Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Het Bijbelgebruik in de ethiek Gebed

Dovnload 86.69 Kb.

Het Bijbelgebruik in de ethiek Gebed



Pagina1/5
Datum24.09.2018
Grootte86.69 Kb.

Dovnload 86.69 Kb.
  1   2   3   4   5

Het Bijbelgebruik in de ethiek


Gebed


Als de jonge koning Salomo in een droom de HERE ontmoet, mag hij zijn belangrijkste wens aan God bekend maken. Hij vraagt dan niet om eer, rijkdom of een lang leven, maar om wijsheid. ‘Geef uw knecht een verstandig hart (een opmerkzame geest), om uw volk te richten (te besturen), verstandig onderscheid makend tussen goed en kwaad; want wie zou kunnen rechtspreken over dit grote volk van U?’ (1 Kon. 3:9). Salomo denkt aan de breedte van zijn regeringsverantwoordelijkheid en in het bijzonder aan de rechtsspraak. Hij weet dat hij zonder Gods hulp moeite zal hebben om goed en kwaad, dom en dwaas, nuttig en schadelijk, recht en onrecht te onderscheiden. Hij vraagt om een verstandig hart. Dat is een opmerkzaam, een luisterend hart.


Ik neem het gebed van Salomo over als een gebed voor ons. Daarmee geef ik aan wat mijn uitgangspunt is voor het nadenken over Schriftgezag en ethiek. Wij bidden niet om een verstandig hoofd. Een wijs hart is belangrijker. Dat is vooral opmerkzaam, luisterend. Wij kunnen prachtige rationele modellen ontwikkelen over de relatie tussen bijbel en ethiek. Wijsheid veronderstelt iets anders: overgave. Dan pas krijgen we zicht op goed en kwaad. Naar wie of naar wat luisteren we? Wij zijn opmerkzaam op de stem van God, zoals die tot ons komt in zijn Woord. Wij leren te onderscheiden tussen goed en kwaad als wij dagelijks horen naar de stem van God (Jes. 50:4,5). Salomo was koning maar voelde zich een kleine jongen, slechts leerling van de HERE. Meer dan dat willen wij ook niet worden als het over Gods gebod gaat.

Voor de kennis van goed en kwaad, richten wij ons op het Woord.1 Wij belijden dat de Schrift een eenheid is. Gods ene geschiedenis maakt van de Schriften een eenheid. Dat is ook in de ethiek zo. In het spreken over goed en kwaad is de bijbel een veelzijdig maar geen innerlijk tegenstrijdig verhaal. God spreekt zichzelf niet tegen. Vervolgens zeggen wij dat Gods wil ons is geopenbaard in de héle bijbel. Hoe moeilijk of onbegrijpelijk bepaalde bijbelgedeelten of geboden ook zijn, wij aanvaarden ze alle als Woord van God en schrappen niets. Wij belijden dat het getuigenis van de Schrift over goed en kwaad voor iedereen gezaghebbend is. Onderdanen mogen niet liegen, koningen evenmin. Een crimineel mag niet stelen. De rechter mag echter ook niet corrupt zijn. Geestelijken moeten een heilige levenswandel laten zien, maar de niet-geestelijken ook. Bovendien is het gebod van God in alle omstandigheden met gezag bekleed. ‘Eert uw vader en moeder’, is te doen als ouders vriendelijk zijn. Het geldt ook wanneer ouders niet zo gemakkelijk zijn.

Zelfs als wij niet willen luisteren, heeft God ons nog steeds iets te zeggen. De geboden van God krijgen geen gezag op het moment dat wij er iets mee doen. Ze hébben gezag. De hele Schrift is door God geïnspireerd en daarom ook nuttig voor de opvoeding in de kennis van goed en kwaad (2 Tim. 3:16). Rechtvaardigheid en deugdzaamheid vinden hun oorsprong in de openbaring van God en niet in menselijke inzichten. Ook ons geweten is niet de bron van de kennis van goed en kwaad. ‘Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is…’, zegt Micha 6:8. Ons past daarom opmerkzaamheid! We zouden op het verkeerde pad belanden of struikelen in zonden als Gods Woord niet de lamp voor onze voet zou zijn (Ps. 119:105).

