruciale elementen zijn om deviantie te begrijpen.
    -> afwijkend gedrag = resultaat collectief handelen.

    Materiële object sociologie = studie van collectief handelen.


    Samenleving = netwerk van interacties + houdingen zijn op elkaar afgestemd.
    Afwijkend gedrag = resultaat van collectief handelen.

    Regels ° door actie van crusading reformers = vertegenwoordigers van klassen of maatschappelijke groepen.


    Succesvolle kruistocht: regels ontwerpen + bewaken i.s.m. experts en organisaties.
    Actie gericht op resultaat.
    Acties -> humanitair motief: gericht op resultaat.

    Crusading reformers (actie van enkelingen + absolute ethiek met humanitair motief).

    Experten (ontwerpen van specifieke, objectieve regels. = psychiaters, juristen, dokters, wetenschappers).

    Organisaties (objectieve uitvoering van taak = regel bewaken).

    Organisaties: doel = handhaven regels.
    Individu ≠ deviant, maar wordt deviant zodra er regels op hem worden toegepast.
    Devantie ° door regeltoepassing, niet door regelovertreding.

    Regelovertreding -> wiens regels?



    5.2 Sociologische verklaringen voor deviantie
    5.2.1 Het relatieve en normale karakter van deviantie
    Sociologie -> studie van afwijkend gedrag, gedrag dat de normatieve regels van een groep of maatschappij overtreedt.

    Devantie = relatief. Afhankelijk van cultuur + situatie.


    Afwijkend gedrag ~ sociale definitie op gegeven plaats en tijdstip + sociale positie persoon.

    Durkheim: normaal = het gegeven doet zich voor in het gemiddelde van de samenlevingen die zich in een overeenkomstige evolutiefase bevinden.
    Versterking waarden => verschuiving deviantie. Geen deviantie is niet mogelijk.

    Vb. homofilie.


    Vroeger: normaal.
    Romeinen: vrouw = status om te hebben als man.
    Christendom: duivelgedrag.

    5.2.2 Ontregeling of anomie
    Anomie = samenleving slaagt er niet in individueel handelen vorm en richting te geven.
    -> Durkheim + Merton.

    5.2.2.1 Anomie volgens Durkheim
    Context: Frankrijk, eind 19de eeuw, industrialisatie.
    Dieren: behoeften = beperkt door fysiologie ≠ mensen.
    Mens = onafhankelijk van biologische regeling => regels.

    Elke stand: sociale verwachting.


    ideologie: sociale mobiliteit + sociale rekrutering -> erfelijkheid/prestaties beklemtonen.
    Publieke opinie moet heersende mechanismen ondersteunen.

    Anomie ° wanneer regels niet meer voldoen:


    -Economische crisis.
    -Economische groei.

    Economische ramp/groei => opgelegde leefstijl => aspiraties los van doel van samenleving.



    Lotto-winnaar verbrast 11 miljoen in acht jaar aan feestjes, drugs en 2000 hoeren
    Nu blut, maar vindt dit leven gemakkelijker.

    Anomie => gebrek aan regeling van menselijke driften => deviantie.



    5.2.2.2 Anomie volgens Merton
    Durkheim: afwijkend gedrag = gevolg van afbrokkelen sociale orde die de biologische impulsen moet reguleren.
    Merton: elementen in sociale structuur liggen aan basis van deviantie.
    Context: VS, midden 20ste eeuw.

    2 universele elementen in samenlevingen:



    • Culturele doelstellingen (waarden)

    • Geïnstitutionaliseerde middelen.
      = op elkaar afgestemd.

    Geïnstitutionaliseerde middelen = aangepast aan culturele doelstellingen, maar breuk is mogelijk.

    Scheiding culturele doelstellingen en middelen => spanningen => situatie waar verbondenheid van categorieën van personen ofwel met de doelstellingen ofwel met de middelen zal afzwakken = anomie.

    Deviantie = resultaat van de discrepantie.

    V.S.: American dream.


    Culturele doelen:

    • Dominantie van financieel succes.

    • Wenselijk.

    • Dwingend (sociale sanctionering).

