Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Geschiedenis van de Vroegmoderne tijd

Dovnload 101.74 Kb.

Geschiedenis van de Vroegmoderne tijd



Datum13.06.2017
Grootte101.74 Kb.

Dovnload 101.74 Kb.

Geschiedenis van de Vroegmoderne tijd:

Deel VIII: Sociaal-economische ontwikkelingen, eind Xve – eind XVIIIe eeuw



Hoofdstuk 1: Het Malthusiaanse spanningsveld overwonnen?


§ 1. De denkwereld van de Nieuwe Tijd



  • mentale vernieuwing: humanisme, reformatie, antropocentrisme & rationalisme,…

      • intellectueel emancipatieproces via boekdrukkunst, lekenonderwijs

      • los van scholastiek en theologie, weg van theocentrisme & statisch wereldbeeld uit ME



  • 16de eeuw: wetenschappelijke revolutie (inductie, observatie, experiment)

      • vooral ambachtelijk, zwakke band technische uitvinding & wetenschappelijk onderzoek

      • eerste stappen in de ontwikkeling v.d. zuivere wetenschap



  • 18de eeuw : verlichting : experiment + 19de eeuw : scheikunde: kloof wetensch./industrie dicht



  1. veranderingen op vlak van economisch-politieke organisatie: ‘stadseconomie’ wordt staatshuishoudkunde’ v.h. mercantilisme



  • economische oorzaken: aantasting economische macht v.d. ME-steden door laat-ME crisis

    • ontwrichting ec. leven/financiën door hoge mortaliteit, oorlogsoperaties, kwijnende trad. textielnijverheid

    • enkel handhaving steden in Ned. & It.: herstructurering industrie + stedelijke rijkdom blijft struikelblok vorstelijk centralisme  elders worden vorsten machtiger, Romeins staatsidee

    • individualistische theorie v. Il Principe (Machiavelli) (t.n.v. religieus universalisme)



  • mercantilisme = economische vertolking nieuwe leer over prioriteit v.d. macht v.d. staat

  • geheel van voorschriften & normen v. ec. politiek die de macht v.d. staat moeten verstrekken

  • G.B. = uitbouw handel; Fr. = nijverheid (Colbert); Pruisen = agrarisch/populationistisch beleid & Kameralisme

  • kenmerken: chryshedonisme (basis = goud & zilver), streven nr. positieve handels- & betalingsbalans, staatsinterventie in nijverheid/handel/transport, protectionisme

 ook in ME-steden maar op kleinere schaal

§ 2. De interseculaire demografische stagnatie

  1. Malthusiaanse problematiek opgelost door maatsch./ec./mentale mutaties v. 16-18de eeuw?



  • 1340-1750: bevolking trage groei, pas na mid. 18de eeuw intens groeitempo zoals nu

  • bevolking: Fr., Sp., Port. = stabiel, Duitsland lichte groei, Polen verdubbeling + na 1600 stagnatie, Britse eilanden + Lage landen = gunstiger



  • verklaringen voor afwezigheid echte demografische groei in pre-industrieel Europa:

  • wapengeweld

  • structurele factoren (naast toevallige): door demografische structuur met hoge fertiliteit & hoge mortaliteit

    • late huwelijksleeftijd: lange lactatieperiodes/seksonderbrekingen om economische (oogst), religieuze (advent/vasten) redenen

    • hoge mortaliteit (kinderen, adolescenten, volwassenen)

    • veel ongehuwden

    • dalend aantal onwettige geboorten

    • vroegtijdig onderbreken huwelijk (sterfte)



  1. hoge mortaliteit door:



  • hongersnood: te wijten aan onvolkomenheden in structuur vraag-aanbod graangewassen

    • gebrek goed(kop)e substituten = bij misoogst toch constante vraag/aanbod v. brood

    • prijzen ↑ onevenredig met aanbod ↓ (wet v. King1)  te weinig graan = ondervoeding, verzwakking, minder weerstand tegen ziekten

    • verbeterde later met invoering subsituut aardappel



  • fluctuaties v. graanaanbod door klimatologische omstandigheden of oorlog

  • ontspanning door graaninvoer?  duur, langzaam, vaak gehinderd door oorlog/embargo’s



  • hongersnood= hoge graanprijzen = lage conceptie/nataliteits/nuptialiteitscijfers + hoge mortaliteit  graanprijs = demografische barometer



  1. DUS tragere demografische groei door: laat huwelijk, hoge mortaliteit door gebrekkige geneeskunde/hygiëne, oorlog, hongersnood, ziekte

huwelijksuitstel bracht bevolkingsgroei onder controle

    • huwelijksuitstel door mentaliteitsverandering o.i.v. renaissance, hervorming, contrareformatie

    • effect: als ec. produktie ↑ wordt inkomen per capita minder ondermijnd door overbevolking

  • inkomen per capita gevrijwaard = consumptie kan stijgen + men kan meer sparen

  • spaargeld investeren in infrastructuur + rationalisatie v. industriële productie

  • demografische controle zorgt voor stijgende consumptie & investeringen = 2 grondpijlers I.R.

