Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


H7: Stoffige pruiken, bruisende ideeën: H7 kenmerken, begrippen enzovoort

Dovnload 40.11 Kb.

H7: Stoffige pruiken, bruisende ideeën: H7 kenmerken, begrippen enzovoort



Datum25.10.2017
Grootte40.11 Kb.

Dovnload 40.11 Kb.

H7: Stoffige pruiken, bruisende ideeën:

H7 kenmerken, begrippen enzovoort:

Tijdvak: Tijd van Pruiken en Revoluties 1700-1800



Periode: Vroegmoderne Tijd
4 Kenmerken van het tijdvak:

  • Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

  • Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

  • Voortbestaan van het Ancien Régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

  • De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap


Kernbegrippen:

Abolitionisme: Streven naar afschaffing van de slavernij en de slavenhandel.

Ancien Régime: Benaming voor de tijd vóór de Franse Revolutie, toen de absolute vorsten regeerden.

Democratische revolutie: Ommezwaai in bestuur waarbij het volk steeds meer macht in handen kreeg ten koste van de macht van de vorst.

Grondrechten: Vrijheidsrechten, die burgers bescherming geven tegen een oneerlijke behandeling door de overheid of door andere burgers.

Grondwet: Constitutie, algemene staatsregeling. Wet waarin de belangrijkste grondbeginselen van het bestuur van een staat zijn omschreven.

Plantagekolonie: Overzees gebiedsdeel waar grote landbouwgebieden waren ingericht, waarop vaak slaven te werk werden gesteld.

Rationalisme: Toepassen van de rede, het verstand.

Sociale verhoudingen: De wisselwerking tussen de verschillende groepen in de samenleving.

Staatsburgerschap: Toestand waarin iemand burgerrechten in een staat heeft.

Trans-Atlantische slavenhandel: Koop en verkoop van mensen als bezit, waarbij verschillende continenten betrokken zijn.

Verlicht absolutisme: Als vorsten onder invloed van de Verlichting hun bestuur verbeterden, maar wel alle macht in handen hielden. Ook wel verlicht despotisme genoemd.
Verlichting: Verlicht denken. In de 18e eeuw hadden steeds meer Europeanen kritiek op de staat en de samenleving. Ze vonden dat mensen meer gebruik moesten maken van de rede, het gezond verstand. Meer vrijheid en gelijke rechten voor iedereen zouden bijdragen aan vooruitgang van de samenleving in haar geheel.

7.1 Europa gaat buitengaats:



Wereldhandelsrijken:

Tussen Europa, Afrika en Amerika ontstond een bloeiende driehoekshandel, waarbij goederen en slaven van het ene naar het andere continent werden vervoerd. Deze handel werd beheerst door de Europese compagnieën, waaronder de Nederlandse West-Indische Compagnie (WIC). In de loop van de 18e eeuw namen de Britten en Fransen een voorsprong in de internationale wereldhandel. Dit grotendeels ten koste van Spanje en Portugal. In het noordoosten van Zuid-Amerika, het Caraïbisch gebied en in het zuidoosten van Noord-Amerika stichtten de Europeanen plantagekoloniën, waar subtropische landbouwgewassen verbouwd werden voor de handel. Er werd vooral suikerriet en tabak verbouwd. Na 1800 kwam een derde plantagegewas op: ruwe katoen. De vraag naar dit product steeg door de snel groeiende industrieën in Groot-Brittanië. De handel bleef maar groeien door een sterke bevolkingsgroei in Europa. Om aan de vraag te kunnen voldoen, moest er meer worden verbouwd. Er was veel ruimte in het westen, slaven moesten dit gaan bewerken.


Slavenarbeid:

Slavenarbeid vormde de grondslag van het plantagesysteem. Er moesten voortdurend slaven worden ingevoerd omdat de ziekten en het uitputtende werk veel doden veroorzaakten. De slaven werden slecht behandeld en misbruikt. Rond 1770 leefden er een half miljoen slaven in de Britse koloniën in Amerika. De meeste slaven bevonden zich in de zuidelijke koloniën.


Slavenhandel:

In de 16e eeuw kwamen de Spaanse kolonisten er al achter dat de indianen niet geschikt waren voor het zware werk op de plantages. Daarom haalde Spanje toen al zwarte sterke mensen uit Afrika. Zo ontstond er een winstgevende handel tot in de 19e eeuw.