    Geïnstitutionaliseerde middelen:

    • 2 sociaal acceptabele manieren om dit te bereiken:
      -Studeren + goed diploma halen.
      -Hard werken + carrière maken.

    Typologie Merton: vormen afwijkend gedrag

    Aanpassingsvormen

    Culturele doelstellingen

    Geïnstitutionaliseerde middelen

    Conformiteit

    +

    +

    Innovatie

    +

    -

    Ritualisme

    -

    +

    Terugtrekking

    -

    -

    Rebellie

    +-

    +-

    Vb. American dream:
    Bankdirecteur = conformiteit.
    Bankrover = innovatie.
    Bureaucraat = ritualisme
    Drop-outs = terugtrekking.

    Verschillen tussen sociale klassen mbt deviantie

    • Arbeidsklasse: grote demoralisatie
      1. Ontoereikendheid beschikbare middelen.
      -Economisch kapitaal.
      -Cultureel kapitaal.

    2. Minder gericht op doeleinden mainstream maatschappij
    -Lagere prestatiemotivatie.
    -Meer ervaring met mislukkingen.
    -Minder waardering van legitieme middelen.

    Scholen
    -Cf. Verschillende opvoedingspatroon arbeidsklasse en middenklasse.


    -Scholen georganiseerd volgens cultureel kapitaal middenklasse.

    • Middenklasse
      -Slachtoffer van onbegrensde aspiraties:
      -> realistisch doel?
      -> sterk anomische situatie.

    Basso wilde zich doperen voor Tour de France 2006: voorbeeld innovatie
    Doel bereiken, maar met andere middelen.

    Dakloze overvalt bank om naar gevangenis te mogen: voorbeeld terugtrekking
    Doel: vaste verblijfplaats, middelen: overval.

    Mertons anomietheorie => inzichten om verschillen tussen sociale klassen van deviantie te verklaren.


    Arbeiders: beperking middelen + lagere motivatie.
    Sociale stijging = geblokkeerd door andere klassen.
    Vereist voor stijging = cultureel kapitaal.

    Motiverende rol = populaire cultuur -> afleiding kritiek op sociale structuur.


    Niet realiseren doelen = eigen schuld.

    Anomietheorie Merton = verfijnd.


    Nu: anomie = strain/spanning.
    anomie = discrepantie tussen doelstellingen en mogelijkheden => spanning/strain.

    Onderzoek: kijken naar tewerkstellingservaringen jongeren.


    -> combinatie werkloosheid + gevoel van onrechtvaardigheid => spanningssituatie => meer misdrijven, poging eigen ervaring neutraliseren.

    Kritiek op Merton:


    -realiteit te ver vereenvoudigd + teveel vanuit eigen standpunt.
    -Niet alle vormen van deviantie kunnen worden ondergebracht in de typologie.
    -Referentie = dominante cultuur.
    -Deviantie moet aangeleerd worden.

    5.2.2.3 Merton en Durkheim vergeleken

    • Durkheim:

    Desintegratie in standenmaatschappij.
    -Toenemende sociale mobiliteit => klassieke maatschappelijke ordening onderuit halen.
    -Afwijkend gedrag ten gevolge van afbrokkelen sociale orde.

    • Merton:
      Theorie van klassenmaatschappij.
      -In principe een open samenleving die mobiliteit stimuleert.
      -Afwijkend gedrag ten gevolge van gebrek aan sociale mobiliteit.

    5.2.3 Vervreemding
    Anomie -> ontregeling aspiraties => geen zinvolle relatie met samenleving = vervreemding.

    Vervreemding = anomische situatie die ertoe leidt dat mensen geen zinvolle relatie meer hebben met de samenleving of met elkaar.



    Marx: Analyse kapitalistische samenleving: vervreemding.

    Melvin Seeman:
    Doel: verschillende dimensies vervreemding analyseren + in theorie plaatsen.
    Kader: sociale leertheorie = handelen wordt bepaald door anticipatie op effecten.
    Devant gedrag = aangeleerd.

    Rotter: Handelen wordt bepaald door de anticipatie op effecten:
    -Interne controlelocus = locus van gevolgen van handelen ligt in individu zelf.
    -Externe controlelocus = locus situeert zich in externe omgeving.
    = resultaat van feedbacksystemen.

