Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Grote levensbeschrijving van de heilige franciscus inleiding op het leven van de heilige franciscus

Dovnload 357.75 Kb.

Grote levensbeschrijving van de heilige franciscus inleiding op het leven van de heilige franciscus



Pagina1/12
Datum02.08.2017
Grootte357.75 Kb.

Dovnload 357.75 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


GROTE LEVENSBESCHRIJVING VAN DE HEILIGE FRANCISCUS
INLEIDING OP HET LEVEN VAN DE HEILIGE FRANCISCUS
1. In zichtbare gestalte heeft de gena­devolle liefde van God, onze Zalig­maker, zich in deze eindtijd willen openbaren; in zijn dienaar Franciscus is zij verschenen aan allen die werkelijk klein en nederig zijn en hun hart verpand hebben aan de heilige armoede. Wanneer ze in eerbiedige schroom de overdaad van Gods barmhartig­heid in hem aanschou­wen, leren ze door zijn voorbeeld geheel te verzaken aan de goddeloos­heid en de wereldse begeerten, in gelijkvormigheid met Christus te leven en met een onvermoei­baar vurig verlangen uit te zien naar de gelukzaligheid die hun te wachten staat. Met overgrote welwillend­heid heeft de verheven God zich immers verwaardigd op hem neer te zien, waarachtig arm en werkelijk tot inkeer gekomen als hij was. En het was Hem in zijn liefde niet genoeg hem in zijn armzaligheid de helpende hand te reiken en hem te doen opstaan uit het stof van zijn wereldse levens­wijze; Hij liet hem zich ontplooien tot leraar, gids en heraut van de evangelische volmaaktheid en maakte hem tot een lichtbaken voor degenen die geloven. Het zou immers zijn taak zijn te getuigen van het Licht en zo voor de Heer de weg van Diens licht en vrede te banen naar de harten van de gelovigen. En voorwaar, hij was als de morgenster die door de nevels breekt: stralend in de heldere glans van zijn leven en leer trok hij door zijn fel stralend licht de blik van hen die in duisternis ver­keerden en gezeten waren in de schaduw van de dood, naar het goddelijk licht. Als de regenboog die glo­rievol tussen de wolken verschijnt, was hij het teken van het verbond dat God eens met het mensdom gesloten had (Ge 9,13) en bracht hij aan de mensen een blijde boodschap van vrede en redding. Een verkondiger van de ware vrede was hij, door God bestemd om in de woestijn van de wereld de weg te bereiden voor de aller­hoogste armoede door in woord en voorbeeld op te roepen tot boetvaardig­heid. Met recht mag men beweren dat de man, die eerst om niet begiftigd werd met hemelse genadegaven en zich vervolgens de rijke verdiensten van een onoverwinnelijk deugdenleven wist eigen te maken, die ook vervuld werd van de geest van de profeten en aangewezen tot de verkondigingsdienst van de engelen, die tenslotte geheel doorgloeid werd van een hem ver­zen­gende serafijnse liefde en, langs alle trappen tot de hoogste trap van de hei­ligheid opgeklommen, in een vuurspettende wagen ten hemel voer (2 Kon 2,11) – zoals overduidelijk blijkt uit de loop van zijn leven: met recht mag men beweren dat die man op aarde verschenen is in de geest en met de kracht van Elias. En daarom heeft men ook het volste recht te beweren dat die andere vriend van de Bruidegom, de Apostel en Evangelist Johannes, in een alleszins geloofwaardige openbaring hém aan­duidt wanneer hij spreekt over de engel die opkomt van de opgang van de zon en het teken draagt van de levende God. 'Bij het openen van het zesde zegel,' zegt Johannes name­lijk in het boek van de Openbaring, 'zag ik een andere engel opkomen van de opgang van de zon met het zegel van de levende God (Apok 7,2-4).'
