Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Geweld in Nederland Bureau Driessen Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek

Dovnload 0.75 Mb.

Geweld in Nederland Bureau Driessen Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek



Pagina1/6
Datum28.10.2017
Grootte0.75 Mb.

Dovnload 0.75 Mb.
  1   2   3   4   5   6


Geweld in Nederland

Bureau Driessen

Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek


Geweld in Nederland
Een verkenning van de aard en omvang van geweldsdelicten in de

Nederlandse samenleving

Geweld in Nederland
Een verkenning van de aard en omvang van

geweldsdelicten in de

Nederlandse samenleving

Dr. F.M.H.M. Driessen

T.J. Ester MSc

L. Spel BSc




Bureau Driessen

Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek

Utrecht 2008

ISBN:
© Bureau Driessen Utrecht


Bureau Driessen

Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek

Hiëronymusplantsoen 8

3512 KV Utrecht

tel. : 030-2334779

site : www.bureaudriessen.nl

email : bd@bureaudriessen.nl

Inhoudsopgave


Hoofdstuk 1

Inleiding

1




Achtergrond

Inleiding

Vraagstelling

Werkwijze




1

1

5



5

Hoofdstuk 2

Processen-verbaal

7




Samenvatting

Conclusie




12

12


Hoofdstuk 3

Slachtoffers

13




Ondervonden delicten, gemelde delicten en delicten met ondertekend document

Onveiligheidsgevoelens

Letselschade

Samenvatting

Conclusie


13
17

19

20



21


Hoofdstuk 4

Geweld in specifieke situaties

23




Geweld in de (semi-)openbare ruimte

Geweld tegen ambtenaren

Geweld op scholen

Geweld in het Openbaar Vervoer

Overvallen

Geweld in de buurt

Huiselijk geweld

Geweld tegen de politie

Racistisch geweld

Samenvatting

Conclusie


23

26

26



28

30

31



32

33

36



37

38


Hoofdstuk 5

Maatschappelijke ontwikkelingen

39




Bevolkingssamenstelling

Allochtonen

Vrijetijdsgedrag en alcoholgebruik

Politie en Justitie

Samenvatting

Conclusie




39

40

42



45

47

48



Hoofdstuk 6

Discussie

49













Literatuur

53

Hoofdstuk1

Inleiding





Achtergrond

De Nederlandse Politie maakt zich zorgen over het toenemende geweld in de samenleving. Men wordt veel vaker en met veel heftiger geweld geconfronteerd dan voorheen. Om die reden laat de Politieacademie een onderzoek uitvoeren naar dit geweld en naar de wijze waarop het voorkomen en aangepakt kan worden door de Politie. In dit rapport wordt, als resultaat van een eerste verkennende fase van het onderzoek, de aard en omvang van het geweld in de Nederlandse samenleving nader geanalyseerd aan de hand van bestaand sta­tistisch materiaal.



Inleiding

Afgaande op berichten in de media, lijkt het geweld in de samenleving hand over hand toe te nemen. ‘Schrikbarende toename geweld’1, ‘Elke dag overval op winkel in Amsterdam’2, en ‘Zaken in 2007 vaker beroofd’3 kopten de landelijke dagbladen naar aanleiding van de nieuwjaarsrede in januari 2008 van de Amsterdamse hoofdcommissaris van politie Welten. In zijn nieuwjaarsrede zegt Welten zich grote zorgen te maken over de toename van het geweld op straat en in openbare gelegenheden. De stijging van het aantal voorvallen met geweld, zoals bedreigingen en mishandelingen, bedroeg gemiddeld 11% in 20074. Het aantal overvallen op winkels en andere ondernemingen is in Amsterdam en omgeving met 33% toegenomen. De Amsterdamse Hoofdcommissaris noemt het een schokkende ontwikkeling en vindt het opvallend dat steeds meer mensen ongelooflijk lichtgeraakt zijn: ‘De meest onnozele redenen zijn genoeg om agressie op te wekken’’5.


