Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Groot schoor

Dovnload 62.99 Kb.

Groot schoor



Datum10.10.2017
Grootte62.99 Kb.

Dovnload 62.99 Kb.

GROOT SCHOOR

CRITERIA


1/ Interpreteren van het kaartmateriaal
FERRARISKAART

Groot komvormig landbouwgebied met kraagdijk en nieuwe buitendijk, afgezoomd met bomen.


BODEMKAART

Middengedeelte : udp = matig natte gronden op zware klei.

Dijken = zand.
TOPOGRAFISCHE KAART

Komvormig landbouwgebied, omringd door dijk. Aan de rivier : smalle strook schorren. Linksboven : struikgewas – rechtsboven : boomgaard.

Onderaan tegen dijk : weiland.
BIOLOGISCHE WAARDERINGSKAART

Middenste gedeelte : biologisch minder waardevol.

Wordt omringd door biologisch zeer waardevolle strook : schorregebied aan rivier, schorre aan de Notelaer.

Hp = soortenarm permanente cultuurgrond


GEWESTPLAN

Landelijk gebied, grenzend aan visserzone en natuurgebied.


Van de plannen om hier een gecontroleerd overstromingsgebied van te maken hebben we niets concreet kunnen vinden.
Op alle kaarten wordt dit gebied aangeduid als één egaal geheel, zonder differentiatie in de bodem, op een hoogte van 2.5 meter.

2/ KAARTMATERIAAL TOETSEN AAN DE WERKELIJKHEID : HOE ZIET HET LANDSCHAP ER NU UIT ?


Het gebied heeft de vorm behouden zoals aangeduid op de beschikbare kaarten.

Zoals op alle kaarten aangegeven, is dit gebied inderdaad landbouwgebied : momenteel wordt het door de huidige eigenaar gebruikt voor de teelt van laagstamfruit.


3/ BESCHRIJF AAN DE HAND VAN HET KAARTMATERIAAL HOE HET LANDSCHAP HAD MOETEN ZIJN, HOE HET HAD KUNNEN ZIJN.


Het landschap is geëvolueerd tot zijn meest ideale vorm na de overstroming van 1551. Na de eerste bedijking deed het dient als polder en was dus landbouwgrond, na de tweede bedijking en de tussenliggende periode van 35 jaar is de grond opnieuw geëvolueerd tot landbouwgrond, maar dan met een bijkomende toplaag, waardoor de landbouweigenschappen misschien zelfs nog verbeterd zijn.

Het had ook en schorregebied kunnen blijven, indien men het niet opnieuw voorzien had van een buitendijk : dan was het waardevol natuurgebied geworden, zoals de schorren langs de Notelaer.

4/ IS DIT NU EEN IDEALE SITUATIE OF NIET ?
Daar is moeilijk op te antwoorden : ongetwijfeld had men landbouwgrond nodig en dit heeft ertoe geleid dat men dit gebied opnieuw heeft voorzien van een dijk, zodat het opnieuw als dusdanig kon gebruikt worden. Dit zal wel een ideale of nodige situatie geweest zijn op dat moment, anders had men genoegen genomen met de bestaande kraagdijk en het gebied als schorre verder laten ontwikkelen, zoals men op andere plaatsen ook heeft gedaan.

In de optiek van dat moment was deze oplossing waarschijnlijk de beste.

5/ HOE IS DE EVOLUTIE VAN HET LANDSCHAP GEWEEST ?
Algemeen werd en wordt de streek gekenmerkt door water, zowel van de rivieren (Schelde en Rupel) als van de zee. De zee heeft ooit dit landsgedeelte overspoeld en materiaal meegebracht en achtergelaten. Het landschap werd vooral gevormd door 2 processen, nl. veenvorming en klei-afzetting. Dit is ook het geval voor het Groot Schoor, dat op de Bodemkaart wordt aangeduid als « matige natte gronden op zware klei ».
Vóór de indijking, dus vóór de 10de eeuw was er geen sprake van overstroming. Men wist precies hoever het water bij vloed en bij springtij landinwaarts stroomde. De mens vestigde zich in die tijd op plaatsen die voor het water ontoegankelijk waren.

De eerste dijken in de Scheldevallei begint men te bouwen in de 12de- 13de eeuw, vooral onder impuls van de abdijen van Hemiksem en Bornem. De dijken werden gebouwd om zich te beschermen tegen hoge waterstanden, maar vooral om land te winnen op het water. Men mag ervan uitgaan dat in deze periode ook de oorspronkelijke dijk werd gebouwd voor het gebied, dat toen nog Spierbroekpolder heette. De benaming polder duidt op matige vochtigheid en dus weiland. De eerste oude dijken waren kleine ophopingen van aarde, beplant met notelaars.

De Scheldevallei valt door de bedijking uiteen in

- buitendijks gebied = slik en schorre die onderhevig blijven aan
getijdenwerking
- binnendijks gebied = polder die kunstmatig ontwaterd wordt dmv sloten en
sluisjes

Op 15 februari 1551 (een andere bron geeft 13 januari 1552 aan) is er een overstroming en de dijk aan Spierbroekpolder breekt door. Door de kracht van het in de polder stromend water wordt een groot en diep kolkgat gevormd achter de bres, dat men een “wiel” noemt. In de eerste jaren daarna onderneemt men verscheidene pogingen om de bres te dichten met een kraagdijk ter hoogte van de oude dijk, maar alle pogingen mislukken. Iedere keer wordt alles terug door het water weggespoeld omdat de stroming in de bres te sterk is

Drie jaar later, in 1554, bouwt men dan uiteindelijk meer landinwaarts een kraagdijk. Van het oorspronkelijke wiel dat bij de overstroming ontstaan is, blijft dus niet veel meer over, alleen achter de kraagdijk zijn nog 2 restanten: het Groot en Klein Kragewiel (3 ha).

