Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Het kwaad van de jagende leeuw

Dovnload 16.54 Kb.

Het kwaad van de jagende leeuw



Datum04.07.2017
Grootte16.54 Kb.

Dovnload 16.54 Kb.

Het kwaad van de jagende leeuw
Martha Nussbaum, Grensgebieden van het recht. Over sociale rechtvaardigheid, Amsterdam, Ambo 2006
Paul de Beer
S&D jrg.64 nr.2, 2007, pp.63-66.
De entree van de Partij voor de Dieren in de Tweede Kamer, eind vorig jaar, riep twee soorten reacties op. Sommigen zagen de verkiezing van de PvdD als het toppunt van decadentie: terwijl wereldwijd miljoenen mensen verstoken zijn van voldoende eten, drinken, onderdak en gezondheidszorg, maken wij ons druk om het welzijn van dieren, die vaak beter worden verzorgd dan de armen elders op de wereld. Volgens anderen markeert de steun voor de PvdD een nieuwe fase in de ontwikkeling van grondrechten: nadat deze in een eerdere fase werden uitgebreid naar niet-blanken en vrouwen, is nu het moment daar om ook rechten aan dieren toe te kennen.

Ogenschijnlijk kunnen degenen die het succes van de PvdD toejuichen de meeste steun ontlenen aan het nieuwe boek van filosofe Martha Nussbaum, dat onder de – ongelukkig gekozen – titel Grensgebieden van het recht onlangs in het Nederlands verscheen. In het laatste en meest ambitieuze hoofdstuk breekt Martha Nussbaum namelijk een lans voor het toekennen van grondrechten aan dieren. Toch zouden, na zorgvuldige lezing, ook de tegenstanders van de PvdD aan Nussbaums betoog sterke argumenten kunnen ontlenen. Dat tekent de kracht, maar tegelijkertijd ook de zwakte van dit rijke, maar ambivalente boek.


Rawls en rechtvaardigheid

Zoals bijna alle politiek-filosofische werken die de afgelopen decennia zijn verschenen is ook Grensgebieden van het recht in de eerste plaats een commentaar op het werk van John Rawls. Nussbaum wil drie wat zij noemt ‘onopgeloste problemen’ in Rawls’ hoofdwerk A Theory of Justice oplossen. Deze onopgeloste problemen betreffen drie soorten wezens die er bij Rawls bekaaid van afkomen: gehandicapten, arme wereldburgers en dieren. Rawls heeft zelf erkend dat zijn rechtvaardigheidstheorie geen criteria oplevert voor de behandeling van deze drie groepen. Zij vallen volgens hem buiten het bestek van sociale rechtvaardigheid. Feitelijk hebben zij niet dezelfde burger- en sociale rechten als de ‘doorsnee’ burgers van ontwikkelde democratische landen, op wie zijn theorie zich richt, maar zijn zij aangewezen op hun mededogen en welwillendheid. Nussbaum is zeker niet de eerste die deze tekortkomingen van Rawls’ rechtvaardigheidstheorie blootlegt, maar zij is wel de eerste die voor elk van de drie problemen in een samenhangend theoretisch kader een alternatieve oplossing aandraagt.

Cruciaal in haar kritiek op Rawls is dat zij het veronachtzamen van de rechten van gehandicapten, armen in de Derde Wereld en dieren niet slechts als een onvolkomenheid beschouwt die met enige moeite wel te repareren valt, maar als een bewijs voor het falen van de theorie als geheel. Juist de aandacht die een rechtvaardigheidstheorie schenkt aan de meest kwetsbare wezens bepaalt of die theorie aanvaardbaar is, en niet of de theorie recht doet aan de doorsnee burger die zich ook nu wel weet te redden. Dat is een dwingende redenering waarmee Nussbaum overtuigend laat zien dat er iets wezenlijk mis is met Rawls’ rechtvaardigheidstheorie. Ondanks haar grote bewondering voor Rawls ziet zij dan ook geen andere mogelijkheid dan zijn theorie te verwerpen en te vervangen door een andere.

De kern van het probleem is het sociale contract waarop Rawls zijn theorie baseert. Dit sociale contract is een denkbeeldige overeenkomst tussen burgers die moeten beslissen over de inrichting van de samenleving, zonder dat zij weten welke plaats zij in die samenleving zullen innemen (de zogenaamde sluier van onwetendheid). Omdat degenen die het sociaal contract overeenkomen in ‘globale’ zin gelijk zijn - dat wil zeggen: over ruwweg gelijke capaciteiten en middelen beschikken - maken zij afspraken om alle burgers gelijke rechten te geven. Bovendien organiseren zij de maatschappelijke verdeling volgens Rawls zó, dat degenen die het slechtst af zijn, het zo goed mogelijk hebben (het fameuze verschilprincipe of difference principle).