2. Dat die Godsgezant werkelijk de voor Christus beminnenswaardige, voor ons navolgenswaardige en voor de wereld bewonde­renswaardige die­naar van God Franciscus is geweest, wordt voor ons onbe­twijfelbare geloofszekerheid als we zien naar de uitzonderlijk hoge graad van zijn heiligheid, waardoor hij reeds in de tijd dat hij nog onder de mensen leefde, in zijn vergees­telijking en totale verzonkenheid in God op de engelen geleek en waarin hij ook tot voorbeeld is gesteld voor degenen die Christus volmaakt willen volgen. Zonder twijfel dringt zich deze vrome en gelovige overtuiging ook reeds bij ons op als we de taak bezien die hij had, de taak namelijk om op te roepen tot wenen en jam­meren, zich kaal te scheren en het boetekleed aan te trekken, en het voorhoofd van degenen die om hun zonden zuchten en treuren, te tekenen met het teken van de T – hij die door het teken van het boetekruis ook in de vorm van zijn habijt gelijkvormig was aan het kruis (Ez 9,4). Een onweerlegbaar bewijs van de waarheid ervan geeft ons echter het teken waardoor hij het evenbeeld werd van de levende God, het evenbeeld name­lijk van de gekruisigde Christus, dat zijn lichaam ingedrukt werd niet door een natuurlijke kracht noch op kunstmatige, door mensen bedachte wijze, maar door de bewonderenswaardige macht van de Geest van de levende God.
3. Ondertussen ben ik mij wel degelijk bewust niet waardig te zijn het bijzonder navolgenswaardige leven van deze zo eerbiedwaardige man te beschrijven; ook weet ik mijzelf daar­toe niet in staat. Ik zou het dan ook niet gewaagd hebben als ik er niet toe aangezet was door het vurige ver­langen van de broeders, er niet toe gedreven was door het eensgezin­de aandringen van het generale kapittel en me er niet toe gedrongen gevoeld had door de toegewijde liefde die ik jegens de heilige Vader wel moet koesteren. Toen ik immers als kind eens dodelijk ziek was en op sterven lag, ben ik, zoals ik mij levendig herin­ner, omdat men hem aangeroepen heeft, om zijn verdiensten aan de dood ontrukt. Wanneer ik daarom zou nalaten zijn roemvol leven te verheerlij­ken, vrees ik mij de beschuldiging van ondankbaarheid op de hals te halen. Dat is voor mij dan ook de voor­naamste reden geweest deze taak op mij te nemen. Juist omdat ik mij maar al te goed bewust ben dat God om hem mijn leven van lichaam en ziel ge­spaard heeft, en ik aan mijzelf de macht van de hei­lige heb ondervonden, heb ik mij verplicht gevoeld, al kon ik onmo­ge­lijk volle­dig zijn, de deugden, daden en woorden van zijn leven – waar­van men er sommige half vergeten was en andere slechts hier en daar nog kende – als kostbare brokstukken, zo goed als ik kon, te verzamelen, om te voorkomen dat ze door het sterven van hen die met Gods dienaar had­den samengeleefd, voor­goed in vergetelheid zouden raken.
4. Om een duidelij­ker beeld te krijgen hoe het leven van de heilige man werkelijk is ge­weest, en om er meer zeker van te zijn dat ik aan het nageslacht de waar­heid zou overleveren, heb ik de plaatsen bezocht waar hij geboren is en waar hij geleefd heeft en gestorven is. Daar heb ik er diepgaande gesprekken over gehad met de naaste gezellen van hem die nog in leven waren, in het bijzonder met enkele die behalve getuigen van zijn heiligheid ook zijn voornaamste volgelingen daarin zijn geweest, en die men om hun algemeen erkende waarheidsliefde en beproefde deugd onvoorwaar­delijk geloof moet schenken. Bij de beschrijving van datgene wat God zich verwaardigd heeft door zijn dienaar te bewerken, heb ik gemeend mij van iedere verfijnde, de kunstzin strelende stilering te moeten onthouden. De vrome eerbied van de lezers is immers meer gebaat met een ongekunsteld, eenvoudig verhaal dan met een in schoonklinkende woorden gesteld, prachtig opgebouwd betoog. Ook heb ik mij in mijn ver­haal niet steeds gehouden aan de chronologische volgorde van de gebeur­tenissen, om niet van alles door elkaar te moeten vertellen. Veeleer heb ik geprobeerd een ordening aan te houden waarin de gebeurtenissen op grond van hun inhoud in een meer samen­hangend verband kwamen te staan. Soms scheen het me namelijk beter toe gebeurtenissen die ter­zelf­dertijd hadden plaatsgevonden, onder verschil­lende thema's te behandelen; in andere gevallen heb ik gebeurtenissen die zich op ver­schil­lende tijdstippen hadden afgespeeld, om hun overeenkomst in inhoud bij hetzelfde thema ondergebracht.
5. De geschiedenis van het begin, het verloop en het einde van het leven van de heilige man wordt beschreven in vijftien afzonderlijke hoofdstuk­ken, waarvan de inhoud hieronder nader wordt aangegeven.

