Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Godot en geluidhinder

Dovnload 97.1 Kb.

Godot en geluidhinder



Pagina1/3
Datum14.09.2017
Grootte97.1 Kb.

Dovnload 97.1 Kb.
  1   2   3

GODOT EN GELUIDHINDER

Rede die (in verkorte versie) is uitgesproken door


Pieter Jan Stallen
bij de openlijke aanvaarding van het ambt van

bijzonder hoogleraar in de toegepaste psychologie van geluidhinder

op 7 december 2001 te Leiden

Mijnheer de rector,

leden van het curatorium van deze bijzondere leerstoel,

dames en heren studenten en overige belangstellenden in deze oratie,


“Ach, ’t is helemaal niet belangrijk te weten waar de wind vandaan komt. Wat belangrijk is, is te weten waar die naar toe gaat!” …



Ik hoor het nog een van de twee hoofdfiguren in Wachten op Godot zeggen, het bekende toneelstuk van Nobelprijswinnaar Samuel Beckett, een uitvoering of bewerking ergens begin 70-er jaren. Ik was beginnend scheikundestudent en vast en zeker daarom des te meer: lachen, lachen om deze met groot Herenleed gebrachte maar niks om het lijf hebbende omkering. Als je even bèta dacht, was dat toch alleen maar een spiegeling in een plat vlak? Pfuh!
De zin is me toch bijgebleven. Onder dat lachen zat natuurlijk wat altijd onder lachen verborgen zit: schrik voor iets dat sterker is dan jezelf. 1 In dit geval twijfel over de vraag of ik wat ik tot dan toe voor een vanzelfsprekendheid had gehouden eigenlijk niet een dubieuze conventie moest noemen. Afstand van conventies nemen, lukt niet door te wachten op iemand die nooit komt opdagen, je zult zelf het platte vlak moeten verlaten en door een extra dimensie te beproeven nieuwe betekenis aan het bestaande moeten geven.2 Iets krijgt pas betekenis vanuit een standpunt: voor wie lawaai veroorzaakt, is het belangrijk te weten waar de wind heen waait; voor wie aan lawaai is blootgesteld, is het belangrijk te weten waar de wind vandaan komt. Toevoeging van een echte derde dimensie maakt aan het dispuut over windrichtingen trouwens ook snel een einde, maar die lijfelijke ervaring had ik toen nog niet: wie met een zeilvlieger te ver achter het duin komt te vliegen, merkt rap genoeg dat het er daar niet meer toe doet waar de wind vandaan komt, maar wel waar hij heengaat!
Wetenschapstheoretisch is het innemen van een standpunt in de vorm van een expliciete verwachting over wat er valt waar te nemen een noodzakelijke voorwaarde voor het krijgen van werkelijk inzicht. Pas dan kun je verbaasd staan en met een proefondervindelijke houding kennis gaan verwerven. Er is, zoals Karl Popper en Thomas Kuhn op uiteenlopende wijzen hebben betoogd, geen theorievrije basis voor waarneming van de werkelijkheid. Elke waarneming waarmee feiten worden vastgesteld, vindt plaats vanaf een tenminste even onwankelbaar gedacht gezichtspunt, ook al is dat maar zelden zo onwankelbaar als voor Einstein die kon zeggen: “Als de theorie niet klopt met de feiten, dan is dat jammer voor de feiten”. ‘Meten is weten’ hoort daarom in de wetenschapsfilosofische prullenmand: je moet eerst duidelijk iets willen weten, dan pas kunnen dingen opvallen en zal je van je observatie, van je meting kunnen leren.3 Ik geef U een voorbeeld van de theoriegeladenheid van waarneming en begrip.
