Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Geen focus op: namen, data, exacte definities. Namen worden altijd gegeven met de naam van hun theorie erbij

Dovnload 307.33 Kb.

Geen focus op: namen, data, exacte definities. Namen worden altijd gegeven met de naam van hun theorie erbij



Pagina4/4
Datum27.06.2017
Grootte307.33 Kb.

Dovnload 307.33 Kb.
1   2   3   4

Fasen theorie Bell (ook bij Rose):
-Technologische transformaties: productie goederen -> productie diensten + mens-mens relatie centraal.
-Transformaties in de organisatie van de economie. Kenniscentra vervangen bedrijven.
-Transformaties in arbeid en sociale stratificatie: opkomst van technici etc.
-Verandering in andere maatschappelijke sferen.

Kritieken postindustrialisatiethese:
-Tewerkstelling in tertiaire sector is gestegen, maar toename belang van secundaire sector blijft. Vooral primaire sector werd minder.
-Vervanging productie goederen is niet zo snel. Integendeel: volgens Gerschuny evolueren we naar maatschappij met een secundaire sector die meer en meer goederen produceert die het mensen mogelijk maakt in hun behoeften te voorzien => niet afhankelijk van diensten.
-Verwerping dat tertiaire sector onafhankelijk van secundaire sector van economie groeien. Ze zijn met elkaar verbonden.
-Nieuwe klasse van professionelen etc. hebben geen controle over de economie.

  • Weinig aanhangers. Sommigen zeggen dat er een technologische transformatie is in secundaire en tertiaire sectoren tegelijkertijd. Dit heeft betrekking op opkomst van ICT.



C. De netwerksamenleving in het informatietijdperk: Castells
Transformatie, gekenmerkt door:
-Nieuw technologisch paradigma.
-Nieuwe economische ordering.
-Nieuwe organisatie van arbeid en tewerkstelling.
-Transformaties in andere, niet rechtstreeks met de economische orde verbonden maatschappelijke domeinen.

Nieuw technologisch paradigma
Rondom ICT en gentechnologie. Doorslaggevend = de gelaagde opbouw van informatie en verspreiding ervan via netwerktechnologie. Kennis op zich is niet genoeg meer.
Kenmerkend:
-gebruik van informatietechnologie => productie kennis + informatie verbeteren => exponentiële groei van beiden.
-2 kennisdomeinen (over levende organismen en over door de mens gemaakte tuigen of machines) worden met elkaar in verband gebracht en benadert vanuit 1 paradigma.

Onderscheid mens-natuur-machine valt weg.



Nieuwe economie
= informationeel + globaal + netwerkgeorganiseerd.

Organisatie van informatie, mensen en middelen vraagt naar onderzoek en ontwikkeling, training en onderwijs op permanente basis.
=> nieuwe vormen van tewerkstelling:
-Arbeid: flexibel + permanente training.
-Ongelijkheid: self-programmable labour vs generic labour + digitale kloof.
Onderscheid:
-Self-programmable labour = zichzelf voortdurend bij scholen om zich aan te kunnen passen aan de steeds wijzigende eisen van een zich transformerende economie.
-Generic labour = vervangbare arbeid + onderling verwisselbare taken.
-> onderscheid neemt toe + toename digitale kloof.
Hoog inkomen => 3x meer internetgebruik. Dit geldt ook voor jongeren.

Netwerken binnen de sector van biotechnologie
Netwerk commerciële en financiële contacten + wetenschappelijke samenwerking wijst op nauwe verwevenheid van die organisaties. Biotechnologiebedrijven staan centraal -> onderhouden contacten met farmaceutische bedrijven voor onderzoek + commerciële ontwikkeling producten.
Participatiebedrijven leveren kapitaal.

Culturele ruimte wordt 1 grote multimediale ruimte door opkomst internet.
° reële virtualiteit want virtuele wereld van de hyperteksten wordt de drager van symbolen die ons denken beheersen en gedrag sturen.