In de dertig jaar die volgen evolueert de oorspronkelijke polder naar een schorre. De naam verandert van Spierbroekpolder naar Spierbroekgat. Het Scheldewater komt nog steeds door de oude bres het land in, tot aan de kraagdijk. Door aanslibbing ontstaat een slikke- en schorregebied ontstaan. De ophoping van materiaal doet door de jaren heen het schorregebied groter worden: de ‘inham’ verlandt.


Na 1586 is de schorre in die mate verland dat ze rijp is voor indijking: er wordt een dijk


gebouwd ter hoogte van de oorspronkelijke, oude dijk. De kraagdijk in het land moet
nu niet meer ‘waken’ (dat is nu de rol van de nieuwe dijk) en wordt een ‘slaper’. Het zou Pedro Coloma geweest zijn die het plan opvatte om dit schoor door indijking in polder om te zetten (bron : Met Lupo van de Bron naar Bornem – J. Maerevoet).

De ingedijkte schorre kan nu verder ontwikkelen tot een polder. Door het aangeslibt materiaal dat door de kraagdijk werd tegengehouden, ligt de polder nu hoger dan die in de omgeving, nl. meer dan 2 m.

In 1953 is er opnieuw een overstroming door stormvloed op de Schelde (in Temse steeg waterpeil tot 7,3 m). De plaatselijke bevolking vond 3 maanden lang onderdak in de Abdij van Bornem. De dijken werden gedicht en verbeterd, hoewel de overstroming in 1976 opnieuw voor ongerustheid zorgde. De dijkbreuk van de Vliet bij Ruisbroek betekende toen de redding voor de dijken aan deze kant, het water kon weg en de streek van Bornem bleef van wéér een overstroming gevrijwaard.

Samenvattend betekent dit voor het Groot Schoor :

1/ eerste tijden : schorregebied langs de Schelde

2/ na eerste bedijking, 12e – 13e eeuw : polder en dus landbouwgrond

3/ van 1551 – 1554 : overstroomd gebied, schorre

4/ na bouw van kraagdijk : ontwikkeling tot ‘rijpe’ schorre

5/ in 1586 wordt de “rijpe” schorre ingedijkt

6/ evolutie naar polder en landbouwgebied


6/ VERANTWOORD UW KEUZE VAN STANDPLAATS BIJ HET GEVEN VAN DE UITLEG.


Bij de wandelkaart op de dijk heeft men een goed uitzicht over het hele Groot Schoor, en bovendien kan het aangewezen worden op de wandelkaart, hoewel het er niet afzonderlijk op getekend staat.

De rest van de gidsbeurt wordt gegeven vanop verschillende locaties op de oude binnendijk. De wandeling begint aan de rechterkant (kant Buitenland) en kan dan bv. stoppen op de locatie waar de schotbalken geplaatst zijn. Van daaruit heeft men ook een mooi overzicht en hier kan ook een gedeelte van de uitleg gegeven worden.

Dan gaan we naar beneden, achter de dijk en wandelen daar tot we aan de andere kant van het Groot Schoor zijn. Van hieruit hebben we een mooi zicht op het Groot Kragewiel.

Daar gaan we de binnendijk weer op, om verder te wandelen en af te sluiten aan de andere zijde van de dijk, kant Notelaer.


VERDERE ACHTERGROND EN UITBREIDING ONTSTAANSGESCHIEDENIS



Het Schelde-estuarium :

Een estuarium is een verbrede riviermonding waarlangs de getijdengolf binnedringt. Kenmerkend voor estuaria zijn de eb- en vloedbewegingen en de menging van zout zeewater en zoet rivierater. De Schelde is één van de laatste en meest natuurlijke estuaria in West-Europa. Het ongewone aan de Schelde is dat de getijden van de zee heel diep landinwaarts waar te nemen zijn, tot aan het sluizencomplex van Gent, zo’n 160km van de zee. Het Schelde-estuarium omvat de Zeeschelde (tussen gent en de Belgisch-Nederlandse grens) en de Westerschelde (tussen de Belgisch-Nederlandse grens en de monding). Zelfs in de zijrivieren van de Schelde zoals Durme, Rupel, Nete en Zenne zijn er metershoge verschillen tussen hoog en laag tij.


Het verschil tussen de monding van de Schelde en die van de Amazone of de Nijl zit in de waterafvoer. In de riviermondingen van de Amazone en de Nijl overheerst de rivierafvoer. Die rivieren monden in de zee uit met een relatief zwakke getijdenbeweging. Bij de Schelde is dat niet het geval. Gedurende één etmaal voert de Schelde ruim 10 miljoen m³ water naar zee. In dezelfde tijdspanne is bij Vlissingen een honderd keer grotere hoeveelheid zeewater, namelijk ruim 1 miljard m³ het estuarium in- en uitgestroomd.
Het Schelde-estuarium ligt in een vlak gebied. Zo zoekt de Schelde haar weg naar zee en schuurt ze haar bedding uit. In de Weterschelde is er een meergeulenstelse met hoofd- en nevengeulen, met tussenliggende platen en ondiepwatergebieden. Ook de Zeeschelde heeft een meanderend karakter met voornamelijk één geul.
Het hele estuarium herbergt veel verschillende gebieden : diep, ondiep, zoet, brak, zout, open water, enz. Door de wisselende verhouding zout-zoet, de schommelingen van het waterpeil en de plaatselijke aanslibbingen kent het Schelde-estuarium een heel rijke en zeer verscheiden en unieke fauna en flora.
Het estuarium is bij Gent slechts 50 meter breed. In Dendermonde is dat 100 meter, in Antwerpen 450 meter, aan de Nederlandse grens ruim 2.000 meter en bij Vlissingen 5 km.
In Klein-Brabant komen volgende gebieden voor :

  • polders (landbouwtoepassingen)

  • broekgebieden

  • zandheuvels, waarop de oorspronkelijke bewoning zich situeert

Rivierenland wordt gekenmerkt door brede alluviale vlakte van de Beneden-Schelde.