U leest in de krant dat het net gesloten NAVO vliegveld Laarbruch nieuw leven kan worden ingeblazen als burgerluchthaven met op termijn de capaciteit van vliegveld Maastricht-Aachen en mogelijk meer. Laarbruch ligt in een economisch niet al te florissant gebied van Duitsland, net over de grens bij Boxmeer. Stel nu, het bevoegd gezag ter plaatse heeft een befaamd sociaal-geneeskundig onderzoeksinstituut gevraagd naar de gezondheidseffecten in de regio bij uitvoering van dit plan. Over wat voor effecten verwacht U nu een rapport? Over de incidentie van slaapverstoring door lawaai, over CARA onder omwonenden door bijvoorbeeld roetuitstoot, eventueel ook concentratiestoornissen onder schoolkinderen, althans over dit soort belangrijke negatieve gezondheidseffecten. Nietwaar? Nu, dit zou goed kunnen, maar Uw verwachting is wel een vooringenomenheid waarvan het goed is dat die onder woorden is gebracht. Want het kan anders zijn. Ik zei: een economisch niet florissant gebied. Een vliegveld nu biedt werkgelegenheid, en vooral relatief veel laaggeschoolde arbeid. Even relevant zou het daarom zijn dat het onderzoek zich zou buigen over de vraag in hoeverre die welvaartsverbetering tot grotere gezondheid zou leiden. Bijvoorbeeld doordat hoger inkomen tot meer bestedingen voor gezonder gedrag kan leiden zoals niet nog even doorrijden op slechte banden, of doordat de aan die inkomensverandering verbonden hogere status en dus verkleining van statusverschillen kan leiden tot minder stress met eveneens gunstige gevolgen voor de levensverwachting. Positieve gezondheidseffecten, waarvan zelfs aannemelijk valt te maken dat zij de negatieve effecten door blootstelling aan emissies flink overschaduwen.4 Maar dat is niet mijn punt hier; mijn punt is dat, als ik U daarnet niet éérst had gevraagd wat U dacht, U op de latere informatie over sociaal economisch welzijn en levensverwachting vriendelijk had gereageerd met ‘hmmja, lijkt me ook wel’ maar U zou niet hebben geweten dat U dat helemaal niet dacht, want U zij uit Uzelf iets anders. Niet alleen wetenschappelijk maar ook beleidsmatig is dit voorbeeld relevant. Zonder explicitering -en dus zonder besef - van deze twee soorten gezondheidseffecten wordt bijvoorbeeld een dubbeldoelstelling ‘economie-milieu’ een valse tegenstelling tussen welvaart en welzijn die -eenmaal ontstaan- wél belangrijke maatschappelijke tegenstellingen nauwelijks meer overbrugbaar maakt.
Explicitering en verbazing moeten ook ten grondslag liggen aan mijn leeropdracht: geluidhinder in situaties van collectieve blootstelling, zoals hinder voor stadsbewoners van het lawaai van cafés in het uitgaanscentrum, of voor omwonenden van een nabijgelegen opstelplaats voor treinen. Laat ik er twee verbazingen vertellen, waarin ook al de beide wetenschappelijke interesses die deze leerstoel kenmerken doorklinken, psychologie en politicologie.
Binnen een gebied rond Schiphol met een zekere geluidbelasting staan er momenteel ruwweg 13000 woningen. De dogmatiek rond de tot nu toe gebruikte maat (de zogeheten Kosteneenheid, Ke) verklaart dan ca. 25% ernstig gehinderd, terwijl we volgens de nieuwe maat die we zullen gaan gebruiken (de Lden) op ongeveer 15% mogen rekenen. Afgaand daarentegen op enquêtes uit de afgelopen jaren lijkt eerder 50% de beste schatting voor dit gebied.5 Geluidbelasting en hinder, kennelijk verre van 1 op 1. Zoiets kan, maar er is de afgelopen jaren wel een enorme ambtelijke en politieke energie in gestoken om akoestisch gelijkwaardig -op tienden van eenheden- van de ene maat naar de andere over te steken. Is het beleid, dat -dacht ik- toch vooral hinderreductie beoogt, niet de kluts erg kwijt?6
