Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Handboek voor de communicatie – Michels H1: Communicatie: de essentie

Dovnload 211.77 Kb.

Handboek voor de communicatie – Michels H1: Communicatie: de essentie



Pagina1/4
Datum13.04.2017
Grootte211.77 Kb.

Dovnload 211.77 Kb.
  1   2   3   4

Handboek voor de communicatie – Michels

H1: Communicatie
Communicatie: de essentie

Intentionele communicatie = bewust

Non-intentionele communicatie = onbewust (bijv. Gapen / blozen)

Geslaagdheid van de boodschap is geen vereiste voor communicatie.
Definitie communicatie Betteke van Ruler: Communicatie is een proces van tweerichtingsverkeer waarbij zender en ontvanger beiden actief kunnen zijn en van rol kunnen wisselen; communicatie wordt in deze optiek gezien als interactief proces.
Ontwikkelingen in het vak

Organisatie: gemeenschap van mensen met gezamenlijk doel. Organisaties zijn dynamisch: ze zijn steeds in verandering omdat de maatschappij waarbinnen ze functioneren ook verandert. Communicatie volgt de wijze waarop organisaties zich organiseren onder invloed van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen.
5 ontwikkelingen binnen het vakgebied

  1. Van offline naar online: van vast internet naar mobiel. Gevolg: communicatie wordt sneller, de drempel om iets via internet te delen wordt lager.

  2. Relatie en dialoog met omgeving en stakeholders staat centraal omdat organisaties onderdeel zijn van een groter geheel met meerdere spelers.

Het gaat hierbij om tweezijdige communicatie; Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen waarbij maatschappelijke legitimatie belangrijk is.

  1. Medewerkers en organisaties communicatiever maken: organisatie bestaat niet zonder communicatie. Zowel intern als extern.

  2. Geïntegreerde communicatie: samenspel corporate com, interne en marketingcom

Corporate communicatie = gericht op beeldvorming gehele organisatie op lange termijn

Interne communicatie = heeft betrekking op communicatie binnen de organisatie zelf

Marketingcommunicatie = gericht op de verkoop


  1. Accountability: verantwoordelijkheid nemen en verantwoording afleggen.

Op 3 niveaus: organisatieniveau: wat betekent com voor de organisatie / afdelingsniveau: wat is de toegevoegde waarde van de afdeling Communicatie / persoonsniveau: wat is de toegevoegde waarde van de individuele communicatiemedewerker
Plaats van communicatie in de organisatie

2 situaties mogelijk



  1. Communicatieafdeling is een intern en extern doorgeefluik van de boodschappen van de directie. De afdeling is dan facilitair.

  2. Communicatieafdeling is actief betrokken bij corporate strategie en branding.  meedenken

Communicatie als staffunctie: wanneer de communicatieafdeling rechtstreeks onder de directie valt en daaraan rapporteert. Ze hebben een adviserende functie.

Deze functie heeft voorkeur omdat het managen van de reputatie van een organisatie makkelijker is als de communicatie binnen alle organisatieonderdelen en activiteiten wordt ingezet en ondersteund. Schema zie p. 13
Communicatie als lijnfunctie: wanneer communicatieafdeling onder een bepaalde dienst of sector valt. Bijvoorbeeld afdeling communicatie als onderdeel van de dienst Marketing. Communicatie is dan een instrument dat wordt ingezet ter ondersteuning.

Communicatie gaat vooral verbinding aan met Marketing en HR.

Afdeling marketing: verantwoordelijk voor het merkbeleid van de organisatie en houdt zich bezig met het afstemmen van het product- of dienstenaanbod op de wensen van de klanten. Centraal staan de verkoop en het bouwen van sterke merken. Er zijn veel raakvlakken met de afdeling communicatie, vaak wordt er dan ook een afdeling van gemaakt.

Human Resources: betrokken gemotiveerde werknemers de ruimte krijgen in hun werk en dat er een cultuur wordt gecreëerd waarbij medewerkers worden gestimuleerd zich te ontwikkelen. Een goede informatievoorziening en communicatie zijn hierbij essentieel.
Communicatie als vak is steeds meer gericht op de maatschappelijke verankering van de organisatie in de omgeving, het organiseren van de interactie en het communicatiever maken van de organisatie.
H2: Theorie over communicatie
Basisbegrippen

Basismodel: zender  boodschap  via medium  ontvanger

Reactie ontvanger: feedback. Als zender daar weer op reageert: terugkoppeling.



