Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Het bijbelse kernwoors put/ putten

Dovnload 31.65 Kb.

Het bijbelse kernwoors put/ putten



Datum30.09.2017
Grootte31.65 Kb.

Dovnload 31.65 Kb.

HET BIJBELSE KERNWOORS PUT/ PUTTEN



I. HET OUDE TESTAMENT
I. A. De Hebreeuwse zelfstandige naamwoorden be’eer, boor, sjichaah en karoot/ kaaraah (put/ bron) en het Hebreeuwsae werkwoord sja’ab = putten of scheppen
Onderstaande gegevens zijn verzameld uit Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915 en Abr. Trommius, Nederlandse Concor-dantie..
I.A.a. Betekenis van de tekstgegevens
I.A.a 1.Het Hebreeuwse woord be’eer

Meervoud be’eeroth – Gen. 26:15, 18
Bron/ put: Gen.16:14; 21:19, 25; 24:62; 25:11 (put Lachai Roï); Gen. 26:19 (put van levend water; 26:20 (put Esek); Gen. 29:2, 3, 8, 10 (put bij Laban, Jakob/ Rachel); Ex. 2:15v, 19 (Mozes); Num. 20:17; 21:16-18 (spring op, gij put); 21:22; Spr. 5:15 (drink uit uw bornput)
Een put/ bron graven: Gen. 21:30v (Bersjeba); Gen. 26:15, 18; Gen. 26:21 (Sitna), 22 (Rehoboth), 32 (een put); 33 (Bersjeba); Gen. 26:25; 2 Kron. 16:10 (putten uithouwen);

Figuurlijk:



  • Hoogl. 4:14, 15: de bruid als een lusthof van allerlei specerijen; fontein der hoven, put van de levende wateren, uit Libanon vloeiend;

  • Spr. 23:27 (een vreemde vrouw als een enge put).

  • Ps. 55:24 (put van het verderf = graf. Ps. 69:16 (put, van ellende).

In sommige gevallen gaat het in bovenstaande teksten over het vinden, in andere gevallen over het graven van een put. Soms gaat het over zich verbergen in een droge put (2 Sam.17:18, 19, 21)


I.A.a.2 Het Hebreeuwse woord boor (bwr)
Naast het Hebreeuwse woord be’eer wordt in het OT ook veelvuldig het Hebreeuwse woord B w r - boor gebruikt. Dit woord kan de betekenis hebben van: een uitgegraven bron of cisterne (Deut. 6:11; Neh.9:25). 1 Het woord lijkt dan alleszins op be’eer en heeft in een aantal gevallen ook dezelfde betekenis van (born)put). Zo 2 Kron. 26:10 (put); 1 Sam.19:22 (waterput); 2 Kon.10:14; Jes. 36:16; Spr. 5:15; Pred. 12:6; Jes. 51:1; Jer. 6:7 (bornput); een bijzonder belangwekkend voorbeeld daarvan is: Bethlehems bornput onder de poort (1 Kron. 11:17 = 2 Sam.23:15v); Lev. 11:36 (put van vergadering der wateren).
Het gaat in het woord boor nog al eens over een drooggevallen put (een diepe kuil) Bijv. Jozef in een droge waterput in de steppe (Gen.37:20, 24, 28v; 1 Sam.13:6; Jeremia in een droge put (Jer. 37:16; 38:6-11; 41:7,9). Zo’n put is dan in feite een gevangenis (Zach.9:11; zie ook Gen. 40:15; 41:14; Ex.12:29; Jes. 24:22; Klaagl.3:53).

Ook wordt het Hebr. woord wel vertaald met kuil in de zin van graf (in de kuil nederdalen); vgl. ook 2 Sam. 23:20 = 1 Kron. 11:22: een kuil. Zo ook Ps. 7:16; 40:3; Ez. 26:16 en verschillende andere plaatsen.

In Jer. 2:13 heet God: de springader van het levende water.

I.A.a.3 De Hebreeuwse woorden sjichaah en keroot/ kaaraah

Tenslotte de Hebreeuwse woorden sjichaah – groeve, kuil waarin men kan vallen (o.a. Jer. 18:22; Ps. 57:7; 88:5; 119:85) en keroot/ kaaraah = groeve, put, cisterne (o.a. Gen.26:25; Ex.21:33). Deze woorden zijn synoniemen van de onder I.A.a.2 en I.A.a.3 genoemde.



I.A.b het Hebreeuwsae werkwoord sja’ab = putten of scheppen


Putten/ uit een bron scheppen

Gen. 24:13, 19, 20, 43-45 (Eliëzer); Deut. 29:10(11) + Joz. 9:21, 23, 27 ( houthouwers en waterputters (sje’abe; Gibeonieten); Ruth 2:9; 1 Sam.7:6; 1 Sam. 9:11 (maagden die uitgaan om te putten); 2 Sam.23:16 + 1 Kron. 11:18: water putten uit Bethlehems bornput; Water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils (Jes. 12:3); Nah. 3:14.

