Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Het nochtans van de Christusverkondiging

Dovnload 70.57 Kb.

Het nochtans van de Christusverkondiging



Datum29.09.2018
Grootte70.57 Kb.

Dovnload 70.57 Kb.

3. Het nochtans van de Christusverkondiging

Fil.1:12-20


Knellende banden zijn niet aangenaam. Maar ze zijn niet zelden ook nuttig.
Een gipsverband om een gebroken been. De rolstoel van een gehandicapte. Een dagtaak die haast on­draag­lijk is. Zelfs marte­laarschap kan nuttig zijn en bevorderlijk voor de voortgang van het Evangelie.
Jim Elliot en vier andere zendelingen werden gruwelijk vermoord, toen zij probeerden in contact te komen met een volks­stam in Ecua­dor (de Auca's) met de bedoeling hen het Evangelie te bren­gen. Maar in plaats van dat dit het einde betekende van alle zen­dingsar­beid onder de Auca's, werd het juist het begin ervan. De weduwe van Jim, Elisabeth Elliot ging ermee door. Met haar nog jonge dochter Elerie trok zij naar de jungle van de Auca's, leerde hun taal, stelde die op schrift en verkon­digde hen met grote zegen het Evangelie. 1.
Knellende banden geven ons soms ongedachte moge­lijkheden om iets te doen wat we zonder dat niet zouden doen.
Zo ziet ook de apostel Paulus de dingen. Hij zit in de gevan­genis: een ellendige zaak. Maar als hij daar niet zou hebben gezeten, zouden er ook niet zulke grote dingen zijn gebeurd. Juist door die banden is Christus groot ge­maakt. Zijn proces­gang is een 'succesgang' van het Evange­lie geworden.

2 Tim.2:9b


Dat is het dominerende in de verzen 12 tot 26 van Filippen­sen 1, waarvan de verzen 12 tot 20 een onder­deel vor­men. Hier zingt een gekooide vogel de lof des Heeren. 'Het Woord van God is niet gebonden'.
Het lied van een gekooide vogel
En ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen aan mij is ge­schied, meer tot bevordering van het Evangelie gekomen is (vs. 12). 2.
Ik wil, dat gij weet, broeders. Hoe persoonlijk en warm klin­ken deze woorden. Zoals steeds in de aanvang van brieven in de Griekse oudheid, begint Paulus met persoonlijke medede­lingen omtrent zijn omstandigheden. Maar het moet ons niet ontgaan, hoe hij dit doet, namelijk volgens de stan­daardformule die gebruikt werd in persoon­lijke en intieme brieven in zijn tijd en daar­voor, zegt een ver­klaarder (Gera­ld F.Haw­thorne, a.w. p.33). En in dit geval kan het niet persoonlijker en intiemer. Zijn hart vi­breert door heel Pau­lus' brief.
Hier geen zake­lijke mededelin­gen zonder meer, maar een woord op de man af, van hart tot hart.

Ef.6:21; Kol.4:7


Intussen komt Paulus hier niet met exacte mededelingen omtrent zichzelf en wat er precies met hem gebeurd is. Hij geeft hier ook niet direct bijzon­derheden over de gang van zaken bij zijn rechts­zaak. Hij deelt geen zakelijke feiten mee. Hij wijst alleen op de heilrij­ke effec­ten van zijn gevangenschap.
Paulus' broeders (en zusters) in Filippi mogen weten, hoe zijn zaak er voorstaat. Zij behoeven over hem niet in zak en as te zitten. Ten diepste gaat het helemaal ook niet om hem. En als men zich soms in Filippi zorgen zou maken over de voortgang van het Evange­lie, nu de apostel achter slot en grendel zit, dan mag men weten, dat die zaak veilig is gesteld. Het Evange­lie wordt daar juist door bevorderd.
Laat niemand ook uit de gebeur­tenissen rondom de apostel de conclu­sie trek­ken, dat het beter is anoniem christen te zijn om te voorkomen, dat men in handen van de justitie valt. Door pantomime te spelen (mondje dicht!) en de vijan­dige bui­ten­wacht niets te laten merken, kan men het Evangelie mis­schien reserve­ren voor zichzelf. Maar de zaak van het Evange­lie zelf is daarmee niet gediend.

Fil.1:7; 25


Hoe ging dat met Paulus? Hij kon en mocht het Evange­lie niet doodzwijgen. Hij kwam ervoor in de banden. Maar wat hem over­komen is - zijn gevangen­schap - is niet in het nadeel van de Evangelie­verbrei­ding geweest, maar in plaats daarvan juist bevor­der­lijk voor het Evangelie. Daardoor is het Evange­lie alles­zins en ongehinderd voor­uit geko­men, ondanks obstruc­tie en gevaar. Het Woord van God is niet aan banden te leggen. Het is alles een geweldig getuigenis voor Chris­tus geworden, mensen. Houdt moed, Filippen­sen!
Nogmaals, wat er allemaal precies gebeurd is met Paulus, wordt hier niet verhaald. Blijkbaar gaat het Paulus niet om onthul­lingen omtrent zijn persoon. Die blijft buiten het beeld. Alle nadruk valt hier op het werkelijke resultaat en effect van zijn omstandigheden op de voortgang van het Evangelie.
Alzo dat mijn banden in Christus openbaar geworden zijn in het ganse rechthuis en aan alle anderen (vs.13).

