Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Heidegger en Sartre, een existentialistische vergelijking van hun ontologie

Dovnload 308.95 Kb.

Heidegger en Sartre, een existentialistische vergelijking van hun ontologie



Pagina1/5
Datum12.03.2017
Grootte308.95 Kb.

Dovnload 308.95 Kb.
  1   2   3   4   5

www.sharonhagenbeek.nl

Heidegger en Sartre, een existentialistische vergelijking van hun ontologie

Afsluitend BA Werkstuk van Sharon Hagenbeek, studentnummer: 1734091, Amsterdam, augustus 2013.

















Hoofdstuk 1. Vraagstelling 3

§ 1.1. Het Diepgewortelde Existentialisme 5

§ 1.1.1. Existentialisme als het antitraditionele of anti-academische denken 5

§ 1.1.2. Existentialisme als Thematische filosofie 6

§ 1.1.3. Het Diepgewortelde Existentialisme 7

Hoofdstuk 2. Heidegger’s leven en werk 10

§ 2.1. Biografische notities 10

§ 2.1.1. Het begin van Heidegger’s weg 10

§ 2.1.2. Antisemitisme 12

§ 2.1.3. De Ommekeer 14

§ 2.2. Heidegger’s Sein und Zeit 16

§ 2.2.1. Inleidende opmerkingen over Sein und Zeit 16

§ 2.2.2. De zijnsvraag en het zijnsverstaan 17

§ 2.2.3. De filosofie als vraagsteller en haar methode 17

§ 2.3. Heidegger’s Ontologie 20

§ 2.3.1. Voorhandenheid en Terhandenheid 20

§ 2.3.2. De eerste contouren van het erzijn en in-de-wereld-zijn 21

§ 2.3.3. Existentie en Telkens-het-mijne 21

§ 2.3.4. Existentialiteit en Alledaagsheid 22

§ 2.3.5. Kennen en Zorg 23

§ 2.3.6. Facticiteit en Bevindelijkheid 24

§ 2.3.7. Verdere afbakening van het erzijn en Geworpenheid 25

§ 2.3.8. Vrees, Vervallen en Angst 26

§ 2.3.9. Tijdelijkheid en Zijn-ten-dode 27

§ 2.3.10. Mede-zijn en Het Men 29

§ 2.3.11. Het Men en Zijn-ten-dode 31

§ 2.3.12. Authenticiteit, Geweten en Schuldgevoel 32

§ 2.4. Het (sociale) karakter van het erzijn 34

Hoofdstuk 3. Sartre’s leven en werk 36

§ 3.1. Biografische notities 36

§ 3.1.1. De woorden van het begin 37

§ 3.1.2. Gewaardeerde woorden 37

§ 3.1.3. Ongewaardeerde woorden 39

§ 3.2. Sartre’s Het Zijn en het Niet 40

§ 3.2.1. Het Niet 40

§ 3.2.1.2. De Ontkenning en de Vernieting 41

§ 3.2.1.3. Het Niets 42

§ 3.2.1.4. Het Bewustzijn 44

§ 3.2.1.5. De Angst 44

§ 3.2.2. De Kwade Trouw 45

§ 3.2.2.1. De Excuusjes 45

§ 3.2.2.2. De Tijd 46

§ 3.2.2.3. De Fundering 46

§ 3.2.3. Het Zelf, het En-soi, het Pour-soi en de Ander 47

§ 3.2.3.1. Het Zelf 48

§ 3.2.3.2. Het En-soi 49

§ 3.2.3.3. Het Pour-soi 50

§ 3.2.4. Ons zijn voor anderen 51

§ 3.2.4.1. De Schaamte 51

§ 3.2.5. Het hebben van het doen is het zijn 52

§ 3.2.5.1. existentiële psychoanalyse 54

§ 3.2.5.2. Zelf-modificatie 54

§ 3.2.5.3. De Situatie 56

§ 3.3. Het (onbereikbare) karakter van het Zijn 57

Hoofdstuk 4. Conclusie 59

§ 4.1. Gevonden verschillen 59

§ 4.1.1. Tijd 60

§ 4.1.2. Ontologische differentie 60

§ 4.1.3. Dasein vs. En-soi & Pour-soi 61

§ 4.2. De existentialistische invalshoek 64

Literatuurlijst 67

Noten 70



Hoofdstuk 1. Vraagstelling


Dit werkstuk is het resultaat van een lang onderzoek. Al in het eerste jaar van mijn studie kwam ik in aanraking met het ontologische denken van Martin Heidegger. Het fascineerde me en werd tot mijn genoegen in latere jaren aangevuld met het werk van Jean-Paul Sartre. De keuze voor een onderwerp was dan ook makkelijk en snel gemaakt. Constant bleef ik grote verschillen ervaren in twee filosofieën, die zoveel op elkaar lijken dat er meermaals beweerd wordt dat Sartre slechts het denken van Heidegger gekopieerd heeft, en daarbij enkel meer nadruk heeft gelegd op de intermenselijke dynamiek ten koste van de ontologische differentie1.

