Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Geen focus op: namen, data, exacte definities. Namen worden altijd gegeven met de naam van hun theorie erbij

Dovnload 307.33 Kb.

Geen focus op: namen, data, exacte definities. Namen worden altijd gegeven met de naam van hun theorie erbij



Pagina3/4
Datum27.06.2017
Grootte307.33 Kb.

Dovnload 307.33 Kb.
1   2   3   4
Partij = macht gebaseerd op afspraken tussen mensen.
1. Groeperingen in het politieke domein.
vb. Partijen vaak gebaseerd op klasse.
2. Groeperingen binnen een organisatie.
-Netwerk van steunende collega’s.
3. Positie in hiërarchische structuur.
-Voorrechten: macht, inkomen,..
-Bedrijfsregels -> bevoegdheden.

6.3.3 Marx en Weber vergeleken
Marx: theorie van groepsvorming.
-bezit => ° gelijke denkbeelden + handelen.
-Verpaupering + communicatie -> organisatie en actie.
-Bourgeois intellectuelen -> creëren van bewustzijn: Marx, Mao, Lenin, Castro,..
-> omverwerpen Kapitalisme.

Revolutie: niet overal.


Verklaring Weber: gemeenschappelijke klassensituaties leiden niet onmiddellijk tot organisatie.
Mate van onvervangbaarheid die gepaard gaat met een hoge scholingsgraad is een bron van macht die kan leiden tot betere levenskansen.
Intelligentsia brengt andere belangen in dan de belangen van de arbeiders.

Ook naast economisch veld breuklijnen.


concurrentie arbeidsmarkt => aversie van vreemden.

Verklaring Weber (slides):


1. Klassenpositie niet beperkt tot bezit.
-Interne differentiatie categorie ‘bezitlozen’.
Intelligentsia <-> arbeiders.

2. Statusgroepen, partijen: natie, etniciteit, religie.


-Andere breuklijnen en gevoeligheden dan klasse
-> differentiatie obv status.
-> andere politiek dan klassenstrijd.

Toplonen Belgische CEO’s stijgen spectaculair
Samenleving aanvaardt deze lonen niet.
Werkgevers moeten zich aan loonnorm houden om concurrentiekracht niet te verliezen.

6.3.4 De uitbreiding van de marxistische en weberiaanse visie: Dahrendorf
Bijna 100 jaar later dan Marx: opkomst anoniem kapitaal wijzigt economische relaties.

Dahrendorf: Wijziging economische relaties.
Rollendifferentiatie tussen aandeelhouders en executives (degenen die bedrijven leiden).
Door toegenomen schaalgrootte van economische bedrijf is het aantal aandeelhouders toegenomen + impact verminderd.
Managers: belangrijkere positie.
Bron tegenstelling: niet bezit, maar uitoefening van gezag of autoriteit.
Autoriteitsrelaties = klassen.

Klassenstrijd verdwijnt:

Differentiatie beroepenstructuur + sociaal overleg => geen polarisatie tussen bezitters en niet-bezitters.

Beroepshiërarchie:


-Executives en bureaucraten
-Werkende klasse
-Intermediaire posities -> zowel bezit autoriteit als verantwoording aan derden.
Klassen/ conflictgroepen = autoriteit => clusters. Dit zijn quasigroepen. Als de latente belangen omgevormd worden tot manifeste belangen, worden het belangengroepen.

Institutionalisering van industriële conflict: oprichting van welvaartsstaat op basis van onderhandelingen door vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers => geen polarisering tussen klassen.



6.3.5 Bourdieu (1930-2002)
Klassenanalyse op basis van 2 vormen van kapitaal:
-Economisch: geld, eigendom.
-Cultureel: kennis, vaardigheden, opleiding.
= geheel van inzetbare machtsbronnen.

Verschil Marx: aandacht voor culturele dimensie van strijd.


Sociale strijd = classificatiestrijd.
Distinctie: specifieke levensstijl waarmee men hun en anderen hun plaats in sociale veld aanduiden.
Strijd draait om sociale verdeling van eer.
Resultaat: ongelijke verdeling symbolische macht.

