Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Heeft de sociaal-democratie nog bestaansrecht? Paul de Beer

Dovnload 66.16 Kb.

Heeft de sociaal-democratie nog bestaansrecht? Paul de Beer



Datum17.09.2018
Grootte66.16 Kb.

Dovnload 66.16 Kb.

Heeft de sociaal-democratie nog bestaansrecht?

Paul de Beer*

Artikel voor S&D nr.7/8 2002


De analyses van de verkiezingsnederlaag van de PvdA, waarvan het vorige nummer van SenD een aardige dwarsdoorsnee gaf, zijn er in twee soorten: ‘wij hebben gefaald’ en ‘zij hebben gefaald’. De eerste soort is hoofdzakelijk afkomstig van PvdA-politici, de tweede van waarnemers aan de zijlijn. Blijkbaar zijn beide groepen het dus in grote lijnen met elkaar eens: de kiezer heeft een vernietigend oordeel over de PvdA geveld en de kiezer heeft altijd gelijk, dus … De belangrijkste opdracht voor de Partij van de Arbeid is dan ook om weer in contact te komen met de mensen in het land en het vertrouwen van de kiezer te herwinnen. Maar hoe? Hoe maak je van de potpourri van ongenoegen, onveiligheidsgevoelens, rancune, vreemdelingenangst en onbehagen die onder de kiezers leeft, herkenbare sociaal-democratische politiek?

De analyses van wat ‘de’ kiezer heeft bewogen om het paarse kabinet een forse afstraffing te geven, lijken mij daarvoor van weinig nut. Ze gaan allemaal uit van de gedachte dat de voornaamste taak van een politieke partij is om zoveel mogelijk kiezers te trekken. Als dit zo is, dan is de PvdA echter nog altijd heel wat succesvoller dan de SP en had niet Ad Melkert maar Jan Marijnissen moeten terugtreden. Het is tekenend voor de dominantie van het (neo)liberale denken dat het succes van politieke partijen louter wordt afgemeten aan winst en verlies van marktaandeel. Politieke partijen zijn echter geen ondernemingen met winst als hoogste doel. De meeste politieke partijen – en dit geldt zeker voor de sociaal-democratie – zijn ooit opgericht om de maatschappij te hervormen – of juist te voorkomen dat dit gebeurt. De bestaansreden van een politieke partij is dan ook in de eerste plaats gelegen in haar visie op de gewenste samenleving. Pas daarna gaat het erom de kiezers ervan te overtuigen dat je de meest aantrekkelijke visie hebt.

Sinds het midden van de jaren tachtig lijkt de Partij van de Arbeid deze logica echter te hebben omgedraaid. Zij heeft haar eigen sociaal-democratische visie op de samenleving geleidelijk, in een poging een dominante positie in het politieke krachtenveld te veroveren, aangepast aan de veranderde omstandigheden. Daarom is zij steeds meer naar het midden opgeschoven om met het CDA en de VVD de strijd aan te gaan om de ‘modale’ kiezer. Het programma werd ondergeschikt aan de electorale strategie. Het ergste van de verkiezingsuitslag van 6 mei is niet dat deze strategie volkomen mislukt is, maar dat de PvdA nog niet het begin van een consistent en herkenbaar programma heeft waarmee zij de oppositie tegen het kabinet-Balkenende kan ingaan. De halvering van het zetelaantal valt in het niet bij de verwatering van het eigen gedachtegoed in de laatste vijftien jaar.
Wat opvalt aan de vele analyses van de crisis in de PvdA is, dat slechts weinigen het bestaansrecht van de partij ter discussie hebben gesteld. Dit nu is precies waar het om gaat. Zelfs als de PvdA met een aansprekende lijsttrekker en een pragmatische koers de volgende verkiezingen een deel van het verlies weet terug te winnen, is daarmee het bestaansrecht van de PvdA als sociaal-democratische partij nog niet aangetoond. Want wat is een sociaal-democratische partij die het louter moet hebben van haar leider en van de flexibiliteit waarmee zij haar standpunten tijdig aanpast aan de laatste opiniepeiling of focusgroep? Wil er in Nederland nog plaats zijn voor een sociaal-democratische partij die die naam met recht draagt, dan zal de PvdA zich de komende tijd grondig moeten herbezinnen op haar programma.

Met dit artikel wil ik hieraan een steentje bijdragen. Ik zal betogen dat er voor de PvdA weinig andere keus is dan zich te blijven profileren op sociaal-economische thema’s. Om niet te blijven steken in abstracties doe ik vervolgens enkele suggesties voor een moderne sociaal-democratische visie op sociaal-economische problemen. Tot slot laat ik zien dat een dergelijke aanpak ook bruikbaar is om de problemen van de multiculturele samenleving te benaderen.