§ 3. Het beperkte karakter van de agrarische vooruitgang

  1. nieuwe tijd = landbouw belangrijkst + grootgrondbezit domineert

 toch tendens tot verbetering persoonlijke rechten boerenbevolking  verschil O/W-Europa

  • W-Europa: ontbinding feodaliteit = slavenarbeid & lijfeigenschap geleidelijk verdwenen

    • heerlijke verplichtingen bleven voortbestaan tot einde A.R.  remde agrarische vooruitgang

    • 10en, grondcijns, pachtsom, banaliteit, rente, belasting aan centraal gezag, karweidienst



  • O-Europa: omgekeerd (vb.: Polen)  vroeger goed statuut boeren, vanaf late ME slecht

    • vanaf dan graanleveringen aan NW-Europa  vergt kapitaal + leiderschap

>> Grootgrondbezitters nemen organisatie op zich + profiteren van groeiende pol. & ec. macht: kopen kleine heerlijkheden + usurperen boerenbedrijven + beknotten vrijheid boeren

= la deuxième feodalité



    • versterking lijfeigenschap + verslechting levensomstandigheden tasten productiviteit grond & arbeid aan

    • minder tijd voor eigen grond=minder opbrengst=minder voedsel, gezondheid ↓

    • vicieuze cirkel  bevolking raakt uitgeput  ook minder productie op domeinen

= algemene demografische & agrarische stagnatie  na 1650 alg. depressie & sociaal immobilisme



  1. laatste 2/3 15de e. in Ned. = dalende landbouwproductiviteit, toch geen catastrofale depressie



  • men zocht naar innovatie om aan moeilijkheden te ontsnappen: betere rotatietechnieken, voedergewassen, 3slagstelsel (braak↓), beter alaam, specialisatie, plattelandsindustrie



  • bij einde wapengeweld (eind 15de e) legden deze innovations qualitatives (Simiand2) de basis voor agrarische groei  hoogtepunt Z-Ned. = mid. 16de e.; N-Ned. = 17de e.

      • stijging grondproductiviteit door technologische/organisatorische vooruitgang, specialisatie/diversificatie v. gewassen

      • bloei handel & mogelijkheid tot aanvoer graan uit Balticum door martieme ligging Ned.

      • bevorderde interregionale arbeidsverdeling: meer tijd voor industrie + speciale teelt (extensief vee, visserij, zuivel, tuinbouw) om rendement in landbouw op te drijven

      • met extra brain-drain vanuit Z-Ned. werd landbouw meest vooruitstrevende v. 17de eeuw



    • toch geen kwantitatieve vooruitgang  verzwakking expansie na 1714 door inzinking graaninvoer, oorlogsoperaties Lodewijk XIV, veepestplagen na 1714



  1. duidelijk verschil tussen It./Ned. & andere landen  elders bleef agrarisch herstel na 1450 beperkt tot trage inhaalbeweging naar peil v. 1300

 ontoereikeende agrarische productie = vanaf 1550 Malthusiaanse spanning

 demografische druk op landbouwsector = scherpe prijsstijging of ‘prijsrevolutie’



        • specifieke intensiteit v. Malthusiaanse spanning in elk gebied door trage verschuiving ec. zwaartpunt v. Mediterrane regio naar Atlantische ruimte

      • felste prijsrevolutie rond Mid. Zee + 1620/30 hongersnood, pest & bevolkingsinzinking

      • daarna agrarische stagnatie (~ Sp., Port., It. in 1ste helft 17de eeuw)



  • Noorden: meer vitaliteit in agrarische expansie: verdere aangroei in Fr. & DE:

  • DE: 1618-1648: Malthusiaanse spanningen: achteruitgang door pol. factoren (30j-oorlog)

  • Fr.: keerpunt bij ineenstorting Lodewijk XIV

  • rond 1700 stagnerende landbouweconomie + sterk verminderde bevolking



  • Eng.: uitzondering! Weinig militair geweld, commercieel-maritieme ontwikkeling Atlantische
    economie, vooruitgang landbouwtechniek  vanaf 17de e. agrarische revolutie







        • hypothese over ‘betere controle’ over bevolkingsontwikkeling VS. demografische druk in loop 16de eeuw = NIET met elkaar in tegenspraak!

  • betere controle is enkel algemene langzame tendens die geleidelijk versterkte

  • bevolkingsaangroei bleef dus mogelijk tijdens expansieve periode v. 16de eeuw (door betere voeding + verlaging huwelijksleeftijd)  juist geen dramatische overbevolking zoals ervoor



        • vooruitgang v. agrarische arbeids/grondproductiviteit in Ned. VS. prijsrevolutie v. 16/begin17de eeuw zijn ook NIET met elkaar in tegenspraak!