Binnen het genoemde gebied nu met die 13000 woningen -met dus ergens rond de 1 op drie ernstig gehinderden- wordt gewoon gewoond, en met dat wonen is volgens het Rijk ook niks mis. Ook bij hoge geluidbelastingen buitenshuis tot 65 Ke wordt het betrekken van een woning van Rijkswege toegestaan en dus niet per se ongezond gevonden. De bewoner wordt wel geluidisolatie aangeboden, maar in een eventuele afwijzing ziet de overheid geen probleem. Kortom: bewoners van bestaande woningen krijgen de mededeling dat het verantwoord is er te wonen zoals zij willen. Of de mensen er zelf mee zitten? Zoiets blijkt voor zover ik weet niet uit vergelijkende gegevens over de huizenmarkt: huizen worden er aan nieuwe bewoners verkocht voor prijzen zoals elders. De verhuisgeneigdheid in het gebied ligt zelfs lager dan gemiddeld in het land en over wat plus- en minpunten van de woonomgeving zijn, denkt men niet anders dan elders of het zou moeten zijn dat geluidisolatie als pluspunt wordt gezien.7 Toch is er – onder verwijzing naar de geluidproblematiek – een bouwverbod. Nieuwkomers mogen wel naar bestaande woningen verhuizen, maar er mag voor nieuwkomers geen woning worden bijgebouwd. Hier wringt iets. Is het dan tóch ongezond hier te wonen? Is een bepaald percentage ernstig gehinderden de limiet? Nee, dat kan het niet zijn want als er meer woningen komen, verandert een percentage natuurlijk niet. Het lijkt erop dat er een maatschappelijke kostenpost is die we bij overschrijding van 13.000 te hoog vinden, en over 2 jaar bij overschrijding van 10.000. Maar nergens wordt geëxpliciteerd hoe die post eruit ziet, wat precies het algemeen belang is dat hier moet worden aangenomen.8 De toets van wetenschappelijke kritiek kan dit beleid niet doorstaan. De oorzaak van deze rariteit is dat men niet heeft nagedacht over wat de aard van geluidhinder is.
Een tweede verbazing begint meer platvloers. Iedereen weet dat geluidhinder en geluidbelasting niet een op een passen: als mijn pianospelende buurman zijn auto steevast voor mijn deur parkeert, heb ik al gauw last van zelfs zijn pianissimo. Voor collectieve blootstelling, bijvoorbeeld aan industrielawaai, is dit niet anders. Van dit ervaringsgegeven is ook de overheid wel op de hoogte, maar zij geeft daaraan de betekenis dat dit subjectieve en dus te variabele aangelegenheden zijn. Té variabel? Uit sociaal wetenschappelijk onderzoek uit de afgelopen tientallen jaren, zoals dat met name door Willy Passchier-Vermeer ten behoeve van een Gezondheidsraadadvies is geanalyseerd, weten we dat andere factoren dan -zeg maar- de decibel vaak beslissend zijn, zoals ideeën over het kunnen voorkómen van lawaai, ideeën over het belang van de geluidbron, geluidgevoeligheid en ergernis over andere aspecten van de geluidbron dan het lawaai (onveiligheid bijvoorbeeld).9 Deze niet-akoestische factoren verklaren bijna evenveel variantie in hinderscores als de akoestische, zoals het geluidspectrum, het geluidniveau of het aantal geluidgebeurtenissen per tijdeenheid. In gewone taal: om goed te kunnen voorspellen of iemand lawaai hinderlijk zal vinden, helpt meten van geluidbelasting je evenveel als metingen van de niet-akoestische kenmerken van de situatie. Alléén, het eerste is wel eenvoudiger, maar dan waarschuwt Albert Einstein’s adagium: “Maak de dingen eenvoudig, maar niet eenvoudiger dan ze zijn.”
Paradepaard van het akoestische paradigma10 is de ontwikkeling van één maat voor de hinder van lawaai van twee of meer bronnen tezamen, wegverkeer, rail- of vliegverkeer, industrie en impulsgeluid. Dat is schaaltechnisch knap, maar psychologisch van beperkte waarde. We weten dat treingeluid hinderlijker is voor wie net om de hoek woont en niet op de trein kan uitkijken dan voor wie dat wel kan. We weten dat hoe minder we een geluid bij een omgeving vinden passen en hoe minder we het dan ook daar verwachten, des te luider we het vinden als het geluid zich toch voordoet.11 Een beetje minder verkeerslawaai maakt de weg dan ook niet vrij voor meer industrielawaai.12 De Gezondheidsraad, die zich enkele jaren geleden over die uniformerende maten heeft gebogen, wijst daarbij dan ook op het belang van sociaal-psychologische factoren. Ik citeer:

Bij de manier waarop mensen reageren op buren- en buurtgeluid spelen naast de hoogte van het geluidniveau de herkomst van het geluid en verscheidene andere niet-akoestische factoren een rol. De commissie acht het dan ook onwaarschijnlijk dat de voorgestelde geluidmaten, die in eerste instantie zijn afgeleid om gezondheidseffecten op bevolkingsniveau te beoordelen, geschikt zijn om de mate van hinder en slaapverstoring in individuele gevallen te voorspellen.” 13


Overigens valt er hier met de Raad nog een wetenschappelijk robbertje te vechten over zijn suggestie dat die factoren wel voor individuele gevallen van belang zijn maar dat belang verliezen als het gaat om gezondheidseffecten in een populatie. Als dat zo zou zijn, wordt het nog lang wachten op Godot: "Ach, het gaat er niet om wat individuen vinden, het gaat erom wat de bevolking vindt". Ik ben van mening dat een geluidmaat die hinder niet in individuele gevallen in voldoende mate weet te voorspellen, niet geschikt is. Dus ook ongeschikt voor gebruik op bevolkingsniveau.14
Geluidhinder is niet slechts hinder van geluidbelasting maar hinder van blootgesteld worden aan geluidbelasting. Niet slechts exposure, maar you expose me, of us, of I expose you, en dat is dus een wezenlijk sociale aangelegenheid waarbij het van veel belang is wat U en ik van elkaar vinden, en hoe we tegen elementen van onvrijheid en macht daarin aankijken. Geluid zelf is vaak een teken van macht en van identiteit, en geluidhinder van onmacht en identiteitsverlies. Voorbeelden te over. Nadat Thorbecke was afgetreden omdat hij vast wilde houden aan de religieuze neutraliteit van de Staat, vaardigde het volgende Kabinet Van Hall (1853/4) een ‘Wet op de Kerkgenootschappen’ uit. Daarin stonden onder andere precieze bepalingen over afstanden tot waar de klok van het ene dorp mocht klinken om andersgezinden uit het buurdorp niet in het harnas te jagen.15 De oproep tot gebed vanaf de minaret valt in het niet bij wat er uit de galmgaten van de kerktoren komt, maar welk van beide hinderlijk is, kun je beter voorspellen uit iemands geloof dan uit de geluidbelasting aan zijn gevel. Of neem de onderwijzeres in Buitenveldert die een halve eeuw geleden herhaaldelijk haar les moest onderbreken, maar dat deed met de ook in de provincie meegevoelde trotse woorden: “1 minuutje voor onze KLM!” Common values, common fears, zoals Mary Douglas en Aaron Wildavsky kernachtig schreven.16 Een beleidsaanpak die het sociale karakter van geluidhinder als bijkomstig behandelt, stelt niet het juiste probleem aan de orde en dat op zich kan geluidhinderverhogend zijn. Maar nu spring ik naar het politicologische deel van mijn betoog, dus terug eerst naar de psychologie, de sociale psychologie vooral.