Hoofdstuk I handelt over zijn leven toen hij nog in de wereld was en wereldse kleren droeg;

hoofdstuk II heeft tot onderwerp zijn volmaakte bekering tot God en het herstel van drie kerken;

hoofdstuk III beschrijft het ontstaan van de orde en de goedkeuring van de regel;

hoofd­stuk IV vertelt over de opbloei van de orde onder zijn leiding en de officiële bekrachtiging van de regel;

hoofdstuk V geeft een beeld van de verstorven­heid van zijn leven en de troost die hij van de geschapen wereld ondervond;

hoofdstuk VI spreekt over zijn nederigheid en gehoorzaamheid en laat de welwillendheid zien waarmee God hem tegemoetkwam;

hoofdstuk VII houdt zich bezig met zijn liefde tot de armoede en de won­derbare wijze waarop God in noodgevallen ingreep;

hoofdstuk VIII probeert een kijk te geven op zijn innig vrome godvrezend­heid en de genegenheid die de redeloze schepselen hem toedroe­gen;

hoofd­stuk IX beschrijft zijn bran­dende liefde en zijn vurig verlangen naar het martelaarschap;

hoofdstuk X handelt over zijn ijver voor het gebed en de machtige wer­king ervan;

hoofdstuk XI laat zijn inzicht in de heilige Schrift en zijn profe­ti­sche geest zien;

hoofd­stuk XII vertelt van de macht die van zijn preken uitging en over zijn gave om ziekten te genezen;

hoofdstuk XIII heeft tot onder­werp zijn heili­ge wond­tekenen;

hoofdstuk XIV geeft een beschrijving van zijn volhar­dend geduld en zijn sterven;

hoofd­stuk XV behandelt zijn hei­ligverklaring en de bij­zetting van zijn lichaam in zijn definitief graf.