Waar het mij in dit werkstuk om gaat is om te ontdekken hoe fundamenteel het verschil tussen beide filosofieën daadwerkelijk is. Zodoende zal ik de kritische vraag stellen of er diepgaand onderscheid tussen de beide ontologieën te vinden is. Het is mijn hypothese dat er wel sprake is van een structureel ontologisch verschil dat meer ingrijpend is dan dat oogt en dat die discrepantie is zelfs bepalend voor het existentialisme dat uit deze ontologieën ontspruit. Uiteraard zetten zowel Heidegger en Sartre niet op gelijke manier hun ontologie uiteen, maar ik hoop dat het mogelijk is om middels een existentialistische invalshoek de invloed van het eventuele verschil duidelijk wordt.

Om mijn vraag te beantwoorden heb ik mijn onderzoek allereerst moeten afbakenen. Dit werkstuk baseert zich voornamelijk op Sein und Zeit van Martin Heidegger, uitgegeven door Max Niemeyer Verlag, Tübingen, 1927 en L'Être et le Néant van Jean-Paul Sartre, gepubliceerd door Éditions Gallimard, 1943 – voor beiden geldt dat dit hun magnus opus is. Doorslaggevend voor deze keuze van deze specifieke werken is om binnen de ruimte van het onderhavige werkstuk een zo volledig mogelijk beeld te krijgen. Een hoofdwerk behandelen is dan logisch. Dat deze werken beide bestempeld kunnen worden als het vroege werk van deze filosofen is een gunstige bijkomstigheid – immers, daar waar de gedachte zich voor het eerst volledig gekristalliseerd heeft, is zij het best te aanschouwen. Dat geldt voor deze filosofische werken in nog sterkere mate aangezien het boek van Sartre zelfs al in de titel wijst op de invloed van die van Heidegger (§ 4.1.1.).

Voor beide werken zal hier gebruik worden gemaakt van de Nederlandse vertaling, respectievelijk: Zijn en Tijd, vertaling door Mark Wildschut, Uitgeverij Sun, 1998; en Het zijn en het niet, vertaling door Frans de Haan, Lemniscaat, 2003. In het vervolg zal verwezen worden naar deze werken als SZ en EN. Aangezien het hier enkel gaat om het bepalen van het verschil dat cruciaal is voor het onderscheid tussen deze ontologieën, heb ik de latere ontwikkelingen die zij met hun werk hebben doorgemaakt buiten beschouwing gelaten.

In het huidige hoofdstuk zal ik het existentialisme afbakenen en vervolgens bespreek ik in de komende twee hoofdstukken respectievelijk Heidegger en Sartre. Deze hoofdstukken hebben een vergelijkbare opbouw, zodat eventuele verschillen duidelijker naar voren komen. Tot slot herneem ik in het concluderende hoofdstuk de onderzoeksvraag en tracht deze te beantwoorden. Ik heb veel lees- en schrijfplezier gehad aan dit werk, en ik hoop dat de lezer dat ook heeft.

§ 1.1. Het Diepgewortelde Existentialisme


Aangezien ik het existentialisme hier als kader wil gebruiken ten behoeve van de vergelijking van het vroege ontologische gedachtegoed van Heidegger en Sartre, is het noodzakelijk om dat te bespreken en te definiëren. Het was immers de latere Heidegger zelf die zich nadrukkelijk niet in de existentialistische traditie schaarde, terwijl Sartre dat juist wel deed2. Dat Heidegger zichzelf niet als existentialist zag en Sartre wel, betekent echter nog niet dat zijn ontologie niet existentialistisch benaderd kan worden zoals ik hier wil doen.