Over de plaats van Paulus' gevangenschap hebben we eerder onze gedachten ontwikkeld. 3. We denken aan Efeze, hoofdstad van de Romeinse provincie Asia, waar een paleis was van de stad­houder (proconsul of procurator), tevens een rechthuis en le­gerplaats van een cohorte van Romeinse solda­ten.
Welnu, het is zonneklaar geworden, dat Paulus niet als een kwaad­doener, om enig mis­drijf of om politieke redenen, maar om wille van het Evangelie in de banden is geko­men. Zijn banden zijn banden gebleken te zijn in Christus ('manifest in Christus'). Dat is het wat zichtbaar is geworden onder de mensen, juist ook onder 'die mensen die Paulus onder norma­le om­stan­dighe­den nooit ontmoet zou heb­ben'. 4.

Als hij niet in de gevangenis zou zijn terechtgekomen, zou hij ook niet de gelegenheid hebben gehad om het Evangelie te verkondigen aan die mensen met wie hij hier in aanraking kwam. God sluit voor ons soms een venster opent tegelijk deuren. Hij gaat met ons soms naar een rimboe om de wildste heidenen te bereiken. Laat ons dat bemoe­digen. Persoonlijke hindernis­sen kunnen heerbanen voor het Evange­lie worden. Een ziekbed, een handicap, een gevangenis, de martelaarsdood zelfs.


Zijn medegevangenen, mensen die als kwaaddoeners opgepakt zijn, horen het van Paulus wat het is om Chris­tus te kennen en het goede te doen. In Paulus' gevan­genis geurt de reuk van Christus. Wellicht zong hij ook hier - net als eenmaal in Filippi's gevangenis - Gode lofzangen in de nacht. Gevangen te zijn om het geloof is iets vernederends. Maar het kan ook God-verheerlijkend zijn.
Ook Paulus' bewakers merken het op, dat zij met een zeer speciale gevangene te doen hebben. 'Die man', zullen ze onder elkaar gezegd hebben, 'is een gevangene zoals we er hier maar één heb­ben.' Kortom, Paulus, maar ook de zaak van het Evange­lie wordt een onderwerp van gesprek onder de Romeinse soldaten en hun legeroversten. En daar zullen er onder hen zijn ge­weest, die nieuws­gie­rig en heilbegerig werden om meer te mogen horen van Jezus, om Wie Paulus hier gevangen zat.
Mark.13:9

Maar als de apostel hier schrijft over het ganse rechthuis, kan hij ook bijzonder denken aan zijn rechters, de stadhouder en diens college van rechters. Als Paulus' zaak voorkwam, kreeg hij gelegenheid om van Jezus Christus te getui­gen. Had Chris­tus niet gezegd: 'Gij zult geslagen worden en voor stad­houders en koningen zult gij ge­steld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis'?



Het ganse rechthuis en alle anderen. Met de laatsten heeft Paulus vermoedelijk een bredere kring, ook buiten het stadhou­der­lijk paleis op het oog. Heidense ­so­lda­ten, maar ook andere bewoners van de stad nemen de Naam van Christus op de lippen.
Meestal weten de mensen die in de buurt van een gevangenis wonen, niet veel van het ellendig lot van de gevangenen en zij trekken zich dat ook niet aan. Maar over deze gevangene in Christus wordt op straat gepraat.
Een heilzame injectie
Een zegenrijke gevangenschap dus. Zegenrijk voor mensen die nog nooit van Jezus Christus hebben gehoord. Maar ook zegen­rijk voor broeders en zusters in het geloof.
Ook binnen de christelijke gemeente ter plaatse waar Paulus gevan­gen zit, onder de broeders en zusters in Christus heeft zijn gevangenschap een positieve uitwerking. Hij schrij­ft: En dat het merendeel der broeders in de Heere, door mijn banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloedi-ger het Woord onbevreesd durven spreken (vs.14). 5.
Een geestelijke 'opwekking' in de gemeente, doordat een voor­ganger van de gemeente achter de tralies komt? Hoe kan dat? Hoe reageert een gemeen­te in het algemeen, als de wereld vervol­ging inzet en haar leidslieden oppakt of de marteldood laat sterven? Roept dit geen angstgevoe­lens op? Is het niet te verwachten, dat althans de zwakkelingen de gelederen verlaten?

Rom.14:14; 1 Kor.1­0:5; 15:6


Zeker, maar hier heeft de meerderheid van de broeders juist des te meer goed vertrouwen in de Heere gekre­gen. Ze hadden dat reeds. Daaraan behoeft niet getwijfeld te worden. 6.
Maar ze hebben nu - door Paulus' banden - als het ware een extra hartver­ster­king gekregen. Zij zien rondom zich, dat juist daar­door de zaak van Christus bevorderd is. Die injectie van het gemeenteleven, dat vrijmoediger getuigenis van de broeders komt niet voort uit de veronderstelling, dat het met de vervolging van de christenen weleens mee zou kunnen val­len, omdat Paulus' rechtszaak - naar eigen verwachting - weldra een goede afloop zou hebben en daarmee het christendom door de Romeinse overheid in zekere zin zou zijn erkend.
Juist het omgekeerde, nl. de in hechtenisneming van de apos­tel des Heeren, spoort de broeders aan om met het Evange­lie de straat op te gaan.

