Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Het kermen van de bomen

Dovnload 28.6 Kb.

Het kermen van de bomen



Datum10.01.2019
Grootte28.6 Kb.

Dovnload 28.6 Kb.

Joost Zwagerman Essayprijs 2018

Het kermen van de bomen
Eenvoudig grenen, zeg ik tegen de lijstenmaker. De kaart van mijn grootvader, de ‘Overzichtskaart der bossen der Zuiderafdeling van Borneo’ ligt op tafel, voor de lijst moet ik kiezen tussen verschillende houtsoorten. Kiezen tussen hout moest mijn grootvader ook, toen hij gedwongen een spoorlijn aanlegde in het oerwoud van Sumatra in de tweede Wereldoorlog.

Het papier is vergeeld en aan de randen ingescheurd, het eiland precies getekend en ingekleurd met potlood. Volgens de legenda staat blauw voor Agathis en oranje voor Keruing. De namen flonkeren als edelstenen. Daar wil ik naar toe, naar de bomen van mijn Deense grootvader, bosbouwkundig ingenieur, houtvester, in dienst van het Nederlandse Boswezen in de koloniale tijd, het voormalige Nederlands-Indië. Iemand die van een kale grasvlakte een bos maakte, en van bos een kale vlakte.


Mijn grootvader, mijn opok, heeft me zijn liefde voor bomen doorgegeven. De hoogste boom in zijn tuin is een door hem geplante Metasequoia Glyptostroboides, een kegelvormige cipres met een roodbruine bast, die vezelachtig zacht en grillig geribbeld onder je handen voelt. In de winter vallen de naalden af en blijven als een tapijtje aan de voet van de boom liggen. De Metasequoia is een 'levend fossiel', in de Darwinistische levensboom van de soorten een groen, maar doodlopend takje. Opok bracht zaden mee uit de botanische tuin in Bogor (Indonesië), drie broertjes staan in de theetuin in Eemnes.

Toen mijn moeder na de geboorte van mijn zusje minder aandacht voor mij had, vond ik troost bij de Metasequoia die er altijd voor me was. Ik legde mijn hand op zijn bast, zo sterk, echt en tegelijkertijd sprookjesachtig. Langs de duizelingwekkende stam keek ik omhoog naar zijn kruin die de hemel instak.

Ik vraag me af hoe het is een boom te zijn. Die langzame sapstromen, hoe voelt het om traag te leven? Zonder bomen zouden we de wind minder horen, zonder blaadjes zingt er minder zee in de takken.
In het verhaal De rode beuk van Anna Blaman, dat zich afspeelt in het oorlogsjaar 1944, proeft een Duitse soldaat de lippen van een meisje onder een rode beuk in het maanlicht. De beuk huivert. Een vluchteling die zich in het zware bladerdek verscholen houdt, beweegt zich, moet even gaan verzitten. De soldaat hoort het geritsel en trekt zijn pistool, het meisje, een verraadster, rent weg om versterking te halen. Even later komt er een legerauto aangestoven waaruit zes soldaten springen die hun machinegeweren leegschieten op de boom. De vluchteling ploft zwaar en dood op de grond, als een “rijpe vrucht van het noodlot”. Een week later hakken de bewoners de boom om: “Mensen velden hem. Mensen met bijlen en touwen. Hij kon en mocht ten enenmale niet meer de prachtige beuk zijn aan de ingang van de oprijlaan van villa Weltevreden. Als de verlaten schuilplaats van een vluchteling leek hij eerder symbool geworden van een menselijk geweten. Ruisend als een orkaan viel de beuk; hij viel waardig en berustend...”

De rode beuk herinnert de bewoners aan hun schuld, de moord op een vluchteling die ze niet hebben voorkomen. Daarom moet hij gekapt worden. Het tekent onze omgang met bomen. Gemakkelijk hakken we bomen in stukken en gooien die in de kachel. Heerszuchtig onderwerpen we ze aan onze wil, zelden laten we een boom gewoon maar eens zijn gang gaan.