    5 vormen vervreemding (Seeman):



    • Machteloosheid
      = in sociale sfeer.
      -> onmogelijkheid om sociale leven vorm te geven.
      = verwachting/kans dat een individu de uitkomst van eigen gedrag niet kan beïnvloeden.

    • Betekenisloosheid
      = gevoel dat je niet meer kan anticiperen op gedrag. Je kan gevolgen niet ovorspelen.
      Mannheim:
      -Functionele rationaliteit = actoren ordenen middelen om bepaald doel te bereiken.
      -> Doen.
      -Substantiële rationaliteit = hebben van inzicht in de logische samenhang van zaken.
      -> Denken.
      Zinloosheid/betekenisloosheid = verwachting dat voldoening schenkende voorspellingen over de toekomstige gevolgen van handelen niet gemaakt kunnen worden.

    • Normloosheid
      = situatie waar mensen denken een doel niet te bereiken door reguliere middelen en grijpen naar illegale middelen.
      Merton: middelen zijn niet voor iedereen toegankelijk => bewust van dat sociaal verwacht gedrag weinig succes brengt => wederzijds wantrouwen + nepoplossingen.

    • Isolatie
      = Individuen delen de waarden van de samenleving niet.
      -> lage beloningswaarde aan doeleinden die door samenleving als wenselijk gezien worden.

    • Zelfvervreemding
      Erich Fromm:
      =resultaat van ondergeschikt zijn van menselijke activiteiten aan criteria die buiten het individu liggen.
      -> gedaan om externe druk/beloning.
      =Mate van afhankelijkheid van een gegeven gedrag t.o.v. geanticipeerde toekomstige beloningen die buiten de activiteit zelf liggen.

    5 vormen = onafhankelijk.
    Verbondenheid is empirisch bepaald.

    5.2.4 Differentiële associatietheorie
    Sutherland + Cressey: 2 soorten wetenschappelijke verklaringen:
    -Situationele/mechanische verklaring: Inzicht in werking van causale factoren op het moment van het gebeuren van het verschijnsel.
    -Historische verklaring: Antecendenten van het fenomeen aanduiden.

    Verklaring moet algemeen zijn.

    Sutherland + Cressey:
    1. Crimineel gedrag is aangeleerd.
    2. Crimineel gedrag is aangeleerd via interacties (communicatieproces).
    3. Het leerproces vindt plaats in kleine persoonlijke groepen (dus niet via invloed van de media).
    4. Het leren omvat de technieken om de misdaad te plegen en de specifieke motieven en rationalisaties, attitudes die de misdaad rechtvaardigen.
    5. De specifieke richting die motieven nemen, is afhankelijk van definities die legale codes als na te volgen of te overtreden voorstellen.
    6. Een persoon wordt delinquent wanneer er een verschot is aan defenities die regelovertreding favoriseren. Dit is het principe van differentiële associatie.
    8. Het proces van het leren van crimineel gedrag via associatie met criminele en niet-criminele patronen heeft betrekking op al die mechanismen die ook in andere leerprocessen aanwezig zijn.
    9. Hoewel crimineel gedrag de uitdrukking is van algemene noden en waarden, kan het niet herleid worden tot die algemene waarden en noden, want ook niet-crimineel gedrag wordt erdoor geleid.

    Centrale vraag: waarom hebben mensen meer contact met delinquentie dan anderen?



    5.2.5 De delinquente subcultuurtheorie
    Probleem differentiële associatie = veronderstelling dat delinquent gedrag bestaat, maar hoe?
    Delinquente subcultuurtheorie: verklaring.

    Cohen:
    -Jeugddelinquentie = niet utilitair, wel irrationeel karakter + geen onmiddellijk doel + kwaadaardig karakter + minder gespecialiseerd en ongepland.
    -Misdadigheid.

    Hoe ontwikkelen zich delinquente subgroepen?
    -> handelingen = pogingen om problemen op te lossen.
    probleem = toestand van spanning.
    2 bepalende condities:
    -Situatie: fysische en sociale kader.
    -Referentiekader: kader waardoor personen de situatie waarnemen en als probleem aanschouwen.