In die globale gelijkheid van de contractanten zit volgens Nussbaum nu juist het probleem. Die sluit namelijk bij voorbaat die groepen uit die over minder capaciteiten en middelen beschikken: gehandicapten, arme wereldburgers en dieren. Daarom krijgen deze in het sociaal contract geen gelijke rechten. Dit probleem valt niet eenvoudigweg op te lossen door deze drie groepen ook aan de onderhandelingen over het sociaal contract te laten deelnemen zonder dat men weet of men tot een van deze groepen behoort. Bij dieren is dit sowieso niet goed denkbaar – hoe stel je je een contractant voor die niet weet of hij later een mens of een dier zal zijn? – maar dat geldt ook voor gehandicapten en arme wereldburgers. Het sociaal contract wordt namelijk gebaseerd op de veronderstelling dat het tot wederzijds voordeel van alle contractanten strekt en dat sluit bij voorbaat een al te grote mate van ongelijkheid uit. Als de contractanten weten dat sommige van hen ‘later’ zwaar gehandicapt of straatarm zullen zijn, zullen zij, naar de mening van zowel Rawls als Nussbaum, niet bereid zijn een sociaal contract af te sluiten dat uitgaat van gelijke (sociale) rechten.

Deze redenering overtuigt mij niet geheel. Het sociaal contract is immers niets meer dan een gedachte-experiment om mensen te dwingen zich in een zo onpartijdig mogelijke positie te verplaatsen. Waarom zou je dan niet volledig kunnen abstraheren van de positie die je zelf in de maatschappij inneemt? (Zouden we bijvoorbeeld niet ook aan een Marsmannetje kunnen vragen om een rechtvaardige samenleving voor mensen te ontwerpen?)


Tien essentiële vermogens

Nussbaum concludeert dat er niets anders op zit dan een geheel andere rechtvaardigheidstheorie te ontwerpen. Het alternatief dat zij voorstelt is de door haar, samen met econoom en filosoof Amartya Sen, ontwikkelde ‘vermogensbenadering’ (capability approach). Deze benadering komt er in essentie op neer dat ieder menselijk wezen recht heeft op een minimumniveau voor tien vermogens die het (hem/haar) in staat stellen als (vol-)waardig mens te functioneren: leven, lichamelijke gezondheid, lichamelijke onschendbaarheid, zintuiglijke waarneming, verbeeldingskracht en denken, gevoelens, praktische rede, sociale banden, andere biologische soorten, spel en vormgeving van de eigen omgeving (pp.76-77). Zo op het eerste gezicht een wat willekeurige lijst, die zeker nadere argumentatie behoeft. Die zal men echter tevergeefs in Nussbaums boek zoeken.

Zij erkent dat haar lijst van elementaire menselijke vermogens in hoge mate een intuïtief karakter heeft en hooguit op een zekere plausibiliteit kan bogen. Maar, stelt zij, dat geldt ook voor de uitgangspunten van het sociaal contract in Rawls’ rechtvaardigheidstheorie, die ook niet verder (kunnen) worden beargumenteerd. Dat overtuigt maar half. Rawls heeft de condities voor de ‘oorspronkelijke positie’ waarin het sociaal contract wordt afgesloten zo gekozen dat ze op het eerste gezicht onweerlegbaar lijken. Van de tien elementaire vermogens van Nussbaum kun je dat niet zeggen. Hoe plausibel is het bijvoorbeeld dat ‘het vermogen te leven met zorg voor en in relatie met dieren, planten en de wereld van de natuur’ een essentieel menselijk vermogen is waarvan niemand verstoken mag blijven?

Als men eenmaal deze lijst van tien essentiële menselijke vermogens accepteert, is het nog maar een kleine stap om te erkennen dat ze voor alle menselijke wezens moeten gelden, dus ook voor gehandicapten en voor armen in de Derde Wereld. Geheel onproblematisch is dat echter niet. Kenmerkend voor gehandicapten is nu juist dat zij het vermogen ‘lichamelijke gezondheid’ en soms ook het vermogen ‘zintuiglijke waarneming, verbeeldingskracht en denken’ tot op zekere hoogte missen. Dat is immers de reden dat we ze als ‘gehandicapt’ beschouwen. Het probleem is nu dat Nussbaum elk van de tien vermogens afzonderlijk als onmisbaar beschouwt. Een tekort aan lichamelijke gezondheid kan dus niet worden gecompenseerd door iemand wat meer van een van de andere vermogens te geven. Maar dat betekent dat het per definitie niet mogelijk is gehandicapten voor elk van de tien essentiële vermogens een minimumniveau te garanderen. Weliswaar biedt de vermogensbenadering een sterk argument om in ieder geval zo veel mogelijk van die vermogens te realiseren, maar als Nussbaum werkelijk elk van de tien vermogens als essentieel beschouwt, zou zij moeten erkennen dat ook in haar benadering gehandicapten niet werkelijk rechtvaardig kunnen worden behandeld – al is dan niet onwil, maar menselijk onvermogen de oorzaak.