Hand.8:25; 28:31


Het gaat hier kennelijk om gelovi­gen voor wie Christus alles is gewor­den en die zich door geen tegensla­gen uit het veld laten slaan of zich door het werk van de satan laten intimide­ren. Het ware geloof mag volharden. Het mag geloven, dat de Heere 'met een kromme stok een rechte slag kan slaan'.
Helaas is er blijkbaar naast die vrijmoedige broeders in de gemeente ook een minderheid van wie dit niet te zeggen is. Zij komen kennelijk niet in beweging. Helaas, zoiets kennen ook wij maar al te zeer uit de praktijk van het kerkelijk leven.
Maar wat doen dan die broeders over wie Paulus hier zo hoopvol schrijft? In plaats van passief in een hoekje te kruipen, worden ze extra actief. Ze krijgen een nieuwe stimulans door Paulus' gevan­genschap. Kortom, de zaak van de Evangelieverkon­di­ging wordt in de broederkring even buiten Paulus' gevangenis door zijn gevan­genschap niet afgeremd, maar juist geactiveerd. Het betekent een heilzame injectie voor de gemeente.
Zo gaat het wel meer. Als de duivel zijn slag lijkt te kunnen slaan en sterke zuilen onder het gebouw van de gemeente weg­haalt, onderstut de Heere dat gebouw met nieuwe palen. Het Woord van God is niet te stuiten. Geen paniek. Kloekmoedig, onbevreesd 7. en juist aangemoedigd door wat er met de apostel geschiedt, wagen de broeders het om met het Woord, de bood­schap des heils voor de dag te treden en er met mensen over te spreken.
Hoe intens is Paulus verheugd, dat hij dit aan de Filip­pensen kan meedelen!
Dubbele motivatie
Maar aan dit alles moet nog wel iets worden toegevoegd. In de verzen 15 tot 18 laat Paulus weten, dat de broeders (van vers 14) in meerderheid actief bezig mogen zijn in de Chris­tusver­kondiging. Maar ook, dat de motivatie niet bij allen gelijk is. 8.
Sommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid (vs.15). Genen verkondigen wel Christus uit twisting, niet zuiver, menende aan mijn banden verdrukking toe te brengen (vs.16). Doch dezen uit liefde, omdat zij weten, dat ik tot verantwoor­ding van het Evangelie gezet ben (vs.17). 9.
Er zijn er onder die broeders - om met de positieven te begin­nen - die goedwillend zijn. Daarmee zal Paulus bedoelen: die hem welgezind zijn, een positieve houding aannemen tegenover hem en de zaak van het Evangelie in zijn gevangenschap. 10.
Zij zijn met hartelijke liefde aan hem verbonden. Want ze zijn ervan overtuigd, dat zijn gevan­genschap, hoewel voor Paulus zelf zeer vernederend, door God beschikt is ter verdediging van het Evan­gelie. God zal ervoor zorgen, dat Paulus' rechts­zaak een apolo­gie van het Evangelie zal betekenen. Zie daar hun interpretatie van de zaak. En omdat zij dit geloven, treden zij vrijmoedig op in hun getuigenis naar buiten. 'Zij gaan uit liefde voor Paulus graag in zijn geest door' (A.F.J. Klijn, a.w. blz.37). 11.
Maar niet iedereen kijkt zo tegen Paulus' gevangenschap aan. 12.

Rom.2:8


Er zijn er ook, die de hand van God niet opmerken in Paulus' gevangenschap. Hun gevoelens tegenover de apostel zijn niet welwillend en liefdevol, maar onzuiver. 13. Zij prediken Chris­tus door nijd en twist (vs.15); uit twis­ting, niet zuiver (hei­lig)(vs.16).

Verbaasd vragen wij ons af, wat de apostel daarmee kan bedoe­len. Chris­tus verkon­digen met verkeerde motieven, dat zou hij toch wel moeten afkeuren. Uit het vervolg blijkt echter, dat hij van hen niet gezegd wil hebben, dat zij hun activiteit maar moeten staken. Hij relativeert de zaak.