° timeless time = tijd is tijdloos omdat de tijdsdimensie eruit verwijderd wordt of omdat verleden, heden en toekomst vermengd geraken.

° nieuwe conceptie van plaats.
space of places maakt plaats voor space of flows.
Space of places = betekenis en geografische locatie zijn verbonden met elkaar. Specifieke culturen zijn gebonden aan bepaalde territoria.
Space of flows = betekenis en locatie zijn niet meer verbonden. Netwerken verbinden geografisch ver van elkaar verwijderde lokale culturen en geven aanleiding tot ontwikkeling van nieuw gedeelde culturen en betekenissen.

Nieuwe ruimtelijke logica => transformatie van geografie van samen-levingen.


° nieuwe stedelijke hiërarchieën: niet langer reflectie van plaats, maar van locatie in het netwerk van stromen van informatie, mensen of middelen.
Kern hedendaags stedelijk netwerk = Frankfurt, NY, Londen, Tokyo. Ze liggen geografisch ver van elkaar, maar sociale posities liggen dichtbij elkaar.

8.3.2.2 Idealistische theorieën: cultuur als motor van sociale verandering.


Weber: verklaring kapitalisme = voorbeeld van cultuursociologische verklaring voor sociale verandering.

8.3.2.2.1 De cyclische theorie van Pitirim Sorokin


Beschouwt veranderingsprocessen in termen van cyclische bewegingen, historische fluctuaties of steeds terugkerende veranderingspatronen.

Sorokin: Uitgangspunt = elke gemeenschap wordt gekenmerkt door een bepaalde mentaliteit, door Sorokin een type van culturele geestesgesteldheid genoemd.


=Algemene visie op werkelijkheid

3 types van dergelijke visies:


1. Sensate
Werkelijkheid op basis van zintuiglijke ervaringen. Nadruk op elementen die rechtstreeks bevrediging schenken aan zintuigelijke behoeften. Beheersing van omgeving en uitbreiding van materiële aspecten van de cultuur staan centraal.
Materiële aspecten = realiteit.
Behoeften: fysische aard.
Vooruitgang: controle van externe milieu.
Mens = extravert.
Kennis = gebaseerd op observatie en experimenten.
Kunst = gericht op entertainment.
2. Ideational
Geestelijke principes domineren. Achter het zintuigelijke zit een diepere innerlijke realiteit, die rechtstreeks verband houdt met de geest.
Het gaat over beheersing van eigen persoon.
Realiteit = geestelijk.
Behoeften: spiritueel van aard.
Vooruitgang komt door zelfbeheersing.
Mens = introvert.
Kennis berust op intuïtie en geloof in innerlijke ervaringen.
Kunst symboliseert hogere waarden.
3. Idealistic
Omvat harmonieus geheel van de belangrijke aspecten van beide extreme types en impliceert rationele wereldbeschouwing.

Sociale transformatie in muziek en schilderkunst
Types muziek komen overeen met types van culturele geestesgesteldheden.
Ideational muziek -> beoordeeld in termen van betrachting om bepaalde geestelijke toestand te symboliseren.
Sensate muziek: aandacht voor muzikale klanken zelf.
Hedendaagse muziek: uitdrukking belang van zintuiglijke en lichamelijke.




Sensate

Ideational

REALITEIT

Materieel, empirisch

Bewustzijn, transcendent

BEHOEFTEN

Zintuiglijk, fysiek

Spiritueel

VOORUITGANG

Beheersing omgeving

Zelfbeheersing

KUNST

Gericht op vermaak

Symbolische voorstelling van hogere waarden

BASISKARAKTER

Extravert

Introvert

BRON VAN KENNIS

Observatie en experimenteren

Intuïtie

Die 3 geestesgesteldheden volgen elkaar op in de vorm van cyclische bewegingen. Overgang is altijd gekenmerkt door idealistic stelsel.
Sensate cultuur: climax in 20ste eeuw. Climax bereikt => terug naar het ideational stelsel.