NB: In enkele teksten (o.a. Ex.2:16,19) wordt het Hebreeuwse werkwoord dalah (scheppen) gebruikt



I.B. Samenvatting + toepassing

1. Water is een onmisbare voorwaarde voor het leven van de mens op de aarde. Ons lichaam bestaat voor ruim 90 % uit water. Wat zouden we dus moeten beginnen, als we geen water hadden?


Water, dat is vooral in het hete Midden Oosten en in het land van Israël het woord waar alles om draait. In het bijzonder in het zuiden van dat land waar de woestijnen zijn. Water is daar altijd de gave Gods genoemd.
2. Hoe gelukkig is de man die water drinken kan uit zijn eigen bornput. Vooral in de geschiedenissen van de aartsvaders lezen we veel over (het graven van) putten. Vgl. Gen.26:15vv. Als zo’n put er eenmaal was, werd er vaak ook een altaar vlakbij gebouwd; Gode zij dank. Dan was het Rehoboth – God heeft ruimte gemaakt. Voor Hagar en haar zoon Ismaël, die op de vlucht waren voor Sara, was er in hoge nood in de woestijn opeens een put: Lachai Roi, bewijs dat de Heere naar haar omzag.

Wat een oliebron is voor de mens van de 21e eeuw, was en is een waterbron voor de oud-oosterse mens. Niet zelden horen we in de geschiedenissen van de aartsvaders over hun twist met de bewoners van Palestina over het bezit en gebruik van waterputten. Als Abraham Izaäk/ Jakob eenmaal een plaats hadden gevonden waar zij zich met hun kudden konden legeren, gaven zij er een blijvende naam aan. Zo bijv. Bersheba dat tot op de dag van heden nog steeds die naam draagt.


3. Bij de put kwamen de maagden die de kudden hoedden om hun kudden te drenken (1 Sam. 9:11). En zo was een put ook wel een ontmoetingsplek, zoals bij ons de markt. Men vond er soms een vrouw met wie men later in het huwelijk trad (Abrahams knecht vond daar Rebekka, Jakob zijn Rachel en Mozes Zippora).
4. De Gibeonieten die gespaard bleven bij de verovering van Kanaän door Jozua, mochten houthouwers en waterputters worden. Zij dienden per gratie het volk van God in de voorbereidingen voor de offerdienst in hun Godshuis door het zware werk te doen van houthouwen en waterputten.

5. Niet altijd borrelde er op de bodem van een put levend (stromend) water uit een bron in de diepte. Dan kon zo’n drooggevallen put ook wel dienen om iemand op te sluiten, een gevangenis dus (bijv. Jozef en Jeremia). Erger was het, als iemand in de kuil nederdaalde in de zin van: stierf en in het graf, de put van het verderf terechtkwam. Verder kan de mens vaak om allerlei dat hem overkomt, diep in de put zitten.


6. Overigens was een put die levend water bevatte, een symbool van Gods verkwikkende genade. In Jer. 2:13 heet God: de springader van het levende water.

Gezegend de mens die uit (de gemeenschap met) God water mocht scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils (Jes. 12:3). Geldt dat niet in hoger zin van hem of haar die put uit de fontein van Gods goedertierenheid in Christus Jezus?


7. Van David lezen we, dat hij Bethlehem waar hij geboren en groot geworden was, na de verovering van Jeruzalem ook Bethlehem op de Filistijnen wilde veroveren en zei: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder (bij) de poort is? 2 En toen drie van zijn helden dat water met gevaar van hun leven uit die bron hadden geput en opgehaald, goot David het uit voor de Heere om het Hem te wijden. Dat water was hem als het kostbare bloed van zijn helden.Wie putten mag uit Bethlehems bornput van levend water, gegeven met en in Christus Jezus, geboren in de stad Davids en Zijn met Zijn bloed volbrachte werk, kan zijn vreugde niet op. Hij moet er God eeuwig voor prijzen. Vgl. Micha 5:1.3

8. De put is in het OT soms ook het symbool van een bruid die als een lusthof is van allerlei specerijen (Hoogl;.4:14, 15). Zij is een put van de levende wateren, uit Libanon vloeiend Lijnrecht daartegenover staat de hoer en de vreemde vrouw. Zij is een enge put (Spr. 23:27). Geen lustoord, maar veeleer een gevangenis. Vergeten we dat maar nooit.