Blijkbaar spree­kt hij hier over de persoonlijke relatie van die broeders tot hem. Die is niet welwillend en bepaald ook niet getuigend van liefde. Het is zelfs blijkbaar hun bedoe­ling om hem pijn te doen en te verwonden. Hun opzet is om zijn druk te verzwaren, hem innerlijk te kwetsen en door hun optre­den geeste­lijk letsel op te wekken (vs.1­6). 14.
Het is moeilijk te zeggen, wat de apostel met dit alles pre­cies bedoelt. Het gaat hier zeer waarschijnlijk over persoon­lij­ke rivaliteiten. Wellicht liepen er in de gemeente rivalen van Paulus rond, predikers die meenden net zo goed als hij of mis­schien zelfs beter dan hij te kunnen preken en die nu - nu Paulus achter slot en grendel zat - van de gelegenheid gebruik maakten om nadrukke­lijk aanwezig te zijn en die voor­name apostel eens goed de loef af te s­teken. 15.
Hoe dan ook, Paulus reageert niet geïrriteerd of geërgerd. Natuurlijk zal hij het verdrietig hebben gevonden, dat er onder de broeders waren, die hem zo bejegenden. Kwalijke bejegening van de kant van medechristenen doet pijn. Een mens is niet van steen, ook Gods kind niet.
Maar deze apostel vindt het kennelijk niet het belangrijkste, dat men van zijn positie als gevangen dienstknecht van Jezus Christus misbruik maakt. Als men hem overtroeven wil, het zij zo. Men verzwaart dan in feite daarmee wel zijn lijden. Maar als zij Christus grootmaken, is het goed.
'De kra­cht van het evange­lie, hangt niet af van het karakter van de predi­ker' (Gerald F. Hawthorne, a.w. p.39). Ook hangt het wezen en de betekenis van de sacramenten (doop en avond­maal) niet af van de intentie van de bedienaar.
Niettemin dient iedere die­naar van Chris­tus zichzelf te onder­zoe­ken, of hij wel uit oprechte motie­ven Christus verkon­digt en geen zoeker van eigen eer is. Helaas, komt het ook onder ons voor, dat Evangeliedie­naren die het volle Evangelie predi­ken, het niet kunnen hebben, dat er collega's zijn, die meer naam hebben dan zij, die maar het liefste die mannen van naam dood­zwijgen en intussen hen proberen te imite­ren, om maar zoveel mogelijk aanhang onder de mensen te krij­gen.
Zelf op het diepst vernederd te willen zijn en Christus op het hoogst verheerlijkt te mogen hebben, dat is het echter, wat Paulus drijf­t. Een waarlijk groot­moedige houding waarop wij wel diep jaloers mogen zijn. Laten de Filippensen dat ook als het voornaamste zien. Niet hun houding tegenover Paulus, maakt uitein­delijk de dienst uit. Het hart van de zaak is: de ver­kondiging van Christus.
Luk.9:50; 1 Thess.2:5

Paulus relateert alles daaraan. Daarom kan hij schrijven: Wat dan? Nochtans wordt Chris­tus op allerlei wijze, hetzij onder een bedekking, hetzij in waarheid, verkondigd; en daarin verblijd ik mij (vs.18a). Wat is tenslotte het resultaat van dit alles behalve dat op alle manieren Christus wordt verkon­digd! Hetzij met een bijbe­doe­ling of neveneffect (nl. dat daardoor Paulus' lijden zwaar­der wordt­), hetzij in waarheid, dat is eerlijk en met alleszins oprechte bedoe­lingen. 16.
Iemand vroeg eens aan George Whitefield - de bekende opwek­kingspre­di­ker uit Engeland in de achttiende eeuw -, of hij verwachtte, dat hij en zijn volgelingen John Wesley in de hemel zouden zien. John Wesley was eveneens een groot evangelist in diezelfde tijd, maar in de leer van de uitverkie­zing verschillend van eerstgenoemde. Whitefield antwoordde: 'Nee.' 'Maar meent u dan, dat Wesley een onbekeer­de man is?' 'Zeker is hij be­keerd', rea­geerde Whitefield, 'maar ik denk, dat wij hem in de hemel niet zullen zien, omdat hij zo dichtbij de troon van God zal staan en wij zo ver weg, dat wij niet in staat zullen zijn om hem te zien.' 17.
Op de goede afloop

Fil.1:4; 2:2, 17; 4:1, 10


Paulus is blij, omdat Christus sowieso wordt verkondigd. Ja, maar daar is nog iets dat hem echt vrolijk maakt. Ja, ik zal mij ook verblijden (vs.18­b). Want ik weet, dat dit mij ter zalig­heid gedijen zal, door uw gebed en toebrenging des Gees­tes van Jezus Christus (vs.19­). Zie hier Paulus' tweede reden tot blijdschap. Op goede gronden mag hij weten, dat dit - zijn voor het Evangelie bevorderlijke gevangenschap; zie vers 12 - voor hem zal uitlo­pen op zaligheid.
Met het laatste kan de apostel bedoelen, dat alles eraan zal meewerken, dat hij gered zal worden in het toekomend oor­deel. 18. Maar dat is toch vermoede­lijk niet direct wat hij op het oog heeft. Wel­licht spreekt hij hier de verwach­ting uit, dat er binnenkort aan zijn gevan­genschap een eind zal komen en dat het alles zal uitlopen op zijn bevrijding. 19.
Weliswaar houdt hij er blijkens vers 20 rekening mee, dat hij ook de marteldood zou kunnen sterven. Maar in Fil­ippensen 1:25­v spree­kt hij opnieuw het vertrouwen uit, dat hij in leven zal blij­ven en in Filippensen 2­:24, dat hij weldra naar Filip­pi kan komen.
Job.13:16a, 18 LXX

Kortom, hier is sprake van een geloofs­weten­schap, zoals een­maal bij Job, de grote lijder die in al zijn aanvech­tingen eens precies hetzelfde zei: 'Ook zal Hij mij tot zalig­heid' zijn'. Met die woorden be­tuigde Job - dwars tegen de beschul­digingen van zijn vrien­den in - , dat God het voor hem op zou nemen en hem voor het forum van zijn bestrij­ders rechtvaar­digen zou, dat is: in het gelijk zou stellen.