Methodologisch vlak: kritiek -> overvloedige gebruik van kwantitatieve gegevens + ruwe karakter van aangewende meetmethodes. Met betrekking tot wijsbegeerte legt hij lijsten aan met de werken van de belangrijkste filosofen. Elke type wordt getypeerd in termen van 1 van de 3 culturen.


Grootste percentage filosofen sensate => filosofisch subsysteem heeft sensate karakter.

8.3.2.2.2 De postmodernisatietheorie van Ronald Inglehart


Culturele evoluties volgen op wijzigingen in economische stelsel + kunnen ook de transformaties voorafgaan.
Laatste kwartaal 20ste eeuw = gekenmerkt door fundamentele wijziging in waardepatroon van westerse mens + basisinstellingen van westerse samenleving.

Culturele omslag: materialistisch -> postmaterialistisch waardepatroon.


Evolutionair denkkader: eenvoudige moderne samenleving -> complexe postmoderne samenleving.

Veranderend waardepatroon:

Materialisme (modern):


  • Economische zekerheid.

  • Orde en veiligheid.

Postmaterialisme (postmodernisme):

  • Levenskwaliteit.

  • Zelfontplooiing en -expressie.

  • Individuele vrijheid.

Samenleving evolueert weg van bureaucratisch georganiseerde massaorganisaties.

Kerninstellingen van moderne samenlevingen verliezen functionaliteit omdat ze niet tegemoet komen aan nieuwe behoeften en waarden.



Schaarstehypothese: doelstellingen of kernwaarden van personen vormen een weerspiegeling van de socio-economische situatie waarin ze vertoeven.
Materiële overvloed => aandacht voor hogere behoeften neemt toe.
Schaarste => materialisme.

Socialisatiehypothese: basispersoonlijkheid wordt gevormd gedurende de primaire socialisatie.

  • Intergenerationele verandering.

Beide hypothesen verklaren samen waarom relatie tussen economische welvaart en het dominerende waardepatroon van een samenleving niet eenduidig is: ook in welvarende samenlevingen leggen mensen immers nadruk op materialistische waardepatronen.

Modernisatie: 2 fasen

  1. Modernisatie
    -Economische groei + industrialisatie.
    -Van traditie naar rationaliteit.
    -Van toegeschreven naar verworven status.
    -Secularisatie en bureaucratisering.

  2. Postmodernalisatie
    -Van groei naar levenskwaliteit.
    -Van materialisme naar postmodernalisme.
    -Autoriteit ter discussie.
    -Traditionele instituties verliezen functionaliteit.

Kritiek:

  • hij gaat uit van evolutionair denkkader.
    Postmoderne samenleving: levenskwaliteit centraal.

  • Hij stelt maatschappelijke transformaties voor als veranderingen die zich binnen de samenlevingen ontplooien. Hij negeert dat samenlevingen deel uitmaken van een ruimer geheel en elkaar onderling beïnvloeden. Klemtoon ligt op interne oorzaken.

Inglehart + Sorokin: culture evoluties = veranderingen die min of meer los staan van de invloed van ontwikkelingen in andere maatschappijen.
Culturele diffusietheorieën: cultureel contact = bron van sociale verandering.

Waarden en waardeveranderingen internationaal bekeken
Inglehart: onderzoek naar waarden en waardeveranderingen = World Values Surveys.
-> 5-jarige studie: toont verschillende waardepatronen van traditionele, moderne en postmoderne samenlevingen.
Angelsaksische + Noord-Europese landen = volop in postmoderne samenleving.
Europese landen met historisch rooms-katholiek verleden = tussen modern en postmodern.
Zuid-Korea = modernisatieproces ten einde.
Latijns-Amerikaanse en Afrikaanse landen = nog vaak aan begin van proces.