Tenslotte is er nog een bijlage toege­voegd, waarin enkele van de wonde­ren worden verteld die na zijn gelukzalig af­sterven hebben plaatsge­von­den. Dit was de inlei­ding.
HOOFDSTUK I
Het leven van de heilige Franciscus toen hij nog in de wereld was en wereldse kleren droeg
1. In de stad Assisi leefde een man met de naam Franciscus, die de men­sen nog altijd met eerbied gedenken. In overgrote welwillendheid was God hem immers tegemoetgetreden om hem om niet de bekoorlijke rijkdom van zijn genadegaven te schenken. Daardoor ontrukte Hij hem niet al­leen barmhartig aan de gevaren van het leven dat hij toen leidde, maar gaf Hij hem ook in overvloed deel aan de gaven van zijn genadevolle liefde. Wel groeide de man immers in zijn jongelingsjaren in nietszeg­gende grootheidswaan op temidden van ijdele, zich in zinloze grootdoe­nerij uitlevende vrienden en werd hij, na korte tijd onderricht genoten te hebben, bestemd voor een winstgevende koopmanscarrière. Maar door de hulp die hij vanuit de hemel ontving, liet hij zich in het gezel­schap van zijn losbandige kornuiten niet verleiden tot doldrieste, vlese­lijke uitspattingen, hoe uitbundig hij ook geneigd was zich over te geven aan vrolijkheid en plezier; en dank zij diezelfde hulp zette hij evenmin als een op bezit gesteld koopman zijn zinnen op rijkdom noch joeg hij achter de mammon aan, hoezeer hij ook zijn best deed een goed zakenman te zijn en winst te maken. Want van Godswege was het hart van de jonge Fran­ciscus een vrijgevig medelijden met de armen ingestort, dat met het toene­men van zijn jaren steeds groter werd en zijn hart tenslotte van zo'n welwillende liefde jegens hen vervulde dat hij – een reeds niet meer doof hoorder van het evangelie – het voornemen maakte om ieder die hem iets vroeg, terwille te zijn, vooral wanneer er een beroep gedaan werd op de liefde van God. En toen het eens gebeurde dat een arme hem om de liefde van God om een aalmoes vroeg, en hij, helemaal in beslag genomen door de beslommerin­gen van het zakendoen, de man tegen zijn gewoonte in botweg afgewezen had en met lege handen had laten gaan, kwam hij dadelijk weer tot be­zin­ning; hij liep de arme achterna en bood hem vriendelijk die aalmoes aan. Daarna deed hij God de Heer uitdrukkelijk de belofte voort­aan, als hij er tenminste toe in staat zou zijn, nooit meer iets aan iemand te wei­geren die hem dat om de liefde van God zou vragen. Tot zijn dood toe is hij aan die belofte trouw gebleven; onvermoeibaar stond hij voor een arme klaar en juist daarom viel het hem ten deel in steeds rijkere mate toe te nemen in de liefde tot God en Diens genadegaven deelachtig te worden. Later, toen hij reeds volkomen de voetsporen van Christus was gaan volgen, beweerde hij dat, ook toen hij nog in de wereld was en wereldse kleren droeg, hij zo goed als nooit iemand de veelbetekende uitdrukking 'de liefde van God' kon horen gebrui­ken zonder dat hij innerlijk heftig ont­roerd raakte. Ondertussen schenen de eigenschappen die men in de jongeman als duide­lijke aanwijzingen van zijn goede inborst in rijke mate aanwezig zag – zijn goedhartige vriende­lijkheid die gepaard ging met een hoffelijke wijze van optreden, zijn ongewoon grote inschikkelijkheid en meegaand­heid, en zijn bijzonder gulle vrijgevigheid die nooit rekening hield met de ter beschikking staande middelen – in zekere zin vooruit te lopen op de toe­komst en er een aandui­ding van te zijn dat de overvloed van Gods genade in nog rijkere mate over hem uitgestort zou worden. In ieder geval gebeurde het een keer dat een zeer eenvoudig man uit Assisi, toen hij Franciscus eens op diens tochten door de stad tegenkwam, zich van zijn mantel ontdeed en die als een loper voor diens voeten op de grond uitspreidde, bewerend dat Franciscus alle eerbied waardig was. In de nabije toekomst zou Fran­ciscus immers, zo verklaarde hij, grote dingen tot stand brengen en door de hele gemeenschap van de gelovigen op grootse wijze worden vereerd.