9. Onvergetelijk is voor schrijver dezes de ervaring van zijn afdaling in de ondergrondse put/ gevangenis onder in het huis van Annas in Jeruzalem tijdens een reis naar Israël. Op verzoek van de gids luisterden we daar naar de voorlezing van Ps. 88:…’Ik ben gerekend met degenen die in de kuil nederdalen…; Gij hebt mij in de onderste kuil gelegd, in duisternissen, in diepten..; ik draag Uw vervaarnissen…’ En dan te bedenken, dat deze plek wordt aangewezen als de gevangenis waarin Jezus voor enkele uren opgesloten moet zijn geweest, voordat Hij werd voorgeleid voor het Joodse sanhedrin.

II. HET NIEUWE TESTAMENT




II.A. Het Griekse woord dat in de Evangeliën wordt gebruikt voor put is φρέαρ (phrear) – put/ bronwel en het Griekse woord voor putten is: ἀντλeώ (met een ἄντλημα - putemmer).




II. A.a Tekstgegevens/ korte omschrijvingen (volgens Trommius)


  • Wiens ezel van ulieden zal in een put vallen (Luk. 14:5)

  • Heere, de put is diep (Joh. 4:11)

  • Onze vader Jakob die ons de put gegeven heeft (Joh. 4:12)

  • Put des afgronds (Openb. 9:1, 2)

  • Er is rook opgegaan uit de put (Openb. 9:2)

  • De lucht verduisterd van de rook van de put (Openb. 9:2)




  • Een vrouw uit Samaria om water te putten (Joh. 4:7)

  • Heere, Gij hebt niet om mee te putten (Joh. 4:11)

  • En ik hier niet moet komen om te putten (Joh.. 4:15)


II.A.b Samenvatting en toepassing
1. In het NT komen we de woorden put/putten niet vaak tegen. Wel vinden we deze woorden een en andermaal in Johannes 4. Daar horen we van de ontmoeting van Jezus met een Samaritaanse vrouw bij de Jakobsbron. We zagen eerder, dat in het OT een waterput een ontmoetingsplek is. Abrahams knecht Eliëzer vond bij een waterput Rebekka de toekomstige vrouw van Izak, Jakob vond bij een waterput zijn geliefde Rachel en Mozes Zippora, met wie hij weldra zou trouwen.
Ook in het NT ((Joh.4) is er sprake van een ontmoeting bij en bron van een man met een vrouw: Jezus met een Samaritaanse die op het heetst van de dag bij de Jakobsbron in Sichar (indertijd door Jakob zelf gegraven) water komt putten. Het gaat hier niet om een toekomstige echtgenote, maar veeleer om een vrouw die vijf mannen had gehad en nu samenwoonde met een man die haar man niet was. Jezus knoopt een gesprek met haar aan. Over water en over het water des levens dat geen sterveling kan missen. Met het oog daarop was Jezus op reis naar Jeruzalem speciaal via Samaria gegaan.
2. Het is enorm verhelderend om dit gesprek van Jezus over water op de voet te volgen. Een gesprek van een Joodse man/ rabbi met een vrouw en dan nog al liefst een vrouw uit Samaria, met wie Joden elk contact mijden. Het is een machtig voorbeeld van hoe een gesprek eruit mag zien, als wij met iemand spreken over zijn eeuwig behoud. Eerst een vraag, niet meer dan dat (Geef Mij te drinken). Dan de stille overgang van het water uit de Jakobsbron naar het levend water dat Jezus geeft en dat Hij is, de gave Gods. Ook het ontdekkende: Roep uw man en kom hier. En tenslotte (na de afleidingsmanoeuvre van de vrouw over de plaats van aanbidding) de openbaring van Jezus aan haar: Ik ben het, de Messias.
3. Wie gedronken zal hebben van het water dat Jezus geeft, zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water dat Jezus geeft, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Zie ook Joh.7:38.
Volgens Gods beloften: ‘Ik zal water gieten op de dorstigen en stromen op het droge’ (Mijn Geest) (Jes. 44:3). ‘Hun Ont­fermer zal ze leiden en Hij zal hen aan de spring­aders der wateren zachtjes leiden’ (Jes. 49:10). ‘Gij zult zijn als een gewaterde hof’ (Jes. 58:11).
Hoe rijk om deze dingen persoonlijk te ondervinden. Een opwelling van eeuwig leven binnen in ons. Nooit meer dorst, althans niet naar water dat de dorst niet lessen kan. Voor eeuwig gelaafd door Gods onpeilbare liefde. Iemand die suikerziekte heeft, drinkt. Maar zijn dorst blijft. Zo is het niet met iemand die drinkt uit de heilfontein Christus.