De noordelijke rand van de Schelde is een verhevenheid, best waar te nemen in het Land van Waas. Dit is te vergelijken met de Cuesta van Boom en is eigenlijk een identiek verschijnsel. Men noemt deze verhevenheid dan ook de Cuesta van het Waasland. De ondergrond is niet hoofdzakelijk zand, maar klei.

De bodem aan de zuidkant van de rivier is overwegend zand, maar in de alluviale vlakte is de ondergrond kleiïg.


De Vlaamse Vallei heeft zich tijdens de ijstijden in het kwartair gevormd. Het zeepeil was toen veel lager gelegen en in de zandige en kleiïge vlakte wordt het rivierennet gevormd dat de Vlaamse Vallei genoemd wordt. Dit is de basis van de huidige grote rivieren in Vlaanderen.

Naar het Oosten toe wordt de Vlaamse Vallei begrensd door de cuesta van het Land van Waas.


In deze brede vlakke alluviale vlakte hebben de rivieren vrij spel en worden materialen afgezet, deels door de wind, deels door vervening : een zeer grillig patroon van verschillende lagen materiaal ontstaan.
Afzettingen :

Eoceen (tertiair, tussen 54 en 38 miljoen jaar geleden)

zand

Oligoceen (tussen 38 en 26 milj. jaar geleden)



klei, zand, grint

periode van « klei van het Waasland » : dit is de grijze klei

Mioceen (26 tot 7 mil. jaar geleden)

zand


Plioceen (7 tot 2.5 miljoen jaar geleden) = laatste periode van tertiair

dunne laag zand

op einde Plioceen rijst Rivierenland definitief boven de zeespiegel

Pleistoceen (2.5 miljoen tot 10.000 jaar geleden) :

ontwikkeling van het rivierenstelsel, vnl. in de laatste 1 miljoen jaar ervan.
De hoofdrivier Schelde stroomt in de richting van de zich terugtrekkende zee, dus westwaarts en bepaalt het uitzicht van de vallei : door de eroderende kracht snijdt de rivier zich langzaam in het landschap in.
Er is verschil in erosie in de ijstijden (glacialen) en de warmere perioden of tussenijstijden

(interglacialen). In de ijstijd daalt de zeespiegel, er is weinig begroeiïng om water op te enmen, dus meer erosie en diepe verticale insnijdingen. In de interglaciaal tijden ligt het zeepeil hoger, er is meer erosie, de rivier verbreedt haar bedding, er is meer sedimentatie.


De opvulling van de Vlaamse Vallei is vooral gebeurd tijdens de laatste Ijstijd. Zandige opduikingen en lager gelegen moerassige gebieden (donken en broeken) kenmerkten het landschap - de opvulling verliep niet gelijk, maar golvend.

De rivieren konden het aangewaaide materiaal door de grote hoeveelheid ervan niet meer verzetten. De zuidelijke tak van de Vlaamse Vallei zocht een weg oostwaarts, langs de steile rand van de cuesta van het Land van Waas, kwam bij de Rupel uit en stroomde dan Noordwaarts. De Schelde werd eigenlijk een bijrivier van de Rupel. Door de opeenhoping van materiaal begon de Schelde te meanderen en werd het een verwilderde rivier.


Als het klimaat warmer wordt, komen er meer planten. Dit geeft meer veenvorming in de geulen van de Schelde. Als de rivier overstroomt wordt er materiaal afgezet, maar selectief. Op de oever : zwaarder materiaal (zand), verder weg van de rivierbedding : fijnere deeltjes (klei en leem). Deze zakken bij uitdroging dieper in, waardoor typische zandige oeverwallen ontstaan en daarachter de lager geleden komgronden, beplant met populieren en met vochtige weiden.

In de buitenbocht werkt de rivier erosief : er komt « inklinking » van het venig materiaal.

In de binnenbocht wordt materiaal afgezet, zodat er een hogere ligging komt door meer afzetting. Het resultaat is een hoogteverschil tussen binnen- en buitenbocht. De Schelde heeft dus een duidelijke slikke- en schorrevlakte, veroorzaakt door de getijdenwerking.

LEZEN VAN HET LANDSCHAP

LANDSCHAPSECOLOGISCHE FACTOREN

1/ Klimaat

Klein-Brabant ligt centraal in Laag-België, dat door een vochtig gematigd koud klimaat gekenmerkt wordt. Alhoewel de streek reeds tamelijk ver landinwaarts ligt, is de maritieme invloed, vooral hier in het noordwesten, nog relatief groot en dit wegens de aanwezigheid van Schelde en Rupel. Dit wordt ook weerspiegeld in de aanwezige flora.

De gemiddelde jaartemperatuur in Klein-Brabant behoort tot de hoogste van het land.
Enerzijds speelt in de wintermaanden de verzachtende maritieme invloed nog fel door, terwijl in de zomermaanden relatief hoge gemiddelden geregistreerd worden omwille van de landinwaartse ligging.
Vooral de minima blijven heel het jaar door op een hoog niveau en dit in tegenstelling met zowel de Vlaamse Zandstreek als met de Kempen. Bijgevolg zijn de verschillen tussen dag en nacht in Klein-Brabant vrij gering.