2. Tot dan toe wist Franciscus echter nog niet wat God met hem voorhad. De taak die zijn vader hem opgedragen had, nam hem helemaal in beslag en eiste zijn hele aandacht op voor wereldse zaken; en de verdorvenheid van zijn menselijke natuur deed zich nog steeds gelden en trok hem naar het lagere. Als gevolg daar­van had hij nog niet geleerd oog te hebben voor het hemelse en was hij er nog niet toe gekomen smaak te vinden in de dingen van God. Lichamelijk lijden dat de mens overkomt, maakt hem evenwel ge­woonlijk ontvankelijk voor het geestelijke en geeft hem be­grip voor wat de geest te zeggen heeft. De Heer strekte daarom zijn hand over Franciscus uit en de hand van de Allerhoogste bracht een om­mekeer in hem teweeg. In een langdurige ziekte liet Hij Franciscus' lichaam wegkwijnen om zijn ziel rijp te maken voor de genadevolle wer­king van de heilige Geest. Toen Franciscus einde­lijk weer op krachten was gekomen, liet hij, zoals hij dat gewoon was, voor zich een stel smaakvolle, hem bijzonder flatterende kleren maken en ging de straat op. Op een gegeven moment kwam hij tegen­over een ridder te staan, een man van voorname afkomst maar arm en erbar­melijk gekleed. Uit een diepgevoeld medelijden met de beklagenswaardige toestand van de man ontdeed Franciscus zich op staan­de voet van zijn kleren en liet ze die man aantrekken. Zo stelde hij in die ene daad een dubbele daad van naasten­liefde: door die man zijn smaakvolle kleren te laten aantrekken kwam hij hem tegemoet in zijn eergevoel als ridder en gaf hij hem zijn zelfrespect terug, én door hem uit zijn benarde omstandighe­den te halen, hielp hij in hem de arme, die hij ook was.
3. Toen Franciscus echter de volgende nacht diep in slaap was, liet de barmhartige God hem een groot, wonder­schoon paleis zien waarin zich een keur van wapentuig bevond dat als embleem het teken droeg van Christus' kruis. De Heer wilde hem hiermee duidelijk maken dat hem de barmhartig­heid die hij terwille van de liefde van de hoogste Koning die arme rid­der betoond had, op onvergelijkelijke wijze vergolden zou worden. Toen Fran­ciscus dan ook vroeg aan wie dit alles toebehoorde, werd hem van Godswege de verzekering gegeven dat dat alles voor hem en zijn ridders bestemd was. Maar nog was Franciscus niet getraind Gods geheimen te doorzien; nog verstond hij het niet in de ge­stalte van het zichtbare de afschaduwing te zien van het onzichtbare, en zo vanuit datgene wat hem zichtbaar getoond werd, te komen tot de verbor­gen werkelijke betekenis ervan. Toen hij 's morgens wakker werd, meende hij dus in het ongewone droomgezicht een aanwijzing te mogen zien dat hem een grote, voorspoe­dige toekomst te wachten stond. En nog onkundig van Gods plannen met hem, besloot hij daarom naar Apulië te gaan en zich aan te sluiten bij een hem welwillend gezinde graaf, in de hoop zich in diens dienst rid­dereer te verwerven in de strijd, zoals de hem verschenen droom, naar hij meende, hem voorgespie­geld had. Maar toen hij kort daarna op weg gegaan was en de dichtstbij­zijnde stad had bereikt, hoorde hij 's nachts de Heer hem vertrouwelijk toespreken en zeggen: 'Franciscus, wie is in staat je meer te geven, een heer of een knecht, een rijke of een arme?' Franciscus gaf ten antwoord, dat vanzelf een heer en een rijke hem meer zouden kunnen geven; waarop de Heer hem terstond verwijtend toevoegde: 'Waarom laat je de Heer dan voor de knecht in de steek en veronachtzaam je voor een arm mens de rijke God?' 