Een greep uit de veelheid aan relevante werken over het existentialisme maakt al snel duidelijk dat er talloze manieren zijn om het existentialisme uit te leggen. Hieronder worden kort een drietal van deze benaderingswijzen omschreven. Het onderstaande schema is nadrukkelijk geen historische uitleg, want er wordt hier enkel gezocht naar een specifieke karakterisering van het existentialisme waarbij een ontologische analyse gebaat kan zijn.


§ 1.1.1. Existentialisme als het antitraditionele of anti-academische denken


Over het existentialisme wordt in de beschrijvende literatuur vaak als eerste verteld dat het een stroming is die binnen onze cultuur opgekomen is in een specifieke tijd, daarmee verbonden is en sindsdien zelfs tot een cliché van zelfontplooiing of zelfverwerkelijking verworden is. De ontstaansperiode waarop gedoeld wordt bestaat uit de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw, toen Sartre en de zijnen zichzelf uitriepen tot existentialist en hij als meest gezaghebbende de officieuze leider van die groep werd. De existentialisten hebben zich hoorbaar gemaakt in vele gebieden van de cultuur, de maatschappij en het dagelijkse leven. Het existentialisme was populair en in de volksmond praktisch synoniem met begrippen als individualisme, antitraditioneel en antitotalitarisme. Populistisch geïnterpreteerd gaf het existentialisme enkel een stem aan de ongenoegens van het kleine individu tegenover de grote staat – de kleine man moest zijn kleuren laten zien om vervolgens te bepalen hoe de samenleving aan de hand van dat palet ingekleurd moest worden door de burgers, niet door de staat.

Na de jaren zestig van de twintigste eeuw verloor het existentialisme vrijwel al haar populariteit. Sindsdien leeft de stroming nog steeds onverminderd door in de filosofie; maar daar heeft ze een weinig betere status dan haar culturele wederhelft. Al was het ooit zo populaire existentialisme na haar bloeiperiode al snel zonder grootse culturele toekomst, haar filosofische tegenhanger bestond al veel langer en was zodoende niet meer weg te denken binnen de filosofie.

In de filosofie is de existentialistische traditie dus niet enkel te herleiden tot Sartre. Grote denkers als Schopenhauer, Kierkegaard, Nietzsche, Jaspers en Heidegger gingen hem voor. Wanneer men vraagt hoe deze verschillende denkers met hun individuele werk bij elkaar passen tot een geheel, dan wordt het existentialisme vaak gemakshalve afgedaan als een stroming die – gelijk haar culturele naamgenoot – bestaat uit denkers die zich afzetten tegen de gevestigde orde (in dit geval de academische orde) en het traditionele denken. Zo ziet men in deze interpretatie het existentialisme als vluchtend uit de ‘iron cage’ van de rede, aldus Steven Crowell 3. Volgens Walter Kaufmann behoort dit anti-denken zelfs tot de kern van het existentialisme4.

Deze interpretatie van het existentialisme is grofweg van toepassing op uiteraard Sartre maar ook Heidegger. Beiden hebben zich verzet tegen academisch of traditioneel denken, hoewel ze dat elk een geheel andere invulling gaven. Als men het existentialisme beschouwt als een traditie, dan past Heidegger daar zelfs in op een Russell-paradox-achtige wijze.

Deze interpretatie is niet geschikt als instrument voor een ontologische analyse – nog buiten beschouwing gelaten dat het existentialisme er geen recht mee wordt gedaan, het existentialisme is immers meer dan alleen maar een verzetsstroming –, want deze categorisering betreft een houding ten aanzien van de traditie, en die attitude is nietszeggend over welke ontologie dan ook.