Wat ook goed is om aan het begin te zeggen is dit: de gehoorzaamheid aan de Schrift is niet de gehoorzaamheid aan een boek. Het is het navolgen van Jezus Christus. Omdat Hij uit de Schrift leefde, en geen tittel of jota ervan schrapte, leven wij eruit. Bijbelgetrouwheid is discipelschap! Wij kunnen als discipelen van de Heiland leren van zijn verstaan van de Oudtestamentische geschriften. We kunnen ook leren van zijn kritiek op de manier waarop de schriftgeleerden met Gods geboden omgingen.2 Jezus heeft ons God geopenbaard. Hem mogen wij dienen in een geheiligde levenswandel.




Problemen

Ons geformuleerde uitgangspunt is: God bepaalt in de hele Schrift wat goed en kwaad is en zijn gebod geldt voor iedereen in alle omstandigheden en de geboden spreken elkaar niet tegen. Dit is theologie, theorie dus. Houden we het echter vol om te zeggen dat het gebod van God zoveel gezag heeft, wanneer we de bijbel lezen en daadwerkelijk tot gehoorzamen moeten overgaan? Dat is eenvoudiger gezegd dan beleefd. Dat komt niet alleen omdat mensen liever ongehoorzaam dan gehoorzaam zijn aan de HERE. Dat komt ook doordat het bezig zijn met de ethiek van de bijbel begrijpelijke en verstandige vragen oproept.


Neem nu bijvoorbeeld Leviticus 24:10-16. Daar staat dat de Israëliet en de vreemdeling gedood moeten worden als zij de NAAM gelasterd hebben. Vraag aan zomaar een paar christenen wat zij met dit gebod doen. De antwoorden zijn divers. Ik noem een paar mogelijkheden.

  1. De ene bijbellezer zegt: ik lees hier dat God tegen vloeken is. Dat ben ik daarom ook. Ik leer dat ook mijn kinderen. Meer doe ik er niet mee. Een vloeker doden? Nee, daar ben ik op tegen. God is in Christus liefde. Dat leren we in het Nieuwe Testament. Als ik dat durf, wil ik een vloeker wel vanuit die liefde aanspreken op zijn zonde.

  2. De andere zegt: aan dit soort regels til ik niet zo zwaar, want ze staan in de wetten van Mozes. Die golden voor Israël en gelden niet meer voor ons.

  3. Een derde brengt een ander aspect in. Het is typerend voor een Oosterse cultuur om godslastering te zien als een aanval op de groep. De veiligheid van de hele gemeenschap wordt bedreigd als de toorn van de godheid wordt opgeroepen. Daarom is de straf voor een vloeker zo streng. Wij leven in een individualistische cultuur en denken anders over godslastering. Ieder is zelf verantwoordelijk voor wat hij zegt.

  4. Een volgende vraagt zich af wat nu eigenlijk godslastering is. Is dat hetzelfde als gedachteloos een standaardvloek uiten? Passen wij het gebod dan niet te direct op onszelf toe? Kun je God ook op andere manieren lasteren? Van hem hoef je je niet te houden aan de letter van het gebod, als je de bedoeling maar serieus neemt.

  5. Er denkt nog iemand mee. Hij zegt dat hij christen is én Nederlander. Als christen vindt hij godslastering verkeerd. Als Nederlander is hij echter aan de Nederlandse wetten gebonden. De vloekverboden in plaatselijke APV’s zijn bijna overal afgeschaft. Hoogstens kun je als privé-persoon iets zeggen van het vloeken van andere mensen. Als het ernstig is, kun je je nog wel beroepen op een wet tegen godslastering. Dat loopt dan via de rechter. Dan is de klacht niet dat God gelasterd is, maar dat jij jezelf gekwetst voelt in je godsdienstige overtuiging. De Nederlandse wet kent echter geen doodstraf meer, dus die straf zal nooit worden uitgesproken en daarover is geen discussie meer nodig.

  6. Een laatste persoon zegt misschien: denk je nu echt dat in Israël alle godslasteraars gedood werden? Dan was er geen Israëliet overgebleven. We moeten niet alleen naar de geboden kijken maar ook naar hoe er in de bijbel daadwerkelijk mee omgegaan is.