'Wat wilt U dan dat ik zal doen, Heer?' vroeg Franciscus. En de Heer antwoordde: 'Ga terug naar de streek waar je thuishoort. Want het droomge­zicht dat je gezien hebt, duidt op een geeste­lijk gebeuren dat zich in jou zal voltrekken, niet door de doeltreffend­heid van menselijke maatregelen, maar op de wijze waarop God het heeft vastgesteld.' Toen de volgende morgen aan­brak, keerde Franciscus dan ook haastig vol vertrouwen en zeer verheugd naar Assisi terug en, nadat hij zo reeds een voorbeeld van ge­hoorzaam­heid had gesteld, wachtte hij rustig af wat de Heer van hem zou willen.
4. Van toen af aan begon hij zich te onttrekken aan het openbare leven en de beslommeringen van het zakendoen. Met vurige bereidheid zich ge­heel te geven, smeekte hij de barmhartige God hem toch te laten weten wat hij moest doen. Door zijn onophoudelijk bidden werd zijn vurig verlangen naar het hemelse ondertussen steeds heviger en intenser en vatte hij in zijn groeiende liefde voor het hemelse vaderland ook een steeds grotere minach­ting op voor al het aardse. Hij voelde de over­tuiging bij zich opkomen dat hij een verborgen schat gevonden had, en begon er als een bedachtzaam koopman zijn zinnen op te zetten die parel waarop hij gestoten was, koste wat het kost in bezit te krijgen. Maar nog altijd wist hij niet hoe hij hiervoor te werk moest gaan. De enige inge­ving die hij kreeg, was dat je voor een geestelijk vruchtbaar en succesvol leven moest beginnen met de verachting van de wereld, en dat je om in dienst van Christus te treden, in de eerste plaats jezelf diende te overwinnen.
5. Op zekere dag was hij aan het paardrijden in de vlakte die zich bene­den de stad Assisi uitstrekt, toen hij onverwachts een melaatse tegenkwam. Die plotselinge ontmoeting deed hem huiveren en bracht hem niet weinig in paniek. Hij dacht echter terug aan zijn voornemen de weg van de volmaakt­heid te gaan, waarvan hij zich in zijn geest al een voorstelling had gemaakt, en herinnerde zich dat je, als je een ridder van Christus wilde worden, moest beginnen met de overwinning op jezelf. Hij liet zich dus van zijn paard glijden en liep op de melaatse toe om hem te kussen. De man dacht echter dat hij een aalmoes zou krijgen en strekte zijn hand naar hem uit. Zodoende kreeg hij, behalve de kus, ook nog wat geld. Franciscus sprong daarna dadelijk weer op zijn paard en keek toen nog eens om zich heen. Maar hoewel de vlakte naar alle kanten zonder enige belemmering een vrij uitzicht bood, kon hij, waarheen hij ook keek, nergens meer een spoor van de melaatse bekennen. Uiterste verbazing maakte zich van Franciscus meester. Een gevoel van grote vreugde doorstroomde hem en vol overgave begon hij een loflied te zin­gen voor de Heer, terwijl hij het vaste voor­nemen maakte er van nu af aan steeds op uit te zijn nog grotere dingen voor de Heer te doen. Na deze gebeurtenis begon hij ook de eenzaamheid op te zoeken en zich terug te trekken op verlaten plaatsen – bij uitstek toevluchtsoorden in tijden van kwellende onrust en onzekerheid. Daar richtte hij zich zon­der ophouden met onuitsprekelijke verzuchtingen tot de Heer, totdat hij eindelijk na langdurig aandringen en bidden door Hem verhoord werd.