Blaman antropomorfiseert de beuk. Ze beschrijft de boom als machtig, edel, eeuwenoud, wijs, geduldig, goed, waardig en berustend. Bomen zijn dat inderdaad ook, wijze wezens, langzaam levend en met hun takken geworteld in de lucht, waaruit het licht van de hemel valt. Doe ik de boom recht met deze romantische, poëtische visie? Zie ik hem staan zoals hij is? Of lieg ik, net als Blaman, als alle dichters?
In Bogor ga ik op zoek naar de moederboom van de Metasquaoia van opok.

‘Hé, bruine tuinbonen,’ denk ik als ik langs de tamarindebomen met lange vruchten naar de botanische tuin, de Kebon Raya loop. Wat zou opok hebben gedacht, toen hij hier liep, bijna een eeuw geleden?

Dat spetterende groen, die bedwelmende geuren, van melati, de jasmijn, van de reusachtige orchideeën! Die neoclassicistische protserigheid en praal van het voormalige buitenverblijf van de Nederlandse gouverneur-generaal uit 1745, het huidige presidentiële paleis. Verscholen in een bamboebos ligt Makam Belanda, een kleine, Nederlandse begraafplaats, met bemoste, nooit geruimde graven, een blijvende herinnering aan de koloniale tijd. Er is niemand.

Op het bruine water van de vijver drijven enorme waterlelies, plastic zakjes en de rode, harige schillen van rambutan. Terwijl ik naar het water staar, begint het te regenen. Snel ga ik onder een blad staan, de druppels kletteren op mijn afdakje. Bogor, de regenstad, geboorteplaats van mijn moeder.

‘Kali’, het Maleis voor rivier komt bij me boven drijven, één van de honderden woorden die mijn grootvader zich op zijn oude dag nog herinnerde. ‘Angkat meja, djongos!’, ‘tafel opruimen, jongen!’ In Denemarken, dat zelf geen kolonies bezat, kwam hij in de krant met zijn grote huis met veranda, zijn kokki, baboe, djongos, kebon en auto met chauffeur. Zesentwintig was hij, toen hij met de grote passagiersboot in de haven van Jakarta aankwam en vierenvijftig, toen hij het land in 1956 verliet, een rijbewijs heeft hij nooit behaald, het was niet nodig.

Overal om me heen staan bomen die de hemel ingroeien, bij elke boom een naamkaartje in het Latijn. Zie ik wat mijn grootvader zag? Bomen kunnen meer dan vijfduizend jaar oud worden. De Metasequoia zie ik nergens, wel een Agathis uit de apenboomfamilie met de adembenemende lengte van zevenenzeventig meter.


Mijn grootvader was vaak maanden van huis, hij trok het regenwoud en de bergen in om de bodem en bossen in kaart te brengen. Hij kon zich alleen met een kapmes een weg banen, de jungle omsloot hem als een groene hel van vochtige ravijnen, met korstmossen en lianen behangen reuzen, machtige boomvarens en krijsende en onzichtbare beesten. Muskieten, die klonken als jachtvliegtuigen, bestookten zijn huid. Op een dag kreeg mijn grootmoeder het bericht dat mijn grootvader diep in het oerwoud gestrand was met zware malaria. Dat kon niets anders betekenen dan het einde. Het nieuws verspreidde zich snel in het stadje, iedereen was begaan met het lot van de jonge weduwe en haar drie kleine kinderen.

Een paar dagen later, midden in de nacht, bonsde mijn grootvader rillend van de koorts op de deur en viel mijn grootmoeder in de armen.


Ik maak ook zo’n tocht. Een kapmes is helemaal niet nodig, overal lopen paadjes, en brullen de apen totdat je ze een pinda toewerpt die ze geheel op hun gemak naast je oppeuzelen. Bovenaan een waterval eten we rijst en in bananenblad verpakte vis van plastic bordjes, samen met de andere ontdekkingsreizigers.
Het oerbos van mijn grootvader is er niet meer. Je ziet vooral uitgestrekte oliepalmplantages en eindeloze rijen acaciabomen voor de papierproductie. In de djatiplantages staan de grijze stammetjes van het teakhout in rechte lijnen, zo ver als het oog reikt, als een militaire begraafplaats. Staken die niemand schaduw bieden. Monoculturen koloniseren de aarde hier.