Encoderen: omzetten van gedachten in een voor de ontvanger begrijpelijke boodschap

Decoderen: boodschap omzetten in eigen gedachten (door ontvanger)  op basis van referentiekader.

Communicatieproces kan verstoort worden door ruis. Zowel intern als extern.



Redundantie: overtollige informatie, informatie bevat geen nieuws voor ontvanger.

Disfunctionele redundantie: onnodige herhalingen

Functionele redundantie: herhaling die werkt: bijv. bij lezing kan herhaling samenvatting zijn.

Beperkingen basismodel: (1) ontvanger is nooit passief, (2) tegenwoordig vindt verschuiving plaats en krijgt ontvanger steeds meer macht.
Soorten communicatie

Verbaal: gesproken en geschreven taal

Non-verbaal: alle niet-talige vormen (oog-contact, gebaren etc)

Metacommunicatie: communiceren over communicatie. Bijv ‘die tekst die jij schreef is slecht’
Communicatiemodaliteiten

Communicatiemodaliteit: communicatiewijze die zich onderscheidt van andere vormen van communicatie. Bijv. reclame = een modaliteit.

Informatie: neutrale communicatie

Voorlichting: bewust gegeven voor hulp bij menings- en besluitvoorlichting dmv communicatie

Public Relations: stelselmatig bevorderen van begrip tussen organisatie en publieksgroepen.

Reclame: overtuigende informatie waarbij gebruikt wordt gemaakt van betaalde ruimte i/d media

Propaganda: gericht op overbrengen van ideeën. Doel is beinvoeden en overtuigen.
Massa- en interpersoonlijke communicatie

Massacommunicatie: communicatie die openbaar is en voor iedereen toegankelijk. In principe communiceert de zender met grote groepen en kan dit op een relatief goedkope manier.

Interpersoonlijke communicatie: communicatie tussen een beperkt aantal mensen die zich in elkaars nabijheid begeven.

Voor gedetailleerd overzicht verschillen, zie blz. 28
Communicatietheorieën


  1. Stimulus – respons theorie: injectienaaldtheorie

  2. Two step flow: mensen laten zich bij verschillende keuzes meer sturen door elkaar dan door de media. Eerst wordt een beperkt aantal opinieleiders beïnvloed die vervolgens intermediair zijn tussen de zender een de grotere groep.

  3. Uses en gratifications: legt de nadruk op de actieve rol van de ontvanger en stelt dat je zelf keuzes maakt over welke media je gebruikt en wanneer je die gebruikt en welke boodschappen je wilt ontvangen. Basisgedachte: wat doen mensen met media? De keuzes en beslissingen die gemaakt worden zijn gebaseerd op persoonlijke behoeften.

  4. Agendasetting: de massamdia bepalen niet wat we denken, maar waarover we denken.

  5. Netwerkmodellen: hierbij creeërt niet de zender, bijvoorbeeld een organisatie, de contactmomenten. Ook anderen geven informatie over hetzelfde onderwerp. Er is hier sprake van een groot netwerk waarin de leden elkaar beïnvloeden.


Selectieve perceptie mens: je ziet wat je wilt zien. Hierdoor zijn media beter in staat bestaande meningen, gedragingen en gevoelens te versterken dan te veranderen.

Selectieve blootstelling: ontvanger kiest uit het totale aanbod e informatie die hem aanspreekt.

Selectieve retentie: niet alle informatie die een individu waarneemt en opslaat in het geheugen is op een later tijdstip voor verwerking beschikbaar.

Framing: inkaderen. Mensen interpreteren en presenteren situaties en informatie aan de hand van bepaalde mentale kaders.

Labeling: een issue inkleuren door naamgeving en woordgebruik.
H3: Corporate Communicatie
Identiteit

In concurrerende markten bepaalt de eigenheid van een organisatie meer dan ooit het onderscheidend vermogen. De corporate identity van een organisatie is dan ook belangrijk. De identiteit is wat de organisatie is en wat zij uitstraalt. Wat ze wil zijn, is gewenste identiteit.

Die identiteit is door hogere eisen van consumenten, toenemende concurrentie en kansen op nieuwe markten dynamisch. Aanpassen en inspelen op de snelle ontwikkelingen dwingen flexibel te zijn.
Corporate identity mix: via deze mix presenteert een organisatie haar identiteit. Deze persoonlijkheid uit zich in communicatie, gedrag en symboliek.