Samengevat:


Marx: uitbuiting van bezitlozen door bezitters.
Weber: concurrentie op arbeids- en goederenmarkt tussen bijvoorbeeld geschoolden en niet-geschoolden.
Dahrendorf: hiërarchische relaties op werkvloer.
Bourdieu: classificatiestrijd in sociale veld.

Het in kaart brengen van sociale stratificatie
Bepalen plaatsen in stratificatiesysteem.
EGP-schema (Erikson, Goldthorpe, Portocarero) = gebaseerd op neoweberiaans perspectief. Het actualiseert basisprincipes Weber en Scott door toepassing hedendaags leven.
-> 11 categorieën.

EGP schema:



  1. Hogere kaders, beheerders, ambtenaren, managers in grote industriële ondernemingen, grote eigenaars.
    Tewerkstellingsrelatie: werkgever of dienstenrelatie.

  2. Lagere kaders, beheerders, ambtenaren, hoger technisch geschoold, managers van kleine bedrijven, opzichters van bedienden.
    Tewerkstellingsrelatie: dienstenrelatie.

  3. Bedienden die niet manueel routine werk verrichten in administratie en handel.
    Tewerkstellingsrelatie: intermediair.

  4. Bedienden die niet manueel routine werk verrichten, lagere graden.
    Tewerkstellingsrelatie: intermediair.

  5. Kleine eigenaars en zichzelf te werk stellende ambachtslui met personeel.
    Tewerkstellingsrelatie: Werkgever.

  6. Kleine eigenaars en zichzelf te werk stellende ambachtslui.
    Tewerkstellingsrelatie: zelfstandige.

  7. Boeren en kleine landhouders, zichzelf te werk stellende landarbeiders.
    Tewerkstellingsrelatie: arbeidscontract of zelfstandig.

  8. Lagere graad techniekers, opzichters van handarbeiders.
    Tewerkstellingsrelatie: intermediair.

  9. Geschoolde handarbeiders.
    Tewerkstellingsrelatie: arbeidscontract.

  10. Half geschoolde en ongeschoolde handarbeiders.
    Tewerkstellingsrelatie: arbeidscontract.

  11. Landarbeiders.
    Tewerkstellingsrelatie: Arbeidscontract.

6.4 Sociale mobiliteit
Sociale mobiliteit = verandering van plaats binnen het stratificatiestelsel.
Intragenerationele mobiliteit = binnen beroepsloopbaan individu.
Intergenerationele mobiliteit = vergelijking tussen positie ouders en kinderen.

Oorzaken sociale mobiliteit:


1. Beschikbaarheid van posities.
-Wijzigingen structuur beroepsbevolking.
-Samenstelling bevolking (demografische factoren).

2. Statusverwerving:


-Zuivere meritocratie: puur obv eigen kunnen.
-Overerving sociaal-economische positie ouders.
-Sociaal-psychologische factoren: ouderlijke aanmoediging.

Democratie/meritocratie: enkel eigen kunnen aan basis.


Onderzoek: overerving sociale positie voor bepaalde groepen.
Vandaag: inbreng ouders = groot.

Sociologisch onderzoek: ouderlijke aanmoediging is belangrijk bij statusverwerving, net zoals beïnvloeding door leeftijdsgenoten en geslacht.



6.5 Hoe worden economische klassen sociale klassen?
Sociale klassenformatie = omvorming van een klasse als categorie binnen het economische systeem tot een klasse als groep van met elkaar interagerende mensen.

Omvorming van economische klasse ( = categorie) tot een klasse als een collectiviteit of groep ( = sociale klasse).



Sociale klasse = reeks klassensituaties waartussen een uitwisseling van mensen vaak voorkomt.
Uitwisseling volgens Weber = o.a. huwelijk.
Sociale sluiting/ social closure = proces waarbij groepen hun positie vrijwaren door de toegang tot hun machtsbronnen af te schermen voor outsiders. Vb. beperken van huwelijksparnerkeuze.

