Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Heidegger en Sartre, een existentialistische vergelijking van hun ontologie

Dovnload 308.95 Kb.

Heidegger en Sartre, een existentialistische vergelijking van hun ontologie



Pagina4/5
Datum12.03.2017
Grootte308.95 Kb.

Dovnload 308.95 Kb.
1   2   3   4   5

Hoofdstuk 4. Conclusie


In dit afsluitende hoofdstuk zal ik eerst kort ingaan op het verschil dat Heidegger en Sartre zelf zagen tussen hun werk. We worden door hen gewezen op het Niet (§ 4.1.1.) en de ontologische differentie (§ 4.1.2.). Deze zaken lijken niet een fundamentele impact hebben op de aard van hun kernbegrippen en daarmee hun gehele filosofie.

Vervolgens zal ik proberen het verschil te duiden (§ 4.1.3.). Zoals aangegeven in de inleiding, is het mijn hypothese dat er wel degelijk sprake is van een structureel ontologisch verschil dat ingrijpender is dan dat oogt – die discrepantie is zelfs bepalend voor het existentialisme dat uit deze ontologieën ontspruit. Via de basis, het fundament, de ontologie van zowel Heidegger als Sartre, tot een filosofie die juist oog heeft voor het alledaagse menselijke bestaan, voor het individuele leven van het subject. Zodoende zal ik, na mijn interpretatie van het verschil, kijken naar het existentialisme en of het mijn hypothese kan bevestigen (§ 4.1.3.). Concluderend zal ik dan ook aangeven of het mogelijk is om op basis van een existentialistische invalshoek het door mij gevonden verschil in de basis van beide ontologieën door te trekken naar een onderscheid dat dit tot twee unieke systemen maakt (§ 4.2.).


§ 4.1. Gevonden verschillen


Heidegger en Sartre konden in hun levens haast niet meer tegenovergesteld zijn (vergelijk § 2.1. en § 3.1.), toch vertonen hun ontologieën in hun vroege werk veel overeenkomsten. Zo vangen beiden aan met de zijnsvraag (§ 2.2.2. en § 3.2.), alvorens ze op vergelijkbare wijze een ontologie te ontwikkelen die uitgaat van het eigen zijn (§ 2.3.3. en § 3.2.3.1.) om vervolgens dat zijn vorm te geven. Eveneens is er in zowel de theorie van Heidegger als die van Sartre aandacht voor de facticiteit (§ 2.3.6. en § 3.2.3.2.), de Angst (§ 2.3.8. en § 3.2.1.5.), het zijn in de wereld (§ 2.3.2. en § 3.2.5.), het zelf (§ 3.2.3.1.), het existeren (§ 2.3.3. en § 3.2.3) en het Niet(s) (§ 3.2.1.3.). Bij de genoemde paralellen waren echter wel verschillen te zien. De grootste discrepanties waren te vinden bij de interpretatie van het Niet, de Angst, het zelf en bij het uiteindelijke beeld van ons Zijn (§ 2.4. en § 3.3.) zoals dat naar voren komt uit beide werken.

Voordat ik hier mijn verklaring voor het contrast geef, moet ik eerst ingaan op de manier waarop Heidegger en Sartre tegen het verschil in hun werk aan keken. Dat doe ik door in te gaan op nog één omissie in de vergelijking: de tijd.


§ 4.1.1. Tijd


Alle twee de ontologieën gebruiken de tijd als transcendentale horizon. Dit filosofische idee van Heidegger (§ 2.2.3.) is niet expliciet aanwezig in Sartre’s ontologie, en met reden. Zo herleidt Ger Groot Sartre’s tijdsbegrip in zijn eerdere werk La Transcendance de l'ego: Esquisse d'une description phénomenologique (§ 3.2.3) niet tot Heidegger’s denken, maar tot de filosofie van Henry Bergson:

Wanneer hij …[in de Transcendentie van het Ego]… spreekt over de ‘intuïtie van de spontaniteit van een momentaan bewustzijn’, klinkt Bergsons idee van het bewustzijn als zuivere duur daarin hoorbaar mee, al blijft deze ‘duur’ in Sartre’s begrip van het (feitelijk in steeds spontane bewustzijnsacten uiteenvallende) bewustzijn altijd formeel.88

Sartre’s tijdsbegrip is misschien wel veranderd in EN, maar hij bespreekt het in ieder geval niet zoals Heidegger. Als Sartre het in EN heeft over de tijd (§ 3.2.2.2.) dan gebruikt hij dit begrip wel in de lijn van Heidegger, als een transcendentale horizon – op het moment dat we moeten kiezen zien we onze toekomst, en zodoende denken we dus ook tijdsgebonden. Sartre benadert de tijd dus als een praktisch gegeven en niet, zoals Heidegger, als iets theoretisch; laat staan dat het zijn filosofische interpretatie van de zijnsvraag verandert.

Het is niet zonder reden dat deze vergelijking van het gebruik van de tijd bij beider heren pas hier plaats vindt, en niet in de voorgaande hoofdstukken is uitgelicht. Sartre refereert namelijk al met de titel van zijn magnus opus naar Heidegger. Hij haalt de Tijd uit Heidegger’s titel Zijn en Tijd en geeft zijn lezer in plaats daarvan Het Zijn en het Niet. Het Niet is, voor Sartre, belangrijker voor ons denken, en daardoor voor welke ontologie dan ook. Zo bekeken kan dit een aanwijzing zijn dat Sartre zijn toevoeging van het Niet aan zijn ontologie ziet als grootste verschil met die van Heidegger.


§ 4.1.2. Ontologische differentie


Heidegger heeft ons in latere jaren gewezen op wat hij zag als een belangrijk verschil, toen hij reageerde op Sartre’s toespraak uit 1945, L’Existentialisme est un Humanisme (§ 3.1.2.). Daarin geeft Sartre een weergave van het existentialisme in populaire bewoordingen. Eerder nog was Heidegger positief over het werk van Sartre89. Deze toespraak echter bracht bij Heidegger een kritische reactie teweeg die Heidegger uiteenzette in zijn brief Over het Humanisme90. Daarin laat hij weten dat hij van mening is dat Sartre met zijn fameuze uitspraak ‘l'existence précède l'essence’ (§ 3.2.3.) nog steeds gebruikt maakt van de woorden existence en essence zoals ze in de metafysische traditie vanaf Plato ook gebruikt werden. Het zou zodoende nog een metafysische thesis blijven, en dus gefundeerd zijn in de vergetelheid van het zijn. Sartre zou gevangen blijven in de metafysica, want hij zou nog gebruik maken van de ontologische categorie van Plato. Heidegger verwijt Sartre dus niet daadwerkelijk te breken met het traditionele denken.

Ger Groot verklaart dit verschil door te stellen dat door de loutere aanwezigheid van het ding voor Sartre het Zijn ‘bijna vanzelf de kenmerken van het en-soi krijgt’91. Volgens Groot maakt Heidegger een onderscheid tussen het zijn en het zijnde. Hij noemt dit onderscheid, dat we kennen als Heidegger’s ontologische differentie (§ 2.2.2.), het kernpunt van het denken van Heidegger.


§ 4.1.3. Dasein vs. En-soi & Pour-soi


Helaas moeten we ons behelpen met de schaarse woorden die ze over hun verschillen geschreven hebben. Sartre en Heidegger hebben elkaar immers slechts eenmaal ontmoet, privé92 en ze hebben niet zoals veel filosofen uit onze tijd openlijke discussies gevoerd op publieke fora en dergelijke. Het verschil dat Heidegger zag (§ 4.1.2.), kan daarom simpelweg als gebrek in het werk van Sartre geduid worden. Het kan echter ook benaderd worden als tekenend voor een dieperliggende discrepantie. Op die manier heeft Joseph Fell geprobeerd de twee systemen te vergelijken in zijn boek Heidegger and Sartre, An Essay on Being and Place93. Zijn werk kenmerkt zich overigens wel door een hang naar Heidegger en doet tekort aan Sartre, aldus de review van Judith Butler94. Zij wijst als Fells rechtvaardiging daarvoor aan:

Fell’s justification for his approach is, I think, implicit in the conclusion that he reaches: “it is necessary to conclude that the truth to which Heidegger refers is prior to the truth to which Sartre refers” (400).95

Fell komt volgens Butler dus tot de conclusie dat het systeem van Heidegger op zoek is naar iets originelers, iets waarop de theorie van Sartre steunt en zodoende belicht hij Heidegger uitgebreider en gunstiger. Fell is dan misschien op de hand van Heidegger, tegelijkertijd wijst hij wel naar een gevoelig punt: Heidegger en Sartre hebben elk een andere waarheid voor ogen. Mijn inziens geeft Fell bovendien een aanknopingspunt om het verschil dat in het onderhavige onderzoek van belang is, als fundamenteler te duiden. Fell beschouwt namelijk Husserl en Hegel voor Sartre én Heidegger als gezamenlijke filosofische voorvaderen, die geleid hebben tot een modern gevoel van een gebroken totaliteit of verdeeld Zijn96 waarvoor zij beiden ruimte maken binnen hun theorie. Ik ben echter van mening dat Heidegger de gebroken totaliteit een andere invulling geeft binnen zijn ontologie dan Sartre in zijn systeem. In mijn overtuiging is dit de crux die maakt dat we het hier hebben over twee verschillende ontologische systemen.

Heidegger’s erzijn (zie hoofdstuk 2), vrijelijk vertaald als menselijk bestaan97, is namelijk wel te onderscheiden van de zijnden doormiddel van de ontologische differentie, maar dat komt niet door een gebroken totaliteit. Heidegger’s gehele beschouwing is bedoeld om het Zijn daadwerkelijk te benaderen en hij ziet daartoe de mogelijkheid via het erzijn. Het in-de-wereld-zijn toont te meer dat het erzijn opgaat in een groot geheel. De gebroken totaliteit, voor zover daar sprake van is, is enkel merkbaar op het moment dat wij breken met de wereld en in onze geworpenheid oog in oog staan met ons eigen zijn. We breken dus van de wereld, het Zijn breekt niet. We kunnen ons afwenden van het Zijn en opgaan in de wereld, maar het Zijn blijft heel en het is aan ons om het te zien. Heidegger blijft daarom ook elke afwijking van de weg naar het zijn hekelen.

Daar tegenover is bij Sartre de gebroken totaliteit als gegeven te vinden. Zoals aangegeven in hoofdstuk 3 is het Zijn voor ons onbereikbaar binnen zijn ontologie. Vanuit een oeruitbarsting ontstaat het pour-soi en en-soi. We existeren de wereld in, hebben geen mogelijkheid om die totaliteit die eerder nog bestond, te vatten. Het Zijn waarvan we ons bewust kunnen worden is niet volledig bereikbaar voor ons, want het is opgedeeld in het pour-soi en en-soi. Sartre houdt zich zodoende meer bezig met hetgeen na de oeruitbarsting gebeurd, het existeren – het menselijke bestaan.

Fell geeft ondersteuning voor mijn visie, want hij geeft aan dat Sartre de eenheid van het erzijn van Heidegger splitst door ‘de introductie van het zichzelf vernietend bewustzijn98. Sartre incorporeert als het ware de gebroken totaliteit in het Zijn van de mens, terwijl Heidegger die breuk mijn inziens enkel extern vormgeeft met ontologische differentie (zoals weergegeven door Ger Groot), want door die differentie zijn wij tenslotte als erzijn sporadisch te breken met de wereld waar we doorgaans geheel in opgaan. Heidegger’s breuk bevindt zich dus niet bij zijn Zijn en het erzijn dat daarmee in verbinding staat, maar enkel in de manier waarop het erzijn te onderscheiden is van de andere zijnden – in het breken met de wereld.