De persoonlijkheid is de kern van de organisatie. Centraal hierbij staan de kernwaarden. Om deze te vinden stel je de vraag ‘wat zijn de waarden die wij nooit loslaten omdat ze wezenlijk, onveranderlijk en onderscheidend in het DNA van de organisatie zitten?’.

Om de kernwaarden te toetsen bestaat de BTT-formule. Dit staat voor: Belofte, Bewijs en Toonzetting. De organisatie moet de kernwaarden waarmaken. Ze moeten terug te vinden zijn in tekst, beeld (d.m.v. symboliek: visuele identiteit) en gedrag.
Een sterkte identiteit voldoet aan een aantal voorwaarden:


  • Ze sluit aan bij de kernactiviteiten en bij de organisatie als geheel

  • Ze staat in lijn met de roots van een organisatie

  • Ze is authentiek, onderscheidend en relevant.

  • Ze spreekt de interne en externe doelgroepen aan


§3.1.4 Identiteitsstructuur

We onderscheiden globaal drie identiteitsstructuren:

  1. Branded identiteit
    Bij branded identiteit zijn dochterondernemingen zelfstandig in hun symboliek en communicatie. Zij voeren een eigen (huis)stijl. Het lijkt voor de buitenstaanders alsof ze niets met het moederbedrijf te maken hebben. Dat beperkt het risico voor het moederbedrijf bij het floppen van één product.
    Een nadeel van branded identiteit is dat de losse merken dus niet profiteren van de naam van het moederbedrijf. Een ander nadeel is dat de marketingbudgetten kunnen oplopen. Want elk merk moet apart op de markt worden gezet.

  2. Endorsed identiteit
    De dochterondernemingen hebben bij de endorsed identiteit wel een eigen stijl, maar de identiteit van het moederbedrijf blijft zichtbaar. een endorsed identiteit creëert eenheid in verscheidenheid en maakt verscheidenheid binnen een eenheid mogelijk. De zichtbaarheid van het moederbedrijf noemen we ook wel parent visibility.



  3. Monolithische identiteit
    Kenmerk van een monolithische identiteit is dat het moederbedrijf en de dochterbedrijven één naam en stijl hanteren. De organisatie is direct te herkennen en gebruik overal dezelfde symbolen. Dat heeft ook een groot voordeel bij de promotie: een nieuw product of een nieuwe dienst is nel bekend tegen relatief lage kosten.


§3.2 Imago

Bij alle communicatieactiviteiten van een organisatie is het doel een positief beeld van die organisatie te creëren bij de verschillende publieksgroepen.



  • Imago – Het beeld dat de publieksgroepen van de organisatie hebben.

Voor een organisatie is het essentieel een sterk imago te realiseren. Voordelen van een sterk imago zijn:

- Werknemers vinden hun baan aantrekkelijker, ze zijn gemotiveerder.

- Sollicitanten hebben een voorkeur voor een bedrijf met een sterk imago.

- Klanten herhalen vaker hun aankopen en krijgen een emotionele binding.

- Beleggers en aandeelhouders zijn bereid meer te investeren.

- De media berichten positiever over de organisatie.
Het imago is een ontvangergebonden begrip. Dat betekent dat een organisatie niet slechts één imago heeft. Gebeurtenissen binnen de organisatie of veranderingen in de omgeving kunnen een verschuiving van imago veroorzaken.
Hoe minder bekend de organisatie of het merk is, hoe groter de invloed van het branche-imago zal zijn.
In de volgorde van afnemende invloed onderscheiden we de volgende factoren die het imago vormen:


  1. Eigen ervaring

  2. Informele, interpersoonlijke communicatie

  3. Berichten in de media

  4. Betaalde communicatie


Een sterk imago ontstaat doordat de organisatie eenduidig, herkenbaar en consistent is in haar communicatie.
Tabel: Identiteit en imago in termen van een persoon

Vraag

Antwoord

Wie ben ik?

Huidige identiteit

Hoe wil ik zijn?

Gewenste identiteit

Hoe kom ik over?

Huidige imago

Hoe wil ik overkomen?

Gewenste imago

Wat denk ik van mezelf?

Zelfbeeld

Een imago dat slechter is dan de identiteit scoort niet bij de doelgroepen. Is het imago beter dan de identiteit, dan is er sprake van imagebuilding die gebaseerd is op los zand.