Giddens: oorzaken sociale klassen?
Structuratie = proces waarbij economische klassen in een proces van dagdagelijkse handelingen sociale klassen worden.
-> mesoniveau: mediate structuration = mobiliteitskansen. Hoe lager kans tot mobiliteit, hoe sterker kans dat klasse gevormd zal worden.
-> proximate structuration:
Belangrijke factoren = arbeidsverdeling op werkvloer.
= onderscheid tussen zij die bevelen geven en zij die ze opvolgen => vorming sociale klassen.
= Gemeenschappelijke consumptiepatronen. Vb. Giddens: residentiële segregatie: verschillende klassen wonen in verschillende wijken.

Bourdieu: subtieler proces van klassenformatie.


Economisch en cultureel kapitaal => klassengebonden condities => ° specifieke gedragingen.
Habitus = min of meer onbewuste neigingen om dingen op een bepaalde manier te doen.
-> pre-reflexief = niet altijd te reduceren tot bewust naleven van normen of rationeel handelen.

° collectiviteiten gebeurt indirect en onbewust.



6.6 Democratie, welvaart en.. elites
Nu: sociale strijd op achtergrond => meesten hebben redelijk hoge levenstandaard.
MAAR:

  • Grote mate van sociale ongelijkheid, ondanks welvaartsstaat.
    -> sociale ongelijkheid = inherent aan menselijke samenlevingen.

  • Bestaan van elites in westerse democratieën.

6.6.1 Vilfredo Pareto (1848-1923)
Leden elite = de besten, superieuren, scoren hoog op sociaal significante eigenschappen.
Voorstander meritocratie: posities ~ eigen verdiensten.
Elite hebben staatsmacht door vrije competitie.
MAAR probleem:
-Gerichte strategie => handhaven en doorgeven posities. Kinderen zijn niet altijd geschikt.
=> nood aan circulatie bevelsituaties.
=> continue val + opkomst elites.

Macht willen behouden + doorgeven aan kinderen => niet altijd geschikte mensen.


Dit proces => verzet + revolutie.

6.6.2 Gaetano Mosca (1858-1941)
Politieke elite = leidende elite.
Politieke elite bevat georganiseerde kern van personen die participeren in de uitoefening van politieke autoriteit.
elite = minderheid die de staatsmacht monopoliseert.
Dreiging Clerus neutraliseren door hen in te lijven.

Politiek = meer dan institutie.


-> elke institutionele sector heeft elite.
Verschillende elites klitten samen tot leidende elite.

Centrale stelling: er zal altijd een elite zijn.

Dominantie van meerderheid door minderheid is automatisch:
Elites = selectie beste elementen + makkelijk te organiseren + niet geconfronteerd met massa als geheel.

“A class that rules and a class that is ruled”


= Altijd het geval:
-Selectie beste elementen uit samenleving (cf. Pareto).
-Makkelijk te organiseren (kleine groep).
-Verdeelde massa makkelijk te domineren.
-Mogelijkheid om macht te bestendigen.

6.6.3 Charles Wright Mills (1916-1962)
Sterke toename schaalvergroting + complexiteit => centrale plaats staatsbureaucraten + managers.
Nomenclatuur: toenemend belang managers + macht op basis van bureaucratische organisatie.

Studie: Amerikaanse ideologie van gelijkheid en individualisme.


-> ondanks democratie, toch mensen die erbuiten staan. 3 sectoren die een machtsbasis hebben:
-Economie
-Politiek
-Militair
Power elite = de elites uit de 3 sectoren (economisch, politiek, militair). Sociale vervlechting: eenzelfde sociale origine, gedeelde identiteit, tal van informele bindingen.
Mobiliteit tussen sectoren.
Er is cliquevorming.

6.7 Is sociale stratificatie noodzakelijk?
Sociale stratificatie => stabiliteit. Sociale ongelijkheid is functioneel:
Posities -> kerntaken: specifieke vaardigheden. Dit zorgt voor een beloning.
Ongelijke beloning als motivatie=> stratificatiesysteem.