      • vrij geringe bevolkingsvermindering in 14/15de eeuw in Ned.  elders was bevolkingsgroei v. 16de eeuw inhaalbeweging voor demografische verliezen v. 14/15de eeuw  Ned.: bevolkingsaangroei is groei i.p.v. inhaalsbeweging

      • wegens maritieme ligging grote verbintenis Ned. met rest Europa  prijsstijgingen voelbaar!


Hoofdstuk 2: De opbouw van de Atlantische handelseconomie


correcties van voorgaand model voor mercantilistische tijd: herhaling v. proces v. groei & verzwakking v.d. transcontinentale handel

    • hoge bloei in 16de eeuw + stagnatie in 17de eeuw

    • continue expansie maritieme handel tijdens nieuwe tijd

  • intussen wel verschuiving maritiem zwaartepunt v. Z-Europa naar NW-Europa

  • geen ongestroorde groei v. maritieme handel voor mediterrane economie! Wel Atl. ec. ~ monetair: 16de eeuw = grote zilverstukken + overvloed edelmetaal  17de eeuw = deflatie3

§ 1. De nieuwe expansie van de Europese handel over land en de verdere groei van de
maritieme handel in de 16de eeuw

  1. herleving Europese handel over land na 1450 door 2 pijlers:



  • economische opgang Z-Duitsland (vb.: Neurenberg)

  • heropening zilvermijnen, door veralgemening nieuwe zuiveringstechnieken

  • versterkt door investering kooplieden (Fuggers) + industriële traditie

 gunstige ligging t.o.v. Italië als tussenpersonen tussen Levant, It., NW-Eur. (vb. Augsburg)

  • bloei Brabantse jaarmarkten (Bergen op Zoom, Antwerpen)

  • Engels laken geen toegang meer tot Vlaamse markt maar wel tot jaarmarkten

 A’pen werd stapelplaats voor hele continent

  • drukke contacten met Keulen & Duitse achterland

  • monetaire politiek Karel de Stoute zorgde voor overwaardering zilver

 zilver vloeit af nr Brabantse jaarmarkten  bankfilialen Z-Duitse bankiershuizen in A’pen

  • profiteerden van uittocht Brugse kooplieden in jaren 1485-93



  • na 1500: nieuwe transcontinentale handelswegen via jaarmarkten in Castilië & Lyon

 ontstaan grote internationale transportfirma’s+ organisatorische vernieuwingen (post, krediet)

= verdere impuls voor Europese verkeer over land



  1. versnelde groei maritieme handel in ruime mate gedragen door overzeese kolonisatie

Antwerpse haven groeide uit tot dominerende wereldcentrum inzake opslag & distributie

  • Europa levert: koopwaren, koper, zilver (Z-DE), It. zijde, Eng. laken, ambacht. Producten

  • Europa biedt afzetmarkt voor koloniale producten

  • A’pen exclusieve stapelmarkt & verdeler v. Portugese koloniale handel

  • Port. kon routes nr Midden/Verre-Oosten niet beveiligen (Venitië) monopolie fini

  • toch behoud van dominerende handelspositie (grootste handelsmetropool W)

  • A’pen opnieuw grote begunstigde bij Spaanse kolonisatie  hoogtepunt mid. 16de e.

  • A’pen werd aanzienlijkste internat. markt v. NW-Eur.+ econ. zwaartepunt Lage Landen



  1. punt 1+2 gaven het commercieel kapitalisme een duidelijke impuls + hielp econ. groei v. 16de e.



    • als gevolg v. hoogconjunctuur:

  • gunstige prijs/inkomenseffecten + opwaartse4 & neerwaartse bindingen5

    • prijsverlagingen = verbeterde koopkracht + stimulans voor handel in vreemde waren

    • inkomenseffecten = activering v. sluimerende reserves aan arbeid & natuurlijke rijkdommen  verhoogde winning v. stoffen zorgde voor nieuwe werkgelegenheid, nieuwe inkomens, nieuwe koopkracht

    • ook transfer v. arbeid v. platteland naar steden  hogere productiviteit steden = extra-inkomens, meer koopkracht & vraag

  • handel zorgde voor neerwaartse bindingen4 (nieuwe vraag naar goederen)  opwaartse bindingen doordat handel voor nieuw aanbod v. goederen zorgde

  • mede mogelijk door ontginning woeste gronden & opening nieuwe mijnen

  • technologische/organisatorische vooruitgang zorgde voor lagere transportkosten (zowel
    over zee als land) + deed transactiekosten dalen



  • democratisering verre handel: 16de e.: kleine kooplieden kunnen deelnemen (= einde monopolie It. familiebedrijven wegens te dure organisatie)

  • mogelijk dankzij nieuwe handelstechnieken (commissiehandel6, participatiehandel7)

  • nu ook Z-Ned. Handel + actieve internationale deelname (= goedkopere transactiekosten + versnippering commercieel inkomen over groter deel bevolking)

§ 2. Het verval van de transcontinentale handel en de inzinking van de mediterrane
economie in de 17de eeuw

  1. 2de helft 16de eeuw: einde expansie transcontinentale handel: oorzaken:



  • vertraging in groei Z-Duitse economie  door uitputting mijnen + Eng. Gietijzer



  • Z-Duitse kooplieden schakelden na 1520 over op financiële activiteiten i.p.v. handel (Fugger)



  • velen gingen ten onder aan Spaanse staatsbankroet van Filips II (1557)



  • teruggang Italiaanse tussenhandel  dynamiek v. traditionele land routes gebroken door concurrentie van de directe straatvaart v.d. Hollanders & Engelsen



  • toenemende oorlogsactiviteiten: 80j-oorlog in Ned. (A’pen!), Fr. Burgeroorlogen, 30j-oorlog,…

  • slecht voor handelsactiviteit op het continent: handelaars stopten actieve handel wegen te gevaarlijk  la trahison de la bourgeoisie: ze kochten onroerende goederen & adeltitels + investeren in landbouw



  1. verschuiving economisch zwaartepunt v. Mid. Zee naar Atl. Oceaan voltooid in 17de eeuw



  • weerstand Mediterrane economie = sterk!  na 1540 nieuw succes: revanche méditerranéene



  • nadelig voor de herleving:

  • verzwakking Z-DE + Ned. schakelde de traditionele tussenpersonen & afzetmarkten v. d. Italiaanse Levanhthandel uit

  • Straatvaart ging Italië van Baltisch graan voorzien + traditionele graanaanvoer vanuit Zwarte Zee door Ottomanen afgeleid  Holland & Eng. trekken hele handel tussen It. & NW-Europa naar zich toe

 1625: volledige uitschakeling traditionele It. Levanthandel + tussenhandel met NW-Eur. = einde exportnijverheid & overzeese handel, verarming bevolking+ misoogsten & pest

  • Spanje: 16de eeuw = politiek, economisch & cultureel hoogtepunt: siglo de oro

    • slechte politieke beslissingen + oorlog vergden zware materiële offers  staatsfinanciën ↓



    • volop profiteren van zilverovervloed zonder handel & nijverheid te herstructureren + eigen productieproces & nationale handelsorganisatie op te bouwen

    • enorme import zorgde voor tekort in handelsbalans, opgeloost door zilverexport.

    • bij uitputting zilveraanvoer werd de Spaanse economie bezegeld

    • door afwezigheid industrieel productie-apparaat, gebrek aan geschoolde arbeidskrachten,

    • uitdrijving joodse/moorse handelaars, conservatieve ambachtenbeleid, grote bureaucratie

§ 3. De opbloei van de atlantische handel in de 17de en 18de eeuw

  1. intussen spectaculaire bloei v. maritieme handel in N-Atlantische kuststreek

fase 1 beheerst door Holland (1650-1680), fase 2 door Engeland (daarna) => Hollands succes v. 17de eeuw steunde op 3 grote pijlers:

  • Oostzeevaart: graanimport uit Balticum, Noors hout, Zweeds koper/ijzer, huiden,… deze handel was moedercommercie of hoofdnegotie

  • Levantvaart of straatvaart (vanaf eind 16de e.)  It. bemiddelingsfunctie = uitgeschakeld gebruik zilveren negotiepenningen v.d. Amsterdamse Wisselbank  deflatie! (Ag nr. Z)

  • succes op niet-Eur. zeeroutes  verovering Portugese factorijen i.d. Indische Oceaan

    • VOC, WIC (Brazilië, Antillen), Nieuw-Nederland in V.S.

    • geen grootse kolonisaties & volksplantingen in de Nieuwe wereld  verloren aan Eng.

    • hierdoor werd Amsterdam centrale pakhuis Europa  opgaande conjunctuurbeweging voor nijverheid, landbouw, bevolking + commercieel &

    • industrieel succes gebaseerd op principe v. universeel liberalisme & vrije zee



  1. Hollands gouden 17de eeuw: reeds voor midden eeuw verstarringsverschijnselen:



  • moedernegotie begon in belang af te nemen  structurele moeilijkheden in Poolse economie

+ daling wereldvraag naar Hollands graan door demografische stagnatie in Europa (1630-1700)

+ toenemende agrarische autarchie DE & meer eigen voedselproductie in Eng., Sp., Port., Vl.



  • 17de eeuw = volledige ontplooiing Europees mercantilisme: protectionisme i.p.v. liberalisme

  • protectionisme nog versterkt door stagnatie continentale & Z-Europese economie

  • grote financiële offers van Republiek voor zeeoorlogen met Eng. + Lod. XIV



  • binnenlandse factoren: republikeinse bestuursvorm & decentralisatie v. instellingen hadden zich tegen eind 17de e. geconsolideerd tot een oligarchisch & thalassocratisch beleid8

    • nationale rijkdom geconcentreerd binnen conservatieve machtselite die via bestaande instellingen macht behield  ondermijnde dynamisme v. commerciële middengroepen

    • kooplieden trekken beleggingen weg uit handel & investeren in financ. sector & speculaties