Niet alleen in Amsterdam is er sprake van geweldstoename, ook in de andere grote steden is het aantal gevallen van bedreiging en mishandeling en het aantal overvallen toegenomen, zo bericht de Volkskrant1. Zelfs op het platteland nemen de geweldsincidenten toe. Zo vermeldt het Friesch Dagblad dat uit de cijfers van de politie Friesland blijkt dat de gemeente Smallingerland gewelddadiger wordt2. Vooral mishandeling neemt toe. In de regionale Twentsche Courant staat een soortgelijk bericht op de voorpagina: ‘Geweld stijgt flink in Zuid’. Het aantal bedreigingen en mishandelingen in Enschede-Zuid is, volgens de politiejaarcijfers, explosief toegenomen3.
De Raad van Hoofdcommissarissen onderkent deze ontwikkelingen en is van plan om de komende jaren de aanpak van geweld op straat landelijk prioriteit te geven. Investeren in contacten met burgers moet leiden tot een betere informatiepositie van de politie, waardoor het geweld op straat aangepakt kan worden4. Kort na de jaarwisseling zegt Jelle Egas, woordvoerder van de Raad van Hoofdcommissarissen, in een artikel in het Brabants Dagblad dat het geweld de spuigaten uitloopt: ‘De criminaliteitscijfers dalen vrijwel overal, maar het gebruik van lichamelijk geweld niet. De politie lost dit helaas niet op.’ De Hoofdcommissarissen komen daarom met een oproep aan de burgers om zelfbeheersing te tonen5. ‘Vroeger werden eerst alle recherchemiddelen ingezet en pas als we vastliepen schakelden we burgers in, als laatste redmiddel’, stelt Egas6. De politie werkt ook steeds beter samen met andere organisaties om het geweld te beteugelen: ‘Er is bij ons meer besef dat we gemeenten, brancheorganisaties en dergelijke nodig hebben’7.
Maar niet alleen op straat neemt het geweld toe, ook binnenshuis is het geweld aan het toenemen. Het stedelijk Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld (ASHG) Rotterdam rapporteert dat het aantal meldingen van huiselijk geweld fors is toegenomen8. Ook uit cijfers van andere Advies- en Steunpunten Huiselijk Geweld blijkt dat het aantal meldingen toeneemt9.
En ook dit huiselijk geweld figureert prominent in de krantenkoppen. Zo maakt het NRC gewag van ‘Meer huiselijk geweld’10 naar aanleiding van een rapport11 dat minister Hirsch Ballin naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Uit dit rapport blijkt dat één op de drie daders recidiveert en dat het slachtoffer meestal een vrouw is. De Telegraaf stelt onder de kop ‘Stijgende lijn huiselijk geweld’12 dat vrouwenmishandeling vaker voorkomt dan gedacht. In het Parool wordt verslag gedaan van een debatavond over huiselijk geweld13. Huiselijk geweld is de belangrijkste niet-natuurlijke doodsoorzaak, afgezien van verkeersongelukken, concludeert het Parool. Volgens Mariëtte Christophe, commissaris van politie en landelijk coördinator huiselijk geweld, is huiselijk geweld de bakermat van al het geweld in de samenleving: ’Kinderen die in aanraking komen met huiselijk geweld, zullen jong leren dat agressie normaal is.’

En hoewel er steeds vaker aangifte wordt gedaan van huiselijk geweld, komt huiselijk geweld nog veel vaker voor dan de politie weet, stelt chef Jaco van Hoorn van het politiedistrict Rijn en Venen in het Algemeen Dagblad. Ongeveer 85% van het huiselijke geweld blijft onbekend. Van Hoorn noemt geweld binnenshuis een veel groter probleem dan geweld op straat1.