    Oplossing: veranderen in situatie of veranderen in referentiekader.

    Proces van opwaartse mobiliteit: achtergrond kan belemmerend zijn.
    Kind slechte achtergrond -> tekort gedaan voelen => oplossing zoeken:


    • Situatie veranderen.
      -> hard studeren.
      probleem: onderwijs = gebaseerd op middenklassewaarden.

    • Referentiekader wijzigen.
      Typische middenklassewaarden verwerpen.
      Essentieel: steun van buitenaf.

    Concreet: geïndustrialiseerde samenleving.
    Doel: volwaardig en succesvol in maatschappij door hard werken op school.

    Probleem kinderen lage klasse: gebrek sociaal + cultureel kapitaal.


    Situatie veranderen?
    -> aannemen middenklassewaarden.
    -> verwerpen klasse van herkomst.

    => anti-school referentiekader.


    => delinquente subcultuur.

    5.2.6 De vraag op haar kop: waarom is iemand deviant?
    Travis Hirschi: Waarom overtreedt iemand geen regels? = sociale controletheorie.
    Basis: Durkheim: hoe zwakker de groepsbinding van individuen, hoe meer ze op zichzelf terugvallen en hoe sterker ze zich enkel laten leiden door hun privébelangen.

    Verklaring: delinquente handelingen komen voor wanneer de band tussen het individu en de samenleving zwak of verbroken is.

    4 dimensies in band tussen individu en samenleving:


    • Aanhankelijkheid (attachment)
      -> gevoeligheid voor opinie anderen -> betrokkenheid met sociale geheel => regelconform gedrag.
      Notie: geweten vervangen.

    • Toegewijdheid (commitment)
      = vrees die men heeft voor de gevolgen van delinquent handelen.
      Resultaat van kosten/batenanalyse.

    • Betrokkenheid (involvement)
      = opportunistisch element.
      =Geen tijd om hiermee bezig te zijn.

    • Overtuiging (belief)
      = mate waarin men de collectieve waarden van een samenleving deelt.
      Er is variabiliteit in de mate waarin mensen de mening toegedaan zijn dat ze de regels van de samenleving moeten opvolgen.

    Probleem: onzekerheid over causale ordening.

    Sterke samenhang.


    Meer sociale controle => minder deviantie.

    Empirische bevestiging:


    -Door Hirischi in middelbaar onderwijs.
    -Door anderen.

    Tekort:
    Cross-sectioneel -> geen zekerheid over causaliteit.


    -> longitudinaal onderzoek:
    -Wederzijdse relatie.
    -Minder uitgesproken verband.



    5.2.7 Het labelling- of etiketteerperspectief
    probeert subjectieve definitie deviantie te geven.
    Deviantie = resultaat van interactieve relatie tussen individu en omgeving, waarbij gedrag als afwijkend wordt gezien.
    Deviantie = sociale constructie.

    Lemert: 2 soorten deviantie

    • Primaire deviantie
      = ° door maatschappelijke reactie -> lichte vormen van regelovertreding.
      = gerationaliseerd (“iedereen doet wel eens iets in het zwart”) / onderdeel van sociaal aanvaardbare rol. (“aannemers kunnen niet anders.”
      = stellen van afwijkend gedrag zelf.

    • Secundaire deviantie
      = Individu pas deviant na toepassing van regels.
      -> herstructurering zelfbeeld.
      -> begin van deviante loopbaan.
      Jeugdgevangenis/ instelling => officieel stempel “crimineel” => zich zo gedragen.

    Belangrijk: wijze waarop samenleving afwijkingen evalueert + implicaties uit haar houding volgen voor de betrokken persoon.

    Niet vergeten: notities les 5 + 6 toevoegen!



    Hoofdstuk 6: sociale stratificatie
    6.1 Het ontstaan van sociale stratificatie
    Geologie: stratificatie = boven elkaar geplaatste aardlagen.
    Sociologie: sociale strata: boven elkaar gestapelde sociale lagen die onderling verschillen in sociale status en andere indicatoren van ongelijkheid.

    Sociale ongelijkheid = verschillende toegang tot gewaardeerde middelen, diensten, posities.
    Sociale stratificatie = geïnstitutionaliseerde sociale ongelijkheid -> erkenning.

