Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Het pakket Belastingplan 2016 en het wetsvoorstel Wet uitvoering Common Reporting Standard

Dovnload 431.68 Kb.

Het pakket Belastingplan 2016 en het wetsvoorstel Wet uitvoering Common Reporting Standard



Pagina4/12
Datum05.12.2018
Grootte431.68 Kb.

Dovnload 431.68 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12
Grashoff (GroenLinks):
Ik hoor met vreugde de woorden van de heer Groot aan over belastingontwijking. Vervolgens geeft hij de kritiek dat het ministerie jarenlang heeft zitten slapen, maar ik meen dat er illustere PvdA-ministers van Financiën zijn geweest in de periode waarover de heer Groot het heeft.

De heer Groot (PvdA):


Ja, maar dat doet aan de kritiek niets af. Ik constateer dat er veel te weinig alertheid is geweest op constructies waarmee de belasting ontweken wordt. Wie dat ook zijn geweest!

De heer Tony van Dijck (PVV):


Begrijp ik nu goed dat de heer Groot eigenlijk liever had gezien dat dit emigratielek met terugwerkende kracht zou worden gedicht? Dat zou 650 miljoen extra voor de schatkist kunnen opleveren. Als ik dat goed begrijp, dan is er dus ruimte.

De heer Groot (PvdA):


Helaas is ook gebleken dat dit juridisch heel moeilijk ligt. Dat is een heel moeilijk begaanbare weg. We hebben ons daarbij neer te leggen.

Ik heb nog een technische vraag over de zogenoemde step-upbepalingen in belastingverdragen in verband met het aanmerkelijk voorbehoud. Ik verwijs hierbij naar blz. 66 van het nader verslag. Als er zo'n step-upbepaling is opgenomen, krijgt Nederland voorrang bij het innen van belasting als de geëmigreerde bv aandelen verkoopt. Dat lijkt me terecht. Het is logisch om eerst de belasting te innen over de waardeaangroei in Nederland. Ik lees echter ook dat als een step-upbepaling er niet is, Nederland eenzijdig afziet van belastingheffing en het buitenland in feite voorrang krijgt. Waarom is dit zo? Dat lijkt me niet terecht. Hoeveel belastingverdragen missen zo'n step-upbepaling? Hebben we in het belastingverdrag met België een step-upbepaling?

Dan kom ik op de integratie van S&O en RDA. Ik ga er in grote lijnen mee akkoord dat die regelingen worden geïntegreerd. Het levert meer eenvoud op, verzilveringsproblemen bij verliesgevende startups worden opgelost en de weglek naar moederconcerns valt weg. Kortom, die samenvoeging heeft heel veel voordelen. Net als mevrouw Neppérus hebben wij zorgen over het schrappen van het plafond in de S&O-aftrek. Ik vind de argumentatie van de staatssecretaris voor het loslaten van dat plafond niet overtuigend. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat er geen gevaar bestaat dat een paar grote bedrijven die hele pot zullen leegtrekken.

Ik geef ook nog even een antwoord op de vraag die de heer Dijkgraaf aan mevrouw Neppérus stelde. Aan welke kant van de streep sta je? Ik sta aan de kant van de streep dat zo'n plafond er zou moeten komen. Ik heb op dat vlak ook een amendement van de heer Van Weyenberg gezien. Mijn positie verandert niet, tenzij de staatssecretaris met heel goede argumenten komt om dat plafond toch te schrappen. Ik laat dus nog enige ruimte voor een antwoord van de staatssecretaris.

Een volgend punt betreft de aansluiting van de loon- en de inkomstenbelasting. Dit gaat over de verwerking van de opbouw en de afbouw van de arbeidskorting. Het is goed dat veel meer werknemers de arbeidskorting krijgen via de tabel bijzondere beloningen. Komen er dit jaar ook weer analyses van loonstrookjes om te kijken naar onverwachte effecten die dit belastingplan teweeg kan brengen? Ik heb daarover twee jaar geleden een motie ingediend. Komen er dit jaar ook weer analyses van loonstrookjes om ongelukken zoals met de Wet uniformering loonbegrip te voorkomen? Zo ja, wanneer?