Uit deze krantenberichten lijkt onmiskenbaar naar voren te komen dat het geweld in de samenleving, zowel op straat als binnenshuis, onrustbarend aan het toenemen is. De samenleving als geheel schijnt te verruwen, om niet te zeggen te verloederen. Het is duidelijk, afgaande op bovenstaande berichten, dat deze toename van het geweld niet beperkt blijft tot bepaalde specifieke situaties, tot bepaalde bevolkingsgroepen, tot bepaalde buurten of tot de grote steden. Er lijkt sprake te zijn van een algemene verruwing in de samenleving.
Toch zijn er ook signalen die een andere kant op wijzen. Zo bericht het Veiligheidsprogramma ‘Naar een veiliger samenleving’2 dat Nederland sinds 2002 veiliger is geworden. Het percentage slachtoffers van vermogens- en geweldscriminaliteit is met ongeveer 10 % gedaald. Het percentage burgers dat zich wel eens onveilig voelt, is in dezelfde periode ook gedaald.
En volgens het Landelijk Overvallen en Ramkraken Systeem (LORS) van de Dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) van het Korps Landelijke Politiediensten zet de daling van het aantal overvallen door3. Sinds 2001 is het aantal overvallen met 23% afgenomen. Het CBS constateert verder dat het aantal slachtoffers van vandalisme- en geweldsdelicten de afgelopen jaren vrijwel stabiel bleef4. Ook in de Landelijke Criminaliteitskaart 20065 wordt vermeld dat het aantal geregistreerde geweldsdelicten tegen personen na een jarenlange toename gestabiliseerd is. Het aantal seksuele geweldsdelicten daalde in 2006 zelfs met 18%. De toename aan aangiften in de periode 2002-2006 wordt onder meer toegeschreven aan een gerichte aanpak van sommige misdrijven, zoals huiselijk geweld, en de verhoogde opsporingsinspanningen van de politie.
Ook het Jaarbericht 20066 van het OM relativeert de toename van het geweld. Dit Jaarbericht geeft cijfers waaruit blijkt dat er een stijging van de geweldszaken is, maar vermeldt daarbij dat deze stijging niet direct terug te voeren is op het vaker voorkomen van geweld. Volgens het Jaarbericht hanteert de samenleving lagere tolerantiegrenzen voor bijvoorbeeld huiselijk geweld dan voorheen. Dat heeft geleid tot betere registratie door politie en OM.
Ook internationaal gezien dalen de geweldsstatistieken. Uit een onlangs gepubliceerd internationaal rapport1 over 30 landen blijkt dat cijfers uit slachtofferenquêtes over geweldsdelicten, zoals beroving met geweld, seksuele delicten en bedreiging, de afgelopen tien jaar in bijna alle geïndustrialiseerde landen aanzienlijk zijn gedaald. De angst voor misdaad vermindert al evenzeer, in lijn met de dalende misdaadcijfers. In de hoofdsteden van ontwikkelingslanden, zoals Cambodja en Mozambique, liggen de misdaadcijfers het hoogst (45 – 35% slachtoffers). De gemiddelde kans op het slachtoffer worden van een misdrijf in hoofdsteden is 21,7%. In hoofdsteden is het risico om slachtoffer te worden 25 à 35 % hoger dan voor de rest van het land. In Hong Kong, Lissabon, Boedapest, Athene en Madrid liggen de misdaadcijfers laag (8 – 14%).Het aantal mishandelingen in geïndustrialiseerde landen is het hoogst in respectievelijk Ierland, IJsland, Engeland en Wales, Nieuw Zeeland, de USA, Schotland, België en Nederland (3,6 – 1,3%). Japan, Portugal, Italië en Oostenrijk (0,0 – 0,7%) kennen het minste mishandelingen van de 30 onderzochte landen. Het gemiddelde aantal mishandelingen in geïndustrialiseerde landen is 1,1%.