Sociaal-economische visie


Veel analytici hebben betoogd dat de Partij van de Arbeid zich in de verkiezingscampagne te zeer heeft gericht op sociaal-economische thema’s, terwijl de kiezer zich voornamelijk druk maakte om problemen als onveiligheid, verloedering en immigratie. Natuurlijk stonden deze thema’s de laatste weken voor de Tweede Kamerverkiezingen centraal in het debat, maar toch is het mijns inziens een misvatting dat de PvdA meer afstand had moeten nemen van de traditionele sociaal-economische thema’s. Daar zijn verschillende redenen voor.
In de eerste plaats ontleent de sociaal-democratie eenvoudig haar bestaansrecht aan sociaal-economische problemen en scheidslijnen. Het is zeer de vraag of er nog plaats is voor een sociaal-democratische beweging als de wezenlijke maatschappelijke problemen nog slechts een cultureel of etnisch karakter hebben. Want op grond van welke sociaal-democratische beginselen zou je een visie op (multi)culturele problemen kunnen formuleren, tenzij daaraan sociaal-economische factoren ten grondslag liggen? Zo was het in het verleden ook met de ‘volksverheffing’ en de emancipatie van de arbeiders. Daarbij speelden culturele aspecten weliswaar een belangrijke rol, maar aan de basis van de sociaal-democratische politiek lag toch een sociaal-economische analyse van de maatschappelijke verhoudingen. Er is alle reden om een typisch sociaal-democratische benadering van de problemen van de multiculturele samenleving en het vraagstuk van immigratie eveneens te baseren op een sociaal-economische analyse van de huidige maatschappelijke verhoudingen. En in die benadering zal een sociaal-democratische visie op de rechtvaardige samenleving een belangrijk leiddraad moeten zijn. Anders valt niet goed in te zien hoe de sociaal-democratie nog een eigen visie op deze vraagstukken zou kunnen ontwikkelen.
In de tweede plaats vloeit het problematische karakter van immigratie en de aanwezigheid van een groot aantal allochtonen vooral voort uit de (negatieve) sociaal-economische gevolgen ervan. Discussies over allochtonen gaan immers nooit over de 700.000 allochtonen van westerse afkomst in Nederland. Niemand stoort zich aan de 130.000 Duitsers, 45.000 Britten, 40.000 Belgen en 20.000 Amerikanen in ons land.1 Nu kan men nog tegenwerpen dat dit komt doordat het hier gaat om cultureel zeer verwante allochtonen. Toch zijn velen van hen de Nederlandse taal niet machtig, hetgeen bij niet-westerse allochtonen alom als een eerste voorwaarde voor integratie wordt beschouwd. En hoe zit het dan met die 7.000 Japanners in Nederland, die toch allerminst een in onze samenleving geïntegreerde groep uitmaken, maar wier aanwezigheid geen enkele weerstand oproept? De verklaring hiervoor is eenvoudigweg dat het economisch succesvolle groepen betreft die vooral daardoor ook in andere opzichten, zoals criminaliteit, geen grotere problemen veroorzaken dan de gemiddelde autochtone Nederlander. Daarmee is niet gezegd dat de problemen van de multiculturele samenleving louter een sociaal-economisch vraagstuk vormen. Wel betekent het dat een oplossing van deze problemen – in ieder geval in een sociaal-democratische visie – in de eerste plaats vraagt om een doeltreffende aanpak van de sociaal-economische achterstand van deze groepen.
In de derde plaats valt het gebrek aan belangstelling voor sociaal-economische thema’s bij de laatste verkiezingen voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de gunstige economische situatie van de laatste jaren. Na acht jaar van onafgebroken economische groei, dalende werkloosheid en gestage inkomensverbetering voor bijna alle groepen, is het niet verwonderlijk dat de onvrede van de bevolking – en dus het belangrijkste motief om een stem uit te brengen - zich niet op sociaal-economische thema’s richt. Dit betekent echter allerminst dat sociaal-economische onderwerpen definitief hebben afgedaan als richtinggevende politieke kwesties. Mocht de huidige economische stagnatie langere tijd aanhouden en de werkloosheid weer fors oplopen, dan lijdt het nauwelijks twijfel dat het politieke debat binnenkort weer voornamelijk in het teken van sociaal-economische en financiële kwesties zal staan.
Het probleem was niet dat de PvdA zich teveel op sociaal-economische thema’s richtte, maar dat zij niet in staat was op dit gebied met een overtuigend en aansprekend verhaal te komen. Juist op sociaal-economisch gebied heeft de sociaal-democratie de laatste vijftien jaar haar eigen gezicht verloren. In de jaren tachtig opponeerde de PvdA nog fel tegen het sociale en financieel-economische beleid van de eerste twee kabinetten-Lubbers (1982-1989): de bevriezing van de uitkeringen en andere bezuinigingen op de sociale zekerheid en op de publieke sector, de prioriteit voor sanering van de overheidsfinanciën en verlaging van de lastendruk boven bestrijding van de werkloosheid en het beleid van deregulering en meer marktwerking. Vanaf het moment dat de PvdA in 1989 weer ging meeregeren, heeft zij echter bijna al deze punten van kritiek ingeslikt en loyaal meegewerkt aan voortzetting van het bekritiseerde sociaal-economische beleid van de voorgaande regeringen. Dit zou nog tot daar aan toe zijn geweest indien deze omslag in het denken de uitkomst was geweest van een grondige interne discussie en afweging van verschillende opties. Deze radicale koerswijziging werd echter simpelweg door de partijtop afgekondigd, zonder de achterban daarover te raadplegen.

In 1991 wreekte zich dit toen de aankondiging van harde ingrepen in de WAO grote opschudding in de PvdA veroorzaakte die de positie van partijleider Wim Kok aan het wankelen bracht. Ternauwernood wist hij zich staande te houden door het boetekleed aan te trekken en – we leven nu eenmaal in Nederland - een commissie in te stellen die onder leiding van Dik Wolfson een nieuwe visie op de verzorgingsstaat moest formuleren.2 De rust in de PvdA mocht daarmee zijn hersteld, het voorkwam niet dat in 1994 de afrekening door de kiezers volgde in de vorm van een record stemmenverlies. Alleen door de nog grotere electorale klap voor het CDA viel Wim Kok onverhoopt het premierschap in de schoot. In plaats van in deze verkiezingsuitslag reden te zien om zich grondig over haar koers te beraden, waren de vorming van het Paarse kabinet en de acht jaren van Wim Kok als premier een excuus voor de partijleiding om iedere serieuze inhoudelijke discussie uit de weg te gaan. Zou de kiezersgunst in 1994 echter nog iets geringer zijn geweest waardoor de PvdA in de oppositie was beland, dan zou de crisis waarmee de PvdA zich nu geconfronteerd ziet, zich al acht jaar eerder voluit hebben gemanifesteerd.


Symptomatisch voor de opstelling van de PvdA-top is de wijze waarop hij omsprong met de opstelling van een nieuw beginselprogramma. Al lang werd erkend dat het radicale beginselprogramma uit 1977 niet meer voldeed. Vanuit de achterban was herhaaldelijk aangedrongen op een nieuwe formulering van de sociaal-democratische beginselen. De partijleiding had hieraan echter geen enkele behoefte. Beginselen zijn immers een blok aan het been van pragmatische politici die gewoon willen regeren en niet lastig gevallen willen worden met principes en idealen. Niettemin werd uiteindelijk onder leiding van senator Willem Witteveen een concept-beginselprogramma opgesteld,3 dat weliswaar geen pronkstuk was van inspirerende denkbeelden, maar in ieder geval een basis bood voor een serieuze discussie. Die discussie is echter nooit van de grond gekomen. Toen het partijcongres van maart 2001 het concept-beginselprogramma als onvoldoende inspirerend van de hand wees, was dit dan ook een welkome aanleiding om het hele onderwerp geruisloos van de agenda af te voeren. Immers, de verkiezingen begonnen te naderen en het laatste wat je dan kunt hebben is een interne discussie over de eigen grondslagen. De kiezer zou eens kunnen denken dat je niet weet waar je voor staat … Nu de kiezers toch met de PvdA hebben afgerekend, zal deze discussie met een paar jaar vertraging hopelijk alsnog een aanvang nemen.