Dat Sartre’s Niet ons brengt tot het bewust-zijn van dat nieuwe Zijn, is wel een verschil, maar niet zo cruciaal of diepgaand als Sartre zelf misschien dacht (§ 4.1.1.). Wel beschouw ik Sartre’s gebruik van het woord ‘oeruitbarsting’ als tekenend voor het feit dat hij binnen zijn systeem meer recht doen aan het zijn van de mens binnen deze gebroken totaliteit. Bij Sartre behoort deze breuk bij de synthese die het zijn van de mens is. De onderverdeling in de zijnsregionen die hij benoemt, het en-soi en het pour-soi, bevatten in hun synthese de breuk van de totaliteit, en tevens het beginpunt van elke filosofie. Heidegger ziet de mens existeren, maar ziet het als een soort verloochening van zijn denken om zich daarmee bezig te houden. Daarom benadert hij de intermenselijke situatie als secundair. Sartre, daarentegen, ziet het existeren van de mens, ons alledaagse bestaan, als net zoveel (zo niet meer) zeggend over het Zijn dat er nu nog over is.

§ 4.2. De existentialistische invalshoek


Concluderend wil ik hier weergeven hoe Heidegger en Sartre elk het existentialisme een ontologisch fundament bieden, opdat duidelijk wordt hoe het ontologische nderscheid als cruciaal kan worden beschouwd. Het is dus mijn bedoeling om middels het diepgewortelde existentialisme aan te tonen dat het verschil dat ik eerder aankaartte ver strekkende gevolgen heeft.

Zoals in hoofdstuk 1 vermeldt werd, behelst het diepgeworteld existentialisme een existentialisme waarin men gebruik maakt van een uitwaartse (in of naar het bestaan) beweging die ontologisch gefundeerd wordt. Het gaat hier dus om een existentialisme dat vanuit haar ontologisch fundering gericht is op het menselijke bestaan.

Het is mogelijk die ontologische fundamenten voor het existeren te lezen bij de vroege Heidegger. Zoals is gebleken, is immers zijn gehele studie SZ gewijd aan het weergeven van onze zijnservaring middels het gegeven dat de mens geworpen is in een ‘altijd al reeds’-in-zijn. Heidegger ontvouwt in SZ de zijnservaring waarmee ons erzijn te onderscheiden is van andere zijnden. Dat wij het Zijn alledaags niet goed verstaan betekent dat wij moeten proberen om dat Zijn middels het erzijn weer in het vizier te krijgen.

Als men probeert de interpretatie van het existentialisme als diepgeworteld toe te passen op het werk van Sartre, dan blijkt dat ook te passen en zelfs beter. Nu eenmaal gesitueerd in de wereld existeren we erop los. Voor Sartre is het meer van belang wat er gebeurt nu we in de wereld geworpen zijn. Zijn ontologie houdt zich dus ook niet zozeer bezig met hoe wij het Zijn kennen, maar met hoe wij door dat Zijn in de wereld als bewust-zijn bestaan.

Wat het diepgewortelde existentialisme echter aantoont, is dat ondanks dat de beider heren er wel ruimte voor hebben binnen hun ontologie, ze die ruimte niet gelijk benutten. Sartre doet dat volgens mij door zijn andere benadering van de gebroken totaliteit. Doordat Heidegger dat laatste externaliseert naar de wereld der zijnden waarmee wij breken, ziet hij die wereld als secundair, terwijl Sartre met de aanname van de synthetische totaliteit van het Zijn juist veel verder gaat om een ontologie te ontwikkelen die via het existeren gekoppeld is aan het dagelijkse leven.