Bovenstaande rapporten en statistieken wijzen op een daling of in ieder geval stabilisatie van het geweld in de samenleving, terwijl uit de krantenberichten nu juist een beeld opdoemt van een verontrustend sterke en vooral een algemene toename van het geweld. Deze tegenspraak is merkwaardig. Wanneer het geweld in de samenleving over het algemeen toeneemt, dan zal er sprake zijn van achterliggende gedragsverandering bij de burgers of bij groepen van burgers, om wat voor reden dan ook. Meningsverschillen die voorheen bijvoorbeeld werden afgedaan met een flinke scheldpartij, worden nu steeds vaker op de vuist – of nog erger – tot een eind gebracht. Volgens de ‘nieuwe’ of ‘modernere’ omgangsvormen voldoet de klassieke scheldpartij kennelijk niet meer en moet er naar iets stevigers gezocht worden. Op iets dergelijks doelt hoofdcommissaris Welten als hij spreekt over ’de meest onnozele redenen’, die genoeg zijn om agressie op te wekken.
Bij een dergelijke algemene gedragsverandering kan men verwachten dat de verschillende indicatoren voor het optreden van geweld over een breed front stijgen. Het is bijvoorbeeld niet aannemelijk dat het aantal geregistreerde geweldsdelicten stijgt, terwijl tegelijkertijd het aantal slachtoffers van geweld daalt, of dat het aantal mishandelingen sterk toeneemt, maar het aantal bedreigingen afneemt2. Toch schijnt er iets dergelijks aan de hand te zijn. De geciteerde kranten schrijven immers niet zomaar iets op, maar baseren zich op statistieken en registratie gegevens, vaak afkomstig van de politie. Misschien besteden de kranten disproportioneel veel aandacht aan gegevens die de toename van het geweld bevestigen – en dit blijkt inderdaad het geval te zijn3 – dan nog hebben we te maken met een discrepantie tussen de door de kranten geciteerde bronnen en de hierboven aangehaalde bronnen.
Een dergelijke discrepantie tussen verschillende data-bronnen kan met veel verschillende factoren samenhangen. Zo kan er een verschil zijn in de waarnemingsmethoden. Geen enkel cijfer over het geweld in de samenleving is ‘keihard’, in die zin dat het cijfer het feitelijke geweld voor 100% representeert. Altijd moeten er bepaalde barrières genomen worden voordat een feitelijk geweldsincident in een geweldsstatistiek terecht komt. Op de eerste plaats moet iemand het geweld als geweld definiëren, iemand moet beslissen dat het incident niet tot de normale gang van zaken behoort. Vervolgens moet er aangifte worden gedaan of er moet meegewerkt worden aan een enquête of er moet een melding gedaan worden bij een brancheorganisatie. Tenslotte moeten deze aangiftes, meldingen of enquêtes verzameld, verwerkt en gepubliceerd worden. Op al deze punten kunnen er vertekeningen optreden.