  • oorzaak in de aard v.h. Hollands commerciële kapitalisme zelf

    • maritieme expansie was hoogtepunt Europees kapitalisme dat met opkomst steden was ontstaan  plafond was bereikt: Gouden Eeuw niet gedragen door radicale vernieuwing v. productiestructuur of economisch systeem, maar door kwalitatieve verfijningen & organisatorische vooruitgang binnen de gegeven traditie v.h. handelskapitalisme

    • Atlantische handel: verdere uitbouw v. Portugees systeem van handelsfactorijen a.d. kust, roofeconomie, plantagecultuur, slavenarbeid

  • dit systeem belet ontwikkeling ruime vraag in kolonies zelf, er is geen echte agrarische kolonisatie

  • poging tot agrarische kolonisatie in N-Am., maar mislukt wegens hoge kost + snel toenemende niet-Hollandse bevolking

  • Holland had zich te diep ingegraven in het traditionele commerciële kapitalisme & oppervlakkige exploitatie v. kolonies !!!



  1. 2 hoofdfactoren voor stagnatie Europese economie in 17de eeuw:



  • verzwakking in dynamiek v.d. transcontinentale handel: mercantillisme, ondergang Sp. & Lod 14



  • karakter van de maritieme handel: blijvende expansie in NW-Europa maar maritieme bloei bleef beperkt periferisch Europees verschijnsel met onvoldoende kracht om de economische achteruitgang in centraal- & Z-Europa te compenseren (ook koloniale handel niet!)



  • succesvolle overgang naar systematische kolonisatie enkel door G.B. gerealiseerd

    • basis voor Engels commercieel kapitalisme = versterking vloot onder Elisabeth I + Navigation Act & Staple Act v. Cromwell & Karel II

    • asiento de negros9 versterkte expansie + verschafte middelen om te investeren

    • N.V.-formule  ondersteunde nieuwe (binnenlandse) koloniale structuur aan oostkust N-Am.

    • deze overzeese economie werd vanaf 2de helft 18de e. hoeksteen industrieel kapitalisme


Hoofdstuk 3: De industrie onder controle van de centrale overheid


§ 1. Concentratie en verspreiding van industriële vooruitgang in de 16de eeuw





  • stijging inkomen per capita in Europa na 1450 = toename vraag naar fabrikaten

  • gebieden met primitieve econ. kunnen vraag niet direct beantwoorden  prijzen ↑, kwaliteit ↓

  • gebieden met vooruitstrevende econ. & industriële traditie kunnen vraag wel opvangen

 door herstructurering industrie was ambachtelijke productie gestegen

 voor 16de eeuw enkel voor thuismarkt, daarna exportsector voor Europa in Ned. & It.



  • gevolgen:

    • achtergebleven streken konden geen dominerende gespecialiseerde industrie opbouwen + bestaande weggeconcurreerd door producten uit vooruitstrevende streken  industriële expansie werd zo betaald door stagnatie in minder fortuinlijke gebieden

    • vooruitsrevende zones steeg inkomen nationaal + per capita (door hogere productie)

    • dankzij export: meer werkgelegenheid, meer geschoolde arbeiders ingezet voor meer waardevolle producten, schaalvergroting, arbeidsverdeling binnen luxe-industrie, verrijking kooplieden door verre handel

    • plattelandsnijverheid (linnenindustrie) in Ned. verschafte de landbouwers een extra-inkomen

    • productie v. gestandardiseerde fabrikaten, gesteund op arbeidsverdeling, verhuisde naar platteland, waar lonen lager bleven



  1. toch slaagden progressieve regio’s er niet in de industriële voorsprong qua stedelijke productie v. kwaliteitsgoederen binnen het eigen gebied te handhaven  vanaf laatste decenia 16de eeuw diaspora van industriële technici uit Ned. & It.



  • 80j-oorlog in Ned.: trof meest plattelandsindustrie, vanaf godsd.-repressie ook de steden, volledige ramp na herovering Z-Ned. door Fernese & sluiting schelde  exodus!

  • door braindrain werd Nederlandse knowhow verspreid over heel Europa

  • ook diaspora door Europees mercantilisme: was moeilijk voor export

  • uitwijking naar hoofdstad waar aanwezigheid v. elite de vraag nr luxegoederen verzekert

  • Italië: voornaamste redenen zijn de inzinking v.d. Mediterrane economie + mercantilisme

  • conclusie: positief voor Europa, negatief voor Ned. & It. (groot verlies + nieuwe concurrentie)

§ 2. De “eerste industriële revolutie” van de 16de-17de eeuw

  1. late ME: zware industrie (steenkool/metaalnijverheid) wint aan belang



    • definitieve vooruitgang vana 16de e. dankzij verbetering productietechniek + stijgende vraag

    • 16/17de eeuw: ZO-Eng., Luik, Zweden: verandering waarbij kwantitatieve factoren de structuurverandering gingen bepalen



  1. veranderingen in vraag/aanbod zorgen voor kwantitatieve expansie steenkoolnijverheid