De streek is vrij droog. Bovendien vermindert de neerslag lichtjes naar het zuidoosten toe.


Het Groot Schoor ligt bovendien tussen de dijken, erg beschut tegen de wind.


2) Reliëf (geologie)

De alluviale vlakte van de Schelde is een zeer laag en vlak gebied, dat omsloten wordt door de hoogtelijn van 3 m. Gemiddeld ligt het hoogteniveau van de Scheldevlakte tussen de 0 en 1 m. Klein-Brabant behoort tot de laagst gelegen gebieden in ons land. De hoogste plaatsen te Bornem en Hingene bereiken slechts 11 tot 13 m, terwijl de minst hoge plaats, ten noordoosten van het Kragewiel, amper 0,3 m hoog is.

Het Groot Schoor heeft door zijn geschiedenis hoger opgeslibde gronden die het niveau van 2 à 3 m bereiken.


3) Geomorfologie / Bodem / Water (zie ook ontstaansgeschiedenis)


Veenvorming:


na de ijstijd: klimaat wordt zachter, de zeespiegel stijgt en de ontwatering in de dalvlakte van de Schelde wordt moeilijker. Tussen rivier en hoger gelegen zandgronden leidt dit tot de ontwikkeling van een weelderige plantengroei : er ontstaat een moerasbos. De plantenresten kunnen niet genoeg worden afgebroken omdat de hoge waterstand maakt dat er te weinig zuurstof is voor dat afbraakproces, dus de plantenresten stapelen zich op tot een dikke laag en men krijgt veenvorming.

Klei-afzetting:

De zeespiegel blijft stijgen en de getijdenwerking op Schelde neemt toe (11de eeuw). Dit leidt ertoe dat de Scheldevlakte regelmatig gaat overstromen. Fijne kleideeltjes die met het water worden meegevoerd, bezinken op plaatsen waar de rivier een lage stroomsnelheid heeft en boven het veen wordt dus een kleilaag afgezet.

De polders (tussen 0 en 2 m) liggen lager dan de hoogwaterstand van de Scheldeen daarom moeten ze kunstmatig ontwaterd worden via een systeem van lijsloten en ontwateringssluisjes. In het Groot Schoor wordt het grondwater via de lijsloten afgevoerd naar de ontwateringssluis bij Buitenland. De grote lijsloot rond het Groot Schoor wordt bestuurd door het Polderbestuur, het onderhoud van de ringgracht is voor de landbouwer.

De grondwatertafel blijft constant op geringe diepte liggen. De hoogste stand wordt gemeten in februari-maart, de laagste in september-oktober. Dit beïnvloedt de bodem: grijs- en blauwachtig waar de grond voortdurend met grondwater verzadigd is en roestig gevlekt in het deel tussen de laagste en de hoogste waterstand.

BIOTISCHE FACTOREN, MET INBEGRIP VAN DE MENS

De grote, enige, ingreep van de mens op dit landschap is de bouw van dijken. Die ingreep heeft echter zulke vérstrekkende gevolgen, dat het hele landschap inbegrepen de rivier, erdoor veranderd is.


Met de systematische bedijking van de rivier begon men vanaf de 11-12e eeuw. De rivier moest land afgeven aan de mens, voor bewoning en voor landbouw. Door de dijkenbouw wijzigde het uitzicht van de rivier voorgoed. Waar het water tot dan toe vrij spel had, waar bij vloed ongehinderd kreekjes en beekjes en geultjes tot ver landinwaarts konden vollopen, werd het nu in een keurslijf van dijken gedwongen. Gevolg was niet alleen een stijging van het waterpeil omdat hetzelfde volume water het met een kleinere oppervlakte moest doen, maar ook een sterkere stroming. De getijdenwerking werd verder landinwaarts voelbaar : rond de 13e eeuw tot de Rupel en tegen het einde van de 14e eeuw tot in Gent.
Door de stijging van de zeespiegel in de 11de eeuw krijgt de Schelde krijgt via de Westerschelde een behoorlijke verbinding met de zee. Daardoor neemt op de Schelde de getijdenwerking toe, die één reden was voor het bouwen van dijken.
Door het opwerpen van dijken en de smallere bedding die Schelde en Rupel daardoor toegewezen kregen, werd land gewonnen op de rivier en ontstonden de polders. De polders liggen zeer laag, van nul tot –2 meter. Alleen de oeverwallen van de Oude Schelde, de zandige donken en de laatste ingepolderde schorren, waaronder het Groot Schoor, liggen hoger. Ook in de polder neemt het water nog een belangrijke plaats in. Typisch voor een rivierpolder zijn de talrijke wielen.

WISSELWERKING VAN DE LANDSCHAPSECOLOGISCHE FACTOREN EN DE BIOTISCHE FACTOREN


Oorspronkelijk, vóór de eerste bedijking was het gebied dat Spierbroekpolder en later Groot Schoor zou heten, een gebied grenzend aan de rivier. Men kan er dus vanuit gaan dat het een slikke of schorre was.
Het slik is het gedeelte van de oever dat bij elke vloed (dus 2 keer per dag) overspoeld wordt. Langs de oevers komen de slikken droog en in het midden van de stroom komen platen boven water. De bodemdeeltjes variëren van grof- naar fijnkorrelig, van vooral zand naar overwegend slib.