Top 20 bestbetaalde sporters: Beckham en Messi in de top

Veel kritiek:


-Hoe bepaalt men de bijdrage van een taak?
-specifieke werking van de sociale stratificatie = imperfect.
-Morele kanttekening: is levenslange ongelijke beloning verantwoord voor taken die slechts gebaseerd zijn op enkele jaren extra training?

6.8 Sociale ongelijkheid op basis van geslacht
Verwevenheid biologische en sociale verschillen:

c:\users\lhustinx\pictures\ugender1994-2004-2009.jpg
Etnische groepen: gedeelde cultuur, levensstijl en geschiedenis van collectieve ervaringen.
Etnische stratificatie = vorm van sociale ongelijkheid (cultureel).
Leeftijdsstratificatie: lidmaatschap ~ levensfase.

Geslachtsstratificatie ~ biologisch criterium.


Loonkloof tussen mannen en vrouwen. Redenen:
-Vrouwen werken minder.
-Vrouwen nemen lagere posities in.
-Vrouwen werken in minder betaalde sectoren.
-Vrouwen krijgen lager loon voor hetzelfde werk.
-> zowel eigen keuze als onmacht.

Vaak: vrouwen -> kinderen zorgen (volgen de natuur).


MAAR: brede variatie loonkloof tussen landen: mannelijke en vrouwelijke natuur.
Gedragingen die aan biologisch geslachtsverschil worden toegeschreven = heel weinig.

Geslachtsstratificatie = ongelijke toegang tot schaarse en gewaardeerde middelen op basis van lidmaatschap in een gendercategorie. -> dominantie mannen.



Sociologische verklaringen voor sociale ongelijkheid man-vrouw:

  • Conflicttheorie Collins:
    Mannen en vrouwen = belangengroepen die in strijd zijn met elkaar.
    Mannen: dominantie over vrouwen.
    Mensen: sterk ontwikkelde seksuele behoefte.
    Mens: capaciteit tot agressief handelen.
    Man: fysiologische troeven -> sterker, groter, minder kwetsbaar.
    => rouwen ondergeschikt.
    Mannen kunnen dominantie versterken + uitbouwen bij economische surplus + wanneer familie het economische, juridische en politiek/militaire leven domineert.
    -> gering bij horden en stammen want geen economische surplus of ongelijkheid in stammen.
    Economische factoren: beperkte rol.

  • Marxistische theorie Blumberg:
    mate van toegang tot productiemiddelen en arbeid = doorslaggevende factor.

Determinanten economische macht vrouwen:
1. Strategische onvervangbaarheid van vrouwenarbeid in samenleving:
a. aandeel economische activiteit.
b. Specifieke deskundigheid.
c. autonoom kunnen werken.

2. Vigerende familiestelsel (matrilocaliteit, erving)

3. Macht vrouwen (politiek, juridisch, ideologisch)
4. Culturele en ideologische factoren
(klassieke kostwinners model, instituut huwelijk, dubbele moraal inzake buitenechtelijke relaties).

Veel vooruitgang in positie van de vrouw:



  • Eerst: patriarchaat -> mannen domineren.

  • Vrouwenbeweging => groter bewustzijn over gelijkwaardigheid => positieve gevolgen, maar ook negatieve ontwikkelingen zoals meer echtscheidingen en één-oudergezinnen.

6.9 Slotbeschouwing
LEZEN

Hoofdstuk 8: Sociale verandering
8.3 Sociale verandering
8.3.1 Inleiding
Sociologie ° gedurende periode van revolutionaire politieke en economische veranderingen.
Sociale verandering = dynamische aspecten van maatschappij -> neutrale waardevrije term.
Sociale verandering = wijzigingen in de sociale structuur en cultuur die merkbaar en ingrijpend zijn.