  • stijging vraag: grotere behoefte huisverwarming door verstedelijking: hout, houtskool, turf

      • ecologische redenen zorgen voor reglementering houtsprokkelen & turfsteken

      • overschakeling naar overvloedig aanwezige + goedkopere middelen zoals steenkool

      • voor industrieel gebruik: o.a. ijzerindustrie



  • stijging aanbod moest gestegen vraag opvangen

  • nieuwe graaf- & stuttechnieken maakte diepere delving steenkool mogelijk

  • atmosferische vuurpomp voor wegpompen water in mijngangen



  1. ijzernijverheid werd in 16/17de eeuw begunstigd door expansie v.d. wapenindustrie

 vooral in Luik, ZO-Eng., Zweden (voorbeeld kanonskogels)

 gietijzeren kanonnen in Eng.  door innovatie & technologische voorsprong verlegde het


zwaartepunt v. Europa’s zware industrie zich naar Engeland

§ 3. De industrie en het mercantilisme tijdens de 17de en 18de eeuw

  • mercantilistisme vooral gericht op ontwikkeling industrie import tegengaan & export stimuleren

  • Frankrijk: Colbert (onder Lod. XIV):

      • grenzen open om buitenlandse ondernemers & hooggekwalificeerde arbeiders massaal te lokken met gunstige voorwaarden

      • oprichting staatsbedrijven + ondersteuning & aanmoediging privé-ondernemingen (via

      • subsidies, rentevrije leningen, belastingvrijstelling, titels, pensioen, octrooi)

      • stimuleren van manueel vervaardigde exportproducten van hoge kwaliteit + beschermen
        tegen buitenlandse concurrentie  strenge kwaliteitscontrole

      • beste grondstoffen in eigen land houden + export van producten aangemoedigd

        • korte termijn:

positief effect op werkgelegenheid + nationaal inkomen

        • lange termijn:

eerder negatief effect

 versterking malaise Europese economie!

 protectionistisch klimaat werkt schaalverkleining in de hand, verzwakt concurrentiegeest, remt technologische vooruitgang af + ondermijnt efficiëntie v.d. industriële productie

 leidde dus NIET tot Industriële Revolutie (18de e.) want men kiest de optie van arbeidsverfijning & arbeidskwaliteit, en zo die van technisch & technologisch immobilisme

 Engelse plattelandsindustrie die opteert voor kwantitatief transformatieproces  I.R.

Hoofdstuk 4: De financieel-technische revolutie


§ 1. Overvloed (1460-1650) en schaarste (1650-1750) aan muntstukken in de nieuwe tijd



  • ±1640: einde muntschaarste  uitbreiding zilvermuntcirculatie door Ag in Tirol/Boh./Saksen/Sp.

  • 1460-1510 relatieve overvloed van zilver t.o.v. goud  koersen zilvermunten ↓

  • goud door overheid ondergewaardeed zodat het uit de omloop verdween (Wet v. Gresham10)



  • 1500-1510: einde overwicht zilvermuntcirculatie  vanaf 1470 goud uit Afrika + vanaf 1503 uit Amerika  goud verovert plaats in internationaal betalingsverkeer

  • ook kwaliteit muntslag verbeterde toen door betere ontginnings/zuiveringstechnieken

  • zuiverder edelmetaal  streven naar meer uniformiteit in munttypes wordt merkbaar



  1. rond 1530: Indiaanse goudvoorraden uitgeput + ook einde Portugese goudaanvoer uit Afrika



  • nieuwe zilvermijnen van Potosí in Peru & Zacatecas in N-Mexico  zilverregen vanaf 1550

  • na 1550 & tijdens hele 17de eeuw domineert zilver opnieuw in internationaal betalingsverkeer



  • verband spectaculaire toevoer v. zilver & scherpe prijsstijgingen in 16de eeuw

  • kritiek: in sommige landen was de prijsstijging reeds voordien aan de gang, terwijl ze elders nogal traag stegen in periodes van snel toenemende zilverimport

  • volgens sommigen fictief en enkel aan de grote 16de eeuwse devaluaties toe te schrijven

  • koopkracht ↓ (meer geld nodig om hetzelfde te kopen)

>>> theorie afgewezen! Tempo prijsstijgingen & devaluaties lopen te sterk uiteen voor de meeste landen+ ook in landen met stabiele munt zijn er prijsstijgingen



>>> zilverregen en devaluaties speelden zeker een rol, maar ook belangrijk was de toegenomen spanning tussen bevolkingsgroei & beschikbare bestaansmiddelen!!!  door bevolkingsgroei tekort aan agrarische producten: = prijsstijgingen

  1. dalende trend v.d. graanprijzen na de inzinking v.d. Mediterrane economie, stagnatie v.d. transcontinentale handel, verdwijnen v. ziekte, oorlog & relatieve overbevolking



  • Middellands Zeegebied: 1620/30 reeds keerpunt  Atlantische landen & N pas rond 1650