    Start: jager-verzamelaars.


    -> gelijkheid: geen opslag voedsel + collectieve jacht = collectief delen.
    => sedentaire levensstijl = basis voor ongelijkheid.

    Blumberg: ° sociale stratificatie in 2 fasen:
    1. ° materiële ongelijkheid -> ongelijke verdeling opbrengsten van materiële productie.
    ° uit overvloed.
    Rijke omgeving => stabiliteit + betrouwbaarheid => sedentaire leefwijze.
    Parallel met 2 ontwikkelingen:
    -Afname collectief delen (enkel nog vooral binnen families).
    -toenemend belang familiesamenstelling: geslachtratio + afhankelijkheidsratio => bepaald hoeveelheid arbeidskracht.
    Samengevat: er is surplus (verschillend per familie) + minder delen.
    2. ° klassen = ° ongelijke toegang tot productiemiddelen.
    ° door schaarste.

    Klassen ontstaan door productietechnologie -> ontwikkeling landbouw:


    intensere landbouw => minder grond per persoon => verdere toename sedentaire trend => bevolkingsgroei => bevolkingsdruk => grond wordt schaars => competitie => ongelijkheid => ° maatschappelijke groepen.

    6.2 Stratificatie in landbouwsamenlevingen
    3 stratificatiestelsels: slavensamenleving, kastensamenleving en standensamenleving.
    basis = sociale ongelijkheid.

    Principe

    Vorm

    Ongelijke toegang tot landbouwgrond.

    Politieke, religieuze, juridische vertaling.

    Dominantie van grondbezitter.

    Bezitloze als ‘eigendom’
    -> Slavernij.

    Weinig alternatieven voor bezitlozen.

    Bezitloze als toegeschreven inferioriteit
    -> Kasten.

    • Werken voor grondbezitter

    • Grote sociale ongelijkheid

    Bezitloze als zwakke partij binnen contract.
    -> standen.

    6.2.1 Slavernij
    Basis = gevangenen tijdens oorlog.
    Slaaf = eigendom van andere persoon. Dit is juridisch -> legale orde:
    -Eigendom juridisch geregeld.
    -Erfelijke status.
    -Bevrijding na verdiensten.

    Economische functie:


    -Vraag: nood aan arbeidskracht.
    -Aanbod: gevangenname tijdens oorlog.

    Soms: slaven -> menselijke status, soms minderwaardig (cf. racisme).



    Seksslavernij anno 2003
    Roemenië: veel prostitutie.
    Pooiers = slechts schakel in een heel netwerk.
    Sleutelrol: corrupte politieagenten.

    Slavernij in het Romeinse Keizerrijk
    Slaven regelmatig in opstand door brutaliteit, maar geen succes.
    Slaven: veel functies binnen handel en ambacht, muzikanten, artsen,..
    Beperkte vorm van sociale mobiliteit: 7x aankoopprijs verdienen => vrijkopen.

    6.2.2 Kasten
    Uitgangspunt = ordening op basis van eer/prestige.
    Eer = op basis van niet-economische kenmerken. Die worden later gekoppeld aan economische posities.
    Niet-economische kenmerken = vaak toegeschreven vb. prestatie vorig leven.
    Samengevat: kastensysteem is gebaseerd op religieuze of ideologische verantwoording van sociale stratificatie.
    -> verband tussen statuskenmerken => gemiddelde status van 2 klassen verschilt + geen integratiemogelijkheden tussen groepen (niet van kaste veranderen).

    Statusoverlapping vergroot => kastekarakter aangetast.


    Quasikaste = belangrijk verschil tussen kaste met betrekking tot indicatoren van ongelijkheid zonder dat er een complete overlap is -> wel uitwisseling + contact.

    Kastesysteem: geen overlap. Quasi-kastesysteem: overlap.



    Kasten in India
    Kasten = hiërarchisch geordend in een stratificatiesysteem.
    Positie ~ geboorte.
    Huwelijk tussen kasten = verboden.