Bij het luisteren naar de geboden van God komen dus onder andere de volgende vragen boven:



    • Hoe moeten we de tekst van het gebod uitleggen? Wat staat er eigenlijk? Als we weten wat er staat, kunnen we dan ook achterhalen wat de bedoeling is van het gebod? En: is het mogelijk dat wij gehoorzamen door niet te doen wat er letterlijk staat, maar ons wel te houden aan de bedoeling? Hierbij komt het praktische probleem dat theologen elkaar soms tegenspreken over uitleg en bedoeling van de geboden (denk aan de positie van vrouwen en homofielen) of dat uitleg en toepassing van de geboden in de loop der eeuwen veranderd is (denk aan de richtlijnen over slavernij).

    • Maakt het uit aan wie het gebod gegeven is? Zijn de geboden aan het oudtestamentische Israël, bijvoorbeeld de Tien Geboden, net zo belangrijk voor ons als de geboden voor de nieuwtestamentische gemeente, zoals de bergrede? Wat is de betekenis van de persoon en het werk van de Here Jezus, als het over ethiek gaat? Zou het kunnen dat we door Hem met name veel oudtestamentische geboden anders moeten verstaan?

    • Zijn er wetten die alleen golden voor het leven van Israël in het land Kanaän waarmee wij dus in onze samenleving weinig kunnen of moeten? Zijn er regels die alleen golden voor de gemeentes, met hun speciale situatie, aan wie bijvoorbeeld Paulus zijn brieven schrijft? Denk aan voorschiften over kleding of haardracht. Korter: kunnen we in de bijbelse ethiek onderscheid maken tussen tijdelijke en blijvende geboden?

    • Is het mogelijk dat een morele visie zich binnen de bijbel ontwikkelt? Of staat alles vanaf Genesis 1 vast? Maleachi zegt toch iets anders over het hebben van meer vrouwen, dan Genesis. Wat is dan voor ons het gewichtigst?

    • Geboden klonken nooit in het luchtledige maar in een bepaalde cultuur. Zijn de geboden daarmee voor ons, die in een andere cultuur leven, van minder betekenis geworden?

    • Is de manier waarop Israël en de eerste gemeenten met de geboden omgingen in de praktijk voor ons ook nog richtinggevend?

    • Hoe ver strekt de reikwijdte van de geboden? Gelden ze voor de gelovige christenen of ook voor niet-christenen? Het antwoord op deze vraag heeft gevolgen voor onze visie op de inrichting van de samenleving.

Op de ene of andere manier moet er antwoord komen op deze vragen, als wij op een zinvolle wijze de ethiek van de bijbel toepassen op ons leven. (Dat zal overigens binnen dit hoofdstuk niet geheel lukken.) Het belijden dat Gods gebod gezag heeft, ontslaat ons niet van de plicht om na te denken over het hoe en wat van dat gezag. Ook de eerste christenen moesten leren onderscheiden wat de goede, welbehagelijke en volmaakte wil van God was (Rom. 12:2). Elke nieuwe situatie levert een nieuwe zoektocht op naar de juiste toepassing van Gods geboden. Paulus wenst de Filippenzen toe dat hun liefde steeds overvloediger mag zijn en zij helder inzicht, fijngevoeligheid en onderscheidingsvermogen ontwikkelen, zodat ze weten wat belangrijk is in een heilige levenswandel (Fil. 1:9,10, 3:8,9).

Laten we dat nadenken ook plaatsen onder het gebed waarmee we dit hoofdstuk begonnen zijn. We reflecteren niet over allerlei aspecten van het gebod van God om ons van dat gebod af te maken, maar juist om beter te gehoorzamen.

Wat dat betreft heb ik wantrouwen tegen elk schema over het bijbelgebruik in de ethiek. Zijn veel ontwerpen stiekem niet bedoeld om te ontkomen aan de eenvoudige gehoorzaamheid aan Gods gebod? Juist het gefilosofeer over de bedoeling van de geboden en over wat belangrijk en minder belangrijk is, verwijdert ons van de Here Jezus die ons tot navolging oproept. Dietrich Bonhoeffer waarschuwt daarvoor.3 Hij wijst op de slang in het paradijs die Eva en Adam al voorhoudt: ‘Zou God gezegd hebben…?’ Met andere woorden: zie in, beste Adam, dat je Gods gebod op veel manieren kunt benaderen en beslis nu zelf wat de uitleg en de bedoeling van het gebod zijn. De slang houdt de mens een vrij geweten voor, maar God zoekt gehoorzame kinderen.




  1   2   3   4   5

  • Problemen

  • Dovnload 86.69 Kb.