Wereldwijd laten slechts enkele gewassen de mensheid overleven. De komst van de Westerse mens zelf leidde ook vaak tot monocultuur, met meegebrachte ziektes vaagde hij complete inheemse bevolkingen weg. Zo schonken we de native Americans in de vijftiende eeuw polio in paardendekens.

Volgens Piet Hagens Koloniale oorlogen in Indonesië zijn er in de afgelopen jaar meer dan vijfhonderd militaire acties, expedities en oorlogen in Indonesië gevoerd, waarbij in totaal tenminste drie a vier miljoen Indonesiërs zijn omgekomen.

Onze omgang met het koloniale verleden is als de bliksem: het flikkert hevig, kortstondig, in de verte. Telkens wordt er wat onthuld, daarna is de hemel weer zwart.


Elon Musk, ondernemer, wil Mars koloniseren. Waarom willen alle organismen, als ze daar de kans toe krijgen, bezetten? Dat doen ze al sinds het begin van de evolutie, planten leren zonlicht om te zetten in zuurstof, kruipen uit het water, worden bomen, mensen gaan rechtop lopen, verspreiden zich in alle richtingen, parasiteren op planten. Musk heeft om te beginnen de space X Falcon Heavy raket het heelal ingeschoten met een rode Tesla Roadster aan boord, die een nummer van David Bowie afspeelt en don’t panic op het dashboard heeft staan. Een auto. Waarom geen flamboyant of jasmijn?
Het regenwoud verdwijnt in rap tempo, misschien hebben we Musk binnenkort hard nodig. De man uit Sliedrecht die in 2008 uit angst voor de stijging van de zeespiegel en de vloedgolf de ark van Noach nabouwde, had daar twintig vrachtwagens met boomstammen voor nodig, 1200 stuks die hij eigenhandig tot planken verzaagde. Een ronde boot werd het, van grenen hout met drie verdiepingen, verschillende ruimtes, voor de mensen en de dieren, maar zonder kamertje voor een boom en zijn zaad. Zelfs geen bijkamertje voor een beukje.
Op Youtube zie ik hoe een man een reus uit het regenwoud omlegt. Met een gele helm en koptelefoon op houdt de man een enorme kettingzaag voor zich uit; de motor drijft het blad de boom in. Het lawaai draagt ver in het oerwoud, eindeloos duurt het zagen. De wond in het hout wordt steeds dieper. Dan zaagt hij de andere kant van de boom in. Weer brult de motor. Het begint te kraken, de man houdt op met zagen, loopt een stuk van de boom weg en met veel geruis stort de boom op de grond. De stomp die blijft staan is bloot als ontveld vlees.
In Het kermen der bomen beschrijft Roald Dahl hoe een man met een zelfgemaakte machine wil onderzoeken of bomen pijn voelen als ze gekapt worden. De man in het verhaal drijft zijn bijl diep in de voet van de boom:

“Op het moment van de slag, hoorde Klausner een buitengewoon geluid in de koptelefoon. Het was een nieuw geluid en leek op niets wat hij ooit tevoren had gehoord - het was een krijsend, toonloos enorm hard geluid, een grommend, laag, kermend geluid, niet snel en kortaf als het geluid van de rozen, maar gerekt als een snik - en het duurde een volle minuut en was op zijn luidst op het moment dat de bijl de boom trof en daarna werd het geleidelijk zwakker, tot het wegstierf."


Ja, bomen voelen pijn schrijft ook Peter Wohlleben in Het verborgen leven van bomen. Bomen zijn slim. Darwin ontdekte al dat de topjes van plantenwortels voortdurend in kleine ellipsjes draaien en de grond aftasten; het zijn uiterst intelligente, sensitief dingetjes. Schimmels en zwammen doorboren met ragfijne draadjes de aarde, in een klein handje bosgrond vind je gemakkelijk honderd meter draad. Wortelpuntjes ruilen suiker met de schimmeldraden voor voedingsstoffen, vooral fosfor; beide zoeken handelspartners die veel teruggeven voor wat geboden wordt. In de oerzee, 420 miljoen jaar geleden, zogen plantenwortels de mineralen zo op uit zee, maar toen ze het land opkropen, boden de draden van schimmels als rietjes uitkomst. Het kilometerlange ondergrondse netwerk aan wortels en schimmeldraden wordt in de wetenschap het wood wide web genoemd.