Toen hij namelijk op zekere dag in volslagen afzondering aan het bidden was en in de overmaat van zijn brandend verlangen geheel opging en ver­slonden was in God, verscheen hem Christus Jezus in de ge­stalte van de gekruisigde Heer. Bij het zien hiervan was Franciscus een bezwijming nabij en raakte hij buiten zinnen; en op dat moment grifte zich de her­innering aan Christus' lijden zo diep en onuitwisbaar in het diepste van zijn hart, dat hij daarna slechts met de grootste moeite zijn tra­nen kon bedwingen en voorkomen dat hij in luid geweeklaag uitbarstte, wanneer hij ook maar even aan de kruisiging van Christus dacht. Later, toen hij zijn einde voelde naderen, heeft hij dit alles vertrouwelijk aan zijn gezellen verteld. De man Gods had namelijk hieruit begrepen dat het woord van het evangelie tot hem gericht werd: 'Wanneer je mijn volgeling wil zijn, verloochen dan jezelf, neem je kruis op en volg Mij (Mt 16,24)!'


6. Nadat Franciscus deze verschijning had gezien, ging hij er zich op toeleggen zich de geest van armoede eigen te maken; hij probeerde nede­rig over zichzelf te gaan denken en te komen tot een oprechte, harte­lijke liefde voor anderen. Vóór die tijd was hij niet alleen doodsbe­nauwd ge­weest voor de omgang met de melaatsen; hij had zelfs al een hevige afkeer bij zich voelen opkomen wanneer hij ze alleen maar in de verte meende te zien. Nu ging hij hun, om daden van volledige zelfverachting te stellen, in liefdevol medeleven de nederigste diensten van menslie­vend­heid bewijzen omwille van de gekruisigde Christus, die, naar het woord van de profeet (Jes 53,4), in het oog van de mensen verachtens­waar­dig als een melaatse was geweest. Vaak bezocht hij hun woonplaat­sen, gul gaf hij hun aalmoezen en in diepgevoeld medelijden kuste hij hun handen en hun mond. Ook arme bedelaars wilde hij niet alleen maar geven wat hij bezat, hij deed het ook ten koste van zichzelf. Het gebeurde immers wel eens dat hij niets bij zich had. Soms trok hij dan zijn kleren uit, een andere keer tornde hij een stuk van zijn kleding los, terwijl hij ook wel eens zijn gewaad in tweeën scheurde om maar iets te kunnen geven. En wat arme priesters be­treft, vol liefde en eer­bied hielp hij ook hen, vooral met liturgische voorwerpen. Op die manier wilde hij voor zijn deel bijdragen aan de godde­lijke eredienst en tegelijk aan de armoede van de bedienaars ervan tege­moetkomen. In die tijd bracht hij in vrome eerbied ook eens een bezoek aan de Sint Pieter te Rome. Toen hij in het portaal van de kerk een grote groep armen zag, dreef zijn innig meeleven met hen, maar ook zijn liefde voor de armoede hem ertoe aan een van hen, die er het meest behoefte aan had, zijn kleren te geven. Alleen bedekt met diens lendendoek bracht hij verder die dag temidden van de armen door in een geestelijke blijheid zoals hij die tot dan toe nog nooit ondervonden had. Door zo te doen, wilde hij duidelijk zijn minachting laten blijken voor wat de wereld eervol en respectabel vindt, en stap voor stap verder komen in zijn opgang naar de evangelische volmaaktheid. En met zijn bijzondere waak­zaamheid beoefende hij ook de versterving van zijn lichaam, om het kruis van Chris­tus dat hij in het binnenste van zijn hart met zich droeg, ook uiterlijk in zijn lichaam tot tastbare werkelijkheid te maken. Dit alles deed de man Gods Franciscus in de tijd toen hij zich nog niet uit de wereld terugge­trokken had en nog zijn wereldse kleren droeg.
HOOFDSTUK II
Francis­cus' opgang naar zijn volmaakte bekering tot God, waarbij hij drie kerken herstelde
1. Omdat de dienaar van de Allerhoogste echter alleen op Christus aan­gewezen was als leermeester voor zijn levensweg, wilde Deze hem in zijn goe­dertierenheid ook laten ondervinden hoe verrukkelijk zoet zijn genadevolle liefde is. Op een dag was Franciscus het veld ingelopen om rustig te kunnen nadenken. Hij wandelde in de buurt van de kerk van de heilige Damianus, die door haar zeer hoge ouderdom op instorten stond, en voelde zich er innerlijk toe gedrongen die kerk binnen te gaan en er wat te bidden. Hij wierp zich voor de afbeelding van de Gekruisigde op de grond en toen hij aan het bidden was, werd hij overweldigd door een bij­zonder rijke geestelijke troost. Met tranen in zijn ogen keek hij op naar het kruis van de Heer. Op dat moment hoorde hij met eigen oren een stem vanaf het kruis heel duidelijk driemaal tot hem zeggen: 'Francis­cus, ga mijn huis herstellen! Je ziet toch dat het geheel aan het ver­vallen is.' Bij het horen van die wonderlijke stem begint Franciscus te sidderen en is hij met stomheid geslagen. Hij is immers helemaal alleen in die kerk! En omdat hij in zijn hart de machtige werking ondervindt van Gods spreken tot hem, raakt hij in vervoering. Nauwelijks is hij echter na verloop van tijd weer tot zichzelf gekomen, of hij gaat zich gereedmaken om aan het bevel te gehoorzamen; en met heel zijn energie zet hij zich dan in om de hem gege­ven opdracht, het stenen kerkje te herstellen, ten uitvoer te brengen. Toch hadden de tot hem gesproken woorden veeleer betrekking op de Kerk die Christus zich had verworven door zijn bloed, zoals de man Gods zelf later aan zijn broeders heeft verteld nadat het hem door de heilige Geest duide­lijk was gemaakt. Vervolgens ging hij aan de slag. Hij tekende zich met het krachtvolle teken van het kruis en trok, terwijl hij een paar rollen laken met zich meenam om te verkopen, haastig naar de stad Foligno. Daar aangekomen verkocht hij alle koopwaar die hij bij zich had, en wist hij ook het paard waarop hij naar de stad gekomen was – hij was immers een succes­vol koopman – voor een goede prijs kwijt te raken. Toen keerde hij naar Assisi terug en ging eerbiedig de kerk binnen die hij volgens de hem gegeven opdracht moest herstellen. En toen hij daar de arme priester aantrof, betuigde hij hem op passende wijze zijn eerbied en bood hem het geld aan voor het herstel van de kerk en tevens om daarmee aalmoe­zen te kunnen geven aan de armen. Ook vroeg hij de priester bescheiden of hij voorlopig bij hem mocht blijven. De priester stemde met het laatste in, maar uit vrees voor Franciscus' ouders wilde hij het geld niet aannemen. Toch was Franciscus' verachting voor het geld echt gemeend. Achteloos gooide hij het toen in een nis. Nietswaardig stof was het voor hem, niets meer.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


Dovnload 357.75 Kb.