Zo mag ook Paulus in goed vertrouwen leven, dat de Heere, de Rechter van de ganse aarde, het voor hem zal opnemen. Ook als hij als een martelaar moet sterven, zal het blijken, dat God aan zijn zijde staat. Maar als hij straks op vrije voeten gesteld wordt, zal God daardoor aan de wereld - Jood en heiden - zijn integriteit tonen en laten weten, dat een predi­ker van het Evan­gelie geen misdadi­ger is.
Dat alles mag Paulus diep in zijn hart weten. Gelovigen zitten weleens diep in de put. Maar mogen zij soms ook niet in de meest barre omstandigheden van het leven van God uit op de goede afloop rekenen?!

Fil.1:3vv; 2 Kor.1:11


Dat is geen vanzelfsprekendheid. Het is een gebedsverhoring, niets minder dan dat. Dat schrijft de apostel hier. Hij bidt voor de gelovigen in Filippi. Maar Filippi bidt ook voor hem. Zonder gedurige voorbeden vaart niemand in Gods gemeente wel, ook Paulus niet. Hoezeer gevoel­de hij zich steeds aange­wezen op God Die helpt in nood en Die dat doet als de 'grote hoorder der gebe­den'. 20.

H­and.16:6v


Paulus noemt de voorbede van de gemeente, maar daar bovenuit en heel per­soonlijk ook de hulp en bijstand van de Geest van Jezus Chris­tus. Heel zijn leven werd bestuurd door die Geest. Hier­heen, daarheen! Maar ook wist hij zich te mid­den van bestrijders en beschuldi­gers gedu­rig omgord en be­krachtigd door die Geest.

Matth­.1­0:­20; Mark.1­3:11; Luk.12:11v; Ef.1:14


Die leerde hem wat hij zeggen moest, naar Christus' belof­te, in de syna­gogen en voor de overheden en machten. De Geest van Jezus Christus was hem het onder­pand van de erfenis, tot de verkregen verlossing. 21.

Ps.­25:3; Jes.49:23; Rom.8:19


Deze wetenschap (nl. dat God hem in alles zal doorhelpen) spoort met Paulus' verwachting en hoop, dat hij in geen enkel opzicht be­schaamd uit zal komen. Volgens 22. mijn ernstige verwachting en hoop 23., dat ik in geen zaak zal beschaamd worden 24.(vs.20a). Kan een machtige en genaderijke God als die van Paulus hem teleurstellen? Dat bestaat niet. Geen sterve­ling die zich ootmoedig tot Hem keert, komt met Hem bedrogen uit. Dat moeten alle vijanden des Heeren weten, met hoeveel schaamte en schan­de Gods kinderen van hun kant ook overdekt worden. Zij zullen niet beschaamd worden, die Hem verwachten.
Gij immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen;

De Heer' zij eeuwig lof, en elk zegg': Amen, Amen!

(Psalm 89:20 ber.)

Rom.1:16


Nog iets voegt Paulus daaraan toe, iets posi-tiefs: maar dat in alle vrijmoedigheid, gelijk te allen tijd, alzo ook nu, Chris­tus zal groot gemaakt worden in mijn li­chaam, hetzij door het leven, hetzij door de dood (vs.20b). 25. Paulus wordt niet beschaamd en hij zal zich niet schamen om het Evangelie ronduit en ongehinderd te verkondigen. Zoals al­tijd, zo zal ook nu Christus grootgemaakt worden. U zult eens wat zien en horen, mensen! Wat er met mij gebeurt, zal aanlei­ding zijn voor mensen om de Naam van Christus te verheffen.
Hoe treffend is deze uitdrukking: Christus grootmaken. Dat kan eigenlijk niet. Want Christus kan toch niet door iets en door iemand nog groter gemaakt worden dan Hij al is. Ja en toch... Onze meest bizarre lichamelijke omstandigheden kunnen - juist zoals dat het geval was bij Paulus - als een telelens zijn, waardoor een persoon op verre afstand opeens levensgroot voor ons komt te staan. Laat onze existentie (ons lichaam in leven en sterven) als zo'n telelens zijn, een weergave van Christus, l­evensgroot.

Ps.35:2­7


Ik zal niet worden beschaamd en Christus zal worden grootge­maakt. 'Laat hen vrolijk zingen en ver­blijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtig­heid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de Heere, Die lust heeft tot de vrede van Zijn knecht.'
Ps.40:17

Nogmaals, met uitgestrekte hals verwacht en hoopt Paulus, dat alles ronduit zal uitlopen op een publiek getuigenis van de groot­heid van Christus, wat er ook passeert met zijn lichaam, in leven en sterven.