Ik kom te spreken over de erfpachtstructuur bij de overdrachtsbelasting. Er is een prima anti-ontwijkingsmaatregel. Ik heb nog wel een vraag over de overdrachtsbelasting die woningcorporaties moeten betalen. Het lijkt me logisch dat er geen overdrachtsbelasting is verschuldigd als huurwoningen van de ene naar de andere woningcorporatie worden overgedragen. Die lijn is door het kabinet bestendigd. Sociale huurwoningen blijven binnen het sociale domein en dan is er geen reden om overdrachtsbelasting te heffen. Uit de beantwoording van de vragen blijkt nu echter dat die vrijstelling alleen wordt verleend als de verkoop plaatsvindt tegen de historische kostprijs minus afschrijvingen. Dat heeft natuurlijk niks te maken met de werkelijke waarde waartegen woningcorporaties onderling zakendoen. Woningcorporaties geven hun woningen niet weg. Als ik het zo lees, is die vrijstelling dus een dode letter. Daarom vraag ik de staatssecretaris waar deze haast onzinnige beperking vandaan komt. Is het kabinet bereid om dit aan te passen?

Ik kom nu bij de dekking van de vrijstelling van de kolenbelasting. Wij zitten daaraan vast vanwege het energieakkoord. De Partij van de Arbeid is het ermee eens dat voor het deel van die dekking dat gevonden wordt bij kleinverbruikers, gekozen is voor verhoging van de belasting op aardgas in plaats van elektriciteit. Als je naar de energie-inhoud kijkt, wordt elektriciteit namelijk al veel te hoog belast in vergelijking met gas. Dat roept wel de vraag op of wij in dit Belastingplan niet verder kunnen doorpakken. Wij moeten zuinig zijn op ons Groningse gas, terwijl er op het gebied van elektriciteit grote mogelijkheden liggen voor brede toepassing van bijvoorbeeld warmtepompen en elektrische auto's. Daarbij stuit je op het feit dat elektriciteit relatief te duur is. Het instituut CE Delft heeft deze maand een studie uitgebracht waarin een tijdpad wordt uitgezet naar gelijkschakeling van belasting op elektriciteit en gas voor kleinverbruikers. Een budgetneutrale verhoging van de belasting op gas met 5 cent, met een terugsluis naar elektriciteit, zou een eerste stap zijn. Hoe staat het kabinet hiertegenover? Is de staatssecretaris bereid om in de komende week een variant uit te werken en te beschrijven hoe dat op een goede manier zou kunnen?

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):


Dat laatste punt is interessant, maar ik kom nog even terug op het punt daarvoor. In een bijzinnetje sprak de heer Groot over het feit dat de kolenbelasting afgeschaft gaat worden. Dat is een gevolg van het energieakkoord. In dat energieakkoord stond echter ook dat daarvoor de vervuilende kolencentrales gesloten zouden worden. Volgens mij was het de heer Omtzigt die heeft gevraagd of wij ook het rapport van de Raad van State kunnen krijgen om te kunnen bekijken wat die hierover heeft gezegd. De staatssecretaris komt pas voor de plenaire behandeling met dat advies, terwijl het er volgens mij allang ligt. Is de heer Groot het met mij eens dat er geen sprake kan zijn van het afschaffen van de kolenbelasting als de kolencentrales moeilijk gesloten kunnen worden, omdat er dan sowieso niet voldaan wordt aan het energieakkoord?

De heer Groot (PvdA):


In alle eerlijkheid, ik kan de precieze details hiervan niet overzien. Daarvoor moet ik even overleggen met mijn collega Jan Vos, die gaat over zaken als het energieakkoord, het al dan niet sluiten van kolencentrales en de dekking van de kolenbelasting. Ik heb hier geen pasklaar antwoord op.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):


Ik ben ook niet de energiewoordvoerder van mijn partij, dus dat begrijp ik, maar ik zou graag zien dat het advies sneller naar de Kamer kwam. Dat zeg ik dan eigenlijk vooral tegen de staatssecretaris. Dit mankeert ons erg in onze discussie. Laat ik het anders zeggen. Wij zijn steeds bezig om energie groener te maken. Daarvoor doen wij van alles. De heer Groot doet er nu ook weer een voorstel voor. Ik kan mij nog hele discussies over postcoderozen herinneren; ook altijd een leuk onderwerp. Uiteindelijk gaan we grijs straks misschien nog goedkoper maken dan groen. Dat is toch een beetje een rare move? Vindt de heer Groot dat ook, mede gezien zijn hart voor vergroening?

De heer Groot (PvdA):


Dat zou inderdaad een heel rare move zijn. Ik ondersteun de vraag van mevrouw Schouten aan de staatssecretaris ook van harte. Ik sluit overigens niet uit dat wij de postcoderoos vandaag weer een keer tegenkomen!