Een moderne interpretatie van de sociaal-democratische beginselen4


Waarin zou deze discussie over de uitgangspunten en de koers van de Partij van de Arbeid nu moeten resulteren? Ongetwijfeld zullen velen de komende tijd in dit blad en elders een duit in het zakje doen door hun overlevingsrecept en vitaliseringsstrategie voor de PvdA te schetsen. Als de voortekenen niet bedriegen zal de teneur daarvan zijn dat de PvdA zich moet vernieuwen door afstand te nemen van oude idealen en sentimenten en veel pragmatischer en doelgerichter om te gaan met de problemen in het land.

Haaks hierop, maar in lijn met de voorgaande analyse, wil ik ervoor pleiten dat de Partij van de Arbeid zich weer rekenschap geeft van haar oorspronkelijke bestaansreden: een gedegen analyse en kritische beoordeling van de heersende sociaal-economische verhoudingen. Nu zijn die verhoudingen in de ruim honderd jaar waarin de sociaal-democratie als georganiseerde beweging in Nederland bestaat, natuurlijk ingrijpend veranderd. De motieven en idealen die een eeuw geleden ten grondslag lagen aan de sociaal-democratie hebben daarmee echter nog niet afgedaan als inspiratiebron voor een moderne sociaal-democratische partij. De Partij van de Arbeid staat voor de opdracht om te bepalen welke betekenis deze idealen hebben voor de wereld waarin wij nu leven. Dit vereist allereerst een gedegen analyse van het hedendaagse kapitalisme. Daaraan heeft het de afgelopen vijftien jaar in de PvdA ontbroken.

Na de val van De Muur heeft de PvdA enthousiast het kapitalisme en de markt omhelst als economische ordeningsmechanismen. De overheid is er nog slechts om correcties aan te brengen wanneer de private sector en/of de markt tekortschieten. De PvdA sloot zich aan bij het (neo)liberale pleidooi voor marktwerking en privatisering, waartegen zij zich decennialang had verzet. Het kan toch nauwelijks een verrassing heten dat de kiezer zich toen niet meer in de PvdA herkende.

Dit is nog geen pleidooi voor een terugkeer naar de opvattingen over sociaal-economische politiek uit de jaren zeventig. Waar de PvdA de laatste tien jaar teveel heil verwacht van de private sector en de markt, wees zij destijds de overheid en de collectieve sector te gemakkelijk als oplossing voor alle problemen aan. Voor een sociaal-democratische partij dient overheid noch markt een doel op zich te zijn, maar slechts een mogelijk instrument om de eigen idealen dichterbij te brengen. De soms overspannen verwachtingen van de overheidsrol uit de jaren zeventig zijn onvoldoende reden om nu kritiekloos de markt en het particuliere bedrijfsleven te omhelzen.

Het is onmogelijk om hier een diepgravende analyse van het huidige kapitalisme te geven – voor een aantal interessante aanzetten verwijs ik naar Het twintigste jaarboek voor het democratisch-socialisme.5 In kort bestek kan wel het volgende worden gezegd (zie voor een uitgebreidere argumentatie mijn artikel ‘Voorbij het kapitalisme?’6).
In beschouwingen over het kapitalisme worden het particuliere bezit van productiemiddelen en de markt te gemakkelijk op een hoop gegooid. Het betreft hier echter twee verschillende zaken die niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het economische succes van het kapitalisme is niet zozeer te danken aan het particulier kapitaalbezit, maar vooral aan het marktmechanisme. Daarbij gaat het niet om de statische markt uit de economieboekjes, die wordt gekenmerkt door ‘volkomen’ maar ‘vreedzame’ concurrentie, maar om de dynamische markt van Schumpeter, waarop bedrijven voortdurend strijd leveren om de marktmacht. Dit is de motor achter het mechanisme van ‘creatieve destructie’, dat ervoor zorgt dat de ‘beste’, meest vernieuwende bedrijven overleven. Het is deze drijvende kracht achter de gestage welvaartsstijging in kapitalistische landen die de voormalige centraal geleide economieën in Oost-Europa misten. Particulier bezit van productiemiddelen – oftewel private bedrijven – zijn daarvoor een voldoende noch een noodzakelijke voorwaarde. De sociaal-democratie zou daarom nadrukkelijk onderscheid moeten maken tussen bevordering van marktwerking en privatisering. Marktwerking kan een belangrijk middel zijn om economische efficiëntie te bevorderen. Maar privatisering is een neoliberale preoccupatie, die alleen welvaartsverhogend kan zijn indien zij samengaat met een goed functionerende markt. De ervaringen uit het recente verleden hebben geleerd dat aan deze voorwaarde maar al te vaak niet wordt voldaan, waardoor privatiseringen eerder welvaartsverlies dan welvaartswinst opleveren.
Het gaat sociaal-democraten echter niet alleen om economische efficiëntie, maar ook om een eerlijke verdeling van de opbrengst daarvan. Een keuze tussen meer welvaart die ten goede komt aan de meest kansrijke groepen of wat minder welvaart waarvan vooral de kansarmen profiteren, zou voor sociaal-democraten niet moeilijk moeten zijn. Economische groei kan in een sociaal-democratische visie nooit een doel op zich zijn.

Marktwerking dient daarom altijd vergezeld te gaan van maatregelen om rechtvaardige sociaal-economische verhoudingen te realiseren. In principe kan men daarvoor twee wegen bewandelen: het bevorderen van een gelijke uitgangspositie op de markt en het corrigeren van de uitkomst van het marktproces. Vanwege het belang van goed functionerende markten voor de economische efficiëntie, heeft de eerste weg in beginsel de voorkeur. Het instrument bij uitstek hiervoor is het onderwijs. Het is dan ook niet voor niets dat de sociaal-democratie altijd veel belang heeft gehecht aan de toegankelijkheid voor iedereen van kwalitatief goed onderwijs. Dat er onder Paars twijfel is gerezen over de prioriteit die het waarborgen van de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs krijgen, dient de PvdA zichzelf dan ook zeer aan te rekenen.

