Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Gouden Eeuw, samenvatting hoorcolleges hc1

Dovnload 48.06 Kb.

Gouden Eeuw, samenvatting hoorcolleges hc1



Datum09.09.2018
Grootte48.06 Kb.

Dovnload 48.06 Kb.

Gouden Eeuw, samenvatting hoorcolleges
HC1.

Discours: samenhangend geheel van uitspraken over een bepaald onderwerp, dus hoe geesteswetenschappers over de Gouden eeuw spraken.

Gouden Eeuw: benaming voor periode van voorspoed, bloei en dynamiek.

Gouden Eeuw in Nederland: 1579-1715, combinatie factoren volgens Maarten Prak; militaire mogendheid, wereldwijd handelsnetwerk, gedecentraliseerde politiek en bestuur(geen centrale vorst), pragmatische tolerantie inzake religie(geen staatsgodsdienst), geletterdheid & discussiecultuur & wetenschap & kunsten. GE is geromantiseerd, contrast met ondergang en verval.

Mythe 1; Ovidius Metamorfosen: in den beginne chaos, scheiding van de elementen water, lucht, vuur en aarde uit de chaos. Vroegste mens leeft in de Gouden Eeuw(aurea aetas), waarna het steeds slechter gaat. Om weer zuivering te brengen komt de zondvloed, een parallel met de Genesis.

Mythe 2; heimwee: er is een verlangen naar het oerverleden van volmaakt, zuiver en eenvoudig leven.

Mythe 3; idealisering: er is een idealisering van het land- en buitenleven door stedelingen en hovelingen(elite). Kwam tot uitdrukking in literatuur en kunsten.

Bronnen:

  • Vergilius Eclogae/Bucolica: herdersdichten, 4e ecloga motief van GE geprojecteerd in de toekomst.

  • Horatius Beatus ille: gedicht, verheerlijking boerenbestaan. Ironisch besluit werd door navolgers meestal weggelaten.

  • Vergilius Georgica: leerdicht, 4 boeken over bewerken van en leven op platteland. Prototype van hofdicht, het genre waarin buitenplaatsen bezongen werden.

Pastorale literatuur: Granida van P.C. Hooft en Vondels vertalingen van Vergilius’ Eclogae/Bucolica.

Muiderkring: vriendenkring, mythe want ze zijn nooit veel bij elkaar gekomen.
HC2.

Schrijven in de GE: hobby, mannen, mecenas gaf niet per se geld maar zorgde voor baantjes.

Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste: Vondel, 1e zin is ‘Natuur baert den dichter, de kunst voedt hem op’. Betekenis: natuur heeft te maken met aanleg en talent, kunst met regels en techniek. Beiden zijn even belangrijk, je hebt regels nodig om het talent in goede banen te leiden.

Drie thema’s:

  1. Dichter is een intellectueel: poeta doctus ,oftewel een geleerd dichter. Tegenover de poeta doctus staat de poeta vulgaris: de onontwikkelde rijmer. Talent is aangeboren(natuur), dit zorgt voor inspiratie. Een geïnspireerde dichter noemen we poeta vates, oftewel een ziener. Tegenover de poeta vates staat de poeta faber, de dichter-ambachtsman. Het ambacht van het dichten(kunst) kun je leren. Leren is een proces en combinatie van: kennis en culturele bagage verwerven + oefenen om regels en techniek te leren. N.B. een rijmer is een louter ambachtelijke dichter, deze heeft geen talent en past enkel regels toe. De poëet is een getalenteerd en ambachtelijke dichter, deze bezit het hele pakket.

  2. Alle dichtkunst is nabootsing in twee betekenissen: ten eerste de mimesis, het nabootsen/navolgen van de werkelijkheid. Het gaat om het mooier weergeven dan de werkelijkheid, volgens Vondel: idealiseren, op een hoger plan brengend. Ten tweede is er de imitatio oftewel het navolgen van beroemde voorgangers om van hen te leren en hen uiteindelijk te overtreffen, niet op een slaafse manier navolgen. Vondel zegt dat de imitatio de tweede fase van het leerproces is, de volgorde is: translatio(vertalen), imitatio(navolgen), aemulatio(overtreffen). Verchristelijken van een verhaal was belangrijk, de klassieken waren heidenen.