De heer Van Weyenberg (D66):


Op dat laatste punt kan ik de heer Groot alvast geruststellen! Mijn vraag staat los van de kolenbelasting. De heer Groot zegt dat wij gas wat duurder zouden kunnen maken en daarmee het tarief op elektriciteit zouden kunnen verlagen. Je kunt echter ook het gas een beetje duurder maken en daarmee de lasten op arbeid verlagen. Dan heb je niet alleen vergroening, maar ook extra geld waarmee je het bijvoorbeeld goedkoper kunt maken om de eerste werknemer aan te nemen. Dan komen er meer banen. Het is goed voor het milieu én je hebt meer banen. Waarom koppelt de heer Groot zijn suggestie meteen aan het terugsluizen in de energie? Is vergroening verder een taboe in de coalitie? Of vindt hij dit inhoudelijk? Ik ben heel nieuwsgierig naar de nadere toelichting.

De heer Groot (PvdA):


Zoiets is zeker ook denkbaar, maar dit is de eenvoudigste manier om de prikkels beter te richten en het is budgetneutraal. Het is ook vergroening, omdat de prikkels beter worden gericht. Er wordt minder gas gebruikt en meer elektriciteit en dat leidt tot beter milieubewust gedrag. Als je dat weer gaat koppelen aan het hele inkomensbeeld, dan krijg je allerlei koopkrachteffecten die je niet kunt overzien. Wij hebben net een goed en evenwichtig koopkrachtbeeld neergezet.

De heer Van Weyenberg (D66):


Ik had van de Partij van de Arbeid iets meer nadruk op arbeid verwacht in het antwoord. Ik heb de heer Groot ook horen zeggen dat het denkbaar is, dus we komen daar nog wel op. Wij hebben voorstellen om dat te gebruiken om bijvoorbeeld het in dienst nemen van mensen goedkoper te maken. Ik neem aan dat dit nog steeds een gedeelde ambitie is van de partij van de heer Groot en die van mij.

De heer Groot (PvdA):


Zeker, ik wacht dat amendement af.

Ik heb een vraag gesteld over de hagelschade in de landbouw naar aanleiding van mails die ik kreeg waarin werd betoogd dat de assurantiebelasting op de hagelschadeverzekering heel onrechtvaardig uitpakte. Ik vond de antwoorden van de staatssecretaris hierop wat mager. Hij zegt dat zo'n vrijstelling van assurantiebelasting ook niet voor strandtenten geldt. Dat lijkt mij echt een andere situatie. Strandtenten vormen een binnenlands economisch verhaal, terwijl de land- en tuinbouwsector te maken heeft met internationale concurrentie en met omstandigheden waardoor die hagelschade een onderlinge verzekering is. Dat maakt nogal verschil. Hoe hoog zouden de uitvoeringskosten zijn, als er een amendement zou komen voor een vrijstelling? Tot zover het Belastingplan.

Wat het Artikel 2-fonds betreft, de compensatie voor joodse vervolgingsslachtoffers, kan ik mij aansluiten bij de vorige spreker. Het is heel goed dat het eindelijk is geregeld. Ik dank de staatssecretaris voor de heel grote inspanningen die hij zich hiervoor heeft getroost. Het gaat niet om veel mensen en het gaat ook niet om veel geld, maar het is symbolisch heel belangrijk dat wij deze mensen tegemoetkomen.

Ik begrijp dat de staatssecretaris de maatregel betreffende de definitie van geneesmiddelen en de btw-heffing weer intrekt. Heeft dat budgettaire consequenties die wij nog niet kennen?

Ik kom bij de schorsende werking bij hoger beroep inzake toeslagen. Wij steunen de inspanningen om zo weinig mogelijk toeslagen te betalen als daarop geen recht bestaat. Er is in het verleden heel veel fout gegaan. Wij hebben er echter moeite mee dat als de rechter heeft uitgesproken dat een toeslag moet worden uitbetaald, dit straks niet gebeurt als de Belastingdienst in hoger beroep gaat. Het wordt helemaal zuur als de Belastingdienst de zaak in hoger beroep alsnog verliest. De uitkomst kan dan zijn dat de burger toch nog zijn geld krijgt, maar dat het te laat is omdat hij al zijn huis is uitgezet en in de schuldhulpverlening is beland. Betekent deze maatregel dat er voortaan automatisch sprake is van schorsende werking als de Belastingdienst in beroep gaat? Zou dat niet per geval moeten worden bekeken? Is het middel niet erger dan de kwaal?