8.3.3 Culturele diffusietheorieën


Cultureel contact = DE bron van sociale veranderingen.
Klassieke verklaringen voor sociale verandering vinden oorsprong in culturele antropologie: Diffusie = centraal.
Verklaring neolithische revolutie = landbouw is een technologische innovatie in 1 cultureel dominant centrum.
Empirische evidentie voor de verspreiding van landbouw vanuit Klein-Azië over Balkan en Italië naar West- en Noord-Europa.

Diffusie: 2 soorten



  • Rechtstreekse diffusie:
    Bevolkingsgroepen migreren en zetten gebruiken in nieuwe locaties voort, objecten of materialen verspreiden zich.

  • Stimulusdiffusie:
    Verspreiding van ideeën en technieken.

Factoren die overname vergemakkelijken:
-Materiële vs niet-materiële elementen.
-Duur van contact tussen gemeenschappen.
-Mate van integratie samenleving.
-Elementen vreemde cultuur in overeenstemming met dominante waarden binnen eigen gemeenschap.

Probleem diffusietheorieën = niet handelen over sociale veranderingsprocessen zelf, maar alleen over de wijze waarop die zich verspreid hebben + ze zeggen weinig over de voorwaarden.



Culturele diffusie: de introductie van arbeidscoöperatieven in Noord-Frankrijk
Voorwaarde culturele diffusie = contacten + communicatie tussen culturen.
-> migratie: nemen eigen cultuur mee: cultuur van inwoners overnemen of andersom.

19de eeuw: grootste groep migranten in Frankrijk (vooral Rijsel) = Vlamingen door economie.

Département du Nord = gekenmerkt door sterk groeiend textielindustrie. Vlaamse mensen kwamen in contact met Frans => xenofobie.

België was toonaangevend voor arbeidsorganisatie.


Coöperatie = verenigen van arbeidsgezinnen om gezamenlijke consumptiegoederen te kopen en produceren => organiseren tegen kapitalisme.

Utopische socialisme staat vijandig tegen coöperaties -> vehinderen sociale verandering.

Bekende coöperatie in Gent = Vooruit.

La Paix = eerste succesvolle arbeidscoöperatieve in Roubaix = opgericht volgens Belgisch model.

Introductie + succes hiervan in Frankrijk = sociale verandering door culturele diffusie. Franse arbeiders namen het over na contact met Vlamingen.

8.3.4 De wereldsysteemtheorie van I. Wallerstein
Begin jaren 70.
= reactie tegen modernisatietheorie (ging ervan uit dat jonge naties in de premoderne fase zitten en het traditionele samenlevingen waren die pas tot volle economische ontwikkeling zouden komen wanneer ze hun premoderne cultuur ontgroeien).

Convergentiehypothese = alle samenlevingen onder invloed van industrialisatie worden geconfronteerd met dezelfde maatschappelijke problemen, ze vinden hier soortgelijke oplossingen voor en beginnen zo meer op elkaar te lijken.
=> onderscheid traditioneel en modern.

Dekolonisatie: eerder divergentie. Kloof rijk Noorden-arm Zuiden stijgt + jonge naties worden autoritair of dictatoriaal.


Dependencia- of afhankelijkheidstheorie: voornaamste oorzaak van differentiële ontwikkeling van de 2 samenlevingen = Zuid-Amerikaanse economische en culturele afhankelijkheid van Noord-Amerika. Zuiden verpaupert.
Immanuel Wallerstein werkte dit meer uit:

Relatie van ongelijke ruil en afhankelijkheid = meer dan verhouding tussen staten. Het is onderdeel van de kapitalistische wereldeconomie, aan de basis van een wereldsysteem van staten en heeft een specifieke organisatie.