Het onderwijs is vooral van belang voor het realiseren van gelijke uitgangsposities op de arbeidsmarkt. Aangezien sociaal-economische verschillen ook verband houden met ongelijkheid in vermogensbezit, zou de sociaal-democratie in de toekomst tevens meer oog moeten hebben voor de vermogensverhoudingen. Merkwaardig genoeg heeft de PvdA zich, sinds het mislukken van de vermogensaanwasdeling (VAD) in de jaren zeventig, nooit meer serieus met dit onderwerp beziggehouden. In een tijd waarin steeds meer burgers over een fors eigen vermogen beschikken in de vorm van (collectieve) pensioenverzekeringen, een eigen huis en spaargeld en beleggingen, ontbreekt het de sociaal-democratie ten enenmale aan een samenhangende visie op de vermogensverhoudingen. Het is hoog tijd dat de PvdA zich hierin weer eens serieus gaat verdiepen.

Als onderdeel hiervan zou zij in ieder geval een visie moeten ontwikkelen op aandelenbezit door werknemers. Nu de traditionele scheidslijn tussen arbeid en kapitaal grotendeels haar betekenis heeft verloren, verdient de mogelijkheid van het ‘werknemerskapitalisme’ als volgende fase van het kapitalisme serieuze overweging door sociaal-democraten. Met werknemerskapitalisme bedoel ik een systeem waarin een groot deel van het ondernemingskapitaal in handen is van de werknemers. Naast hun loon verwerven zij daarmee niet alleen een nieuwe bron van inkomen, maar vooral ook zeggenschap over het bedrijf waarin zij werken. Het aloude idee van ‘arbeiderszelfbestuur’ zou hiermee in een eigentijdse vorm weer een centrale doelstelling van sociaal-democratische politiek kunnen worden (zie hierover verder mijn eerder genoemde artikel ‘Voorbij het kapitalisme?’).


Aangezien markten nooit perfect functioneren, zal de sociaal-democratie een belangrijke plaats moeten blijven inruimen voor instrumenten om de marktuitkomsten te corrigeren. Van oudsher zijn de sociale zekerheid en het belastingstelsel daarvoor de aangewezen instrumenten. Er is geen reden waarom dit in de toekomst anders zou zijn. In de achterliggende periode heeft de PvdA echter steeds meer afstand genomen van deze instrumenten als middel voor herverdeling van inkomens en vermogens. Zo is zij er niet in geslaagd duidelijk te maken wat het typisch sociaal-democratische was van de ingrijpende belastingherziening van 2001. De vermindering van de progressie in de inkomstenbelasting door het toptarief te verlagen van 60% naar 50% werd louter ingegeven door (overdreven) zorgen over de internationale concurrentiepositie en stimulering van de economie, en beslist niet door het streven naar rechtvaardiger inkomensverhoudingen. Ook de schier eindeloze reeks hervormingen van het stelsel van sociale zekerheid en de uitvoeringsorganisatie stonden de laatste tien jaar uitsluitend in het teken van terugdringing van de aanspraken en beheersing van de uitgaven. De PvdA kan eigenlijk alleen het herstel van de koppeling tussen lonen en uitkeringen op haar conto schrijven, waardoor de uitkeringen in de jaren negentig weer gelijk op gingen met de CAO-lonen (maar overigens niet met de werkelijk verdiende lonen, waarvan de stijging die van de CAO-lonen vaak te boven gaat). Dit kon echter niet voorkomen dat de inkomensongelijkheid in de jaren negentig groeide en het percentage huishoudens onder de armoedegrens nauwelijks daalde.7 Terwijl dus afscheid is genomen van belasting en sociale zekerheid als belangrijke instrumenten voor inkomenspolitiek, blijkt de werkzaamheid ervan als middel om arbeidsparticipatie en economische groei te bevorderen op zijn zachtst gezegd discutabel. De snelle werkgelegenheidsgroei werd voornamelijk veroorzaakt door de loondrukkende werking die in ons vermaledijde poldermodel uitgaat van een hoge werkloosheid en de massale toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt.8
Dit alles mondt niet uit in een pleidooi voor een terugkeer naar de stelsels van sociale zekerheid en belastingheffing uit de jaren zeventig. Het probleem daarmee was niet zozeer dat ze een te groot beslag legden op het nationale inkomen, maar dat ze te ongedifferentieerd alle inkomensverschillen reduceerden. Een moderne sociaal-democratische partij dient het oude ideaal van solidariteit met de kansarmen te combineren met een nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van burgers. Niet op alle inkomensverschillen dient het etiket ‘onrechtvaardig’ te worden geplakt. Inkomensverschillen kunnen immers ook het resultaat zijn van eigen keuzen van mensen waarvoor zijzelf verantwoordelijk zijn. Wellicht de belangrijkste fout die de sociaal-democratie in het verleden heeft gemaakt, is dat zij uit solidariteit met de kansarmen hen tegelijkertijd onmondig heeft verklaard. Daardoor werden enerzijds de keuzemogelijkheden van mensen die afhankelijk waren van overheidssteun vaak onnodig ingeperkt, en werden zij anderzijds niet verantwoordelijk gehouden voor keuzen die zij wel degelijk konden maken om hun aanspraken op die steun te beperken en hun lot in eigen handen te nemen. Het bevorderen van de activerende werking van de sociale zekerheid kan weliswaar worden gezien als een poging om aan het tweede bezwaar tegemoet te komen, maar heeft door de vaak bureaucratische en betuttelende werkwijze van uitvoeringsorganen het eerste bezwaar eerder verergerd dan verminderd.

Twee ideeën die recent regelmatig in discussies over de sociale zekerheid opduiken, bieden hier interessante aanknopingspunten. Het eerste, minst vergaande idee is dat van het persoonsgebonden reïntegratiebudget: geef uitkeringsgerechtigden de beschikking over een bepaald bedrag waarmee zij een keuze kunnen maken uit verschillende reïntegratieactiviteiten. Daarmee worden uitkeringsgerechtigden niet alleen meer verantwoordelijk gemaakt voor hun eigen reïntegratie, maar tegelijkertijd wordt hen ook de mogelijkheid geboden naar eigen inzicht aan die verantwoordelijkheid vorm te geven. Empowerment wordt dit met een modieuze term wel genoemd.