Oudere bomen helpen de jongere door als tussenstation te fungeren, voedsel vast te houden en dat later door te geven. Boven de grond zorgen de bladeren en bloemen voor interactie met de omgeving. Acacia’s sturen vies smakend vergif naar hun bladeren om zichzelf te beschermen tegen hongerige giraffes, en laten aangevreten bladeren een gas uitademen om andere acacia’s te waarschuwen. In de lente weten de bomen wanneer het tijd is om uit te lopen, in de herfst zuigen ze het groen uit hun bladeren om zich mee te voeden in de barre winter. Minstens twintig zintuigen hebben bomen, voor onder meer vochtigheid, fosfor, toxinen en volume.

Bomen zijn dus sociale wezens die streven, communiceren, samenwerken en onderhandelen, die elkaar steunen en helpen.

In een stukje bos zit meer leven dan er mensen op aarde zijn. Daarvoor moet het systeem wel de tijd krijgen. Als ze met rust gelaten worden, groeien bomen traag, centimeters in plaats van meters per jaar. Jonge bomen willen in de schaduw van een ander staan, vanuit de boom gezien klopt onze metafoor niet. Dunne, sterke stammetjes van vijftig of tachtig jaar oud zijn heel gewoon in een oerbos, op die leeftijd is een boom nog maar een peuter. In onze tuinen en parken krijgen de bomen licht als kunstmest en groeien te snel, vooral in de stad zie je de eenzame dikkerds, met hun gespleten stammen en chaotische vertakkingen. De fiere iepen en platanen langs de kade blijken vaak zieke, obese bomen te zijn, wat ze niet minder sympathiek voor me maakt. Ze zijn gedoemd te sterven tussen hun zeventigste en honderdste jaar, in hun kleutertijd. Een verhaal sneuvelt in mij. Mijn dichterlijke benadering van bomen leidt tot het zien van bomen zoals ze niet zijn.


Mijn wereldbeeld kantelt verder. Dat ik dierlijk ben, begrijp ik al lang. Maar ik ben dus ook plantaardig in het diepst van mijn wezen, want als bomen op mensen lijken, lijken mensen ook op bomen. Het leven is één groot, pulserend, samenhangend systeem. Alle organismen worden geboren of ontstaan, streven naar overleving, werken samen, geven het leven door en vergaan. Opgebouwd uit levende machineonderdelen bestaan we uit verre verwanten van de natuurlijke machineonderdelen in planten. Knoppen aan één Darwinistische levensboom zijn we, een levensboom die met zijn voortdurend uitlopende, gebroken en dode takjes de aardkost bedekt en steeds verder uitwaaiert. Grillige variatie, uitzonderingen, hybride vormen, en monstruositeiten zijn de regel.
In Plantaardig, vegetatieve filosofie schrijft Th.C.W. Oudemans dat alles aan de mens indirect is, hij parasiteert op planten en andere dieren, moet zijn tuin cultiveren, altijd een doel hebben. De bomen daarentegen staan in direct contact met de aarde en de hemel. Een boom kan je niet apart zien van zijn omgeving, zonder zijn wortels in de bodem en zijn bladeren in de zon is hij geen boom. Mensen denken dat ze op zich zelf staan, als zelfstandige, want denkende subjecten, maar mensen kunnen ook niet zonder hemel en aarde, niet zonder voedsel, zuurstof, grondstoffen, drinkwater en bescherming tegen erosie.
Hoe zou het zijn om dag en nacht met je voeten in giftige grond te staan, met je blote lijf in de vuile wind en zure regen, vierentwintig uur per dag onbeschermd tegen de gaten in de ozonlaag? Onze alarmbellen zijn bomen, net als de vissen in de rivier die we uitzetten om te meten of het water schoon genoeg is en de kanariepietjes in de mijnen.
Monoculturen zijn de tegenhangers van vitale, samenhangende systemen. Kwetsbare kasplantjes zijn het, de rijen boompjes zonder variatie. Biodiversiteit is als een verzekering, begeeft de ene soort het, dan neemt bij rampen en plagen een andere het over. Het leven hangt af van de verscheidenheid in leven. Samenwerking leidt tot evolutionair voordeel. Als je op kale berghellingen hier en daar een boompje plant tussen de kolen en papaja, kan de groente steeds geoogst worden, blijven de boompjes staan en wordt erosie van de grond voorkomen.
.