§ 1.1.2. Existentialisme als Thematische filosofie


Wanneer men poogt om het filosofische existentialisme meer inhoudelijke waarde toe te kennen, dan kan men het, zoals Steven Crowell5, bestempelen als een wijsgerige tak die zich in het bijzonder bezig houdt met onderwerpen zoals onder meer angst, vervreemding, de banaliteit van het alledaagse leven, vrijheid en verantwoordelijkheid. Die thema’s worden bij de existentialisten vervolgens benaderd met authenticiteit als norm6. In zijn analyse schrijft Crowell vervolgens meer gewicht toe aan Sartre, omdat hij dit authenticiteitsbegrip heeft proberen in te bedden. In ieder geval valt op basis van de thema’s van Crowell Heidegger’s filosofie eveneens onder het existentialisme te scharen. Heidegger sprak tenslotte over deze thema’s en daarbij was het begrip ‘authenticiteit’ belangrijk. Zodoende kunnen we zijn denken ook via de thematische weg bij het existentialisme betrekken.

Deze interpretatie van het existentialisme is ondanks haar oog voor de inhoud eveneens niet te gebruiken voor het onderhavige werkstuk. Deze benaderingswijze is immers enkel verzamelend op basis van overeenkomstige onderwerpen, en niet op basis van een fundamentele ontologische grond waar het gedachtegoed al dan niet uit voortkomt.


§ 1.1.3. Het Diepgewortelde Existentialisme


De twee gangbare interpretaties die hierboven besproken zijn, zijn dus niet toereikend voor dit werkstuk. Gelukkig is er nog een mogelijkheid, door (Heidegger getrouw) dicht bij de herkomst van het begrip existentialisme zelf te blijven. De term is een verwijzing naar het existeren. Dat is een middeleeuwse vertaling van het Latijnse woord exsistere, wat verwijst naar het uitwaarts treden in het bestaan7. Die beweging kunnen we duiden als voortkomend uit een fundamentele ontologische grond: het Zijn. We zijn altijd al reeds in het bestaan, we zijn altijd al existerend, alvorens we over het Zijn of over de wereld der zijnden na gaan denken. Ons gehele denken, ons gehele zijnservaring is altijd reeds ingebed in ons bestaan, in elk zijnsverstaan dat wij kunnen ervaren. Dit is kort gezegd het diepgewortelde existentialisme waar onze vergelijking bij gebaat kan zijn. ‘Diepgeworteld existentialisme’ wil dus zeggen dat het gaat om existentialisme waarin men gebruik maakt van een uitwaartse (in of naar het bestaan) beweging die ontologisch gefundeerd wordt. Het is dus een existentialisme dat door haar ontologisch fundering gericht is op het menselijke bestaan.

Het is een interpretatie die zijn herkomst vindt in de geschiedenis van het existentialisme zelf, en in het begrip existentialisme zelf. Ook blijft deze benadering trouw aan een mogelijke filosofische standaarddefinitie – zowel het existentialisme als afzettingsbeweging en het existentialisme als thematische filosofie worden er immers niet door uitgesloten of overbodig gemaakt. Deze derde interpretatie biedt desgewenst dus zelfs een uitleg die de andere twee kenmerkende interpretaties kan incorporeren. Deze ‘alternatieve’ weg levert uiteindelijk misschien zelfs een meer kloppend geheel op. Het zwaartepunt van het existentialisme als geheel komt doordat we ons ‘altijd al reeds’ in het bestaan bevinden, te liggen bij de alledaagse ervaring niet alleen als bron van kennis, maar ook als kennis zelf. Daardoor worden de existentialistische thema’s belangrijker, want het banale leven en onze ervaring daarvan is juist de enige mogelijkheid tot het verkrijgen van ware kennis. Ook is het dan gelijk voordehandliggender dat men vanuit existentialistisch perspectief de filosofie die zich verstopt in haar ijzeren academische toren of die getrouw de traditie het belang van het alledaagse bestaan ontkent, afkeurt. Dit komt allemaal voort uit het verschil met de andere twee benaderingswijzen; het diepgewortelde existentialisme heeft immers een ontologie aan haar wieg staan. Deze interpretatie van het existentialisme als diepgeworteld zal ik hanteren in dit werkstuk.


  1   2   3   4   5

  • Hoofdstuk 1. Vraagstelling
  • § 1.1. Het Diepgewortelde Existentialisme
  • § 1.1.1. Existentialisme als het antitraditionele of anti-academische denken
  • § 1.1.2. Existentialisme als Thematische filosofie
  • § 1.1.3. Het Diepgewortelde Existentialisme

  • Dovnload 308.95 Kb.