Met het laatste neemt de apostel niets terug van wat hij eerder uitsprak en wat hij ook straks weer betuigt, nl. dat hij behouden door alles heen zal komen en weer aan zijn gemeente teruggegeven zal worden. Hij laat het hier nog eens onomwonden weten, dat leven of sterven voor hem persoonlijk niet door­slaggevend zijn. Hij hangt niet aan het leven, zoals een mens dat in het algemeen doet.
Rom.8:10; 38v; 1­4:8; 1 Kor.6:20; 2 Kor.4:10

Eén ding staat bovenaan: met zijn gehele exis­tentie een getui­genis zijn van de macht van het Evangelie, de grootheid van Christus. 'Want hetzij dat wij leven, wij leven de Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven de Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren'.


'Perish all things. so that Christ be magnified' (Lord Shaf­tesbury), geciteerd door Ralph P. Martin, a.w. p.78).

noten
1. Ontleend aan Frank Thielman, a.w. p.71.
2. Gr. 'ta kat' eme' = de dingen betreffende mij. Vgl. o.a. Han­d.24:­22; 25:14.

Gr.'adelphoi'= broeders; zie ook Fil.3:1, 13, 17; 4:1, 8, 21. Paulus gebruikt dit woord 133 maal in zijn brie­ven. Gr.'proskopè' = bevordering; Gerald F. Hawthorne, a.w. p.34 noemt het: 'a metaphorical word that pictures "pio­neers cutting a way before an army and so furthe­ring its march".' Vgl. Fil.1:­25; 1 Tim.4:15.

Gr.'elèluthen'(perfectum) = is uitge­lopen op... (laat de huidige stand van zaken zien).


3. Zie excurs 4 bij hoofdstuk 1 (over 'praetorium'). Peter T. O'Bri­en, a.w. p.93 schrijft, dat praetorium hier niet de aanduiding is van een locatie, maar van een 'body of men', nl. van de praetori­aanse lijfwacht, de cohorten die gestatio­neerd waren in de metro­polis. R­alph P. Martin, a.w. p.72 pleit voor Efeze, o.a. omdat moeilijk verondersteld kan wor­den, dat alle 9.000 prae­to­rianen - en zo groot was de keizer­lijke lijfwacht te Rome - met een gevangene als Paulus op de hoogte kunnen zijn geweest. Gerald F. Haw­thorne, a.w. p.35 denkt aan Caes­are­a, het praetorium van Herodes (Hand.23:­35), J. Cal­vijn, a.w. p.114 aan Rome (t.t.v.N­ero).
4. Aldus A.F.J.Klijn, a.w. blz.35. Peter T. O'Brien, a.w. p.92 schrijft, dat de uit­drukking 'faneros ginomai' betekent: tot het licht komen, bekend worden (Mark.6­:14; Luk.8:17; Hand.7:1­3; 1 Kor.1­1:19; 14:25).
5. Voor het woord broeders: zie noot 2. Het is beter de woor­den 'in de Heere' niet op 'broeders' te betrekken (een tauto­logie?), maar op 'vertrou­wen gekregen hebbende' (zie ook Fil.2:24). Zie verder: Gal.5:10; 2 Thess.3:4. Vgl. voor de uitdrukking 'in de Heere': Fil.1:26; 2:19, 24; 4:10. Gr.'per­is­soteroos' = des te meer, bovenmate; vgl. 1 Thess.2:17; Hebr.2:1; 13:19. Gr.'tolmaoo' = wagen, durven (vgl. Mark.15: 43). Het Woord = Woord Gods of des Hee­ren; zie Gal.6:6; 1 Thess.1:­6. De uitdrukking 'het Woord spreken' komen we elders zo niet tegen bij Paulus, wel in Handelingen: 4:29, 31; 13:46; 14:25. Een aantal hss.voegt toe: van God of: van de Heere (ter nadere verkla­ring). Vgl. verder 1 Kor.1:23; Kol.1:27v; 4:3.
6. Het Gr.werkwoord 'peithoo' = vertrouwen staat hier in het perfectum. Dat betekent, dat dit vertrouwen in het verleden is begonnen en tot op heden voortduurt.
7. Gr.'aphoboos' = onbevreesd; zie Luk.1:74; 1 Kor.16:10.
8. Vs.15vv sluiten aan bij vs.14 en zijn geen excurs. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat Paulus hier nog steeds over de broeders van vs.14 schrijft. Hij schrijft niet: maar er zijn ook andere­n...Van deze broeders zegt hij, dat zij 'spreken' (Gr.'lalein­'), 'prediken' (Gr.'kèrus-sein') en 'verkondigen' (Gr.'katangellein').
9. In de vss. 15-17 vinden we voorbeelden van 'antithetisch paral­lisme' en van 'chiasme'. Zie hierover Peter T. O'Brien, a.w. p.87ff, 97f. Daarom lijkt het on­juist om vs.16 en vs.17 met een aantal hss en de meerderheids­tekst om te wisse­len (zo ten onrechte ook in Nestle-Aland's uitgave van het Griekse NT).
10. Gr.'eudokia' = welbehagen, goede gezindheid, welwillend­heid tegenover Paulus en zijn zending; zo Gottlob Schrenk in G.Kit­tel, a.w., Bnd.II, S.743f s.v. 'eudokia'. Vgl. Rom.10:1. Dit lijkt meer voor de hand te liggen dan wat Peter T. O'Bri­en, a.w. p.99f veronder­stelt, nl. dat het Griek­se woord 'eudo­kia' hier aan­duiding is van de goddelijke goed­keu­ring m.b.t. Pau­lus' bedie­ning.
11. Gr. 'apologia' zie vs.7. Gr. 'keimai' (van oorsprong een militaire term) = liggen, ge­steld zijn; zie Luk.2:34; 1 Thes­s. 3:3. Paulus' gevan-genschap is door God 'verordend'.
12. Als Paulus bij de positieve motivatie van sommigen het oog heeft op hun kijk op hem als gevangene, kan hij met de anderen doelen op die broeders die daar juist kritisch tegenaan kij­ken. De Griekse woorden 'phthonos', 'eris' en 'eritheia' betekenen respectievelijk: nijd/ af­gunst, twist en zelfambi­tie/ op eigen voordeel bedacht zijn. Dit zijn bepaald ondeugden. Zie o.a. Matth.27:18; Rom.1:29; 2 Kor.12:20; Gal.5:20v; Fil.2:3; 1 Tim.6:4; Tit.3:3, 9; 1 Petr.2:1v.
13. Terecht merkt Gerald F. Hawthorne, a.w. p.37 op, dat het ook bij de negatief gemotiveerden gaat om hun houding tegen­over Paulus zelf. Hij is het object. Het gaat hier dan niet om predikers die publiek verzet pleegden tegen de Romeinse over­heid om daardoor over zichzelf en Paulus lijden, vervol­ging en martelaarschap te brengen. Daarbij zouden zij zijn uitgegaan van het geloof, dat verdrukking noodzake­lijk was om het eind van de wereldgeschiedenis en de weder­komst van Christus te bespoe­digen. Ook gaat het hier niet om predikers die tegen de Joden tekeergingen, omdat zij verant­woordelijk waren voor Paulus' gevangenschap.