Tijdens de vloed stroomt het water met hoge snelheid over de platen. Zandribbels tot twee meter hoog zijn daarvan de sporen. Slechts heel weinig organismen kunnen in zulke extreme omstandigheden leven. Andere platen zijn vlakker, slibrijker en lijden minder onder de sterke stroming. De slikken langs de oever zijn vooral slibrijk, maar ook zandige oeverslikken komen voor.


Schorre : Op de hoogste delen van de slikken, die bijna elke dag door het hoogwater overspoeld worden met zee- of rivierwater, kunnen zich toch nog enkele planten staande houden. Van zodra die planten zich vestigen, zorgen ze ervoor dat het slib sneller opslibt. Daardoor kunnen ook andere plantensoorten ontkiemen en groeien. Die hogergelegen begroeide delen noemen we de schorren. Met elk getij verhogen de jonge schorren zich door de aanvoer van slib en sediment. Bij gewoon hoogwater dringt het water de schorren binnen via kreken en geulen. Bij springtij staat het hele schorrengebied nat. Het zoute zeewater dat met de getijden de Schelde binnenstroomt, komt niet verder dan Rupelmonde.

Na de bouw van de eerste, oude dijk, ontwikkelt het gebied zich tot polder. Zoals eerder gezegd duidt dit op matige vochtigheid en dus weiland of landbouwgrond.
Na de bouw van de kraagdijk kent het Groot Schoor opnieuw een periode van slikken en schorren, waarin een spontane plantengroei ontstaat met riet en wilgen. Beide soorten kunnen niet tegen zout (cf. de Schelde is hier een zoetwaterrivier).

A/ Riet :



Rietkragen (rietvelden) zijn biotopen op zich en ontwikkelen zich op natte, vrij voedselrijke plaatsen of in ondiep water. Zo’n dichte, ondoordringbare rietbegroeiing herbergt weinig andere planten dan de goudgele rietstokken en hier en daar een opschietende wilg. Wordt het riet niet regelmatig gemaaid, dan takelt het af en wordt het overmand door wilgeroosje, wederik, winde…

(Uitgebreide rietkragen zijn ware vogelparadijzen: karekiet, rietgors en rietzanger, maar ook enkele zeldzame reigerachtigen en de bruine kiekendief)

Riet behoort tot de grassenfamilie. In de lente verschijnen de stengels, met vele frisgroene bladen erop. Pas in de late zomer maken de paarsbruine bloeipluimen hun opwachting. Ze staan op een forse, tot drie meter hoge stengel en bevatten massa’s bloemen. Deze bleekbruin tot beige gekleurde stengels zijn hard en stijf en blijven de hele winter staan, zodat kleine insekten in de stengelholten beschuting kunnen zoeken. De stengels staan zelfs de zomer daarop nog overeind, en vogels als karekieten hangen er hun nest aan op.


Hoewel rietzaden niet onder water kunnen kiemen, kan riet zich tot ver in het water uitbreiden. Het kan daarbij rekenen op zijn wortelstokken, die horizontaal groeien in de bodem onder het wateroppervlak. Je kunt dus zowel riet aantreffen dat volledig op het droge staat als riet dat met de voeten in het water staat en met de rest boven het water uitsteekt. Vandaar dat het zo gepast is voor de schorre.

Door de grote massa afgestorven bladen en stengels is riet echter ook een sterke verlander: waar het in water staat, wordt de bodem gauw opgehoogd tot boven het waterpeil, zodat in oudere rietkragen gemakkelijk wilgen en andere bomen en struiken voet aan de grond krijgen.


Factoren die de verspreiding van riet beperken zijn o.m. te weinig voedsel in het water of water dat te sterk stroomt of te zout is, wat ter hoogte van het Groot Schoor niet het geval is.

B/ Wilgen :


In ons land zijn 11 wilgesoorten inheems, maar de studie ervan is moeilijk door de vele kruisingen tussen die soorten. Eén ding hebben alle wilgen gemeen : hun knoppen zijn altijd omgeven door maar 1 knopschub. Wilgen zijn niet erg bestand tegen schaduw. Het zijn eerder pioniers die snel een opengevallen terrein kunnen bezetten, eigenschappen die ze gemeen hebben met de canadapopulier.

Het hout van een wilgestam rot snel en vele oudere wilgen zijn daarom hol (holenbroedende vogels kunnen er terecht).


De wilgetenen (= uitschietende twijgen) worden gevlochten tot gebruiksvoorwerpen of ter versteviging van dijken.
Er zijn soorten met
(a) smalle blaadjes:
. Van deze groep komt bij ons de schietwilg of witte wilg het meest voor (meeste knotbomen behoren tot deze soort).
Bladeren zijn aan de onderkant zijdeachtig wit behaard.
. Zeldzamer is de kraakwilg met twijgen die gemakkelijk breken en kale, groene bladeren.
Tot deze groep behoren ook 2 veelgebruikte sierbomen: een krulwilg en de treurwilg.
(b) brede blaadjes:
. Het zijn kleinere bomen of struiken die zelden aangeplant worden maar her en der weelderig opschieten en snel groeien (cf schorre), vooral op vochtige grond. Het meest algemeen is de boswilg of waterwilg, een kleine boom die overal groeit waar de grond niet te arm is en niet te snel uitdroogt.
. Op zuurdere grond en in hoogveen groeit de geoorde wilg die maar een paar meter hoog wordt en kleinere blaadjes heeft;
. Verder is er de kruipwilg die maximaal één meter hoog wordt. Hij groeit vooral op natte plaatsen in de duinen en andere zandige terreinen waar hij zich laag bij de grond kruipend vertakt.

- Knotwilgen zijn een typisch menselijke creatie.