In stimulus/respons-termen is er sprake van twee stimuli: (1) een fysische: geluid en (2) een sociale: een of meerdere anderen. Maar dit is, vind ik, een te reactieve voorstelling van zaken. Alsof stimuli eenvoudig out there zijn, op zich, terwijl -zoals ik net illustreerde- het juist gaat om de betekenis die ik eraan toeken gegeven mijn fysieke en sociale historie. Dan is die historie stimulus en de betekenis die de ander daardoor voor mij krijgt de respons. Dit is geen woordspelletje maar het vestigt de aandacht op een tweede binnen het akoestische paradigma grotelijks veronachtzaamde kwestie, namelijk aandacht voor de vraag wat precies, welke waarde door blootstelling aan het betreffende geluid wordt verstoord, welke doelbereiking wordt bedreigd. En direct hierop aansluitend ligt de vraag: is een en ander in de hand te houden, kan eventuele ernstige verstoring worden voorkomen? Met ook hierin weer de sociale component: kan ik hierbij op een zekere zorg of zorgvuldigheid rekenen van degene die mij blootstelt? Als die blootstellende ander zelf niet goed weet wat hij doet en aanricht, verkleint dat mijn gevoel van beheersbaarheid en zal ik mij meer verstoord en gehinderd voelen. Wanneer een ‘horendol’ geworden Kamer eerst een ‘schoon schip’- notitie vraagt en vervolgens het uiteindelijke wetsvoorstel opnieuw kwalificeert als ‘onnavolgbaar, ondoorgrondelijk, niet transparant’, dan mag het niet verwonderen als ook omwonenden het beleid abacadabra zullen vinden. Begint dan niet een nieuwe ronde mens-erger-je-niet: abacadabra -- ‘ze’ weten het zelf niet -- men heeft het niet in de hand -- minder beheersbaarheid -- minder doelbereiking -- meer frustratie? Meer frustratie is meer geluidhinder.
Dit moge U, zeker in hindsight, ‘nogal wiedes’ vinden klinken, maar voor het net geschetste perspectief op geluidhinder heeft het beleid tot nu toe geen aandacht, evenmin als maatschappelijke groeperingen die dat beleid beïnvloeden. Bij de voorbereiding van de Wet Geluidhinder in de 70-er jaren is er wel even onderzoeksgeld breder beschikbaar gesteld - aan de Groningse universiteit bijvoorbeeld verricht dan Irene van Kamp onderzoek vanuit de hier bedoelde bredere invalshoek- maar deze belangstelling duurt kort, de wet moest snel naar de Kamer ten bewijze van de maakbare samenleving en een maakbaar milieu. Overigens lijkt Nederland met deze belangstelling geen uitzonderingspositie in te nemen. Op het internationale geluidcongres over geluidhinder (InterNoise) van de afgelopen jaren bijvoorbeeld kunt U lang zoeken naar bijdragen over onderzoek waarin de sociale component van geluidhinder werd geproblematiseerd, of waarin nadrukkelijk wordt uitgegaan van het individu met zijn verwachtingen en ideeën over wat hem toekomt. Ik meen dan ook dat mijn leeropdracht een paradigma-shift beoogt17, al zal er voor een dergelijke shift op beleidsniveaus meer besef van anomalie, van niet in een traditie passende bevindingen nodig zijn dan enkel deze bijzondere leerstoel kan bewerkstelligen.
Kort en goed, ik stel (A) dat wij niet goed genoeg weten wat antwoorden op de standaardvraag in enquêteformulieren naar geluidhinder betekenen en (B) dat we goed bruikbare inzichten kunnen krijgen met een sociaal-psychologisch stress model. Dat stelt centraal:

  1. de bedreiging van voor de persoon meer en minder belangrijke waarden alsmede

  2. het zich daartegen teweerstellen.18

Mensen verschillen allereerst in wàt zij belangrijk vinden, dus in wat zij bedreigd zien en wat een passende bescherming daartegen is.19 Daarom kan iemand wonend bij een luchthaven even krachtig ‘ernstig gehinderd’ aankruisen als iemand wonend tien kilometer verderop, terwijl er daarachter heel verschillende frustraties, emoties dus, schuil gaan.
De wortels van emoties gaan in onze hersenen zo’n 200 miljoen jaar terug, waarbij vergeleken de hersenschors die met zijn groeispurt van 100.000 jaar intelligent en sociaal gedrag mogelijk maakt niets voorstelt, laat staan het nog veel jongere systematisch analytisch denken over hypothetische verzamelingen. Engelsen brengen dit funderende belang van gevoelens nog mooi onder woorden met hun woord voor beïnvloeden: ‘to affect’, maar dit terzijde. Tegen deze evolutionaire achtergrond is het laboratoriumonderzoek van Daniel Kahneman naar beoordeling van onplezierige dingen als nare filmclips, koud water of medisch behandelingen, of lawaai interessant. Hoe onaangenaam we lawaai zullen vinden, blijkt vooral bepaald door kenmerken van intensiteit als het piekgeluid en het laatste geluid, maar niet of nauwelijks door de duur of het aantal pieken. Over langdurig lawaai dat aan het eind vermindert, oordelen we milder dan over korter durend gelijkblijvend lawaai. Ons brein wil, concludeert hij, kennelijk alleen met tegenzin abstracte, extensionele operaties uitvoeren die per definitie individuele objecten of gebeurtenissen overstijgen.20 Uit onszelf zijn we meer gericht op de beoordeling van intensiteiten en eenvoudige veranderingen daarin. Evolutionair gezien lijken dat ook nuttige prioriteiten. In Nature verscheen daarover eerder dit jaar een interessant onderzoeksverslag.21 Toenemend geluid -ik bedoel geen ruis of ongedifferentieerd lawaai- kan wijzen op iets dat mij nadert, afnemend geluid op iets dat zich van mij weg beweegt (natuurlijk kan het geluid ook een stilstaande bron zijn die gewoon alleen maar stiller wordt). Het blijkt dat wij een verandering naar toenemend geluid als groter ervaren dan naar even sterk afnemend geluid. En als ons wordt gevraagd de afstand tot dat geluid te schatten, horen wij toenemend geluid dichterbij dan equivalent afnemend geluid. Die asymmetrie in neurale informatieverwerking duidt volgens de onderzoeker op een evolutionair fenomeen: naderend geluid kan naderend gevaar zijn. Dat gevaar overschatten (want dichterbij denken dan het is) kan selectief voordeel opleveren, dat wil zeggen: het kan precies het verschil uitmaken tussen ‘eten’ en ‘gegeten worden’.
Een intrigerend perspectief dat mogelijk kan helpen een brug te slaan tussen emotietheoretisch perspectieven en kennis van niet-akoestische determinanten van geluidhinder bieden Charles Carver en Michael Scheier. Zij maken een klassiek onderscheid tussen een doel of wenselijke toestand waarmee we de afstand willen verkleinen (approach) en een onwenselijke toestand waarmee we de discrepantie juist willen vergroten (avoidance). En er is een mechanisme van zelf-regeling waarmee we die approach of avoidance al dan niet succesvol bijsturen. We hebben dan een kruistabel van 2x2: afstandverschillen verkleinen of vergroten, en doing it well en doing it poorly. In elk van deze vier basissituaties wordt informatie verwerkt, vergeleken,





Discrepancy reducing loop

[ preference: approach ]

Discrepancy enlarging loop

[ preference: avoidance ]
  1   2   3

  • Discrepancy reducing loop [ preference: approach ] Discrepancy enlarging loop [ preference: avoidance ]

  • Dovnload 97.1 Kb.