Wereldsysteem = een multiculturele, territoriale arbeidsdeling met 1 systeem voor de productie en ruil van alle goederen en ruwe grondstoffen die noodzakelijk zijn voor het dagelijkse bestaan van inwoners.
Deze theorie bouwt verder op inzichten dependentietheorie:
Bilaterale relatie van ongelijke ruil + afhankelijkheid zien in breder kader van kapitalistische wereldeconomie -> wereldsysteem.
2 soorten wereldsystemen:
-Wereldimperia:
Gekenmerkt door 1 gemeenschappelijk politiek systeem.
vb. Romeinse Rijk, Sovjet-Unie.
-Wereldeconomieën:
Politiek systeem is gefragmenteerd.
vb. Kapitalistische wereldeconomie.
-> Beiden zijn multicultureel + 1 volledige economie.

Politiek systeem van kapitalisme = systeem van nationale staten. Delen:


-Kern = Noord-Amerika, West-Europa en Japan.
Goed ontwikkelde steden, kapitaalsintensieve en gedifferentieerde economische productie + technologisch sterk ontwikkelde landbouw, hoge arbeidslonen, hoge arbeidsproductiviteit.
-Periferie = grote delen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika.
Sociale problemen, economische productie is arbeidsintensief en weinig gedifferentieerd. Lonen + arbeidsproductiviteit zijn laag + staatsvorming en sociale klassenvorming verlopen moeizaam + economisch belang is beperkt tot beschikbaarheid van ruwe grondstoffen en goedkope arbeidskrachten.
-Semiperiferie = schemerzone tussen kern en periferie.
Onderontwikkeling = gevolg van processen van kapitaalsaccumulatie in de kern het economische surplus dat gegenereerd wordt in de periferie doet afvloeien naar de kern => economische ongelijke ontwikkeling in kern en periferie.

Dit is niet statisch.


Wallerstein: economische, sociale en politieke cyclus.

Economische cyclus => delokalisatie bedrijven door nood aan goedkope arbeidskrachten.


Concurrentie => continue expansie.
Sociale cyclus reageert op de economische: stijging stakingen.
Politieke cyclus: hegemonie -> opleggen regels.
Wereldsysteemtheorie = krachtig instrument om politiek-economische en maatschappelijke processen te bestuderen die zich ontplooien in de wereld.

Kritiek wereldsysteemtheorie:


-Negatieve + pessimistische benadering van invloed van internationale economische verhoudingen.
-Te weinig aandacht voor andere factoren.


      • Wereldsysteem

      • pessimisme

        • Alles is economische strijd

        • Negeert positieve ontwikkelingen ten gevolge van integratie in de wereldeconomie

      Modernisatie vs wereldsysteem:


8.3.5 Theorie van de sociale hervormingsbeweging
A. Begripsomschrijving + studieveld:
Beweging = abstract. Dekt een geheel van niet-geïnstitutionaliseerde praktijken + vertogen (discours) die tot doel hebben sociale verandering teweeg te brengen m.b.t. bepaalde deelaspecten van de samenleving.

Sociale bewegingen
= gebaseerd op praktijken en vertogen die niet algemeen gedeeld worden door alle groepen in de samenleving. -> vaak tegengewerkt door machthebbers.
-Niet goed ingebed in dagelijkse praktijk.
-Moeten sociale basis hebben (support base) = geheel van mensen dat geacht wordt de beweging te steunen.

Aspecten centraal in sociale bewegingen:


1. ° binnen een specifiek geheel van historische, culturele en structurele voorwaarden.
2. ° beweging => problemen qua participatie
vb. Rekruteren nieuwe leden.
3. Georganiseerd: meest zichtbare aspect = Sociale Movements Organizations (SMO).
4. Bestaan => ze hebben gevolgen.

B. Ontstaan van sociale bewegingen
Verleden: negatief benaderd.
° bij snelle sociale veranderingen / wanneer maatschappelijke verhoudingen onder spanningen stonden.
Uiteindelijk: die zienswijze gaat uit van desintegratie van sociale verhoudingen om het ontstaan te verklaren.

Negatieve benadering:



  • ° op momenten van snelle sociale veranderingen.