§3.3 Reputatie

  • Reputatie – Komt voort uit de feitelijke prestaties en het waargenomen gedrag.

De kracht van een positieve reputatie laat zien in hoeverre een organisatie erin slaagt bij haar stakeholders vertrouwen te creëren.
§3.4 Huisstijl

Een krachtige huisstijl geeft vorm aan de gewenste identiteit. Een sterke huisstijl communiceert de kernwaarden, zorgt voor herkenning en creëert onderscheid ten opzichte van de concurrentie.


De huisstijl bestaat uit vier huisstijlelementen:

  1. Naam/Logo

  2. Kleurgebruik

  3. Typografie

  4. Beeldgebruik

§3.4.1 Naam/Logo

Een naam kan heel beschrijvend zijn. Een logo geeft een specifieke vorm aan een naam. Logo is echter een verwarrend begrip. We splitsen het logo in twee onderdelen:



  1. Woordmerk – Bestaat uit de bedrijfsnaam of een vereenvoudiging of afkorting daarvan. Het bijzondere in de schrijfwijze wordt op diverse manieren bereikt, bijvoorbeeld door een opvallende lettervorm of lettertype, of schrijfwijze.

  2. Beeldmerk – Een symbolisch herkenningsteken van een organisatie. Een beeldmerk wordt ook wel een vignet genoemd. Een beeldmerk wordt bijna altijd gecombineerd met een woordmerk. Toch kan een beeldmerk op een gegeven moment ook los worden gebruikt.


§3.4.2 Kleurgebruik

Kleur toont het karakter van een organisatie. Teksten worden langzamer opgenomen omdat zij nog gedecodeerd en geïnterpreteerd moeten worden. Kleursignalen nemen we sneller op.


Een kleur heeft de volgende waarden:

  1. Symbolische waarde

  2. Emotionele waarde

  3. Signaalwaarde

Met het ‘claimen’ van een kleur kan een organisatie zich in een markt onderscheiden. Dat claimen betekent niet dat je juridisch kunt afdwingen dat andere die kleur niet meer mogen gebruiken. Het betekent de kleuren combinatie niet meer gebruikt mag worden in een ander logo.


§3.4.3 Typografie

Typografie omvat het vastleggen van de lettertypes die de organisaties gebruikt. Als een bedrijf voor een ronde of een schuine lijn kiest, moet deze ook overal terugkomen. Typografie is een soort lichaamstaal. We onderscheiden lettergrootte, lettersoort en lettertype.


Lettertypen moeten passen bij het merk en de boodschap. Er zijn honderden lettertypen. Schreefloze lettertypen als Arial en Calibri stralen veiligheid, anonimiteit en moderniteit uit. Lettertypen met schreef als Courier of Times New Roman worden geassocieerd met klassiek en ouderwets.
§3.4.4 Beeldgebruik

Beeld, en vooral de fotografie, is een krachtig huisstijlelement om associaties en emoties aan het merk te verbinden.


§3.4.5 Een nieuwe huisstijl invoeren

Het restylen of vernieuwen van de huisstijl is een kostbare zaak. Er zijn meestal duidelijke oorzaken voor het noodzakelijk zijn van een verandering, zoals een strategische herpositionering of een fusie. Als het financieel en organisatorisch mogelijk is, verdient alles in één keer aanpassen zeker de voorkeur.


De organisatie moet regels en richtlijnen voor een huisstijl vastleggen, maar deze niet hanteren als wetten. Een huisstijl moet de ruimte krijgen om te groeien en dynamisch te blijven. Als iedereen zich aan de huisstijlregels houdt, levert de huisstijl een belangrijke bijdrage aan de imagovorming.
§3.5 Huisstijldragers

  • Huisstijldragers – Objecten waarop de huisstijl wordt toegepast.