  3. Poëzie moet overtuigend zijn, om dit te bereiken kon je de werkwijze van de klassieke retorica volgen: inventio, dispositio, elocutio, memoria en actio. Ook kon je de technieken van de klassieke retorica gebruiken: docere, delectare en movere. Het onderwijzen en vermaken kunnen we verbinden aan Horatius utile en dulci. Poëtica en retorica waren zusterkunsten. Vondel vertegenwoordigd de idealistische poëtica; hij wilde alles wat hij uit de werkelijkheid haalde idealiseren en dus mooier maken.

Andere denkbeelden in de poëtica: Jan Six van Chandelier, eigenlijk een poeta doctus, schreef ironisch, zet zich af tegen Vondel en de werkelijkheid mooier maken, noemt zichzelf rijmer. Matthijs van Merwede, libertijns(heeft niks met God), zelfvoyeurist m.b.t. eigen leven en jonge meisjes, erotisch getinte boeken, boek werd verboden en daarom extra populair. Willem Godschalck von Focquenbroch, melancholisch over eigen leven, droeg boek op aan Sara, relativeert veel, niet trots op zijn werk.

Dichten in de praktijk: twee functies; sociaal-maatschappelijk door betrokkenheid en engagement. Om sociale contacten te leggen dus netwerken.

Gelegenheidsgedichten: geboorte, huwelijk, overlijden, maar ook bijzondere gebeurtenissen als oorlog, ramp, veld- en zeeslag, sluiten vrede, opening stadhuis.

Geadresseerden van gedichten: personen binnen en buiten eigen kring, vrienden, familie, geliefdes, geloofsgenoten en stadsregenten, geleerden, hoogwaardigheidsbekleders, vorsten.

Sociaal-culturele condities voor succesvol dichterschap: opleiding/studie i.c.m. vrije tijd(otium). Stevig netwerk van behulpzame collega’s, vrienden, uitgevers. Bekendheid verwerven: roem.

Self-fashioning: concept geeft aan hoe auteurs uit de vroegmoderne tijd onlosmakelijk zijn verbonden met de sociale construct van de maatschappij waarin ze leefden en werkten. Juist in deze tijd waren auteurs op zoek naar een tijd en construeerden daarom een ‘zelf’. Stephen Greenblatt. Proberen door de grenzen van zijn eigen bepaaldheid heen te breken, zoals gezin, klasse, geloof, etc. Voorbeeld is Jan Vos die zich naar een andere klasse bewoog.

Vrouwen en dichten: 1e helft 17e eeuw, bijna geen: Roemers en Tesselschade, eigen publicatie mag niet. 2e helft 17e eeuw, meer: Katharina Lescaille(Amsterdam) en Titia Brongersma (Groningen), wel eigen publicatie. Goed functioneren in sociale verkeer, opvoeding bovenaan.
HC3.

Mimetische kunstopvatting: navolgen van de werkelijkheid, men onderscheidde:

  • Horatius, Ars Poetica, ut pictura poesis: een gedicht is als een schilderij. Dus het ene is mooi van dichtbij, het ander van veraf, Horatius vergeleek altijd schilder- en dichtkunst. Je moet van veraf kijken om het geheel te kunnen zien.

  • Plutarchos, Moralia, ‘Schilderkunst is zwijgende poëzie, poëzie is sprekende schilderkunst’. Poëzie en schilderkunst kun je zien als zusterkunsten.

Paragone: rivaliteit van dicht- en schilderkunst. (Ene kant verwantschap andere kant rivaliteit.)

Cultuur van woord en beeld in 4 categorieën:

  1. Embleem: drieledige combinatie van motto/spreuk, pictura/beeld en subscriptio/bijschrift. Voorbeeld: Roemer Visscher, Sinnepoppen. Vereist nadenkwerk, weinig personen maar veel voorwerpen in zijn emblemen. Cats bundel: schreef over gedrag mensen, men kon van hem leren, verbindt schrijven en afbeelden.

  2. Beeldgedichten: gedichten die de beeldende kunst als onderwerp hebben, maar ook poëzie bij prenten, titelgravures, etc. Jan vos over schilderij. Titelgravure bij Vondels treurspel Palamedes.