Men dacht een wilg klein te kunnen houden door hem te knotten. Zo bekwam men een boom met een stam van zo’n twee meter hoog (vaak nog lager) met bovenaan een verdikking waaruit talrijke takken schieten. Door die takken regelmatig af te hakken voorzag men zich van een permanente houtopbrengst (rijshout, vlechthout, geriefhout, zelfs stookhout). Die functie is de laatste decennia verdwenen. De moderne landbouwuitbating heeft dat hout niet meer nodig, rijen (knot)bomen worden nu vaak als hinderlijk ervaren.
Regelmatig geknot worden is belangrijk voor het onderhoud van een knotwilg. Doet men dit niet, dan zullen na zo’n twintig jaar de takken zodanig dik geworden zijn dat ze van de boom afscheuren. Dikwijls splijt hierdoor de stam volledig open zodat de boom afsterft
Ze werden aangeplant langs oevers van beken en sloten of langs weden en akkers. Met hun uitgebreid, oppervlakkig wortelstelosel verstevigden ze oevers of draineerden ze weiden en akkers op een natuurlijke manier. Verder deden ze dienst als windscherm en schaduwgever voor het vee.
Een knotwilg is een natuurwereldje op zich: in de dikke knot heerst een eigen temperatuur, een bijzondere vochtigheidsgraad, en er leven massa’s kleine korstmossen en mossen. Na afsterven vormen die samen met de bladeren die in de knot terechtkomen een soort humuslaag-op-de-eerste-verdieping, waarin andere planten, zelfs struikjes kunnen groeien. Hoog en droog voelen ook heel wat insektjes zich thuis en een aantal vogels zouden het veel slechter doen als er geen knotwilgen waren. Zo is de steenuil grotendeels gebonden aan knotbomen of oude hoogstamboomgaarden. (Niet alleen wilgen worden geknot, ook essen, populieren, eiken en olmen verdragen die bewerking. De beuk overleeft het knotten niet.)

Griendculturen zijn plaatsen waar wilgen werden aangeplant die om de drie à vier jaar op geringe hoogte worden gekapt en zo rijshout leveren (voor gebruik als geluidsscherm bij snelwegen of bezinkingsmatten in de Zeebrugse haven)

(c) Op de dijk zullen waarschijnlijk (zoals overal) notelaars gestaan hebben.
Dit wordt ook bevestigd door de bewoners van de boerderij op de Vitsdam, die het gebied al heel lang kennen en bevestigen dat de oude dijk inderdaad met notelaars beplant was.




C)
Na de inpoldering van de rijpe schorre:
Vroeger werden er wijmen geteeld voor de mandenvlechterij. Dit was ook nog zo’n 30 jaar geleden het geval: het Groot Schoor was toen eigendom van de graaf.

Het Groot Schoor is een vrij laat ingepolderd gebied, volledig door een ringdijk omgeven.
Het ligt ongeveer 2 m hoger dan de aangrenzende polders. Daardoor heeft het een betere grondwaterhuishouding en komt de grond in aanmerking voor
akkerbouw en fruitteelt.
De huidige eigenaar (Mr. Tindemans)gebruikt die ook daarvoor.

Wat er nu geteeld wordt:


a) laagstam appel- en perenbomen (gangbare rassen)
De streek is bekend om zijn lekkere appels (Weert). Onderhoud en plukken blijven intensieve arbeid.
b) tarwe – gerst – maïs (wordt later gezaaid)



Wat er verder groeit:
a) Canadabomen op de polderdijk langs de lijsloot
Als we spreken over de Canadapopulier hebben we het over alle hybriden die ontstaan zijn uit de Europese zwarte populier en een Amerikaanse soort. Ze worden 8 m van elkaar geplant en opgesleund.
Er zijn oude en nieuwe cultuurvariëteiten, die beide alleen vegetatief worden voortgekweekt.

De oude variëteit: reeds vanaf eind vorige eeuw gebruikt. De meest gebruikte is de Robusta, een mannelijke variëteit met rechte stam en fijne takken. Het uitlopend blad is roodachtig, de katjes helderrood. Ze groeien relatief traag en worden na meer dan 30 jaar gekapt. Ze zijn echter niet altijd even bestand tegen ziekten.

Nieuwe variëteiten zijn als plantgoed op de markt sedert de begin jaren 1970. Ze zijn ziektebestendiger en worden na ten hoogste 20 jaar reeds gekapt.

Populieren groeien snel, worden hoog, verdragen geen schaduw en kunnen op korte tijd open terreinen innemen. Zoals bij de wilgen zijn er mannelijke en vrouwelijke bomen met katjes. In vergelijking met de katjes van de wilg zijn ze langer en hangen ze neer. Ook zijn hun bladeren altijd relatief breed en de knoppen steevast bedekt met talrijke harsige knopschubben.

Populierenhout is zacht en egaal lichtgekleurd: het wordt gebruikt voor multiplex, lucifers, papier, fruitkistjes,… Deze bomen hebben dus een sterk economisch belang.


Slechts één soort is absoluut zeker inheems: de ratelpopulier = trilpopulier = esp.