Ten onrechte neemt J.B.Lightfoot, a.w. p.102 aan, dat Paulus met hen wier motivatie hij hier onzuiver noemt, de Judaï­sten bedoelt (Fil.3:2). Het kan moeilijk worden aangenomen, dat Paulus in de gevange­nis opeens milder gestemd zou zijn gewor­den m.b.t. tot (deze) dwaal­leraars dan in zijn brieven en in Fil.3:2vv. Zie verder noot 15.
14. Gr. 't­hlip­sis' = frictie, verdrukking (herin­nert aan Pau­lus' pijn­lijke kettin­gen). Gr.'e­gei­rein' = opwek­ken, verwek­ken; deze moeilijker lezing is te prefereren boven de meer­der­heidstekst die het woord vervangt door Gr.'e­pife­rein' = toe­bren­gen aan.
15. Er zijn vele andere opvattingen:
a) zij predikten omver­wer­ping van het Romeinse gezag (ter bespoediging van de weder­komst van Christus) (Gerald F.Hawthorne);

b) zij predikten tegen de Joden die voor Paulus' gevangenne­ming verantwoordelijk waren (F.C. Synge);



c) Ger­ald F. Hawthor­ne, a.w. p.38 in aansluiting aan R.Jewett, denkt aan predi­kers die er een soort 'theologia gloriae' op nahielden ('a divine-man theo­lo­gy'). Zij predik­ten 'a gospel of success'. Dienaren van dit Evangelie behoefden vol­gens hen niet zo'n onderste weg gaan, zoals Paulus. Gevan­gen zijn om het Evange­lie, was in hun ogen een teken van zwakheid, iets erger­lijks en weer­zinwek­kends dat het Evangelie in diskrediet zou kunnen brengen (zo ook Ralph P. Mar­tin, a.w. 73);

d) ande­ren beweren juist het omgekeerde; zij denken, dat het hier gaat om predikers die het niet konden hebben, dat Paulus er zijn best voor deed om op vrije voeten gesteld te worden, omdat zij ervan uitgingen, dat martelaarschap bij het Evange­lie hoort;



e) J.Calvijn, a.w. blz.114vv denkt aan 'eer­gierige predi­kers die wel allerzuiverst leerden, maar geen oprecht hart had­den (...), de godzalige herders vervolgende en der godde­lo­zen razer­nij gehoorzaamheid bewijzende'. Hij noemt als voorbeeld 'die onreine hond Karel - deze zeer boze en verdorven boef - die door God gebruikt werd om te Avignon en op andere plaatsen het zaad der reine leer in het hart van vele mensen te zaai­en'. Hij voegt eraan toe, dat zoiets voor ons geen motief moet zijn om zulke leraars ooit aan te stel­len.
16. Gr.'plèn hoti' = behalve dat; een conflatie van Gr.'plèn' = behalve (hss.) en Gr.'hoti' = dat (andere hss.). Gr. 'profa­sis' = voorwendsel, motivering, beweegreden; vgl. Matth.23:14; Mark.12:40; Luk.20:47; Hand.27:30; 1 Thess.2:5.
17. Uit dr.O.Norel Jzn, John Wesley, de vader van het metho­disme; den Haag 1936, blz.17. Warren W. Wiersbe, a.w. p.69 verhaalt (ten onrechte), dat de vraag aan Wesley werd gesteld.
18. Vgl. Rom.1:16; 10:10; 13:11; 2 Kor.7:10; 1 Thess.5:8v; 2 Thess.2:1­3; zo A.F.J.Klijn, a.w. blz.38 en Peter T. O'Brien, a.w. p.109f.
19. Gr.'oida' = ik weet (naast Fil.1:19 ook in vs.25 en in Fil.4:12 2x), d.i.: op goede gronden (historisch/ religieus).