Vraagstelling

In dit rapport staat de toe- of afname van geweldsdelicten centraal. De vraag die aan de orde is, is of het geweld in de samenleving de afgelopen tien à twintig jaar werkelijk is toegenomen en in welke mate dit geweld is toegenomen. Om deze vraag te beantwoorden wordt nagegaan welke discrepanties er bestaan tussen verschillende indicatoren voor geweld – die er kennelijk zijn, zoals we hierboven gezien hebben – en of deze discrepanties samenhangen met vertekeningen in de registratiemethodes.


In aanvulling daarop wordt ook aandacht geschonken aan de vraag door welke maatschappelijke ontwikkelingen het geweld de afgelopen twee decennia zou kunnen zijn toegenomen. Enkel relevante trends passeren de revue.

Werkwijze

Er wordt een aantal cijferreeksen geanalyseerd, die worden gepresenteerd in de vorm van figuren. Deze figuren zijn op de eerste plaats tot stand gekomen door de gegevens te corrigeren voor de omvang van de bevolking, zodat er rekening wordt gehouden met de groei van de bevolking gedurende de afgelopen decennia. Als het aantal geweldsincidenten immers even hard groeit als de bevolking, dan is er geen sprake van een toename van het geweld. Meestal gaat het om het aantal delicten per 100.000 inwoners, maar ook wel om het percentage van de bevolking dat geconfronteerd is met een incident. Door het aantal delicten weer te geven per 100.000 inwoners of als percentage van de bevolking wordt duidelijk of het geweld evenredig of onevenredig met de bevolkingsgroei toe- of afneemt.

Omdat de toename van het geweld centraal staat, gaat het op de tweede plaats steeds om in­dex­cijfers. De toe- of afname wordt in kaart gebracht door een indicatiejaar te nemen, het eerste jaar waarover gegevens beschikbaar zijn. Dit jaar krijgt het indexcijfer 100. Fluctuaties ten opzichte van dat jaar worden in beeld gebracht. Bij toename van 10% in het tweede jaar stijgt de index van 100 naar 110, bij een toename van weer 10% in het derde jaar van 110 naar 121. De veranderingen in de figuren zijn dus geen absolute veranderingen, maar de procentuele veranderingen ten opzichte van het voorgaande jaar.

Hoofdstuk 2

Processen-verbaal

Eerst bekijken we processen-verbaal, in het volgende hoofdstuk gaan we in op de registratie van slachtoffers. Om de trend van het aantal geweldsmisdrijven in perspectief te brengen, geeft figuur 1 de indexcijfers niet alleen voor geweldsmisdrijven, maar ook voor het totale aantal misdrijven sinds 1950, uitgesplitst naar vermogensmisdrijven, vernielingen en openbare orde verstoringen en geweldsmisdrijven. Het betreft het aantal door de politie in processen-verbaal (van aangifte of ambtshalve opgemaakt) vastgelegde straf­bare feiten per jaar.


Er blijkt sprake te zijn van een enorme toename aan geregistreerde misdrijven sinds 1950. Het aantal processen-verbaal per 100.000 inwoners is gestegen van 927 in 1950 tot 6.361 in 2006. Na uitsplitsing in vermogensmisdrijven, vernielingen en openbare orde verstoringen en geweldsmisdrijven, blijkt het aantal processen-verbaal als gevolg van vernielingen en openbare orde verstoring het sterkst gegroeid te zijn. Het aantal vernielingen en openbare orde verstoring is toegenomen van 90 naar 1.316 processen-verbaal per 100.000 inwoners. Ook het aantal geregistreerde vermogensmisdrijven is sterk toegenomen van 608 naar 4.304 per 100.000 inwoners. Het aantal processen-verbaal voor geweldsmisdrijven is daarentegen veel minder sterk toegenomen van 130 processen-verbaal per 100.000 in 1950 naar 667 in 2006.
Door middel van indexcijfers kan de ontwikkeling over de periode 1950 tot 2006 van het aantal geregistreerde misdrijven in beeld gebracht worden. De index voor het totale aantal geregistreerde misdrijven loopt op van 100 in 1950 naar 686 in 2006. De index van het aantal vermogensmisdrijven volgt min of meer dezelfde trend als het totale aantal misdrijven, maar de index voor vernieling en openbare orde verstoring is twee keer zo snel toegenomen, namelijk van 100 in 1950 naar 1466 in 2006. Tot 1985 loopt deze index nog min of meer in de pas met de andere misdrijven, maar daarna is er sprake van een spectaculaire uitbraak van 902 in 1985 naar 1466 in 2006 ten opzichte van de algemene trend (alle misdrijven van 745 in 1985 naar 686 in 2006). Uit de index voor de geweldsmisdrijven blijkt dat van deze drie groepen misdrijven het aantal geweldsmisdrijven het minst is toegenomen ten opzichte van 1950 met een indexcijfer van 515 in 2006 (zie figuur 1).