In het Groot Schoor staan geen populieren, dit zou te veel water onttrekken aan de bodem en nadelig zijn voor het aangrenzende Kragewiel.

c) Elzen (binnen de dijk weinig)
Zeer algemeen is bij ons de zwarte els. Het is een bladverliezende boom van 20 à 30 m hoog.
In de winter is hij gemakkelijk te herkennen aan de knotsvormige, paarse knoppen, aan de mannelijke katjes die al in de herfst in hun beginstadium zichtbaar zijn en aan de zwarte schors van de stam.
De bloemen verschijnen in maart, eerder dan het blad, in de vorm van katjes. De mannelijke zijn geel en 12cm lang, de vrouwelijke rood en 1cm lang. In de herfst groeien de vrouwelijke katjes uit tot houtachtige kegelvormige lange proppen.
Elzen hebben in hun wortels gezwellen met bacteriën die stikstof uit de lucht kunnen opnemen. Ze voorzien de boom van stikstofrijke voedingsstoffen en zorgen ervoor dat de vruchtbaarheid van de bodem wordt verhoogd. Een populierenplantage met een ondergroei van els zal dankzij die bodemverbetering meer hout opbrengen.
De boom heeft enige economische waarde: het oranje-gele hout wordt gebruikt voor onderwaterconstructies of voor het maken van potloden en andere kleine voorwerpen.

Wat er ook zou kunnen staan: (en enkele jaren geleden gestaan heeft)
Alle teelten die op zware gronden goed gedijen: suikerbieten – aardappelen - graan


MENSELIJKE FACTOREN


Zoals eerder al vermeld, is de menselijke activiteit hier merkbaar in

. de bouw van de dijken


. het graven van de lijsloten en grachten voor de ontwatering
. het aanplanten van populieren
. akkerbouw en fruitteelt

LANDSCHAPSTYPE


Het Groot Schoor is momenteel een cultuurlandschap. De mens heeft de omgeving volledig in de hand : de kraagdijk werd door de mens in het landschap gebracht , de rijpe schorre werd ingepolderd, de lijsloten werden gegraven voor de afwatering, akkerbouw en fruitteelt zijn aangebracht, de bomen werden aangeplant De geasfalteerde dijken zijn enkel voor fietsers en wandelaars toegankelijk, wat de toeristisch-recreatieve waarde van het gebied ten goede komt.

Natuurlijk landschap is het alleen geweest in de periode vóór de indijking : de vroegere slikken en schorren vallen daaronder. Fauna en flora mochten zich toen nagenoeg volledig spontaan en zelfstandig ontwikkelen en ook op de landschapsstructuur is de menselijke invloed gering.

De mens heeft het landschap daarna ‘overgenomen’, door in te grijpen met de bedijking, en sinds dan is het landschap bepaald geweest door de mens. Het landschap heeft een landbouw-functie gekregen.
Toen heeft de rivier het weer opgeëist en is het een aantal jaren lang terug natuurlandschap geworden. De rivier was op dat moment té serk, de mens kon zijn dijken niet opnieuw aanleggen en heeft dan uiteindelijk moeten kiezen voor een tussenoplossing : de kraagdijk. Het gebied dat binnen die kraagdijk lag, werd op dat moment teruggegeven aan de rivier, en kon verder natuurlijk ontwikkelen tot schorre.
Toen uiteindelijk opnieuw een buitendijk kon gebouwd worden, kreeg het landschap terug zijn functie van landbouwgrond en dus cultuurgebied.
Volgens enkele bronnen zou het Groot Schoor voorbestemd zijn om te dienen als potpolder, als gecontroleerd overstromingsgebied in het kader van het Sigmaplan, net zoals de potpolders bij Kruibeke. Op het Gewestplan kon hier niets van teruggevonden worden, en ook andere bronnen hebben deze planning niet kunnen bevestigen.
Toch is het interessant om te zien, dat boven op de kraagdijk restanten zijn te zien van een installatie voor schotbalken. Dit hield misschien het water ook wel tegen, maar was toch voornamelijk bedoeld om bij overstroming het water gecontroleerd te laten afvloeien. Dus kan men concluderen dat dit gebied, hoewel het er oorspronkelijk niet voor bedoeld was (noodgedwongen heeft men eerst een kraagdijk, en pas daarna een buitendijk gebouwd) toch dienst heeft gedaan als potpolder.


Kan men nu spreken van een halfnatuurlijk landschap op de kraagdijk ? Typerend hieraan is dat de vegetatiestructuur ingrijpend door de mens is veranderd, maar dat flora en fauna geheel spontaan zijn. Alleen door regelmaat in de menselijke beïnvloeding blijft de halfnatuurlijke structuur bestaan :

In het Groot Schoor wordt de kraagdijk begraasd door koeien. Doordat er weinig vraag is naar wilgehout worden de bomen niet meer geknot. Wat zal dit op termijn geven? Als de mens niet ingrijpt, zal via ecologische successie een vegetatie ontstaan die streeft naar de natuurlijke potentie. We mogen aannemen dat de climaxvegetatie bos zou zijn.


De kraagdijk is nu eigendom van het Polderbestuur. Mr. Tindemans heeft de dijk in gebruik. Zoals gezegd houden koeien het gras kort en trappen ze de dijk vast. Verder onderhoud is niet nodig - de dijk dient immers niet meer om water tegen te houden.

Het landschap in en rond het Groot Schoor is een traditioneel landschap: het heeft een trage en langdurige ontwikkeling gekend, zodat een harmonische integratie van de verschillende componenten (reliëf, bodem, begroeiing) mogelijk was. De menselijke activiteit in deze landschappen was geënt op de natuurlijke mogelijkheden en beperkingen.


Dit gebied wordt aangeduid als een alluviaal gebied met economische waarde.

KRAGEWIEL


Na de overstroming en het bouwen van de kraagdijk om het Groot Schoor bleef een gedeelte van het wiel achter. Het is een grote waterplas, die nu de Kragewiel genoemd wordt, maar volgens de legende de naam draagt van Krochterwiel, omwille van de bijzondere tussenkomst van Onze-Lieve-Vrouw uit de Krocht te Bornem.