Ondernemingen gingen zich specialiseren in het vervoer van slaven. De slaven werden door Afrikaanse vorsten verkocht aan de slavenhandelaars. In Amerika ontvingen deze vaak het tienvoudige voor een slaaf van wat ze betaald hadden. Tot eind van de 19e eeuw zijn meer dan twaalf miljoen Afrikanen het slachtoffer geworden van deze transatlantische slavenhandel. De WIC was één van de belangrijke slavenleveranciers.
Abolitionisme:

Pas eind 18e eeuw werd slavernij minder normaal gevonden onder invloed van verlichtingsdenkbeelden. Het abolitionisme kwam op. Deze beweging pleitte voor de afschaffing van de slavernij, op basis van ideeën over gelijke rechten voor alle mensen en de mens als individu.



Begin 19e eeuw won het abolitionisme aan kracht. In 1807 besloot het Britse parlement tot wettelijke afschaffing van de slavenhandel tussen Engeland, Afrika en de Britse koloniën. De illegale handel ging nog wel lang door. Pas in de loop van de 19e eeuw werd de slavernij afgeschaft.


7.2 De wereld kan beter!



Verlichting:

Eind 17e en begin 18e eeuw bloeide de Verlichting: Een intellectuele en culturele beweging die zich over heel Europa verspreidde.

Vanaf de Middeleeuwen was de samenleving gebaseerd op geloof, traditie en gezag. De Verlichting ging hier tegen in. In Parijs werkten geleerden aan de uitgave van de eerste encyclopedie. Schrijvers als Voltaire, Rousseau en Montesquieu hielpen hier aan mee. Dit moest niet alleen tot een betere wereld leiden door de vele kennis, maar het ging ook tegen de bestaande politieke en maatschappelijke vooroordelen in. In 1759 verbood de Franse regering het werk aan de encyclopedie dan ook.
Rationalisme:

De ideeën van de verlichting waren gebaseerd op het rationalisme (ratio=verstand). Het rationalisme ging ervan uit dat het menselijk verstand de oplossing was van de problemen. Dit beeld leidde dan ook tot veel optimisme. De verlichtingsfilosofen bepleitten meer verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, ze vonden dat staatskerken moesten worden afgeschaft. Ze wilden scheiding van kerk en staat. De Franse filosoof Voltaire richtte zijn kritiek vooral op de kerk. Door zijn kritiek kwam hij twee keer in de staatsgevangenis van Parijs.
Vrij en gelijk:

De verlichtingsfilosofen pasten het verlichte denken toe op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek en sociale verhoudingen. Ze vonden dat iedereen gelijk was en zelf konden bepalen hoe zij bestuurd wilden worden. Ze zagen elk mens als een individu, dus zonder standen. Dit was een revolutionaire gedachte.

Edmund Burke had niet zo’n optimistisch mens- en wereldbeeld. Hij vond dat de Franse Revolutie niet zo’n positieve gebeurtenis was. Burke geloofde niet in de goedheid van de mens.
Volkssoevereiniteit en trias politica:

Tijdens de Verlichting kwam het absolutisme onder vuur te liggen. John Locke (1632-1704) had in de 17e eeuw al geschreven dat mensen samen een maatschappij vormen, die samen leven op basis van gelijkwaardigheid. De soevereiniteit ligt bij het volk. Het is de taak van de regering om het volk te beschermen. Doet de regering dit niet, dan heeft het volk het recht de regering af te zetten.

Montesquieu schreef in 1748 het boek De l’esprit des lois (Over de geest der wetten), hierin stond dat de koning niet alles in zijn eentje voor het zeggen had. Hij bedacht de trias politica: De leer van de driedeling der staatsmachten. Een scheiding tussen uitvoerende, wetgevende en de rechterlijke macht.

Jean-Jacques Rousseau vond dat mensen zulke instellingen niet eens nodig had. De algemene volkswil diende de bron van alle macht te worden. Het volk was soeverein: er stond geen hogere macht boven. Dit is de leer der volkssoevereiniteit.

Door deze denkbeelden raakte de bestaande orde in een strijd met de verspreiders van deze ideeën.
Opvoeding:

John Locke zei dat iedereen bij zijn geboorte een ‘onbeschreven blad’ was. Goede eigenschappen konden via onderwijs en opvoeding worden aangeleerd.

Rousseau vond dat de mens van nature goed was, maar door zijn omgeving werd bedorven. Een vrije opvoeding, het liefst ongebonden en in de vrije natuur was volgens hem het best.
Verspreiding:

Verlichtingsfilosofen reisden veel rond. Ze werden in stijlvolle salons ontvangen. Hier werd soms hevig gediscussieerd

Filosofische verlichtingsideeën werden ook verspreid via brieven, romans en toneelstukken.