Een veel verdergaand idee, dat overigens uitstekend op het voorgaande kan aansluiten, is dat van de integratie van verschillende socialezekerheidsregelingen in een levenslooprekening.9 Een dergelijke individuele rekening combineert verzekeren tegen onvrijwillige inkomensderving (wegens werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid) met sparen voor vrijwillige inkomensderving (wegens pensioen, loopbaanonderbreking, zorg- of scholingsverlof e.d.). Het voordeel van integratie van verschillende regelingen voor inkomensderving in één levenslooprekening is, dat het de individuele verzekerde c.q. spaarder zowel meer eigen verantwoordelijkheid als meer keuzemogelijkheden biedt. Zo is het denkbaar dat men in geval van inkomensderving tot op zekere hoogte zelf de hoogte en duur van de uitkering kan bepalen. Naarmate men minder aanspraak maakt op de regeling, hoeft men minder in te teren op het kapitaal dat men bij elkaar heeft gespaard en waarvan men later gebruik kan maken voor bijvoorbeeld verlof of (vervroegd) pensioen. Overigens dient een dergelijke levenslooprekening in een sociaal-democratische visie niet te worden verengd tot een zuiver individueel spaarpotje, aangezien daarmee de solidariteit tussen kansarmen en kansrijken zou worden verbroken. Het dient nadrukkelijk te gaan om een mengvorm van sparen en verzekeren waarin individuele keuzemogelijkheden en eigen verantwoordelijkheid worden gecombineerd met (en beperkt door) het solidariteitsprincipe.
Ook bij andere (semi-)collectieve voorzieningen zouden sociaal-democraten meer nadruk moeten leggen op keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid. Nu doet zich de vreemde situatie voor dat veel mensen klagen over de kwaliteit van publieke voorzieningen en zeggen bereid te zijn daarvoor meer te betalen, maar de overheid hen verhindert de daad bij het woord te voegen. De budgetten voor zorg en onderwijs worden immers in Den Haag vastgesteld binnen het kader van strikte begrotingsregels. De individuele burger die daarmee niet tevreden is, heeft zo goed als geen mogelijkheid om zich op eigen kosten extra voorzieningen te verschaffen. Het argument dat sociaal-democraten daarvoor doorgaans aanvoeren is dat er anders een tweedeling in het onderwijs of de zorg ontstaat. Maar de consequentie van deze opstelling is wel dat men er geen bezwaar tegen maakt als hogere inkomensgroepen een jacht of een tweede huis kopen, maar wel als zij extra geld aan zorg of onderwijs besteden. Voor een partij die zich de laatste jaren weinig gelegen heeft laten liggen aan rechtvaardige inkomensverhoudingen, is dit een merkwaardige prioriteitsstelling. Deze opstelling bergt bovendien het gevaar in zich dat de rijkste groepen geleidelijk het publieke bestel verlaten om hun eigen particuliere voorzieningen te scheppen. De steun voor het publieke stelsel dreigt daardoor te worden ondergraven, waardoor men juist het tegenovergestelde bereikt van wat men beoogde.

Sociaal-democraten zouden beter hun fixatie op volstrekt gelijke toegang tot semi-publieke voorzieningen – die toch al een fictie is gezien de voorrang in de zorg voor VIP’s als topsporters en leden van het koninklijk huis en de oververtegenwoordiging van hogere inkomensgroepen in het voortgezet en hoger onderwijs – kunnen opgeven om zich aan te sluiten bij het rechtvaardigingscriterium van John Rawls.10 Dit criterium, het difference principle, houdt in dat ongelijkheden gerechtvaardigd zijn mits zij ten goede komen aan de minst bevoorrechten. Het gaat er dan niet langer om of hogere inkomensgroepen meer zorg of beter onderwijs kunnen kopen dan lagere inkomensgroepen, maar of dit bijdraagt aan verbetering van het voorzieningenniveau voor de minder draagkrachtigen. Door meer ruimte te maken voor het profijtbeginsel en voor eigen bijdragen in ruil voor een ruimer aanbod of hogere kwaliteit, lijkt de kans groter dat de rijken zullen blijven bijdragen aan het publieke stelsel en niet hun eigen particuliere stelsel zullen creëren. Er is dan meer kans dat de financiële basis voor het publieke bestel in stand kan worden gehouden dan wanneer voor iedereen dezelfde uniforme voorzieningen van minimale kwaliteit beschikbaar zijn.

Ook in een stelsel met meer keuzevrijheid en eigen bijdragen kan en dient de solidariteit tussen hogere en lagere inkomensgroepen en tussen ‘goede’ en ‘slechte’ risico’s echter in stand te worden gehouden. Men kan daartoe bijvoorbeeld een inkomensafhankelijke premie voor ziektekostenverzekeringen hanteren waarin tevens bepaalde keuzemogelijkheden zijn ingebouwd. Om de gedachten te bepalen: de premie voor een maximumpakket van medische verstrekkingen zou bijvoorbeeld voor iedere inkomensgroep het dubbele kunnen bedragen van de premie voor een minimumpakket. Maar zowel de maximum- als de minimumpremie zou wel inkomensafhankelijk moeten blijven.11 In het onderwijs kan men aan soortgelijke combinaties van keuzevrijheid en (inkomens)solidariteit denken. De keuzevrijheid kan daar worden bevorderd door een combinatie van vouchers en eigen bijdragen, die desgewenst kunnen worden gerelateerd aan het inkomen.
Niet bij alle collectieve voorzieningen is het echter mogelijk ruimte te bieden voor individuele keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid. Over zuiver publieke goederen, zoals defensie en justitie, kan immers alleen collectief worden besloten. Toch zou men ook hierbij kunnen experimenteren met mogelijkheden om de burger meer zeggenschap te geven over de besteding van de publieke middelen. Zou het niet een aardig idee zijn om bij het jaarlijkse belastingbiljet een enquêteformulier te voegen, waarmee men kan aangeven aan welke voorzieningen men het liefst zijn/haar belastinggeld zou spenderen? Ik wil niet voorstellen om onmiddellijk het gehele overheidsbudget op deze wijze te verdelen, maar men zou ermee kunnen beginnen om bijvoorbeeld tien procent van de belastinginkomsten op deze manier toe te wijzen.

Dit zijn niet meer dan enkele suggesties die nadere discussie en uitwerking behoeven. Hopelijk maken ze duidelijk dat er voor sociaal-democraten voldoende mogelijkheden zijn om individuele burgers meer keuzevrijheid te bieden en eigen verantwoordelijkheid te laten dragen zonder daarmee het ideaal van solidariteit en gelijke kansen op te geven.