Toen de doorbraak van de dijk had plaatsgehad en de Kragewiel was gespoeld, probeerde men tevergeeefs de opening te stoppen, maar da lukte niet, of tenminste maar gedeeltelijk. Toen droeg men processiegewijs Onze-Lieve-Vrouw uit de Krocht (Bornem) naar de waterplas en de doorbraak hield ogenblikkelijk op. De plaats kreeg de naam van Krochterwiel, nu Kragewiel.


Op oude kaarten wordt dit aangeduid als De Craege en De Kraegen Wiel. Tot in de jaren 1970 was dit eigendom van graaf van Bornem, daarna van de eigenaar van de Rizla fabrieken en nu van de familie in de aanpalende boerderij op de Vitsdam.
Het Kragewiel is nu een visvijver met een diepte van 12 m. De vissersplaatsen zijn verpacht en het is een natuurgebied geworden. Op de oevers groeit : waterlelie, lisdodde (duiltoppen) en gele plomp.
Lisdodde :
De grote lisdodde houdt van nog voedselrijker water dan riet. Enige vervuiling deert haar niet. Ze is dus geenszins in haar bestaan bedreigd.
De plant kan tot 2 m hoog of hoger worden. De bladen zijn rechtstreeks ingeplant op de wortelstok. Bij het begin van de zomer komt van tussen de bladen een bloeistengel te voorschijn die boven hen uitgroeit en gekroond wordt door een merkwaardige bloeiwijze: een soort dikke bruine ‘sigaar’ van vrouwelijke bloemen, met onmiddellijk daarboven een dunnere mannelijke bloeiaar. In de herfst voert de wind het vruchtpluis mee en kort daarop kraken zowel bladen als bloeistengels af.

De grote lisdodde heeft een sterk verlandend effect.

Gele plomp
Heeft grote eironde bladen op het water. Elk blad is door een aparte steel verbonden met de wortel.
De bloemen zijn fel geel en 3 tot 6 cm groot. Van mei tot augustus stken ze enkele centimeters boven het water uit. Gele plomp groeit in stilstaand of traag stromend water van max. 2 m diep

VITSDAM

De Rotdam en de Vitsdam komen reeds op oude kaarten voor. Ze maakten deel uit van de verdedigingsstructuur van de dijken : dwars op de dijken werden in de riviervlakte deze dammen gebouwd om de dijken te ondersteunen. Tegelijkertijd waren het opgehoogde verbindingswegen die door het Spierenbroek liepen en zo toelieten de lager gelegen delen vanuit de dorpskom beter te bereiken.




DIJKENBOUW

De oude dijken waren 3 meter hoog, en het waren aarden wallen. Gedurende eeuwen zijn ze constant verhoogd geworden, omdat het waterpeil van de Schelde constant steeg, o.a. door het smelten van de ijskap, en meer recent het afsluiten van de Oosterschelde en de baggerwerken in de Weterschelde.


De eigenaars van het stuk land achter de dijken waren ook eigenaar van de dijk en moesten zorgen dat die goed onderhouden bleef. Dit gebeurde uiteraard heel dikwijls niet zoals het moest : vandaar dat door het slechte onderhoud en bij stormtij in de winter, er een bres kon geslagen worden in de dijken, met als gevolg een grote overstroming. De laatste in de streek van Klein-Brabant dateert van 1953. Het waterpeil bereikte toen 7.40 meter en er werd een bres geslagen in de Rupeldijk. Ook de Notelaer stond toen onder water. Het dichten van de bres heeft zo’n drie maanden geduurd.
In 1976 was het opnieuw paniek maar toen bleef Klein-Brabant grotendeels gespaard, enkel Ruisbroek stond door de overstroming van de Vliet onder water. Men heeft daarna een pompgemaal geïnstalleerd en de Vliet tot een braaf rustig riviertje herleid.

Als gevolg van al deze rampspoeden werd in 1978 gestart met het Sigmaplan. Dat heeft drie componenten :


1/ verhogen en verstevigen van de dijken : de dijken werden opgetrokken van 7 m naar 8.30 meter. Ook de breedte wed bijna verdubbeld. Aan weerszijden werden verstevigingen uitgeveord : aan de waterzijde een kunstvezeldoek, hierop wijmen en wissen, een laag keien en asfalt. Aan de polderzijde een kunstvezeldoek en grasbetontegels waarop enkel schapen kunnen grazen.
2/ het installeren van een potpolder : een overstromingsgebied op deze plaatsen waar het versterken van dijken nutteloos zou zijn. Een potpolder is een laaggelegen, onbewoond gebied met een groot waterbergingsvermogen. Het water zou bij een overstroming via een uitwateringssluis terug overgebracht worden naar de Schelde. Zo wordt de druk op de andere dijken verlicht en kan ht waterpeil in de rivier verlaagd worden. Potpolders werden vroeger ook al als gecontroleerd overstromingsgebied gebruikt, niet alleen om de dijken te beschermen en overstroming te voorkomen, maar ook om in de winter het land te laten rusten en extra te bemesten door het water erop te laten staan. In de zomer werd het water dan weer naar de rivier afgevoerd en bleef een vettige kleilaag op het land achter.
3/ het bouwen van een stormstuw achter Antwerpen : een zeer duur project dat uiteraard ook op veel weerstand stuit in Nederland.



  • VERDERE ACHTERGROND EN UITBREIDING ONTSTAANSGESCHIEDENIS
  • BIOTISCHE FACTOREN, MET INBEGRIP VAN DE MENS

  • Dovnload 62.99 Kb.