Integendeel, hij mag zelf een bron worden die blijft vloeien. Leven uit de Geest. Leven voor een (A)ander. Zie het aan de Samaritaanse vrouw. Ze is zelf gezegend en ze wordt ook anderen tot zegen. Hoor, hoe vrijmoedig en blijmoedig ze getuigt: ‘Is Deze niet de Christus?’ (Uit een preek over Joh.4:14)


4. Over Luk.14:5 is in dit verband niets meer te zeggen dan wat we schreven

over putten in het algemeen onder OT. Wel is het nuttig iets te schrijven over wat in Openbaring 9:1vv wordt gezegd over de vijfde engel. Deze vijfde bazuinende engel krijgt de sleutel van τὸ φρέαρ τῆς ἀβύσσου = de put van de afgrond en opent deze. Deze put is niets minder dan de hel. Er komt een geweldige rookwolk uit die de zon en de lucht verduistert. En uit die rook komen er sprinkhanen op de aarde die niet (wat men zou verwachten) het gras, de kruiden en de bomen, maar de mensen die het zegel Gods aan hun voorhoofd niet hebben, beschadigen. Zij worden vijf maanden lang gepijnigd (als door steken van een slang). Zo vreselijk, dat de mensen maar het liefst sterven. Maar de dood vinden zij niet…..Intussen maken de sprinkhanen die als paarden zijn, zich op om te vechten onder aanvoering van hun koning, de koning van de engel van de afgrond: Abaddon (Grieks Apollyon).


Over de sprinkhanen die in onafzienbare horden komen opzetten schrijft J. H. Bavinck in zijn beroemde boek En voort wentelen de eeuwen: Bij de sprinkhanenplaag kunnen wij denken aan satanische invloeden op het mensenleven, waardoor de mens van alle levensvreugde beroofd wordt en als buiten zijn zinnen geraakt. Bij het laatste zou dan gedacht kunnen worden aan nieuwe oorlogen, die door duivelse aanhitsing worden ontketend en die dus een door en door satanisch karakter dragen. In die aanstormende ruiterbenden kunnen herinneringen liggen aan de invallen der Parthen, zoals die in die tijden hebben plaatsgevonden. Er is inderdaad iets voor te zeggen, de sprinkhanenzwermen die hier vermeld worden, te zien als zinnebeelden van satanische invloeden op het menselijk zielenleven, zoals radicale wanhoop, grenzenloze verwording en ontwrichting van alle moraal, volstrekt losgeslagen zijn van alle normen en van alle beseffen betreffende de zin van het mensenleven. Dit volslagen nihilisme zou zich dan openbaren in een vreselijke toename van het doodsverlangen. De doodsdrift zou de mensen tot zinneloosheid drijven en alle zekerheden in hun leven wegslaan….Degenen die het zegel van God op hun voorhoofden ontvangen hebben, zullen echter door deze satanische machten niet gehinderd worden’ (aangehaald werk, Wageningen, derde druk, blz.159).4

1 Uit Easten Biible Dictionary (Bible Works): ‘Well (Heb. beer), to be distinguished from a fountain (Heb. 'ain). A "beer" was a deep shaft, bored far under the rocky surface by the art of man, which contained water which percolated through the strata in its sides. Such wells were those of Jacob and Beersheba, etc. (see) (Ge 21:19,25,30,31 24:11 26:15,18-25,32) etc. In the Pentateuch this word beer, so rendered, occurs twenty-five times.



2 De commentaar van Keil Delitz veronderstelt, dat de bron: ‘may have been at the gate outside the city.

3 M.Henri schrijft: ‘Did David look upon that water as very precious which was got at the hazard of these men's blood, and shall not we much more value those benefits for the purchasing of which our blessed Saviour shed his blood? Let us not undervalue the blood of the covenant, as those do that undervalue the blessings of the covenant.


4 In deze voordracht is gebruik gemaakt van 1. Gesenius’ Hebr. und Aram. Handwörterbuch; 16e Aufl. 1915. 2. Trommius’ concordantie, 3. Robertson’s Word Pictures in Bible Works en Easten Bible Dictionary in Bible Works; 4. Woordenboek (ISBE = Internat. Standard Bible Encyclopedie, s.v. Jacob’s well) in E-sword; 5. Online – Bijbels wooordenboek, s.v. put




  • I.A.a 1.Het Hebreeuwse woord be’eer
  • I.A.a.3 De Hebreeuwse woorden sjichaah en keroot/ kaaraah
  • I.A.b het Hebreeuwsae werkwoord sja’ab = putten of scheppen
  • II. HET NIEUWE TESTAMENT
  • II. A.a Tekstgegevens/ korte omschrijvingen (volgens Trommius)

  • Dovnload 31.65 Kb.