Een sociaal-democratische visie op immigratie en integratie


Het voornaamste doel van de verzorgingsstaat mag dan zijn om de integratie en maatschappelijke insluiting van burgers veilig te stellen, ze valt alleen duurzaam te handhaven bij de gratie van uitsluiting van anderen. “Verzorgingsstaten zijn nationale staten: de verzorging is in elk land een nationale zaak, overal door landsgrenzen ingeperkt en voorbehouden aan de eigen burgerij”, zo begon Abram de Swaan in 1989 zijn Den Uyl-lezing.12 Onze royale verzorgingsstaat, die als de belangrijkste verworvenheid van een eeuw sociaal-democratische politiek moet worden beschouwd, kan alleen in stand worden gehouden door de aanspraken erop te beperken. Die aanspraken zijn tot nu toe strikt gebonden aan het Nederlandse burgerschap: alleen wie als ingezetene van Nederland wordt erkend heeft toegang tot de voorzieningen van de verzorgingsstaat. Of, in de woorden van De Swaan: “de verzorgingsstaat is naar zijn aard exclusief en anti-internationaal.” Hierdoor is de toekomst van de verzorgingsstaat direct gerelateerd aan het immigratie- en integratievraagstuk. Een van de belangrijkste redenen waarom onbeperkte immigratie geen reële optie is, is dat daardoor de verzorgingsstaat niet lang stand zou kunnen houden. Met al zijn gebreken is onze verzorgingsstaat naar internationale maatstaven immers nog altijd zo genereus, dat hij een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent op mensen in minder welvarende landen. Solidariteit met de miljarden kansarmen in de rest van de wereld staat daardoor onvermijdelijk op gespannen voet met de solidariteit met de kansarmen in het eigen land. Voor dit duivelse dilemma hebben sociaal-democraten, die traditiegetrouw ook de internationale solidariteit hoog in hun vaandel schrijven, nog geen bevredigende uitweg gevonden. Dit verklaart in belangrijke mate de wankelmoedigheid van sociaal-democraten ten aanzien van de thema’s van immigratie en integratie.

Uiteindelijk is er voor sociaal-democraten echter geen andere keuze mogelijk dan handhaving van de verzorgingsstaat en de solidariteit met de kansarmen in eigen land boven solidariteit met de kansarmen in de derde wereld. De rechtvaardiging daarvoor is, ten eerste, dat het een illusie is dat men met het openstellen van onze verzorgingsstaat voor ‘derden’ werkelijk een bijdrage zou leveren aan het verminderen van de ongelijkheid op wereldschaal: wij zijn eenvoudig niet rijk genoeg om de rest van de wereld te ‘onderhouden’. Daar kan, ten tweede, aan worden toegevoegd dat daardoor wel het voortbestaan van onze eigen welvarende samenleving op het spel zou worden gezet: het inkomensoffer dat aan de eigen bevolking zou moeten worden gevraagd, zou iedere prikkel wegnemen om die welvaart in stand te houden.

Dit betekent niet dat sociaal-democraten moeten streven naar een immigratiesaldo van nul. Het betekent wel dat immigratie alleen acceptabel is voor zover onze verzorgingsstaat er niet te zeer door onder druk komt te staan. Concreet betekent dit dat slechts een beperkt aantal immigranten kan worden toegelaten en dat toegelaten immigranten zo snel mogelijk een productieve bijdrage moeten kunnen leveren aan de verzorgingsstaat. Naarmate men beter in het tweede doel slaagt, ontstaat er overigens meer ruimte voor het toelaten van migranten. Omgekeerd moet het feit dat migratie nu zo’n beladen politiek onderwerp is, in belangrijke mate worden toegeschreven aan het feit dat de economische integratie van de eerder toegelaten immigranten zo lang is verwaarloosd. We worden geconfronteerd met een fors ‘achterstallig onderhoud’ dat de mogelijkheid om nu meer immigranten toe te laten sterk beperkt. Het immigratiebeleid en het integratiebeleid hangen dus nauw met elkaar samen.

Ook sociaal-democraten hebben momenteel dus geen andere keus dan te pleiten voor een streng toelatingsbeleid.13 Hoe streng is moeilijk exact aan te geven. Natuurlijk zullen sociaal-democraten altijd een gastvrij en veilig toevluchtsoord moeten bieden voor mensen die worden vervolgd. Maar bij andere categorieën immigranten – die hier komen vanwege gezinsvorming, gezinshereniging, werk of onze sociale voorzieningen – ligt het in de rede een direct verband te leggen met de bijdrage die zij kunnen en willen leveren aan het instandhouden van onze verzorgingsstaat. Dit betekent dat naarmate de perspectieven van een groep op economische integratie in onze samenleving beter zijn, eerder tot toelating kan worden overgegaan. Toegepast op immigratie vanwege gezinsvorming impliceert deze redenering dat het recht om met een buitenlandse partner te huwen ondergeschikt dient te worden gemaakt aan de eis dat die partner een goede kans heeft om te integreren in en een bijdrage te leveren aan de samenleving waarin hij of zij terechtkomt. Overkomst van een partner uit een ander land is alleen acceptabel indien verzekerd is dat deze snel een zelfstandige positie in onze samenleving zal kunnen verwerven. In de meeste gevallen is dit overigens ook in het belang van de partner die hier reeds aanwezig is. Zeker gezien de aard van de band tussen gearrangeerde huwelijkspartners en de beperkte duurzaamheid van moderne huwelijksrelaties moet aan integratie in de samenleving meer gewicht worden toegekend dan aan de private relatie met één andere persoon.

Misschien is het goed op te merken dat een streng immigratie- en integratiebeleid ook in het belang is van de allochtonen in ons land. De negatieve gevolgen van grote aantallen nieuwkomers die er niet in slagen een volwaardige positie in ons land te verwerven, worden het eerst gevoeld door de al aanwezige allochtonen: zij zijn de eerste slachtoffers van negatieve beeldvorming en verharding van het maatschappelijke klimaat ten aanzien van buitenlanders, bezuinigingen op de verzorgingsstaat en concurrentie van illegalen op de arbeidsmarkt. Er is dan ook weinig verrassends aan het feit dat veel allochtonen op de Lijst Pim Fortuyn hebben gestemd.
Nu gaat bovenstaande redenering uit van de veronderstelling dat het daadwerkelijk mogelijk is de immigratie te reguleren. De ervaringen in het afgelopen decennium hebben echter geleerd dat beperking van legale toelating haast onvermijdelijk gepaard gaat met een toename van het aantal personen dat illegaal in ons land verblijft. Dit feit is in het ‘Haagse’ debat lange tijd genegeerd, om maar niet met het dilemma te worden geconfronteerd dat het toekennen van een officiële verblijfsstatus automatisch toegang tot de voorzieningen van de verzorgingsstaat betekent. Doordat in- en uitsluiting van de verzorgingsstaat zijn gelijkgesteld aan de formele in- en uitsluiting van ons grondgebied, is het gemakkelijker om het bestaan van illegalen te ontkennen of te negeren.