§3.6 Aanpak voor corporate communicatie

Corporate communicatie heeft vijf kerntaken:



  1. Dichten van de ‘kloof’ tussen identiteit en gewenst imago.

  2. Lading geven aan de organisatie als merk.

  3. Organiseren van de totale communicatie van de organisatie.

  4. Bepalen van de inhoudelijke ‘rode draad’ en de centrale boodschap.

  5. Bepalen van de visuele identiteit en zorgen voor een eenheid in vorm en uitstraling.

H4: Specialismen in corporate communicatie

4.1 Issuemanagement
Een issue is een oplaaiende kwestie waarbij sprake is van een maatschappelijk geschilpunt waarover een discussie wordt gevoerd. Een issue doorloopt vijf fasen:
1. Geboorte: er ontstaan maatschappelijke vragen en onrust op kleine schaal
2. Groei: het issue krijgt media aandacht, media spelen een grote rol bij het versnellen/vergroten
3. Volwassenheid: voor- en tegenstanders nemen een positie in, er vinden discussies plaats
4. Issuemoeheid: de aandacht van media en publiek nemen af
5. Vervaging: er bestaat nauwelijks nog (media)aandacht voor het issue
Door de opkomst van social media bepalen wij zelf wat onder de aandacht gebracht moet worden en dit veranderd het proces dat een issue doorloopt. Het kan nu veel sneller gaan dan de 5 stappen.

Succesvolle organisaties zijn goed op de hoogte van wat er in hun omgeving gebeurt en staat te gebeuren (= omgevingssensitiviteit). Issuemanagement brengt via monitoring de onderwerpen in beeld die voor de organisatie relevant zijn, organiseert interne procedures en taken om goed voorbereid te zijn op een mogelijk issue, formuleert daarop het juist antwoord en bepaalt zinvolle acties (realisatie). Een essentieel onderdeel van issuemanagement zijn boodschappen. De gekozen boodschap moet eenduidig en makkelijk te onthouden zijn voor de medewerkers, maar ook begrijpelijk en aanspreekbaar voor externe doelgroepen.

Wanneer er binnen de organisatie sterke meningsverschillen bestaan over de te volgen koers, wordt scenariodenken ingezet om mogelijke ontwikkelingen te beschrijven.

De meeste organisaties stellen zich defensief op tegenover een issue. Hierbij past een reactieve aanpak: wanneer ze ergens van beschuldigd worden is de reactie defensief.






Assertief

Defensief

Tactisch (eenmalige inzet)

Intimidatie

Verontschuldigen


Strategisch (groter doel)

Aanval op deelpunten


Verklaring

Het managen van issues is gekoppeld aan ethiek: dit heeft e maken met denken over waarden en normen die je hanteert. Bij Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen wordt gezocht naar een balans tussen People (menselijke aspecten waarborgen), Planet (milieu) en Profit (streven naar winst).

4.2 Public affairs
Public affairs richt zich op het beïnvloeden van besluitvormingsprocessen en beleidsmakers. Daarbij speelt lobbyen – het voeren van gesprekken met stakeholders – een belangrijke rol. Strategie:
1. Bepalen van het doel
2. Bepalen van de actoren en factoren (maatschappelijke achtergrond, publieke opinie)
3. Bepalen van de boodschap
4. Onderzoeken van de strategische allianties (kijk naar partijen die willen meedenken)
5. Zoeken naar het optimaal haalbare
6. Implementeren van de strategie (inzetten van middelen om doel te bereiken)

4.3 Reputatiemanagement
Hierbij wordt er gewerkt aan een goed imago door de jaren heen bij stakeholders, om zo de concurrentiepositie te versterken. De kracht van een sterke reputatie blijkt uit in hoeverre de stakeholders vertrouwen hebben in de organisatie (en dus gaan investeren of producten afnemen). Een goede reputatie heeft zowel interne als externe voordelen.
Reputatiemanagement vereist een systematische, consequente aanpak waarbij sprake moet zijn van geïntegreerde communicatie. De corporate-, marketing-, interne- en externe communicatie moeten op 1 lijn liggen.
Stap 1: bepaal de (gewenste) reputatie  kan al beïnvloedt zijn door reputatie van de branche
Stap 2: beschrijf de GAP  kijk naar de kloof tussen de identiteit en gewenste identiteit
Stap 3: bekrachtig de interne organisatie  kijk naar het verband tussen reputatie en prestatie. Het personeel moet goed op de hoogte zijn van de kernwaarden om ze te kunnen toepassen
Stap 4: versterk de reputatie
- zichtbaarheid: communicatie, symboliek en gedrag (corporate identity)
- onderscheidend: het unieke van een organisatie, authenticiteit
- consistent: maakt de organisatie herkenbaar
- transparant: open communiceren met de doelgroep
- authentiek: positioneer jezelf zoals je bent