  3. Toneel: tragedie, komedie, klucht. In feite is de tekst en de opvoering een combinatie van woord en beeld. Speciaal tragedies die werden visueel opgeluisterd. Tableaux Vivants in Gijsbreght van Aemstel. Stadhuis Amsterdam gebouwd door Jacob van Campen, samenkomst van poëzie, schilder- en beeldhouwkunst. Amsterdam werd gezien als centrum van de wereld.

  4. Festiviteiten: in-/optochten, vieringen, dit ging vaak gepaard met praalwagens en versieringen. Sint Lucasfeest. Viering vrede van Münster, op trommel gedicht Jan Vos.

Programmatisch embleem: eerste embleem uit een bundel, geeft als het ware het programma/inhoud van de bundel weer. Sinnepoppen: in alles zit een diepere betekenis.

HC4.

Nieuwsmedia in 4 categorieën:

  1. Alleroudst: mondeling, van mond-tot-mond.

  2. Geschreven nieuws in de vorm van brieven. Uitvinding boekdrukkunst veroorzaakt geschreven nieuws naast gedrukt nieuws. Het oude medium verdwijnt dus niet!

  3. Losse blaadjes(vliegende blaadjes) en boekjes, beiden gedrukt nieuws. Noemen we nu pamfletten. Inhoud: Actualiteiten(politiek, religieus, maatschappelijk), zienswijze, duiding of discussie, gebruik van literaire middelen en presentatievormen.

  4. Couranten, gedrukt nieuws, eerst in Duitsland en de Nederlanden, Amsterdam vanaf ca. 1620 internationaal perscentrum van Europa. Droge verslaggeving. Verslag van de politiek, zowel in Den Haag als daarbuiten in Europa.

Discussiemedium discussiecultuur: pamflet is zowel nieuws-/actualiteitenmedium als medium van publiek debat. In de Republiek heerste een discussiecultuur, men probeerde zicht te krijgen in meningen van anderen. Er was veel behoefte aan afweging van alle voors en tegens. Discussiëren aan de orde van de dag. Daarnaast noodzakelijk voor politieke besluitvorming en cohesie in de samenleving.

Pamflet: ‘Men weet wat een hond/pamflet is, maar een definitie hiervan geven is moeilijk.’ George Orwell. 1. Gedrukt geschrift van geringe omvang over actueel onderwerp. 2. Geschrift dat zich op felle toon tegen iets of iemand richt. Dikke van Dale.

Pamflet in de Republiek: populair drukwerk, niet periodiek verschijnend. Actuele inhoud: amusant, diverterend, opiniërende nieuws-/informatieverschaffing. Pas na 1790 noemde men dit een pamflet, daarvoor andere benamingen, bijvoorbeeld Paskwil: Italiaanse herkomst, benaming wijst op een Europees medium. Italiaans beeld waar pamfletten werden geplakt.

Infotainment: want er is informatie/inhoud vooral over politiek en religie in binnen- en buitenland (Knuttelverzameling), daarnaast over wonderlijke gebeurtenissen (Thysicusverzameling). De claim was de waarheid ontdekken/verkondigen. Entertainment want gebruik van literaire vormen en stijlen, dialogen, gedichten, liederen, satire, etc.

Illegaal drukwerk: anonieme auteurs(soms initialen of naam), drukkerijen/uitgevers verbergen zich, auteurs moeilijk te achterhalen, vaak ontwikkelde burgerelite als predikanten, dichters, etc.

Piekmomenten: vaak in jaren van politieke crisis. 1618&1619 conflict contra-remonstranten en remonstranten, 1672 rampjaar, oorlog, de Witt broeders gelyncht. Maar ook de zee-oorlogen.

Distributie: op straat door marskramers met boekjes en blaadjes, ook verkoop in de boekwinkel.

Censuur: er was een grote drukvrijheid door decentralisatie(er was altijd wel een stad waar je iets kon uitgeven). Men kende preventieve(vooraf bepaalde zaken verbieden die in pamfletten mochten) en repressieve(achteraf straffen van bijvoorbeeld auteurs) censuur. Door kerkelijke en wereldlijke overheden. De straffen waren: lijfstraffen, boetes, verbanning, inbeslagname.
HC5.