Gr.'toeto' = dit, nl. mijn persoonlijke situatie; niet zozeer 'de afgunst van zijn medewerkers', zoals A.F.J.Klijn meent (a.­w. bl­z. 38). Gr.'soo­tèr­ia' = redding, in de zin van: in het gelijk gestel­d worden, gerecht­vaardigd worden. Gr.'apo­bai­noo' = uitgaan, -lopen op; vgl.Luk.21:13.
20. Heel vaak roept Paulus de voorbede van de gemeente in. Vgl. o.a. Rom.15:30; 2 Kor.1:9vv; Kol.4:3; 1 Thess.5:25; 2 Thess. 3­:1v; Fi­lem.:22.
21. Gr. 'epi­chorègi­a' = leverantie, voor­ziening, dienstverle­ning, hand­reiking, hulp; vgl.Ef.4:16; zie ook 2 Kor.9:10; Gal. 3:5; Kol.2:­19; 2 Petr.1:­5, 11. Bedoeld is in Fil.1:19 niet zozeer: voorziening met de Geest, maar: hulp van de Geest. Dat is: de Geest van Jezus Christus Die in Hem woont (Rom.8:9; Gal.4:6; 1 Petr.1:11) en door Hem aan de Zijnen wordt gegeven (Joh.14:15vv; 16:5vv).
22. Gr.'kata' = volgens; het weten van vs.19 (van hogerhand) correspondeert en gaat samen op met Paulus' persoon­lijke verwachting en hoop.
23. Gr.'apokaradokia' = vurige verwachting; met uitgestrekte hals en de ogen afwendend van al het andere (Gr.'apo'). Het woord komt in het NT alleen nog voor in Rom.8­:19. Voor Gr.'el­pis' = hoop (synoniem aan verwachting) zie: Rom.4:18; 1 Kor. ­9:­10). Het is onwaarschijnlijk, dat het in vs.20 voorkomende woord 'dat' (Gr.'hot­i') verbonden moet worden met 'ik weet, dat...' van vs.19, zoals Gerald F.Hawthorne, a.w. p.42 meent.

Vgl. Rom.8:20.


24. Gr. 'aischunomai' = zich schamen; pass.: beschaamd worden. zie ook Luk.16:3; 2 Kor.10:8; 1 Petr.4:16; 1 Joh.2:28.
25. Gr.'parrèsi­a' = alles uitspreken; ronduit zeggen. Zie Van Unnik, Bulle­tin of the John Ry­lands Library,44, 1961-62, p.466 -488.

Gespreksvragen
1. In Hebreën 12:1-13 worden ons treffende dingen gezegd over het nut van 'kastijdingen'.

a. Laten we deze verzen eens verge­lijken met wat Paulus schrijft in Filippensen 1:12vv.



b. Kunt u ook voorbeelden noemen uit uw eigen leven, dat God een venster sloot om een deur te openen?
2. Vervolgingen zijn een stimulans voor het geloof en het geloofsgetuigenis. Maar zou het in sommige gevallen niet ook goed zijn, als gelovigen 'anoniem christen' zijn en blijven?
3. In de verzen 15 en 16 van Filippensen 1 lezen wij van predikers die Christus prediken 'door nijd en twist' (niet zuiver). Welke motieven en bijbedoelingen kunnen hier een rol hebben gespeeld? Zie noot 15. Is het begrijpelijk, dat Paulus deze manier van doen 'relativeert'?
4. Blijkbaar heeft de apostel gehoopt op de goede afloop van zijn proces. Op grond waarvan? Kan iemand zeker zijn van de verhoring van zijn gebed, voordat hij daadwer­kelijk uit zijn problemen is gekomen?
5. Alles op de noemer van Christus en de grootmaking van Zijn Naam. Lees nog eens de laatste regels van de Bijbelstudie. Mag eigenbelang in ons leven nooit een rol spelen?




  • Ef.6:21; Kol.4:7
  • Rom.14:14; 1 Kor.1­0:5; 15:6
  • Hand.8:25; 28:31
  • Fil.1:4; 2:2, 17; 4:1, 10
  • Fil.1:3vv; 2 Kor.1:11
  • Matth­.1­0:­20; Mark.1­3:11; Luk.12:11v; Ef.1:14
  • Ps.­25:3; Jes.49:23; Rom.8:19

  • Dovnload 70.57 Kb.