  • 1650/60= zilveraanvoer uit Mexico/Peru verzwakt + groot zilververlies aan Verre/Mid.-Oosten door grote vraag naar exotische luxegoederen bij hogere klassen v. voorspoedige gebieden



  • 2de helft 17de + 1ste decennia 18de eeuw (~ periode 1320-1460)  laagconjunctuur, crisis

  • deflatie, devaluatie, zilverafvloeiing naar het Oosten

  • compensatie door nieuwe geldvormen: bankbiljetten (ander papieren geld al in ME) of waar dat er niet was, extra aandacht voor kwaliteit v.d. muntslag (vb.: Frankrijk)

§ 2. Nieuwe kredietinstrumenten op de geldmarkten van Antwerpen, Amsterdam & Londen

  1. 1500: exclusieve hegemonie Italiaans bankwezen was verleden tijd



  • gebeurde niet in 1 keer

  • tijdelijk economisch herstel tussen 1540-1600, vanaf 1550 zelfs nieuwe deposito-banken

  • was slechts een nazomer: geen verdere innovatie, bloei teerde op verworven technieken + zwaartepunt v.d. financieel-technische vooruitgang verlegde zich definitief naar N

  • 1630: definitief einde It. hegemonie: pest, ondergang Levanthandel, Sp. Staatsbankroet

  • Italiaanse erfenis ging naar Antwerpen (na 1510), Amsterdam (vanaf 1609), London (na 1650)  ook op financieel gebied triomfeerde de Atlantische economie




  1. vanaf 1510: Antwerpse geldmarkt is in staat om functie v. Brugse concurrent over te nemen



    • toch herhaalde faillissementen v. private wisselaarsbanken + afwezigheid stedelijke banken



    • start specifieke ontwikkeling die zou leiden tot negociabiliteit11 v. effecten & wisselbrieven

  • ME: enkel transferabele handelsdocumenten11 want geen garanties = vertrouwen nodig!

  • volstond niet meer na de handelsexpansie v.d. 1ste helft v.d. 16de eeuw  om ciculatie in algemeen milieu mogelijk te maken waren financiële/juridische garanties tegen niet – betaling nodig die in het document zelf vervat lagen  vereist grondige verandering bestaande handelswetgeving + vernieuwing financiële technieken

  • A’pen: wijziging wetteksten zodat juridische waarborgen v.d. houder v.e. handelsdocument officieel werden erkend  later ontstaan endossement12 en discontokrediet13 (= op directe manier voorbereiding v.h. moderne bankbiljet)

  • verdere ontwikkeling in A’pen belet door opstand tegen Spanje  elders verdergezet



  1. 1609: Amsterdamse Wisselbank  alternatief voor optreden kassiers



  • hoofddoel = N-Ned. handel met Balticum & Verre O. voorzien v. goede/waardevaste munten

  • groeide uit tot deposito-girobank die verrekeningen14 uitvoerde, kredieten toestand, handel dreef in edele metalen

        • na storting v.e. klant opent de bank een rekening of crediteert ze de rekening v.d.

        • deponent voor een bepaald bedrag in bankguldens
           bank doet overschrijvingen: eerst intern per bank, later tussen verschillende wisselbanken

          • groot aantal overschrijvingen & verrekeningen want alle wisselbrieven +600 gulden moesten via wisselbank gebeuren

          • bank kreeg internationale betekenis, verrekeningen op multilaterale basis + bankgulden werd sleutelvaluta15

          • mocht geen krediet verlenen : elk depositomoet materiaal aanwezig zijn in de kluis  vlug uitzonderingen: wel aan Staten v. Holland, VOC, Amsterdam & bep. Kooplui

          • ook handel in goud & zilver  accepteerde alle edelmetaal  gaven negotiepenningen uit werd belangrijkste functie v.d. bank in 18de eeuw



  • toch moeten we rol v.d. Amsterdamse Wisselbank relativeren  situeerde zich volledig binnen de Italiaanse traditie

          • vitaliteit tot diep in 18de e. verklaren we door optreden v. kassiers die na 1650 opnieuw sterk op de voorgrond kwamen voor verlenen v. kredieten & financieren v. discontokrediet

          • sommige groeiden uit tot grote bankiershuizen die in 18de eeuw drukke handel dreven in waardepapieren v. Europese naties

          • Amsterdamse Wisselbank keerde zich af v.d. Antwerpse technieken

>>> Waarom deze conservatieve oriëntatie?

        • Te recente technieken om te vertrouwen!

        • rechtstreekse contacten met Italiaanse zakenwereld (begin 16, begin 17de eeuw)



  1. Londense bankwereld volgde resoluut de Antwerpse financiële innovaties (↔ Amsterdam)



  • vertrouwd met overgang naar nieuwe technieken door commerciële contacten met A’pen

  • 1571: Thomas Gresham opent Londense Beurs als kopie van Antwerpen

  • toepassing A’pense technieken pas na 1650 massaal toegepast (door onlust: Cromwell e.d.)