Als Heidegger net als Sartre de breuk ook geïnternaliseerd had, dan had hij zijn onderzoek naar het daadwerkelijke Zijn in zijn geheel moeten loslaten. Dat zou dan waarschijnlijk wel ten gunste zijn gekomen van het diepgewortelde existentialisme, aangezien hij zelf regelmatig aangaf dat onze verdere verwikkelingen als zijnden voor hem van latere zorg waren. Doordat Sartre juist een andere ontologie creëert waarin hij wel breekt met het oerzijn, is het voor hem mogelijk om zijn ontologie daadwerkelijk te ontwikkelen tot een basis voor zijn existentialisme dat weer op haar beurt basis is voor zijn (persoonlijke) maatschappelijke engagement, zijn humanisme. In de woorden van Fell over de aandacht voor humanisme bij beiden:



Heidegger’s thought is “Being-centered”, Sartre’s thought is “man-centered.” By ‘transcendence’ the later Heidegger meant man’s orientation by the Event of gathering, while Sartre had basically meant by it the orientation of the world relative to consciousness, its projects and praxis. Hence each finds the other alienated from the true center. This difference is manifested in their respective treatment of fate and choice, past and future ekstases, remembering and surpassing, thought and action, nature and artefact, poetry and prose, theism and atheism.99

Fell heeft het hier over de latere Heidegger, maar ik voel me gevrijwaard om dit citaat te gebruiken, omdat wat hij hier zegt mijn inziens niet anders is voor de vroegere Heidegger. Immers zoals reeds aangegeven (§ 2.4.) heeft Heidegger in SZ het waarlijke Zijn voor ogen, niet het mens-zijn. Met deze woorden van Fell is het mogelijk om duidelijk te maken hoezeer hun filosofieën essentieel verschillen door hun individuele benaderingen van de gebroken totaliteit, en dat dit contrast verdere consequenties heeft. In de zojuist geciteerde woorden van Fell: ze hebben elk een ander centrum. Waar Heidegger poogt een weg terug naar het oorspronkelijke Zijn te vinden, neemt Sartre het Zijn in zijn huidige staat aan als oorspronkelijk om daarmee verder te gaan. Dit geeft de intermenselijke situatie zijn daadwerkelijke plaats en ruimte. Ze hebben namelijk elk een ander beeld van het zijn van het Zijn.



De omgang met de gebroken totaliteit, of het verdeelde Zijn, is terug te brengen tot het beginpunt van ons huidige Zijn voor Sartre; en juist tot het eindpunt van het Zijn voor Heidegger. Het existeren roept ons bij Heidegger weer om te kijken naar het Zijn wanneer we breken met de wereld. Voor zover als de breuk met de wereld voor Heidegger aanwezig is, maakt deze het zo dat we rond het Zijn blijven cirkelen (zie § 3.2.1.5.). Dit is de uitwaartse beweging die mijn inziens verschillend is bij Heidegger en Sartre, want zoals ik de lezer hierboven eraan herinnerde is het diepgewortelde existentialisme niet alleen iets dat ontologisch gefundeerd is, maar heeft het ook een focus op bewegen in en naar het menselijke bestaan. Het feit dat Sartre veel invulling heeft gegeven aan de sociale en praktische kant van zijn ontologie zie ik als een bevestiging dat zijn ontologie resulteert in een diepgeworteld existentialisme. Fell laat hier eveneens zien dat de verschillende focus van de ontologieën van Heidegger en Sartre resulteren in andere opvattingen over het existentialisme en vervolgens het humanisme. Fell laat namelijk een oorzaak-en-gevolgrelatie zien met betrekking tot de ontologieën en het humanisme. Zodoende bevestigt hij mijn idee dat Heidegger wel mogelijkheden biedt voor het existentialisme, maar dat uiteindelijk niet toelaat, terwijl Sartre juist in zijn ontologie het existentialisme diep weet te wortelen.
1   2   3   4   5

  • § 4.1. Gevonden verschillen
  • § 4.1.1. Tijd
  • § 4.1.2. Ontologische differentie
  • § 4.1.3. Dasein vs. En-soi Pour-soi
  • § 4.2. De existentialistische invalshoek

  • Dovnload 308.95 Kb.