Dan kom ik bij de documentatie verrekenprijzen en country-by-country reporting. Ik dank de staatssecretaris voor de uitgebreide beantwoording. Het is heel goed dat er eindelijk vaart wordt gemaakt met de systematische aanpak van belastingontwijking en met country-by-country reporting, waarmee bedrijven transparant maken waar en hoeveel winst zij maken en in welke landen zij daarvoor belasting afdragen. Het lijkt een heel softe maatregel, maar het is waarschijnlijk de belangrijkste van allemaal, want bedrijven moeten dan met de billen bloot. Die country-by-country reporting geldt voorlopig alleen nog voor nationale belastingdiensten, maar die wordt pas echt effectief als die openbaar wordt. Ik reken er nog steeds op dat Nederland zich hier in Europees verband heel sterk voor gaat maken.

Het is een goede zaak dat beide partners gebruik kunnen maken van de vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning. Dat voorkomt onaangename verrassingen, maar ik ben er door juristen op gewezen dat deze maatregel, ondanks de goede bedoelingen, toch kan leiden tot meer uitvoeringsproblemen, met name in gevallen van echtscheiding. Ik heb een exposé gekregen van de heer Paul van der Ploeg. Hij is een echtscheidingsexpert. Hij stelt een eenvoudiger en beter alternatief voor. Ik zou dat graag aan de staatssecretaris willen overhandigen, met het verzoek hier volgende week met een reactie op te komen. Ik wacht die reactie graag af.

De voorzitter:


Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.)

De heer Groot (PvdA):
Dan kom ik op de werkkostenregeling. Het kabinet omschrijft het gebruikelijkheidscriterium als een veiligheidsklep om te beoordelen of er niet te veel van de hoofdregel wordt afgeweken dat over het loon van de werknemer loonbelasting betaald moet worden, maar het is gebleken dat die klep niet zo veilig is als hij leek. Wij hebben van diverse gevallen gehoord waarin bestuurders van bedrijven zichzelf bonussen lieten uitbetalen via de werkkostenregeling. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Als je binnen die 1,2% van de loonsom blijft, is het helemaal belastingvrij. Daarboven krijg je een zogenaamde boete, omdat het meerdere wordt belast tegen effectief 40%. Maar die boete is dan uiteindelijk een beloning, omdat het alternatief een belasting tegen 52% zou zijn. Ik ben blij dat de staatssecretaris, na aanvankelijk wat ontkenningen, het probleem van tariefarbitrage nu ook ziet. Wij steunen de aanscherping van dat criterium in de werkkostenregeling en hopen dat dit wel standhoudt.

De Wet tegemoetkomingen loondomein steunen wij in grote lijnen. Ook hier zijn er veel voordelen: minder administratieve lasten voor met name kleine bedrijven en een oplossing voor de verzilveringsproblematiek, omdat de loonkostenvoordelen worden uitbetaald en niet langer worden ingehouden op de loonheffing. Een belangrijk knelpunt is dat er pas na afloop van het kalenderjaar wordt uitbetaald. Bedrijven moeten dus voorfinancieren. Dat is voor het midden- en kleinbedrijf een groot probleem zolang banken nog de hoofdprijs vragen voor hun kredietverlening. Maar ik zie er in alle eerlijkheid ook geen andere oplossing voor. Uitbetaling vooraf op basis van schattingen kunnen wij de Belastingdienst niet meer aandoen. Na alle ellende met de toeslagen kunnen wij ook geen risico's op fraude meer nemen.

Over de Wet tegemoetkomingen loondomein is al heel veel gewisseld in het nader verslag. Ik heb nog wel een paar vragen. Het urencriterium is nu gemiddeld 24 uur per week. De FNV heeft er terecht op gewezen dat, als je dat toepast op het wettelijk minimumloon, je ongeveer uitkomt op bijstandsniveau. Is het dan niet beter het urencriterium op te hogen tot 28 uur? Dan heb je het over banen waarbij ook de werknemer erop vooruitgaat.

Dan heb ik nog een vraag over het urencriterium per jaar. Het voorstel is 1.248 uur. Dat kan betekenen dat je in de ene maand wel en in de andere maand niet boven bijstandsniveau uitkomt. Dat geeft heel veel rompslomp bij gemeenten, die de Algemene bijstandswet uitvoeren. De FNV stelt voor om naast de eis van 1.248 uur per jaar ook een eis van 121 uur per maand in te voeren. Dan kan het aantal uren per week nog variëren maar per maand niet. Graag hoor ik van de staatssecretaris de voors en tegens van dit voorstel.