  • 1650: gaan stap verder door uitgave v. rentedragende depositocertificaten

  • evolutie tot promessen16 die men negociabel maakt door endossement12 toe te passen

  • werd snel gebruikt door particulieren voor betalingsverrichtingen  verzilveren vóór vervaldag was mogelijk door het disconteren

  • dit was een gesystematiseerd deposito/giro/discontobankwezen op grote schaal

  • moderne bankbiljet vond hier zijn ontstaan



  • volgende stap = door overheid erkend uitgiftemonopolie v. bankbiljetten aan de Bank of England (= 1ste bank ter wereld met N.V.-statuut17)  enige circulatiebank met N.V.-statuut in Eng.

  • begin 18de eeuw ontstond zo het disconto/emissiebedrijf dat nog steeds het belangrijkste kenmerk vormt v.d. actuele bankorganisatie

  • buiten Eng. in 1ste helft 18de eeuw weinig navolging

  • 1695: Bank of Scotland (maar met beperkt uitgifterecht)

  • Fr.: John Law mislukt in poging bankbiljetten doorgang te doen vinden in Banque Royale

  • elders in Europa: (ver)koop wisselbrieven met discontotechniek is nog hele 18de eeuw v. kracht + oude stedelijke/private deposito-girobanken in grote commerciële centra beginnen vanaf 1750 plaats te ruimen voor eerste semi-staatsbanken die in beperkte mate bankbiljetten uitgaven



1 Wet van King: Door gebrek aan goede substituten is vraag naar graan onelastisch (men moet eten!) zodat bij
verminderd aanbod de graanprijzen meer dan evenredig stijgen in verhouding tot het gedaalde aanbod

2 golventheorie v. Simiand: cyclus v. fase B met stagnatie & depressie waarbij met naar innovaties zoekt van kwalitatief
karakter, en fase A waarbij de innovaties een kwantitatief karakter aannemen (= expansie & hoogconjunctuur)

3 koopkracht stijgt door mindere geldhoeveelheid + meer aanbod dan vraag (meestal + prijsdaling)

4 opwaartse bindingen: mechanisme waardoor bij introdutie v. nieuwe sectoren/goederen/diensten een afgeleid aanbod wordt gecreëerd naar andere producten/diensten

5 neerwaartse bindingen: mechanisme waardoor bij introdutie v. nieuwe sectoren/goederen/diensten een afgeleide vraag wordt gecreëerd naar andere producten/diensten

6 commissiehandel: financieel/commercieel tussenpersoon in buitenland die transacties afsluit voor opdrachtgever voor een commissieloon

7 participatiehandel: verschillende handelaars financieren bepaald aandeel v. handelsexpeditie + delen in de winst

8 oligarchie = regering van slechts weinig personen die behoren tot de bevoorrechte klasse
thalassocratie = Een heerschappij die op zeemacht berust.

9 Asiento de negros: overeenkomst met de Spaanse kroon waarbij men een licentie/monopolie krijgt om Afrikaanse slaven te leveren aan Spaanse kolonies in Amerika

10 Wet van Gresham: als waardeverhouding tussen 2 munten niet overeenstemt met wettelijke verhouding verdwijnt de ondergewaarderde muntsoort uit de omloop (opgepot, omgesmolten of naar buitenland). Officieel overgewaardeede munt blijft in omloop, en de ‘goede’ munt verdwijnt (bad money drives out good)

11 verhandelbaarheid van effecten in een algemeen en onpersoonlijk milieu
 transferabiliteit: overdraagbaarheid van effecten in een beperkt milieu waar persoonlijk vertrouwen overheerst

12 endossement: gebruik waarbij de persoon die een handelsdocument verkoopt door zijn handtekening op de rug v.h. document zijn blijvende verantwoordelijkheid voor de verzilvering v.h. waardepapier onderschrijft

13 disconteren: bedrag op een handelsdocument uitbetalen vóór de vervaldag, mits afhouding v.e. klein % v.h. bedrag

14 compensatie of het regelen v. wederzijdse financiële verplichtingen tussen 2 of meer banken die wederzijdse schulden en tegoeden tegen elkaar afwegen en enkel het saldo overschrijven

15 nationale geldeenheid die i.h. internationale betalingsverkeer naast goud als algemeen betaalmiddel wordt aanvaard

16 promesse = interesdragende schuldbekentenis met belofte v. betaling door de promettant/ondertekenaar na verloop v. tijd (orderbriefje)

17 N.V.= Naamloos Vennootschap: in BE: venootschap met rechtspersoonlijkheid v. minstens 7 personen die gezamenlijk kapitaal onder aandelenvorm bij elkaar brengen. Elke vennoot is verantwoordelijk voor het bedrag v. hun aandelen in het ingebrachte kapitaal (raakt dus niet aan persoonlijk vermogen)




  • Hoofdstuk 2: De opbouw van de Atlantische handelseconomie
  • Hoofdstuk 3: De industrie onder controle van de centrale overheid
  • Hoofdstuk 4: De financieel-technische revolutie

  • Dovnload 101.74 Kb.