    Vroege hindoeliteratuur: samenleving = 4 kasten/varnas:

    -Brahmanen: dichters en priesters
    -Kshatrya: krijgsmannen en militaire chefs
    -Vaishya: handelaars
    -Shudras: dienstboden en handarbeiders

    Opdeling = gelegitimeerd door hindoeschriften.


    Kasten ° door offer van Purusa, de oermens.
    Brahmanen -> mond van Purusa. Morele opdracht = aanleren heilige teksten.
    Kshatriyas -> armen van Purusa -> koninklijke macht. Morele opdracht = beschermen van land + inwoners + giften geven aan Brahmanen.
    Vaishyas -> dijen van Purusa -> morele opdracht = rijkdom voortbrengen voor zichzelf en land.
    Shudra (laagste kaste) -> morele plicht = dienen van de 3 hoogste kasten.

    Jatis = subkasten -> verschilt per regio.


    Meestal aangeduid door beroep = erfelijk.

    Huwelijk: binnen kaste (endogamie).



    6.2.3 Standen
    Hogere status ~ landbezit + politiek-militaire positie.
    Landheren = hoge positie + superioriteit.

    Kenmerkend: wederzijdse rechten en plichten.


    Heer-vazal relaties = contractuele overeenkomst.
    Vazallen: plichten tegenover heer in ruil voor grond.
    Heren: voorrechten aan de lagere toekennen + recht op eigendomsrechten op arbeid + militaire diensten van personen met lagere status.

    Middeleeuwen: gebaseerd op traditie en gewoonte.


    Staatsmacht groeit => wettelijke verankering.

    Verschil slavernij: dit is niet door brute verovering, maar op basis van contractuele overeenkomsten.


    Verschil kasten: geen extreme religieuze legitimatie hier -> huwelijk tussen standen kan.

    De standenmaatschappij gedurende de middeleeuwen
    Ineenstorting Romeinse Rijk => desintegratie bestaande gecentraliseerde bestuur.
    Heersers verdelen grondbezit aan kleine heersers => politieke versplintering.
    Kenmerkend: militaire invasies.

    Standensysteem = piramide.


    Machtsbasis heer = grondbezit.
    Heren: onderlinge strijd.
    Clerus: religieuze diensten, maar grote sociale differentiatie (geen homogene groep).
    Horigen/boeren: agrarische arbeidskrachten. Levenslang recht op stuk grond, maar plicht om rente te betalen.
    Burgerij: ook derde stand, maar zeer verschillend van horigen: niet gebonden aan grond.

    Hier: algemene vormen. Praktijk: variaties + mengvormen.


    Alle vormen gekenmerkt door sociale ongelijkheid.

    6.3 Stratificatie in industriële samenlevingen: klasse
    Piek sociale ongelijkheid in vroeg-industriële periode.
    Marx (1818-1883)

    marxhouse
    Samenlevingen = onderbouw + bovenbouw.
    Onderbouw = economisch systeem -> manier waarop men in hun materiële levensonderhoud voorziet.

    Onderbouw: Productiewijze:
    1. Productiekrachten:

    • Productiemiddelen: grond, machines, gereedschap.

    • Menselijke arbeid.

    2. Productieverhoudingen:

    • Eigendoms- en controlerelaties in materiële productie.

    • Kapitalisten: eigenaars van het kapitaal.
      -Bezit machines, fabrieken, grond.
      -Beschikt over arbeid.

    • Arbeiders: verkopen arbeidskracht.

    • Klassen delen eenzelfde positie: het al dan niet bezitten van productiemiddelen.

    Productiemiddelen = goederen die gebruikt worden om andere goederen te produceren.

    Onderbouw -> bovenbouw
    Sociale instituties zoals recht, religie, staat.
    -> bestendigen + legitimeren bestaande sociale verhoudingen.

    3 klassen 19de eeuwse industriële samenleving:


    1. Arbeiders.
    2. Kapitalisten / bourgeoisie = eigenaars kapitaal.
    3. Grondbezitters.

    Onderbouw bepaalt bovenbouw.


    Bovenbouw = geheel van ideeën over de opbouw en werking van de wereld => vals bewustzijn (ongelijkheid = normaal + beloning komt in het hiernamaals).
    Functie bovenbouw = bestaande sociale verhoudingen bestendigen.
    Bovenbouw => legitimatie en ondersteuning sociale verhoudingen.
    Slaveneconomie: nadruk op wettelijke eigendomsregelingen inzake slaven.