Maatschappelijk functioneren van liederen in drie W’s:

  • Wie? Iedereen zingt, van de jeugd tot volwassenen, de mannen en de vrouwen en soms ook samen. Wel een scheiding tussen het gewone volk(burgerij) en de elite.

  • Waar? Mensen zongen thuis, in de kerk, het theater(toneelstukken dus zangspelen), op de kermis, op straat, in de tuin en natuur.

  • Waarom? Ten eerste ‘utile dulci’ dus het nuttige met het aangename verenigen. Daarnaast heeft zingen een functie troost en tegen melancholie, het helpt het zwartgallige te laten verdwijnen. Het is dus een medicijn.

Informatie over liedcultuur: uit de opdrachten voor in de liedboeken, tot wie zijn deze gericht? Ook de illustraties in de liedboeken zijn belangrijk, wie zingt er en waar zingen zij? Ook schilderijen waarop mensen zingen bieden informatie. Ook zien we titels van liedboeken en psalmenbundels terug in boedelinventarissen. Ook de materiële uitvoering verschaft veel informatie, hoe duur waren de boekjes, hadden ze afbeeldingen, etc.

1610-1630: verschijnen van veel kostbare liedboekjes, tijdelijke hype, men ging snel weer over op goedkopere versies. Verschijnen van nieuwe liedboekjes gericht op de huwbare jeugd. Oorzaak was de geboortegolf een jaar of twintig hiervoor, er waren dus veel vrijers en vrijsters.

Kritiek: nieuwe en andere profane(niet-Christelijke) liedboekjes, ze zouden onkuis, wellustig en verderfelijk zijn.

Lokale zangcultuur: bijvoorbeeld in Amsterdam, Leiden en Haarlem maar ook in kleinere steden als Enkhuizen en Medemblik. Vroegste liedboekjes kwam uit Amsterdam en Haarlem, welke rivaliserende steden waren. Het lokale karakter was af te leiden uit: titels, opdrachten(aan plaatselijke doelgroep) en de liedjes zelf(lofliedjes eigen stad). Men kende ook liedjes in een plaatselijk/regionaal dialect, vaak gingen deze over boeren uit de omgeving. Ook was er sprake van pastoraal chauvinisme(over herders die door de lokale omgeving dwalen en deze prijzen).

Nederlandse liedcultuur vs. omringende landen: in de Republiek op losse blaadjes, buitenland meer boekjes. Initiatief tot maken liederen in de Republiek lag bij dichters in de stad versus componisten aan hoven in het buitenland. Liederen in de Republiek op bestaande melodieën versus nieuwe melodieën uit Frankrijk en Engeland.

Contrafactuur: liedtekst geschreven op een bestaande melodie. In de 17e eeuw paste de contrafactuur goed in de theorie van imitatio en aemulatio. Creatieve imitatio was geslaagd, een Christelijke aemulatio was nog geslaagder.

Kracht van P.C. Hooft: maakte veel buitenlandse reizen en nam liederen als souvenirs mee. Verchristelijkte de liederen: aemulatio. Voorbeeld is Windeken uit het Granida van P.C. Hooft.
HC6.

Reisteksten: verzamelnaam voor zeer uiteenlopende teksten over reizen.

Soorten reizen:

  • Oudheid: zwerftocht van een held(epen), bijvoorbeeld Odyssee, Aeneis. Maar ook uittocht in het bijbelboek Exodus.

  • Middeleeuwen: kruistochten, pelgrimstochten. Maar ook de heiligenreis, bijvoorbeeld Reis van sint Brandaan.

  • Vroegmodene tijd: Groote tour, eductatiereis, hier volgden egodocumenten als brieven, journaals en memoires uit(bestemd voor het thuisfront), deze werden vaak opgenomen in handschriften. Maar ook ontdekkings- en koloniale reizen van bijvoorbeeld de VOC en WIC, beschreven in journaals, reisverslagen- en beschrijvingen. Daarnaast waren er verzonnen reizen, de imaginaire reisverhalen. Als laatst kennen we de educatieve en amoureuze speelreisjes door eigen land, vaak groepen jongeren die door eigen land trokken en alles beschreven wat ze de moeite waard vonden(arcadia’s).