7.4 Burgers, te wapen!!:



De Amerikaanse koloniën:

Aan de oostkust van Noord-Amerika woonden een paar miljoen kolonisten, voornamelijk Britten. In het begin was de druk op deze kolonisten door de Engelse koning niet zo zwaar. Tussen 1754 en 1763 was Groot-Brittannië in oorlog met de Fransen in Amerika. Dit koste veel geld waardoor de nationale schuld na afloop bijna 170 miljoen pond was. Dit geld wilde koning George III uit de dertien Amerikaanse koloniën halen. De belastingen stegen enorm. Hier waren de kolonisten niet blij mee. Ze moesten wel veel betalen, maar hadden in het parlement niets te zeggen. Hier komt de bekende uitspraak: “No taxation without representation!” vandaan. Er ontstonden rellen, opstanden. Ze wilden in eerste instantie lagere belastingen, grotere autonomie en inspraak in beslissingen die van invloed waren op de handel en wandel van de Amerikaanse koloniën.


Boston Tea Party:

In 1773 werd de Tea Act ingevoerd. Dit hield in dat de Britse East India Company haar thee tegen lagere prijzen in Amerika mocht verkopen. In december 1773 verkleedde een groep rebellen, die zichzelf Patriots noemde, zich als indianen en kaapten de schepen van de East India Company. 342 kisten thee, ter waarde van 10.000 Britse ponden werden in het water gegooid. De Britse regering reageerde hier streng op met strenge wetten (Coercive Acts). Onder andere de haven van Boston werd afgesloten. De dertien koloniën kwamen nu bijeen en er werden milities opgericht, er werd gesproken over onafhankelijkheid.


Het begin van de strijd:

Op 19 april 1775 vochten Amerikaanse opstandelingen met het Britse leger bij het plaatsje Concord in Massachusetts. Het werd een overwinning voor de rebellen en dit was het begin van de Onafhankelijkheidsoorlog. De rebellenlegers vochten onder leiding van George Washington. Een groot Brits leger, aangevuld met 20.000 Duitse huurlingen, werd naar Amerika gestuurd. Hiermee was de Amerikaanse Vrijheidsoorlog (1755-1783) een feit.

Op 4 juli 1776 werd de Onafhankelijkheidsverklaring aangenomen, opgesteld door Thomas Jefferson welke samen met Benjamin Franklin en John Adams lid waren van een comité dat was aangesteld voor het rechtvaardigen van de acties van de Amerikaanse koloniën. In deze verklaring waren duidelijk de verlichtingsideeën zichtbaar. Er werd bijvoorbeeld verwezen naar het universele recht van een volk om goed bestuur te eisen, hetgeen Britse filosoof John Locke eerder al had verwoord.
Vrijheidsoorlog:

In het begin leek de oorlog voor de kolonisten hopeloos. Ze hadden maar 5000 beroepssoldaten en 25000 wisselende vrijwilligers. In 1776 moesten de Britten zich terugtrekken uit Boston, maar verdreven Washington uit New York. Maar Washington sloeg terug door de Britten bij de rivier de Delaware te verslaan. De Britten wilden de zuidelijke en noordelijke helft van de koloniën scheiden, maar door slechte samenwerking mislukte dit. De Amerikanen sloten een bondgenootschap met de Fransen.

De Britten richtten zich op de zuidelijke koloniën, waar ze succesvol waren. In 1781 vond de beslissende slag plaats, die werd gewonnen door de Amerikanen. Op 19 oktober gaf Cornwallis (generaal van de Britten) zich over.
De Amerikaanse Constitutie:

In 1787 kwamen de founding Fathers, afgevaardigden van de 13 onafhankelijke Amerikaanse staten, bijeen om een constitutie (grondwet) op te stellen. De Verenigde Staten werden een federatie:een land met machtsevenwicht tussen de deelstaten en het centrale bestuur. De Trias Politica van Monstesquieu werd ingevoerd. En de grondwet werd aangevuld met een Bill of Rights, waarin de principiële grondrechten voor elke staatsburger werden gegarandeerd, zoals vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, rechtsbescherming, recht van petitie (verzoekschrift) en vrij wapenbezit. De eerste democratische revolutie was geslaagd.


De Bataafs-Franse tijd:

In de Republiek was er een groepering die zich Patriotten noemden. Ze waren tegen de macht van de stadhouders en regenten. Ze waren aanhangers van de verlichtingsideeën. Ze zorgden ervoor dat Willem V moest vluchten naar Engeland.

In 1787 kwam de koning van Pruisen (schoonvader van Willem V) de orde weer herstellen in de Republiek en stelde Willem V weer aan als stadhouder. De Patriotten moesten vluchten naar Frankrijk. Daar vormden ze een revolutieleger. Ze kregen de Fransen zo ver om de Republiek en Engeland aan te vallen omdat deze nog tegen het systeem van de revolutie leefden. De verlichtingsideeën moesten worden geëxporteerd. In 1795 viel het Franse revolutieleger met de Patriotten de Republiek binnen. Willem V moest vluchtten naar Engeland.