Definitie sociale verandering = die verandering die objectief waarneembare gevolgen heeft voor de sociale structuur en de cultuur van een maatschappij.
Voorwaarden:
-Grondig
-Betrekking op verschillende sferen van het maatschappelijk leven.
vb. Vorming nieuwe regering is geen sociale verandering.

Sociologen: inzicht in sociale verandering door die processen:


-te beschrijven -> zoeken naar vormen die veranderingsprocessen aannemen.
-te verklaren -> zoektocht naar oorzaken.

De Human Development Index

file:human development index 2011.png
HDI meet verwezenlijking van land op 3 aspecten van ontwikkeling :
-Levensverwachting bij geboorte.
-Kennis: gemeten door middel van combinatie van index die het aantal mensen weergeeft dat kan lezen en schrijven + index die de proportie mensen weergeeft die primair, secundair en/of tertiair onderwijs volgen.
-levensstandaard: gemeten door brute nationaal product (bnp) per capita.
-> maatschappelijke ontwikkeling is niet beperkt tot economische groei.

Invloed verhoudingen tussen mannen en vrouwen:


Gender Empowerment Measure (GEM) -> graad van geslachtsongelijkheid in economie en politiek van een land.
Meten via percentage vrouwelijke managers etc.

5.3.2 Theorieën van sociale verandering
Monistische of monocausale theorieën = sociale verandering verklaren door 1 factor.
vb. Karl Marx: sociale verandering = gevolg van competitie tussen belangengroepen.
vb. Gumplowicz: sociale verandering = gevolg van oorlog.
-> biedt geen volledige verklaring.

3 criteria theorieën sociale verandering:
1. Culturele of materiële/technologische veranderingen.
2. Interne of externe oorzaken.
3. Bovenindividuele sociale processen of kunnen individuen of groepen die transformaties sturen?

Economische/technologische of materiële sfeer
vb. industrialisatiethese + Bells postindustrialisatiethese en theorie van Castells.

Bovenindividuele processen

Intern

Cultuur als motor van verandering

Cyclische theorie van Sorokin

Postmodernisatietheorie van Inglehart









Materiële oorzaken: technologische vernieuwingen als motor van verandering

Industrialisatietheorie

(netwerksamenleving in het informatietijdperk)



Bovenindividuele processen

Extern

Cultuur als motor van verandering

Diffusietheorieën







Materiële oorzaken: technologische vernieuwingen als motor van verandering

Wereldsysteemtheorieën

(netwerksamenleving in het informatietijdperk)



Actoren maken geschiedenis







Sociale hervormingsbewegingen

Materialistische verklaringen <-> idealistische verklaringen = culturele factoren en denkbeelden als oorzaak.

8.3.2.1 Materialistische verklaringen: technologische theorieën


Technologische theorieën:

  • Culturele en sociaalstructurele verandering ~ technologische evoluties.
    Technologie = met wetenschappelijke kennis onderbouwde set van werktuigen, regels, procedures waarmee taken op een reproduceerbare wijze worden uitgevoerd.
    vb. IJzeren ploeg.
    Technologie is niet enkel materieel.

  • Nieuwe uitvindingen worden gedaan op basis van al bestaande elementen.
    Uitvinding = resultaat van nieuwe combinatie van bekende technieken of van een nieuwe techniek, toegevoegd aan al bestaande technieken.
    Materiële cultuur heeft cumulatief karakter.

  • Creatie van nieuwe technologieën geeft enkel aanleiding tot sociale verandering als ze de andere sferen van de samenleving indirect beïnvloedt.

8.3.2.1.1 Drie fases van maatschappelijke transformatie volgens Rose (1967)

  1. Innovaties -> economie
    Technische innovaties hebben effect op economische stelsel van maatschappij. Nieuwe technieken => nieuwe wijze productie, verspreiding, consumptie.
    vb. Stoommachine.

  2. Economische structuur -> arbeidsverdeling
    Veranderingen in economische structuur hebben een impact op de aard van de te verrichten taken en arbeidsverdeling.
    Veranderingen in arbeid + tewerkstelling.