Reisverhalen en het onderzoek: er was voor de jaren ‘70/80 van de vorige eeuw nauwelijks aandacht voor, de vormgeving voldeed niet aan wat men zich voorstelde bij literaire teksten(ontbreken narratieve structuur, geen metaforen, niet gestileerd, geen mooie taal). Reisteksten vormden daarnaast geen eenduidig genre met duidelijke vorm- en inhoudskenmerken. Einde hiervan door receptietheorieën, dus wat is de mening van de lezer?

Aandacht voor reisteksten door: postcolonial studies, dus het onderzoek naar culturele en sociale effecten en doorwerking van het Europees kolonialisme. Reisteksten werden bestudeerd als discours.

Ars apdemica: kunst van het reizen, die tot uiting kwam in de topiek en retoriek van reisteksten, werd bestudeerd sinds de jaren ’70. Men las reisteksten als zakelijke teksten en rekende deze in Duitsland tot de categorie Sachliteratuur(non-fictie).

Discours over Afrika: manier van schrijven en denken over Afrika, bijvoorbeeld de kaart uit de atlas van Willem Bleau. Randdecoraties: links en rechts representanten van de bevolking(donkere mensen, hoe Zuidelijker hoe meer schaars gekleed, tonen van lichamelijkheid), bovenaan aan zee gelegen bewoonde locaties. In de 17e eeuw waren grote delen van het binnenland van Afrika nog onbekend, hier hingen mythes aan.

Representaties Afrika: machtsverschillen aanbrengen tussen de ander en het zelf: Afrikaans vs. Europees, zwart vs. blank, man vs. vrouw. Geïnspireerd op Orientalism van Saïd, jouw manier van spreken en denken aan anderen opleggen.

Klimaattheorie: God verdeelde bij de schepping de wereld in 3 zones: noordelijke(nat en koud), zuidelijke(droog en heet) en de gematigde(niet te koud/nat/droog/heet, precies goed) zone. God past het uiterlijk van de bewoners van de zone aan op de zone. Klimaattheorie ligt ten grondslag aan het stereotiepe denken over de ander en het zelf.

The great change of being: Gods schepping is een systeem van hoog naar laag geordend, een keten. Bovenaan God en de engelen, daaronder aarde met de mensen bovenaan(onderverdeeld in vorsten – gemiddeld – laag), dan dieren, bomen, planten, stenen, Hoe hoger in de schakel, hoe meer geest(ratio) en hoe meer macht. Hoe lager, hoe lichamelijker, impulsiever, richting dieren. Alles wat onder je is mag je gebruiken(utilitair systeem).

Ondersteuning uit de Bijbel: Sem, Cham en Jafet en hun dronken vader Noah. Nazaten Sem: Azië, Cham: Afrika en Jafet: Europa, metafoor voor beeldvorming, Cham is vervloekt.

Longue Durée: lange historische lijnen na circa 1700, Afrika-discours veranderde met golfbewegingen. Kritiek tijdens en door verlichting/Franse revolutie/slavernijdebat. Maar ook bevestigende herinterpretaties van verlichtingstheorieën: schakel tussen mensen en apen, rassentheorieën. Gevolg hiervan is in de Westerse cultuur te herkennen in representaties, attributen, associaties en stereotypen, bijvoorbeeld kleine negertjes op reclameposters.
HC7.

Begin bestudering historische letterkunde: eerste helft 19e eeuw.

Nationalisme: Europees verschijnsel, in de GE een reactie op de Franse tijd/Napoleon. Nog geen negatieve lading: men is trots op het feit dat de Republiek democratisch bestuurd wordt.

Paradigma: het dominante theoretische kader, dit bepaalt wat waardevolle kennis is. Nieuw ontdekte kennis wordt ingepast in heersende paradigma’s tot dit niet meer gaat dan spreek je van paradigmawisseling.

5 paradigma-kaders:

  1. Nationalisme: moreel, cultureel en economisch verheffen van de Hollandsche natie. Tijdvakken toe-eigenen waarin de Republiek succes had, bijvoorbeeld de GE. Oprichting Rijksmuseum, monumentalisering dichters, kunstenaars en helden, Woordenboek Nederlandsche taal, herdenkingen.