In 1799 nam Napoleon Bonaparte de macht over in Frankrijk. Hij regeerde als absoluut vorst, maar stelde ook de Code Napoléon (nieuw wetboek) in. Hij voerde ook de dienstplicht in.
Napoleon veroverde veel gebieden. Toen hij in 1812 Rusland binnenviel was dit het begin van zijn einde. Hij moest zich terugtrekken met grote verliezen.
Tijdens de slag bij Waterloo vond het Congres van Wenen (1814/1815) plaats.

Het was een conservatief congres, met als doel de orde in Europa te herstellen.

Von Metternich vond dat een grondwet en medezeggenschap revolutionaire waanbeelden zijn.

Oostenrijk, Pruisen, Engeland, Rusland en Frankrijk waren aanwezig. Napoleon werd niet meer door dit Frankrijk gesteund. Uitgangspunten bij de onderhandelingen waren:

  1. Legitimiteit van het gezag.

  2. Het staatkundig evenwicht.


Gevolgen van het congres:

  1. Wettige vorsten in Frankrijk hersteld

  2. Frankrijk weerhouden van expansiedrift (Nederland en België samengevoegd)


Congres had geen rekening gehouden met Nationalistische gevoelens. In 1830 scheidde België zich al af van Nederland. In 1815 werd de Duitse Bond onder leiding van Oostenrijk opgericht, hier waren de Duitse staten in verenigd.
De Franse Revolutie (in de vorm van aantekeningen):

Oorzaak 1: Maatschappelijke ontevredenheid in alle lagen van de bevolking.



  • Adel wenste beperking van het absolutisme van de vorst.

  • Bourgeoisie (rijke burgerij, 3e stand) voelde zich achtergesteld bij de adel  strijd om politieke medezeggenschap.

  • Boeren wilden afschaffing van feodale verhoudingen.

Oorzaak 2: De Verlichting, ideeën over gelijkheid en volkssoevereiniteit van invloed op de openbare mening.

Oorzaak 3: Financiële toestand, Frankrijk had grote staatsschulden. In 1788 wordt de Staten- Generaal bijeen geroepen!


Aanleiding: De bijeenroeping van de Staten-Generaal:

  • Mei 1789, Openingszitting Staten Generaal.

  • Stemmenkwestie  per hoofd (3e stand zijn wens) of per stand (adel en geestelijkheid zijn wens) ?

  • Derde stand stapt uit Staten-Generaal en roept zichzelf uit tot Nationale Vergadering.

  • Juni 1789, Eed in de Kaatsbaan: Niet uiteen voordat er een grondwet tot stand is gekomen.

  • 1789-1791, Grondwetgevende vergadering.

  • Koning probeert ontwikkelingen te remmen

  • Ontslag van minister Necker en troepenconcentraties rond Parijs  Parijse bevolking op de been. Parijse bevolking steunt de grondwetgevende verklaring.

  • 14 juli 1789, Bestorming van de Bastille. Hier lag veel munitie wat nodig was voor revolutie.

Dit deed de Parijse bevolking, wat teken was dat de hele bevolking de Bourgeoisie gaat steunen. Revolutie begint dus in Parijs.
Gevolgen:

  • Boerenopstanden

  • Emigratiegolf van de adel naar het buitenland.


Begrippen, feiten enz:

  • Het Ancien Regime – Tijd voor de revolutie, het oude tijdperk.

  • Absolutisme  Droit Divin (goddelijk recht)

    • Lodewijk XIV, “De staat, dat ben ik” (Alle macht bij 1 persoon)

  • Standenmaatschappij:

  • Privileges van adel en geestelijkheid.

  • Belastingdruk op de 3e stand was extreem.

  • 70% van boereninkomen was belasting.

Lodewijk XIV zei: “Ik heb alle macht” en aanhangers beweerden dat de koning door God is aangesteld dus kritiek was slecht.

Montesquieu zei: “Alleenheersers veroorzaken slechte dingen” en “als koning slecht heerst mag je hem afzetten”

Dit is dus een revolutionaire uitspraak van Montesquieu!


Aanleiding: Meest directe oorzaak tot iets (druppel die emmer doet overlopen)

Oorzaak: Ligt dieper/verder.

  • 7.1 Europa gaat buitengaats
  • 7.2 De wereld kan beter!
  • 7.4 Burgers, te wapen!!

  • Dovnload 40.11 Kb.