    Visie = universeel toepasbaar.

    Cruciale tegenstelling tussen arbeiders en bourgeoisie.
    Bourgeoisie: bezit kapitaalgoederen.
    Arbeiders: verkopen arbeidskracht aan kapitalisten -> arbeidscapaciteit in totaliteit verkocht.
    -> tegengestelde belangen:
    Arbeiders: Arbeidskracht zo duur mogelijk verkopen.
    Kapitalisten: zo goedkoop mogelijk aankopen.
    Geschiedenis = geschiedenis van klassentegenstellingen.

    Kapitalisme: levensonderhoud niet op 1e plaats.


    -> verzelfstandiging van winst/ profijtstreven.

    • Economische handeling: goed -> geld -> goed.
      vb. Visser: vis -> geld -> brood.
      Doel = levensonderhoud.

    • Kapitalisme: economische handeling: geld -> goed -> geld.
      Doel produceren = verkopen.
      Productie = gericht op ruil.
      belangrijkste = winst maken.

    • Kapitalisten: onderlinge competitie -> productiekosten zo laag mogelijk om winst te maximaliseren.
      Surpluswaarde = verschil tussen prijs van product op markt en productiekosten.
      Arbeidscapaciteit uitbuiten.
      Kapitaalsaccumulatie: deel surplus weer in bedrijf.

    • Limiet arbeid => machines gebruiken.
      Mechanisering => arbeidslozen + arbeidsreserve.
      Lonen laag houden => verpaupering.
      Competitie kapitalisten => uitschakeling kapitalisten + vergroting proletariaat.

    • Arbeidersopstand wordt steeds gunstiger:
      Klasse = families onder dezelfde economische omstandigheden.
      Maar klasse is niet volledig ontwikkeld: enkel lokaal verband, niet politiek georganiseerd, geen identiteit.
      Klassenbewustzijn ° door contact + communicatie.
      Overgang: klasse-an-sich -> klasse-für-sich.

    Klasse an sich = objectieve economische omstandigheden.
    Klasse für sich = objectieve situatie + subjectief aanvoelen = volledig ontwikkelde klasse.
    Voorwaarden: contact + communicatie tussen groepsleden, rol avant-garde.

    6.3.2 Weber (1864-1920)
    Marx: eendimensionale verklaring.
    Weber: meerdimensionale benadering.
    Weber: onderscheid: status (sociale dimensie), partij (politieke dimensie), klasse (economische dimensie) = 3 levensdomeinen = 3 soorten macht.

    Klasse ° als:


    -Aantal mensen vergelijkbare levenskansen heeft.
    -Levenskansen voortvloeien uit bezit van goederen/ mogelijkheid tot verkrijgen van een inkomen.
    -Waarde van die goederen/mogelijkheid bepaald wordt door werking van de goederen- of arbeidsmarkt.

    Klasse = groep mensen met gelijke positie op goederen- arbeidsmarkt en met gelijke levenskansen.
    -> productiemiddelen + scholing/skills.

    Samen reputatie technisch en beroepsonderwijs opkrikken
    -> imagoprobleem, ondanks goede toekomst.

    Status = sociale eer.
    Statusgroepen = leefgemeenschappen + gemeenschappelijke leefstijl.

    Klassen + statusgroepen kunnen overgaan tot organisatie in politiek veld -> ° belangengroepen. Belangengroepen kunnen meerdere klassen omspannen.

    Scott’s interpretatie van Weber: 3 soorten macht.


    • Klasse -> macht gebaseerd op bezit of vaardigheid.
      = objectieve, materiële machtsbronnen.

    • status = macht gebaseerd op geloof/erkenning.

    • Hogere status die niet herleid kan worden tot bijvoorbeeld scholingsgraad.

    Belangengroepen als machtsmechanisme: Macht = gebaseerd op afspraken.
    -> economische veld.
    Macht ook gebaseerd op hiërarchische positie: hogere positie => voorrechten.

  • 1   2   3   4


    Dovnload 307.33 Kb.