De heer Van Weyenberg (D66):
Volgens mij is de heer Groot nu vooral bezig om de drempel om ervoor in aanmerking te komen verder te verhogen. Ik heb een concrete vraag. Wat mij zorgen baart, is het volgende; ik had gedacht dat de heer Groot daar ook over zou beginnen. Als je voor zes maanden vier dagen in de week aan de slag gaat, kom je er niet voor in aanmerking, want volgens het kabinet is dat geen volwaardige baan. Hoe kijkt de heer Groot aan tegen mensen die vanuit een bijstandsuitkering gedurende zes maanden vier dagen in de week gaan werken? Vindt de heer Groot dat ook geen volwaardige banen? Of vindt hij dat zo mooi dat hij zegt: dan past het ook dat je daar loonkostensubsidie bij krijgt, zodat die banen er ook komen?

De heer Groot (PvdA):


Een baan van vier dagen in de week lijkt mij een volwaardige baan.

De heer Van Weyenberg (D66):


Zeker, maar dat was mijn vraag niet. Als je een halfjaar aan de slag gaat met een tijdelijk contract van zes maanden, kom je volgens de regels van het kabinet — dat wordt overigens nog erger met het voorstel van de heer Groot — niet in aanmerking voor dit lage-inkomensvoordeel (LIV). Het kabinet vindt zo'n baan van zes maanden namelijk geen echte baan. Ik vind dat echt een gemiste kans. Wij vinden het toch juist fantastisch als iemand vanuit de uitkering zes maanden aan de slag gaat en daarna hopelijk kan blijven of een nieuwe baan vindt. Is de heer Groot het met mij eens dat juist het uitsluiten van die tijdelijkheid een gemiste kans is en mensen belet om aan de slag te gaan, en dat het wegzetten van die banen als "niet volwaardig" niet bepaald van het meeste respect getuigt in de richting van mensen die zo'n baan aanvaarden?

De heer Groot (PvdA):


Ik kan mij voorstellen dat het kabinet vindt dat je bij die heel korte baantjes moet aansturen op langdurigere verbintenissen. Ik heb een vraag die hieraan raakt. Als iemand halverwege het jaar van baan wisselt en naar een andere werkgever gaat, maar wel het hele jaar werkt, dan krijgen beide werkgevers geen LIV. Is dit wel wenselijk? Zou je de loonkostenvoordelen niet aan de persoon moeten koppelen? Ik kan me ook voorstellen dat je lock-ineffecten krijgt. De tweede werkgever zal zo iemand niet willen aannemen en de eerste werkgever zal zo iemand niet graag voortijdig zien vertrekken, omdat hij dan zijn LIV kwijtraakt. Kan de staatssecretaris wat dieper ingaan op deze problematiek, inclusief het punt van de heer Van Weyenberg?

De heer Omtzigt (CDA):


Ik denk dat het terecht is dat de heer Groot een aantal problemen met deze wet aanstipt. De uitvoering zou nog best wel eens lastig kunnen zijn vanwege al die criteria. Als je halverwege het jaar iemand aanneemt, krijg je dat jaar geen subsidie meer. Ik wil nog een ander probleem aanstippen. Met dit wetsvoorstel, zo schat het kabinet, wordt straks een subsidie betaald aan 400.000 werknemers. Daaronder studenten, die een forse bijbaan hebben. Daaronder ook arbeiders uit andere landen die hier in de land- en tuinbouw werken. Dat wordt gedaan om uiteindelijk 7.000 mensen extra aan het werk te krijgen. Dat is de voorspelling van de regering zelf. Oftewel: van de 400.000 subsidies die betaald worden, leiden er 393.000 niet tot extra werk en 7.000 wel. Is dat een efficiënte manier van geld uitgeven? Of heeft de Partij van de Arbeid andere wegen onderzocht om te kijken of de beschikbare half miljard euro aan de onderkant van de arbeidsmarkt effectief kan worden ingezet?

De heer Groot (PvdA):


Uiteindelijk is lastenverlichting nooit weggegooid geld. Dat geld gaat niet zitten in meer ambtenaren of zo. Het is geen geldverspilling. Het blijft lastenverlichting. Ik zie het LIV als een eerste stap op de lange termijn om te proberen met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt de lasten op arbeid steeds verder te verminderen. Dat dat in eerste instantie 7.000 banen oplevert, vind ik niet meteen een diskwalificatie van de hele maatregel.