  • Verklaring vertrekt vanuit desintegratie van sociale verhoudingen.

  • Sociale hervormingsbeweging.

  • Bv. Arbeidersbeweging in 19de eeuw.

Positieve benadering:

  • Een andere manier om aan politiek te doen, de politieke besluitvorming te beïnvloeden.

  • Verklaring a.d.h.v. macro-en micro-sociologische determinanten.


vb. Theorie van Blumer.

Theorie van Blumer
Veronderstelling dat sociale verandering afhankelijk is van sociale hervormingsbewegingen.
Uitgangspunt = een aantal personen zullen zich bewust worden van de noodzaak van sociale vernieuwing wanneer de bestaande maatschappelijke organisatie of bepaalde aspecten daarvan niet langer voldoen aan de behoeften.
Bewustwording groeit door onderlinge contact.
Verandering -> goed voor gemeenschap. Nood: publieke opinie achter zich hebben.

1 van de eerste fasen van sociale hervormingsbeweging: spuien van nieuwe ideeën via geschriften, persberichten, demonstraties -> bewustzijn vergroten.

Verandering = vernieuwing / innovatie in welbepaalde sector. Eerder in niet-materiële cultuur dan in de materiële.

Macrosociologische en structurele determinanten
Positieve benadering (nu): sociale beweging = andere manier om aan politiek te doen.

structurele kenmerken:



  • structurele distributie van politieke klassen (political opportunity structure) = ontvankelijkheid / kwetsbaarheid van politieke systeem voor georganiseerd protest.

  • Afwezigheid repressie.

  • Aanwezigheid van al bestaande organisaties.

  • Omvang van staatsinmenging in privésfeer => ° nieuwe sociale bewegingen (New Social Movements, NSM)

Strategie van SMO is afhankelijk van het politieke systeem.
Repressieve eenpartijstaat: clandestiene werking.
Belangengroepen ontstaan meestal in tweepartijensystemen.

Meso- en microsociologische determinanten en betekenissystemen

  • Wijze interpretatie van klachten.

  • Manier interpretaties omzetten in handelen.

  • Gemeenschappelijke definitie.

  • Van ‘onjuist en onveranderlijk’ naar ‘onjuist en veranderlijk’.

Probleemdefinitie:
“Reframing”: het passend herinterpreteren van het probleem dat men wenst aan te pakken.
-Duurzame ontwikkeling = economie en milieu gaan samen.
ipv niet realistisch, schadelijk.
-Hoog loon = koopkracht.
ipv loonlasten.
-Staatshervorming = goed bestuur.
ipv ideologisch / extreem rechts.

Mobilisatie en betrokkenheid
Support base / draagvlak = geheel van mensen dat geacht wordt de beweging te steunen:
a. ongewenste factoren als basis van participatie: vervreemding/isolatie.
b. rational choice paradigma: kosten-baten analyse.
c. kenmerken van sociale netwerken: leden rekruteren uit bestaande netwerken.

Inzichten uit rational choice paradigma:


Mensen participeren in sociale bewegingen omdat winsten die ze verwachten groter zijn dan de investeringen.
Anderen wijzen op belang van de kenmerken van sociale netwerken waartoe men behoort want sociale bewegingen rekruteren uit bestaande netwerken.

Organisatie -> support base:


-Arbeidsbeweging -> arbeiders, werknemers.
-Milieubeweging -> nieuwe, geschoolde middenklasse.
-Vlaamse beweging -> alle Vlamingen.

Executie door dodelijke injectie inhumaan
-> langere en pijnlijkere dood dan gewenst.
Cocktail:
-Thiopental = verdovingsmiddel.
-Pancuronium bromide = spierverlammer.
-Potassium chloride = stopt hart.

Afzonderlijk dodelijk, maar niet zo samen doordat verdovingsmiddel ervoor zorgt dat persoon buiten bewustzijn is. De verdoving kan niet goed worden ingeschat omdat het gewicht niet in rekening wordt gebracht.