Deze problemen doen zich niet voor bij het realiseren van de tien essentiële vermogens voor arme wereldburgers. Maar hier stapt Nussbaum wat al te gemakkelijk heen over een probleem dat in de literatuur over internationale en mondiale rechtvaardigheid veel aandacht krijgt: hoe verhoudt onze verantwoordelijkheid ten opzichte van onze hulpbehoevende landgenoten (zoals gehandicapten) zich tot die voor arme burgers elders op de wereld? Als wij de morele plicht hebben voor alle wereldburgers een minimumniveau van de tien vermogens te garanderen, betekent dat dan niet dat wij zelf ook met een minimumniveau genoegen moeten nemen, zolang er nog ergens iemand op de wereld in armoede leeft?

De filosoof Peter Singer heeft in het verleden inderdaad deze uiterste consequentie getrokken. In zijn meer recente werk neemt hij vanwege de zeer ingrijpende gevolgen genoegen met een meer gematigde verplichting voor de bewoners van de rijke landen. Nussbaum stelt dat de rijke landen al ‘in de buurt zou[den] komen van wat moreel aanvaardbaar is’ als zij twee procent van hun bruto nationaal product aan arme landen zouden schenken (p.270), maar maakt niet aannemelijk dat daarmee inderdaad wereldwijd de tien essentiële vermogens zouden kunnen worden gerealiseerd.

Tot slot de rechten van dieren. De fundamentele reden waarom deze volgens Nussbaum ook rechten hebben en daarom aandacht behoeven in een rechtvaardigheidstheorie is, dat zij als levend wezen recht hebben op een ‘waardig bestaan’. Een waardig bestaan betekent volgens Nussbaum dat een dier kan ‘floreren’, dat wil zeggen dat het in staat is te leven naar zijn aard, die natuurlijk verschilt per soort (species). Een hond heeft andere rechten dan een mug, maar ook een mug zou je alleen mogen doden om te voorkomen dat hij jou schade toebrengt. Een groot probleem met het toekennen van rechten aan dieren is, dat deze gemakkelijk tot absurde consequenties leiden als we vasthouden aan ons menselijk perspectief. Zo erkent Nussbaum dat een leeuw alleen kan floreren als hij op andere dieren kan jagen, maar omdat een gazelle een gelijk recht heeft om te floreren, beschouwt zij het toch als een (onvermijdelijk) kwaad als een leeuw een gazelle doodt.

Hoewel Nussbaum hieraan alleen consequenties wil verbinden voor situaties waarin dieren in gevangenschap leven, wekt zij niettemin de indruk dat zij eigenlijk het liefst ook de natuur aan onze rechtvaardigheidscriteria zou onderwerpen. ‘Respect voor de natuur hoort niet in te houden, en kán ook niet inhouden, dat we de natuur gewoon laten voor wat ze is’, stelt zij dan ook (p.313). Uiteindelijk tracht zij ook voor dieren een lijst met tien aangepaste essentiële vermogens op te stellen die in ieder geval als leidraad zouden moeten dienen voor onze omgang met dieren.


Noodzakelijke keuzes

Het grootste manco van Nussbaums benadering is dat zij weigert afwegingen te maken. Doordat zij aan de tien menselijke vermogens een absolute betekenis toekent, ontneemt zij zichzelf de mogelijkheid om keuzes te maken – keuzes tussen vermogens en keuzes tussen levende wezens. Een meervoudig gehandicapte in onze directe omgeving komt daarmee op één lijn te staan met een ondervoed kind in Somalië en een leeuw in Artis. Voor praktische politieke doeleinden schiet haar benadering daarom verre tekort. Politiek is immers bij uitstek een kwestie van keuzes maken, van afwegingen tussen de belangen van mensen (en dieren). Ieder mens en zelfs ieder dier principieel even belangrijk maken klinkt misschien heel mooi en rechtvaardig, maar het betekent uiteindelijk dat men zijn verantwoordelijkheid ontloopt om aan te geven wie (of wat) de hoogste prioriteit verdient.



Deze kritiek neemt niet weg dat Grensgebieden van het recht een moedig boek is, waarin Martha Nussbaum daadwerkelijk de grenzen van het denken over rechtvaardigheid tracht te verleggen. Dat een dergelijke onderneming niet in alle opzichten slaagt, is niet verwonderlijk. Dat Nussbaum ons dwingt na te denken over de vraag tot hoe ver onze opvattingen over rechtvaardigheid strekken, maakt het boek het lezen meer dan waard.





  • Rawls en rechtvaardigheid
  • Tien essentiële vermogens
  • Noodzakelijke keuzes

  • Dovnload 16.54 Kb.