De heer Omtzigt (CDA):


De heer Groot noemt het verminderen van de lasten op arbeid, maar met het huidige belastingpakket van 5 miljard doet het kabinet één ding vrij effectief: het trekt grote groepen mensen op minimumloon volledig uit de loonbelasting. Zij betalen straks nul loonbelasting. Ik denk dat dat een goed signaal is als je vindt dat er een probleem is met de verdiencapaciteit van mensen. Over dat gedeelte van het beleid zeg ik: goed gedaan. Hiermee gaan we echter één stap verder, want we geven een subsidie voor al deze banen. Als je 400.000 subsidies uitdeelt en er komen er maar 7.000 terecht bij wie je ze wilt hebben, dan weet je dat je over een paar jaar discussie hierover krijgt. Onder die 393.000 zijn er mensen die — ik noem maar wat — buitenlandse werknemers inhuren om in de landbouw te gaan werken. Dan gaan we daar dus weer een spoeddebat over organiseren; let maar op. Of de situatie doet zich voor dat studentenuitzendbureaus in één keer een subsidie van enkele tienduizenden euro's krijgen, terwijl die subsidies bedoeld waren om mensen met afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te krijgen. Mijn vraag is dus: zijn er ook alternatieve methodes zoals loondispensatie? Zouden gemeenten alle mensen die in de bijstand zitten, loondispensatie kunnen geven om aan het werk te komen? Dat half miljard is immers bestemd voor die groep. Zijn dergelijke alternatieven onderzocht? Zouden zij effectiever kunnen zijn dan hetgeen hier voorligt?

De heer Groot (PvdA):


Ik weet niet in hoeverre dat allemaal onderzocht is. Het lijkt mij dat er een stap in de goede richting wordt gezet met het half miljard dat vanaf 2017 wordt uitgetrokken voor de verlaging van de lasten aan de onderkant. Het is volgens mij ook niet de laatste stap die wordt gezet. De heer Omtzigt zei net dat je moet bekijken waar die subsidies terechtkomen. Er zijn natuurlijk altijd evaluatiemomenten. Die moet je inbouwen om te bekijken of het effectief is.

Wij steunen de aanpassingen van de moeder-dochterrichtlijn. Het feit dat deze richtlijn wordt aangepast, laat zien dat de Europese Unie de strijd tegen internationale belastingontwijking eindelijk serieus aanpakt. Het is te gek voor woorden het nu nog vaak voorkomt dat rentebetalingen in het ene land aftrekbaar zijn en dat de ontvangen renten in het andere land vervolgens onbelast blijven. Het is terecht dat Nederland op dit punt kiest voor een wereldwijde benadering, want belastingontwijking houdt niet op bij de grens van Europa. Ik heb nog wel een vraag. We zien dat Luxemburg niet kiest voor een wereldwijde toepassing, maar dat het de toepassing beperkt tot de Europese Unie. Worden financiële stromen dan niet gewoon verlegd naar Luxemburg? De staatssecretaris stelt dat het niet aan het kabinet is om commentaar te geven op keuzes die andere lidstaten maken, maar daar ben ik het niet mee eens. Dit raakt toch ook de belangen van Nederland en die van Europa? Is het kabinet bereid om op zijn minst stevige "peer pressure" uit te oefenen op de Luxemburgers, ook het komende halfjaar als Nederland voorzitter wordt van de Europese Commissie?

Ik heb nog een vraag over de substance-eisen. Hoe gaan die eruitzien in het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg? Heeft de staatssecretaris daar een beeld van? Wat is het gevaar als Nederland die eisen wel invoert maar als Luxemburg en het Verenigd dat nauwelijks doen of als die eisen daar nauwelijks gehandhaafd worden?

De moeder-dochterrichtlijn ziet op belastingheffing op het niveau van het moederconcern. Dat is dus bij de ontvangende partij. Dat gaat goed als het binnen Europa blijft, maar als de ontvangende partij bijvoorbeeld de Verenigde Staten is en als die dan afziet van belastingheffing, dan houd je nog steeds een dubbele aftrek. Onderkent de staatssecretaris dit probleem? Zo ja, wat gaat hij daaraan doen?

De heer

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

  • Tony van Dijck
  • Van Weyenberg
  • Groot

  • Dovnload 431.68 Kb.