Het nieuwe kabinet valt in ieder geval te prijzen voor het feit dat zij het probleem niet langer ontkent. Of de oplossing die het voor ogen staat, namelijk de verwijdering van alle illegalen uit ons land, een reële optie is, staat echter te bezien. Niet alleen is het een schier onmogelijke opgave om de naar ruwe schatting 45 tot 115 duizend aanwezige illegalen op te pakken en het land uit te zetten, het is ook zeer de vraag of de opbrengst ervan opweegt tegen de enorme kosten, zowel van de opsporing en uitzetting als van het verlies van de bijdrage van illegalen aan de economie.

Het andere uiterste, namelijk een generaal pardon voor alle in Nederland aanwezige illegalen, biedt evenmin een oplossing. Het lost op korte termijn weliswaar veel problemen op een humanitaire wijze op, maar het biedt geen structurele oplossing. Integendeel, er zal onvermijdelijk een aanzuigende werking op nieuwe illegalen van uitgaan, óók als men aankondigt dat het een eenmalige operatie is die wordt gevolgd door een zeer restrictief toelatingsbeleid. Een dergelijke uitspraak mist, gezien de ervaringen uit het verleden, immers iedere geloofwaardigheid.
Het lijkt verstandiger om eens een andere mogelijkheid in overweging te nemen, namelijk om aan illegalen een legale status te geven zonder hen automatisch toegang te bieden tot alle voorzieningen van de verzorgingsstaat waarop nu iedere legale ingezetene recht heeft. Er wordt dan als het ware een gedifferentieerd burgerschap ingevoerd. Wie zich pas kort in ons land bevindt, zou een ‘aspirant-burgerschapsstatus’ krijgen die slechts recht geeft op minimale voorzieningen, bijvoorbeeld alleen strikt noodzakelijke medische zorg. Na verloop van tijd zou men, als men bijvoorbeeld een bepaald aantal jaren legaal heeft gewerkt, meer aanspraken verwerven, zoals een uitkering in geval van ziekte of werkloosheid, en nog weer later zou men het volledige burgerschap verkrijgen.

Het idee van verschillende niveaus van burgerschap is voor sociaal-democraten geen aanlokkelijke gedachte. Het roept al snel het beeld op van eersterangs en tweederangs burgers – en daar hebben sociaal-democraten juist altijd tegen gestreden. Maar is daarvan in de huidige situatie in feite niet ook al sprake? Nu hebben de hier aanwezige illegalen feitelijk geen enkel recht en zijn zij aangewezen op malafide werkgevers en hulp van landgenoten en humanitaire instellingen, die zich soms gedwongen voelen tot op de rand van de illegaliteit te gaan. Een gedifferentieerd burgerschap moet niet worden vergeleken met het ideaal van een samenleving zonder illegalen, maar met de feitelijke situatie waarin we nu verkeren. Het is een second best oplossing.

Het biedt ook mogelijkheden om iets ‘relaxter’ met het immigratievraagstuk om te springen. Door de burgerschapsstatus te koppelen aan de vraag of men zelfstandig en op legale wijze in het eigen levensonderhoud kan voorzien en daarmee aan de mate van sociaal-economische integratie, wordt alleen immigratie aangemoedigd die onze verzorgingsstaat niet in gevaar brengt. Wie alleen naar Nederland komt om van de voorzieningen van de verzorgingsstaat gebruik te maken, zal daarvan immers juist worden uitgesloten.

Dit betekent niet dat de immigratie volledig vrij moet worden gelaten. Enerzijds zijn het immers niet alleen sociaal-economische overwegingen die een beperking van het aantal immigranten wenselijk maken en anderzijds moet er ook ruimte blijven om vreemdelingen toe te laten op andere gronden dan hun (potentiële) bijdrage aan de verzorgingsstaat, zoals politieke vluchtelingen.



Culturele integratie?


Kunnen sociaal-democraten volstaan met deze sociaal-economische benadering van immigratie en integratie? Of is daarnaast ook een sociaal-culturele visie op de multiculturele samenleving nodig? Geheel tegen de heersende trend in, meen ik dat in hoofdzaak met een sociaal-economische aanpak kan worden volstaan. Ik zal dit standpunt verduidelijken met een gedachte-experiment. Stel u eens voor, dat de sociaal-economische positie van Marokkanen, Turken en andere etnische minderheden exact gelijk zou zijn aan die van de autochtone bevolking. Dat wil zeggen dat er niet langer verschil zou zijn in werkloosheidspercentage, uitkeringsafhankelijkheid, arbeidsparticipatie, inkomen, carrièrekansen, enzovoorts. Zou de aanwezigheid van niet-westerse allochtonen in ons land dan nog als een probleem worden ervaren? Het lijkt niet waarschijnlijk. Zij zouden zich dan immers in vrijwel niets onderscheiden van de hier woonachtige Belgen, Duitsers, Amerikanen en Japanners, die evenmin als een probleem worden beschouwd.

Stilzwijgend maak ik hierbij wel twee veronderstellingen. In de eerste plaats veronderstelt een gelijkwaardige sociaal-economische positie dat de culturele verschillen met de autochtone bevolking niet al te groot zijn. In de tweede plaats veronderstel ik dat economisch succes op zijn beurt weer bijdraagt aan vermindering van de sociaal-culturele verschillen met de autochtone bevolking. In het algemeen geldt, dat naarmate de sociaal-economische positie van een groep beter is, de criminaliteit in die groep lager ligt, de maatschappelijke participatie (zoals opkomst bij verkiezingen) groter is en de steun voor de instituties van onze maatschappij sterker. Dit geldt in ieder geval binnen de autochtone bevolking en men mag aannemen dat het bij allochtonen niet anders zal zijn. [P.M. verwijzen naar Dagevos?]

De eerste veronderstelling houdt wel in dat een zekere mate van culturele integratie een voorwaarde is voor sociaal-economische integratie. Culturele integratie is dan echter vooral een middel en niet zozeer een doel op zich.14 Zo is beheersing van het Nederlands over het algemeen een belangrijke voorwaarde om zich een positie op de arbeidsmarkt te verwerven. Dit geldt evenzeer voor een zekere aanpassing aan in Nederland vanzelfsprekende gebruiken en omgangsvormen. Net als de arbeiders in de eerste helft van de vorige eeuw de nodige taal en cultuur moesten worden bijgebracht om deel te hebben aan de moderne economie, zo geldt dit nu voor de allochtone bevolkingsgroepen. En net als destijds zal ook nu het onderwijs hierbij een cruciale rol spelen.