4.4 Crisiscommunicatie
Wanneer er zich een crisissituatie voordoet, zijn snelle beslissingen vereist. Al voordat er sprake is van een calamiteit moet een organisatie een crisisplan hebben waarin de verantwoordelijkheden en procedures vastgelegd zijn. Het is belangrijk om meteen in actie te komen en zo reputatieschade, materiële schade, of gevaar voor veiligheid en gezondheid te voorkomen. Binnen de eerste uren vormen pers en publieke opinie een mening, die later moeilijk te veranderen is.
Een goed crisisplan bestaat uit de volgende acties:
- duidelijk een woordvoerder aanwijzen
- bepaal de leden van het crisisteam
- middelen waarmee je je doelgroep kunt bereiken
- adreslijsten van interne betrokkenen en pers
- centrale persruimte inrichten
- monitor berichten op social media, reageer op feitelijke onjuistheden
- callcenter voor telefonische vragen
- correcte beantwoording mails
Belangrijk: hou een logboek bij met alle ontwikkelingen

4.5 Financiële communicatie
Hierbij gaat het om het aantrekken van zowel particulieren als institutionele beleggers en investeerders. Financiële communicatie richt zich op financiële doelgroepen, zoals particuliere beleggers, banken, beleggingsadviseurs, effectenhandelaren en financiële pers. De berichten hoeven niet altijd te maken te hebben met financiële zaken. Het is belangrijk om de relatie met aandeelhouders te bevorderen. Wanneer een organisatie beursgenoteerd is, moet koersgevoelige informatie meteen worden gepubliceerd. Middelen voor financiële communicatie zijn het jaarverslag en de kwartaal- en halfjaarcijfers.

4.6 Arbeidscommunicatie
Onder arbeidscommunicatie verstaan we communicatie met potentiële medewerkers en met personen en organisaties die van belang zijn bij het aantrekken van nieuwe medewerkers. Het doel is het bedrijf te profileren als aantrekkelijke werkgever, de activiteiten bloot te geven en het onderhouden van relaties met o.a. uitzendbureaus.
Middelen voor arbeidscommunicatie: vacaturesites, LinkedIn, banenbeurzen, events, stageplekken, contact met scholen.

4.7 Overheidscommunicatie
Vroeger was communicatie vanuit de overheid alleen bedoeld om het beleid te verduidelijken. Omdat de samenleving en de positie van de burger veranderd, is het noodzakelijk dat overheidscommunicatie transformeert van informatiegever naar zorgen voor interactie, van controle naar participatie met betrokken stakeholders. Online mogelijkheden versterken dit proces.
Het doel van participatie is het verkrijgen van begrip en draagvlak voor keuzes rondom het beleid, de strategie en de projecten van de organisatie. Stappen in participatiestrategie:
1. Inventariseer de actoren  wie zijn er betrokken, wat zijn de standpunten? Maak onderscheid tussen beïnvloeders, beslissers, uitvoerders en gebruikers.
2. Bepaal de invloed per actor  je bepaalt per beïnvloeder, beslisser, uitvoerder en gebruiker hoe belangrijk deze is voor het slagen van het project
3. Plan de participatie  vaststellen procesmatige kaders; denk aan aspecten als tijd, ruimte en geld; beslis welke communicatiemiddelen in welke fase ingezet worden
4. Voer de participatie uit  overleg tussen organisatie en participanten, ontwikkelen gezamenlijk actieplan

H5: Interne communicatie
  1   2   3   4

  • Ontwikkelingen in het vak
  • Plaats van communicatie in de organisatie
  • H2: Theorie over communicatie Basisbegrippen
  • Communicatiemodaliteiten
  • Massa- en interpersoonlijke communicatie
  • H3: Corporate Communicatie Identiteit
  • §3.1.4 Identiteitsstructuur We onderscheiden globaal drie identiteitsstructuren: Branded identiteit
  • Endorsed identiteit
  • Monolithische identiteit
  • Vraag Antwoord
  • §3.3 Reputatie Reputatie
  • §3.4.4 Beeldgebruik
  • §3.5 Huisstijldragers Huisstijldragers
  • H4: Specialismen in corporate communicatie 4.1 Issuemanagement
  • 4.2 Public affairs
  • 4.3 Reputatiemanagement
  • 4.5 Financiële communicatie
  • 4.7 Overheidscommunicatie
  • H5: Interne communicatie

  • Dovnload 211.77 Kb.