Schaduw was er genoeg in het oerwoud, maar eten niet, toen mijn grootvader in 1944 als krijgsgevangene een spoorbaan moest aanleggen, dwars door een woest en ongerepte stuk oerwoud in Sumatra, van Pakan Baroe naar Moeara. Het was een krankzinnig plan van de Japanners, nauwelijks uitvoerbaar. Houtdrager was hij, je had ook bielsen- en railsdragers, een spijker- en een lasploeg. Een spinaziegroen shortje ruilde hij tegen suiker, zijn nagels maakte hij schoon met een schelp. Met geschaafde schouders liep hij iedere dag naar de stapelplaats, waar het hout klaar lag om weggedragen te worden. Van een afstand zag hij al welk blok hij het beste kon kiezen, als houtvester kende hij het soortelijk gewicht van de verschillende soorten. Niet perse het kleinste koos hij, maar het stuk dat het minste woog.

Redde die kennis van hout zijn leven? Voor alle kampbewoners was er een breekpunt, een punt waarop je bezweek onder de draaglast. Onder uitputtende omstandigheden maakt een paar gram het verschil tussen leven en dood uit. Ook in de granietmijnen bij het Mauthauser concentratiekamp in Oostenrijk kon een minder zware steen je leven redden.

De lichtere houtblokken zijn voor mijn grootvader misschien het strootje geweest dat de rug van de kameel net niet deed breken. Hij eindigde in kamp twee, het dodenkamp, waar de rantsoenen gehalveerd werden en de ‘engelen-des-doods’ zich over je heen bogen, in de hoop zelf gespaard te blijven als ze maar goed genoeg deden. Net voordat hij als een dor blaadje dreigde weg te waaien, kwam de bevrijding. Een jaar later, nog steeds met vuurrode baard, vond hij zijn vrouw en drie dochters terug.


Er is geen gedenkplaats in Pakan Baroe voor de slachtoffers van de dodenspoorbaan (tienduizenden Javaanse dwangarbeiders en duizenden Europese krijgsgevangenen kwamen om het leven). Hier en daar zijn delen van de spoorbaan in gebruik; de spoorbaan was in 1945 klaar, maar al snel stortten de spoorbruggen in en raakten de locomotieven geïsoleerd. In de buurt van Loeboek ligt een van de spoordijk gevallen locomotief als een stille getuige op zijn kant en wordt langzaam opgegeten door het oerwoud. Roest heeft grote gaten geslagen in de ketel, bomen groeien door de openingen naar boven, lianen slingeren zich om de schoorsteen heen. Alles is bedekt door een dikke vacht van gras en korstmos. Ik sta erbij, kijk ernaar. Hoor ik een zacht kermen? Of zijn het de blaadjes die ritselen in de wind?
Terug in Nederland rijd ik langs het vroegere familiehuis aan het Eikenlaantje, de door mijn grootvader geplante Metasequoia blijkt te zijn gekapt. De boom is maar 62 jaar oud geworden. Ook het door mijn tante Thyra aangebrachte bordje met zijn naam erop is verdwenen. De boom kwam niet uit Indonesië, maar uit Denemarken, opok kreeg het zaad tijdens een houtvestercongres.

Hij speelde ook prachtig piano. Ik stel me zo voor om het zachte kermen te overstemmen.



hhvries@ziggo.nl



Dovnload 28.6 Kb.