De sterkste stijging van het aantal geregistreerde misdrijven vindt plaats tussen 1970 en 1985. Daarna is er sprake van een stabilisatie, met uitzondering van de vernielingen en openbare orde verstoringen, die in hetzelfde tempo stevig blijven doorgroeien. Ook de geweldsdelicten ontwikkelen zich afwijkend. De stijging in de periode 1970 – 1985 is veel minder sterk dan bij de vermogensmisdrijven en de stabilisatie in de vermogensmisdrijven rond 1985 treedt bij de geweldsmisdrijven pas rond 2000 op.


D
Standaard logistische functie
e groei van de processen-verbaal van aangiften van geweld volgt het patroon van een zogenaamde logistische sigmoïde functie. Deze functie is bijvoorbeeld bekend uit de ecologie, waar er populatiegroei mee wordt beschreven, en uit de geneeskunde, waar men er – niet ontoepasselijk – de groei van tumoren mee beschrijft. Het gaat om groeiprocessen die na verloop van tijd tegen een grens aanlopen, bijvoorbeeld voedselschaarste. In het geval van maatschappelijke processen kan de grens van de groei bereikt worden doordat onderliggende oorzakelijke factoren niet langer doorgroeien. Bij geweldsdelicten valt te denken aan de groei van het aantal adolescenten in de jaren 60 tot 80 van de vorige eeuw, die rond 1985 begint terug te lopen (zie verder hoofdstuk 5). Ook kan de groei staken doordat er een maatschappelijke reactie op gang komt, bijvoorbeeld een strenger vervolgingsbeleid of uitgebreider toezicht.
Wanneer we de geweldscijfers (PV) volgens deze functie ‘fitten’ vinden we een verklaarde variantie van 99%, waaruit blijkt dat deze functie de toename van het geweld en daaropvolgende stabilisatie, zoals gemeten aan processen-verbaal, bijna perfect beschrijft1. De groei van het aantal processen-verbaal voor geweld is in 1960 begonnen, zo blijkt uit deze modellen, en de omslag van steeds snellere groei naar afzwakkende groei heeft al weer 15 jaar geleden, in 1993, plaatsgevonden.
Figuur 2 geeft de verdeling naar misdrijf in 2006. Uit dit ‘taartmodel’ blijkt, dat vermogensdelicten 68% van het totale aantal geregistreerde misdrijven betreffen (4.304 per 100.000 inwoners), geweldsmisdrijven 11% (667 per 100.000) en openbare orde plus vernieling betreft 21% (1.316 per 100.000). Overige misdrijven zijn bijvoorbeeld openbare dronkenschap, scheepvaartovertredingen en overtredingen van ambtenaren. Deze categorie vormt slechts 0,001 % van alle misdrijven (0,07 per 100.000 inwoners).

Waar gaat het nu precies om bij geweldsmisdrijven? Figuur 3 geeft een antwoord. Van alle geregistreerde geweldsmisdrijven is mishandeling de grootste groep (in 2006 53%, dat zijn 353 processen-verbaal per 100.000 inwoners), daarna komen misdrijven tegen het leven en de persoon (28%, 190 PV’s per 100.000) en diefstal met geweld (13%, 84 per 100.000). Seksuele delicten vormen 4% van alle geweldsmisdrijven (37 per 100.000) en afpersing 1% (5 per 100.000 inwoners).


Figuur 4 en 5 geven de ontwikkeling van deze verschillende geweldscategorieën sinds 1999. Vanaf die tijd zijn er gegevens beschikbaar over de verschillende soorten geweldsmisdrijven. Van 1999 tot 2006 is het aantal geregistreerde geweldsmisdrijven (gedefinieerd in processen-verbaal) met 21% toegenomen. Vooral het aantal geregistreerde misdrijven tegen leven en persoon is sterk toegenomen van 1999 tot 2004 (67% toename). Van 2004 tot 2006 daalt het aantal geregistreerde misdrijven tegen leven en persoon overigens weer licht. Delicten tegen leven en persoon zijn misdrijven waarbij de veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht, bijvoorbeeld brandstichting of gericht tegen het leven, zoals (poging tot) doodslag, moord en letsel door schuld. Het aantal processen-verbaal van mishandeling is gestegen met 31% vergeleken met 1999. Diefstal met geweld en afpersing blijken sinds 1999 te dalen.