  3. Maatschappelijke sferen die slechts indirect met economische sfeer verbonden zijn, passen zich aan aan de veranderingen in productie, distributie en consumptie.
    Cultuur + structuur past zich aan.
    Industrialisatie => concentratie van fabrieken + migratie van arbeiders naar steden => exponentiële aangroei steden.
    Urbanisatie => secularisatie van samenleving => scheiding tussen woon- en werkplaats + grondige transformaties in verhoudingen tussen vrouwen en mannen.

8.3.2.1.2 Technologische evolutie en cultural lag
Niet-materiële cultuur (wetgeving, onderwijs, normen,..) verandert trager dan materiële cultuur.
W. Ogburn noemt dit de cultural lag: veranderingen verlopen vlugger in de materiële cultuur dan in de niet-materiële of adaptieve cultuur.

Cultural lag => continue sociale onaangepasheid tussen 2 vormen van cultuur.


vb. pollutie.
Cultural lag = 1 van de belangrijkste oorzaken van sociale problemen omdat aanpassing zo traag gebeurt. Uitvindingen = cumulatief dus dit gaat verergeren.

Materiële cultuur gaat niet altijd vooraf aan de adaptieve: in sommige ontwikkelingslanden worden vergaande onderwijsprogramma’s opgesteld, zelfs voor de economie tot volle wasdom is gekomen: niet-materiële cultuur gaat vooraf.

Er kunnen nog andere factoren tot sociale verandering leiden.
Cultural lag <-> structural lag: Mathilda Riley = Wijzigingen in levensloop tgv technologie => maatschappelijke structuren niet aangepast.
Nieuwe technologieën => wijzigingen in levensloop, niet gevolgd door veranderingen in maatschappelijke structuren.
Sociale structuren: rollen gecentreerd in bepaalde fase van levensloop => onderbenutting menselijke capaciteiten bij senioren + roloverbelasting + problemen van werk-gezinbalans bij volwassenen in middenjaren.
Taken en rollen hebben leeftijdsdifferentiatie => sociale problemen.
Oplossing: rolinvulling met training, arbeid en vrije tijd ombuigen tot parallelle rolinvulling.

8.3.2.1.3 Voorbeelden van technologische theorieën van sociale veranderingen.


A. De industrialisatiethese
Start: Engeland 18de eeuw.
Technologische ontwikkelingen drijven industrialisatie voort door verschillende stadia (industriële revoluties) + moderne samenleving past zich continu aan.
1. 1e industriële revolutie (1760-1830): introductie van stoomkracht + automatisering van textielproductie. Vooral Engeland.
2. 2e industriële revolutie (1830-1870): Engeland, België, VS. Opkomst spoorwegen + revolutie in ijzerproductie.
3. 3e industriële revolutie (1870-1914): VS + Duitsland. Staalproductie + chemische industrie.
4. 4de industriële revolutie (1914-1970): VS. Auto-industrie + petrochemische nijverheid.
5. 5de industriële revolutie: VS, West-Europa, Japan. Informatica, micro-elektronica en biotechnologie.

Technologie -> industrialisatie -> maatschappelijke aanpassingen.



B. Opkomst van postindustriële samenleving
Theorie van Bell over opkomst van postindustriële samenleving: 2de helft van 20ste eeuw -> Westerse samenlevingen zijn een nieuwe fase van ontwikkeling ingegaan. Klemtoon op productie van diensten in plaats van goederen => mens-mensrelaties centraal.

Nieuwe tertiaire sector (=dienstensector) door nieuwe behoeften.


Spanningsveld tussen versterken van professionele autonomie van groeiende klasse van specialisten en technocraten en de roep om meer zeggingschap en beslissingsmacht door de steeds beter geïnformeerde en competente burger.
1   2   3   4

  • Marx: theorie van groepsvorming
  • Sociale mobiliteit
  • Sociale klasse
  • Structuratie
  • Sociologische verklaringen
  • Sociale verandering
  • Staalproductie + chemische industrie. 4. 4 de industriële revolutie

  • Dovnload 307.33 Kb.