Gevolgen van een sociale beweging voor de samenleving
Effecten zijn pas na lange tijd zichtbaar.
Algemeen: eerder culturele veranderingen dan structurele.
Culturele veranderingen uiten zich in gewijzigde attitudes tegenover hete hangijzers (vb. vrouwenrechten, gelijkberechtiging,..).
Gewijzigde attitude leidt niet altijd tot structurele verandering.

Factor die graad van succes beïnvloedt:


-het passend herinterpreteren van het probleem = reframing.

C. Revoluties
C.1 Begripsomschrijving
Theda Skocpol: revolutie = geheel van sociale processen waarbij politieke conflicten én veranderingen in verhoudingen tussen sociale klassen centraal staan .
=> snelle, fundamentele en gewelddadige veranderingen.

Politieke revolutie: dictatuur -> democratie.

Sociale revoluties ≠ rebellie en staatsgrepen.
Rebellie -> opstand van ondergeschikte sociale klassen. Dit is meestal gericht op een verbetering van leefvoorwaarden, maar brengt meestal geen totale maatschappelijke verandering teweeg.
Staatsgreep -> vervangt leiderschap van staatsstructuur, maar wijzigt de maatschappelijke verhoudingen niet ingrijpend.

C.2 Verklaring
2 groepen verklaringen: sociaalpsychologische en sociaalstructurele verklaringen.

Sociaalpsychologische verklaringen:
Nadruk op gemoedsgesteltenissen.
Centraal: hoe mensen de processen ervaren.
James C. Davies: revoluties komen voort wanneer na een lange periode van objectieve economische en sociale ontwikkeling een periode van scherpe terugval is.
Verklaring = periode van voorspoed doet verwachting ontstaan dat de noden continu zullen kunnen worden geledigd. Terugval => ° verwachting dat de gegroeide mogelijkheid om aan de behoeftes te voldoen, zal behouden blijven.
Bovenstaand model onderbelicht belang van sociale condities + structurele verhoudingen. Belang: externe en interne factoren: internationale context, relaties tussen staatselite, groepen die de staatsorganisaties onder controle hebben en andere maatschappelijke elites.
Kapitalisme is ook een factor. Dit bracht een herschikking mee van economische machtsverhoudingen.

Samenvattende theorie over ontstaan van revoluties: Goldstone (structurele verklaring).


in elkaar stuiken van staten wordt verklaard door 3 componenten:
-Fiscale spanning -> onmogelijkheid van de staat om staatsambtenaren en militairen te betalen.
-Conflict tussen heersende elites => onmogelijkheid om adequaat te regeren.
-Volksopstand, die samengaat met bovenvermelde processen en die tot de vernietiging van de staat leidt + tot het instellen van nieuwe machtscentra.
Deze 3 moeten aanwezig zijn voor volledige desintegratie van staat.

8.4 Slotbeschouwing


Sociale verandering: conflicten = drijvende kracht. Dit heeft positieve connotatie. Het verhindert verstarring.
1   2   3   4

  • Kritieken postindustrialisatiethese
  • Nieuw technologisch paradigma
  • Organisatie van informatie, mensen en middelen vraagt naar onderzoek en ontwikkeling, training en onderwijs op permanente basis.
  • Self-programmable labour
  • Culturele ruimte wordt 1 grote multimediale ruimte door opkomst internet. ° reële virtualiteit
  • Space of places
  • Cultureel contact
  • Dependencia- of afhankelijkheidstheorie
  • Wereldimperia : Gekenmerkt door 1 gemeenschappelijk politiek systeem. vb. Romeinse Rijk, Sovjet-Unie. - Wereldeconomieën
  • Wereldsysteem
  • Sociale bewegingen
  • Sociaalpsychologische verklaringen: Nadruk op gemoedsgesteltenissen
  • Fiscale spanning

  • Dovnload 307.33 Kb.