Onder geweldsmisdrijven worden ook seksuele delicten zoals verkrachting en aanranding gerekend. Opvallend is dat het aantal geregistreerde seksuele delicten is afgenomen in de periode 1999 tot 2006. Verkrachting, aanranding en overige seksuele delicten zijn allemaal met ongeveer 20 % afgenomen (23%, 21%, 19%, zie figuur 5).

E

r is tenslotte één geweldsmisdrijf dat bijzondere aandacht vraagt en dat is moord en doodslag. Niet alleen betreft dit het meest ernstige geweldsmisdrijf, ook is de interpretatieruimte bij de vaststelling van moord en doodslag nihil. Cijfers over een misdrijf als mishandeling kunnen gevoelig zijn voor de interpretatie van de ernst van het incident door betrokkenen of door politieagenten, die een aangifte opnemen. Bij moord en doodslag zal dit nauwelijks het geval zijn. De cijfers zijn afkomstig van de bevolkingsadministratie. Voor 1969 werd het aantal overledenen door moord en doodslag niet apart bijgehouden. In 1969 overleden er 0,52 inwoners per 100.000 door moord of doodslag. Het aantal overledenen door moord en doodslag steeg sindsdien gestaag, tot in het jaar 1996 er 1,36 inwoners per 100.000 overleden, daarna daalde het aantal overledenen als gevolg van moord en doodslag. In 2007 zijn er 0,87 inwoners overleden per 100.0001.



De indexcijfers van 1969 tot 2007 geven de trend weer van het aantal overledenen per 100.000 inwoners door moord en doodslag (figuur 6). Sinds 1969 tot begin jaren 90 neemt de index voor het aantal moorden (inclusief doodslag) toe van 100 tot 247 (1992). In de jaren 90 blijft de index min of meer stabiel met vrij forse fluctuaties. Na 2001 treedt er een opvallende en zeer sterke daling op naar indexcijfer 152 in 2006, in 2007 stijgt de index weer tot 1702.

Samenvatting

Afgaande op het aantal aangiftes blijken alle delictsoorten sterk te zijn toegenomen sinds de jaren 70. Sinds midden jaren 90 treedt een duidelijke stabilisatie op, uitgezonderd voor vernielingen en openbare orde verstoringen die nog steeds sterk toe­nemen. Vergeleken met andere delicten nemen de geweldsdelicten langzamer toe dan andere delicten en stabilisatie treedt iets later, op rond 20001. Van de geweldsdelicten nemen misdrijven tegen leven en persoon toe tot 2004. De daling sinds 2003 van het aantal overledenen door moord en doodslag is zeer sterk. Afpersing, diefstal met geweld en seksuele delicten nemen af sinds 1999.



Conclusie

Uit deze cijfers komt geen overtuigend beeld naar voren van een recente en algemene sterke toename van het geweld in de samenleving. Na 2004 is er op geen enkel gebied nog sprake van toename. Er is stabilisatie op een hoger niveau dan twee decennia geleden.


  1   2   3   4   5   6

  • Geweld in Nederland Een verkenning van de aard en omvang van geweldsdelicten in de Nederlandse samenleving
  • Hoofdstuk 1 Inleiding 1
  • Hoofdstuk 2 Processen-verbaal 7
  • Hoofdstuk 3 Slachtoffers 13
  • Hoofdstuk 4 Geweld in specifieke situaties 23
  • Hoofdstuk 5 Maatschappelijke ontwikkelingen 39
  • Hoofdstuk 6 Discussie 49
  • Literatuur 53
  • Standaard logistische functie

  • Dovnload 0.75 Mb.