  2. Positivisme; Geistesgeschichte: kennis moet uitsluitend op positieve ervaringsgegevens/feiten berusten, daarom feiten verzamelen en verklaren middels oorzaak-gevolg relaties. Tweede helft 19e eeuw industrialisatie, hoge status natuurwetenschappen. Rond 1900 Geistesgeschichte; doordringen in het literaire werk om het te begrijpen als uitdrukking van de volksgeest/tijdsgeest.

  3. Formalisme/New Criticism; Structuralisme/Semantiek: eerste helft 20e eeuw nadruk op bestudering literaire werk als autonoom taalartefact. Taboe: aandacht voor leven auteur en tijd van ontstaan/historische context. Het formalisme zegt dat vormkenmerken teksten literair maken, poëtisch taalgebruik of narratieve structuur. New Criticism komt uit Amerika naar Nederland, brengt de methode close reading mee: nauwkeurig lezen van individuele teksten, los van elke context. Hoe complexer de tekst hoe literairder de tekst. Het doel hiervan was: de kwaliteiten van het literaire werk uit het werk destilleren en beschrijven. Hierbij wordt juist gekeken naar esthetische kwaliteiten die zich uiten in complexiteit, ambiguïteit en samenspel van vorm en thematiek. Structuralisme zegt literaire teksten gesloten tekensystemen. De lezer staat hierbij ook meer centraal. Verwant aan semiotiek(tekenleer), literaire teksten zijn gesloten taal- en tekensystemen.

  4. Receptie-esthetica; cultuurgeschiedenis, cultuurstudies en New Historicism: teksten bestuderen in relatie tot de lezer, effecten van bepaalde tekstkenmerken op lezers en ook leesgewoonten(receptie-esthetica). Invloed cultuurgeschiedenis: accent op functioneren literatuur in cultuurhistorische context. Invloed cultuurstudies: verbreding, uitgaan van brede, diffuse veld van cultuur incl. nieuwe media. New Historicism: nieuwe cultuurhistorische leespraktijk, manier waarop je teksten kunt lezen. het gaat erom dat je uit de tekst bepaalde elementen haalt die je confronteert met een cultuurhistorische context en dan zichtbaar maakt hoe de tekst in de cultuur gefunctioneerd heeft. Bezwaar: enkel gebruik van fragmenten.

  5. Stand van zaken nu; hoe verder: sporen meerdere paradigma’s blijven zichtbaar.

Rijtjes en weetjes:


Dichters




Omschrijving

Tegenover

Poeta doctus

Geleerd dichter

Poeta vulgaris

Poeta vulgaris

Onontwikkelde rijmer

Poeta doctus

Poeta vates

Ziener

Poeta faber

Poeta faber

Dichter-ambachtsman

Poeta vates


Werkwijze klassieke retorica

  1. Inventio, vinden en verzamelen meteriaal

  2. Dispositio, structuur aanbrengen in materiaal

  3. Elocutio, alles mooi in versierde taal onder woorden brengen

  4. Memoria, tekst uit je hoofd leren

  5. Actio, tekst voordragen met gepaste uitspraak en expressie


Technieken klassieke retorica

  1. Docere, onderwijzen

  2. Delectare, vermaken/amuseren

  3. Movere, emotioneren


Cultuur woord en beeld

  1. Embleem

  2. Beeldgedicht

  3. Toneel

  4. Festiviteiten


Nieuwsmedia

  1. Mondeling

  2. Geschreven nieuws (brieven)

  3. Losse blaadjes/boekjes (vlugbladen/pamfletten)

  4. Couranten


Paradigma’s

  1. Nationalisme

  2. Positivisme, geistesgeschichte

  3. Formalisme, new criticism, structuralisme, semantiek

  4. Receptie-esthetica, cultuurgeschiedenis, cultuurstudies, new historicism

  5. Stand van zaken nu, hoe verder

  • Omschrijving Tegenover
  • Poeta vulgaris
  • Poeta faber Dichter-ambachtsman Poeta vates Werkwijze klassieke retorica
  • Technieken klassieke retorica

  • Dovnload 48.06 Kb.