Gezien het feit dat veel achterstanden al op zeer jonge leeftijd ontstaan, dient echter serieus te worden overwogen om al in de eerste levensjaren een minimale opvoeding in de Nederlandse cultuur verplicht te stellen. Ouders die niet aannemelijk kunnen maken dat zij een dergelijke opvoeding kunnen geven, zouden bijvoorbeeld verplicht kunnen worden hun kinderen enkele dagen per week naar een verantwoorde ‘Nederlandse’ kinderopvang te laten gaan. De beperking van het recht op vrije opvoeding door de ouders weegt in dit geval niet op tegen het belang van het kind om voldoende mogelijkheden te worden geboden om zich tot volwaardig burger in onze samenleving te ontwikkelen. Voor sociaal-democraten dienen in dit geval de rechten van het kind als toekomstige staatsburger prioriteit te krijgen boven de keuzevrijheid van de ouders.



Tot slot


Volgens velen gaat het in de hedendaagse politiek niet meer om grootse vergezichten en samenhangende visies, maar vooral om persoonlijkheden en een goede neus voor wat er leeft onder de bevolking. Indien zij het gelijk aan hun kant hebben, is er geen plaats meer voor een sociaal-democratische partij die die naam eer aan doet. De Partij van de Arbeid zou dan het beste kunnen worden opgeheven om plaats te maken voor een nieuwe gematigd progressieve volkspartij die met alle winden meewaait. Het geringe succes van D66, dat van de huidige partijen nog het meest aan dit profiel voldoet, maakt het overigens allerminst zeker dat een dergelijke strategie electoraal succes zou opleveren.

Met dit artikel heb ik duidelijk willen maken dat er nog wel degelijk plaats is voor een beginselpartij met een samenhangende sociaal-democratische visie. Een partij die inspiratie put uit haar rijke verleden en tegelijkertijd openstaat voor de typische problemen én mogelijkheden van de huidige tijd. Een partij die zich niet vastbijt in overleefde dogma’s maar wel steun vindt in de principes en idealen die haar in het verleden hebben gedreven. Dat biedt geen garantie voor electoraal succes. Het betekent niet dat de PvdA de volgende keer weer de grootste partij zal worden. Maar het zou wel houvast bieden om de toekomst weer met vertrouwen tegemoet te zien en het initiatief dat op inhoudelijk gebied volledig verloren is gegaan, terug te winnen.




Noten


* Verbonden aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

1 Deze cijfers hebben betrekking op een ‘enge’ definitie van allochtonen, die alle personen omvat die zelf of waarvan beide ouders in het buitenland geboren zijn. De gegevens zijn ontleend aan CBS, Statistisch jaarboek 2001, tabel 1.1-20 (CD-ROM).

2 Commissie Verzorgingsstaat, Niemand aan de kant. Om de toekomst van de verzorgingsstaat, Amsterdam, januari 1992.

3 Commissie Beginselen, Tussen droom en daad, november 2000.

4 Veel van de ideeën in deze paragraaf zijn gebaseerd op of een nadere uitwerking van mijn boek Het verdiende inkomen, Houten/Zaventhem/Amsterdam: Bohn Stafleu Van Loghum/Wiardi Beckman Stichting, 1993.

5 F. Becker, W. van Hennekeler en B. Tromp (red.), Hedendaags kapitalisme. Het twintigste jaarboek voor het democratisch-scoialisme, Amsterdam: Uitgeverij de Arbeiderspers/Wiardi Beckman Stichting, 1999.

6 P. de Beer, ‘Voorbij het kapitalisme?’, in: Krisis – tijdschrift voor empirische filosofie, jrg.3 nr.1, 2002: 39-58.

7 Zie hierover P. de Beer, Over werken in de postindustriële samenleving, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, 2001: hoofdstuk 5.

8 Zie P. de Beer, ‘Ontsnapt uit de sociale-zekerheidsval – Arbeidsparticipatie, sociale zekerheid en collectieve-lastendruk in Nederland’ in Tijdschrift voor Politieke Ekonomie, jrg. 23 nr. 3 (maart 2002), blz.22-45.

9 Zie voor vergelijkbare ideeën bijvoorbeeld F. Leijnse, ‘Het nieuwe werken’, in: P. Winsemius et al., Naar een nieuwe maatschap, Den Haag: Ministerie van Economische Zaken, 2001, A.L. Bovenberg, ‘Koester menselijk kapitaal: een agenda voor institutionele hervorming’, in: Werk, welvaart & geluk, Themanummer Christen-democratische verkenningen nr. 7, 8, 9 (september 2001), blz. 76-87, en SISWO-denktank arbeidspolitiek, Dan zullen we werken. Op weg naar een ontspannen arbeidsbestel, Amsterdam: SISWO, 2002.

10 J. Rawls, A theory of justice, Oxford: Oxford University Press, 1972.

11 Indien men er veel belang aan hecht dat de verdeling over maximum- en minimumpakket binnen iedere inkomensgroep globaal gelijk is, zou men de verhouding tussen maximum- en minimumpremie bij ieder inkomensniveau net zo lang kunnen aanpassen tot dit doel is gerealiseerd.

12 A. de Swaan, ‘De verzorging in het teken van het kapitaal. Over verzorgingsstaten in mondiaal perspectief’, in: De smalle marges: Vijf Den Uyl-lezingen, Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1993, 37-63.

13 Voor liberalen is dit in zekere zin eenvoudiger. Een omvangrijke immigratie is minder problematisch indien men weinig belang hecht aan handhaving van de verzorgingsstaat en aan beperking van de sociale ongelijkheid. Zie het voorbeeld van de Verenigde Staten. Dat vooral de minst bevoorrechten in ons land te lijden hebben van de instroom van migranten baart liberalen minder zorgen dan de vraag of de immigranten een productieve bijdrage kunnen leveren aan de economie.

14 Een vergelijkbaar standpunt wordt verkondigd door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in zijn rapport Nederland als immigratieland, Rapporten aan de Regering nr. 60, Den Haag: Sdu Uitgeverij, 2001.



  • Sociaal-economische visie
  • Een moderne interpretatie van de sociaal-democratische beginselen 4
  • Een sociaal-democratische visie op immigratie en integratie
  • Culturele integratie
  • Tot slot

  • Dovnload 66.16 Kb.