Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Het pakket Belastingplan 2016 en het wetsvoorstel Wet uitvoering Common Reporting Standard

Dovnload 431.68 Kb.

Het pakket Belastingplan 2016 en het wetsvoorstel Wet uitvoering Common Reporting Standard



Pagina8/12
Datum05.12.2018
Grootte431.68 Kb.

Dovnload 431.68 Kb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12
Groot (PvdA):
Ik heb helemaal geen bezwaar tegen een vermogensheffing met progressieve kenmerken. Dat zal de heer Van Weyenberg niet verbazen. We moeten een en ander echter wel zuiver of eerlijk blijven zien. Het Centraal Planbureau heeft in zijn position paper voor de hoorzitting geschreven dat de huidige systematiek het tegenovergestelde is van progressief, namelijk regressief. Op het ogenblik is er een denivellerend systeem waarbij mensen met weinig spaargeld naar verhouding veel belasting betalen en mensen met weinig vermogen naar verhouding weinig. Is de heer Van Weyenberg het met mij eens dat dit een betere benadering is, zeker in vergelijking met hetgeen wij hadden? Het streven is toch geweest om er een neutraal systeem van te maken. Nogmaals, ik zou het graag nog progressiever zien, maar ik denk dat dit in ieder geval een poging is om er een neutraal systeem van te maken.

De heer Van Weyenberg (D66):


Ik vind het positief dat het voor mensen met alleen maar spaargeld die nu 4% moeten betalen, wat lager wordt. Dat vind ik goed. Ik vind het goed dat de vrijstelling wat omhooggaat. Daarmee kom je deels tegemoet aan het gevoel van onrechtvaardigheid dat veel kleine spaarders ervaren. Daar staan echter allemaal ingewikkelde, aan elkaar gebreide aannames over rendementen en vermogensverdelingen tegenover. Die roepen heel veel vragen op. Daarover ben ik heel kritisch. Gelet op het feit dat wij allemaal naar een systeem op basis van het daadwerkelijk rendement willen, is het voor mijn fractie zeer de vraag hoe houdbaar dit is. Wij vragen ons bijvoorbeeld af of dit niet te ingewikkeld is en of dit echt een noodzakelijke tussenstap is.

De heer Groot (PvdA):


Daaruit blijkt dat de heer Van Weyenberg in ieder geval erkent dat dit een stap vooruit is. Bij die constatering wil ik het laten. De heer Van Weyenberg stelt vast dat sprake is van een stap vooruit, maar voor de rest heeft hij allemaal vragen die wij ook hebben.

De heer Van Weyenberg (D66):


Dat is natuurlijk niet helemaal wat ik heb gezegd. Ik zei dat het voor de kleine spaarder een stap vooruit was, maar dat ik grote zorgen heb over het systeem rond rendementen. Ik ben dus positief over een bepaald deel van het plan, maar over een ander deel ben ik dat niet. Dat is de volledige samenvatting van mijn woorden.

Eenvoudiger wordt het in ieder geval niet met dit systeem. Uit de stukken blijkt dat de uitvoering de Belastingdienst 0,3 miljoen euro extra gaat kosten per jaar. Mijn fractie heeft daar een vraag over gesteld. Zij heeft daar naar mijn mening een wat wonderlijk antwoord op gekregen. De vraag was om na afloop te rapporteren over de vraag of het met betrekking tot de uitvoeringskosten inderdaad bij die 0,3 miljoen extra per jaar is gebleven. Daar kwam het volgende antwoord op: "Bij de becijfering van de gevolgen van fiscale maatregelen geldt het adagium "for better or for worse". Op een eenmaal in de memorie van toelichting van een wetsvoorstel opgenomen toename of afname aan uitvoeringskosten wordt daardoor later niet meer teruggekomen." Dat vind ik toch onbevredigend. Ik vraag mij echt af of dat bedrag van 0,3 miljoen afdoende is, gegeven de complexiteit van dit wetsvoorstel. Als dit de systematiek is, hoe voorkomen we dan dat in wetsvoorstellen die toch wenselijk zijn, relatief lage uitvoeringskosten worden opgenomen en dat we daar later nooit meer wat over horen? Ik vind het toch een wat bijzondere argumentatie.

Hoe voorkomen we dat het beeld ontstaat dat de vereenvoudigingsagenda vooral wordt ingezet als argument als dit de coalitie zelf goed uitkomt? Bij oppositieplannen zijn er altijd meteen gegronde redenen om plannen te ontraden, maar bij coalitieplannen lijken hogere uitvoeringskosten of complexiteit soms toch wat meer ondergeschikt te zijn. De staatssecretaris erkent het belang dat mijn fractie hecht aan die vereenvoudiging en aan de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst. Wij waren geloof ik de eerste om de staatssecretaris te complimenteren met zijn brede agenda voor de Belastingdienst, maar als het belang van de Belastingdienst in de wind wordt geslagen zodra het gaat om een moeilijk bevochten compromis tussen coalitiepartijen, dreigt de staatssecretaris toch wel vrij snel de steun van mijn fractie op dit front te verliezen. We zagen dit bijvoorbeeld ook bij de Autobrief. De roettoeslag voor vervuilende dieselauto's zo snel mogelijk invoeren bleek onuitvoerbaar, maar een ingewikkelde extra tarieftabel voor de bpm kon wel gewoon in 2017, terwijl ook dat vanuit het oogpunt van vereenvoudiging voor de Belastingdienst totaal onwenselijk was. Dat vond niet alleen mijn fractie, ook de Belastingdienst zelf vond dat, aldus de staatssecretaris in reactie op een vraag daarover. Ik krijg hierop graag een reactie.

Mijn fractie is voorstander van het belasten van daadwerkelijk behaald rendement. Het kabinet zegt dat het dit ook is. Wat mij na lezing van alle stukken echter niet duidelijk wordt, is of het kabinet een concreet voorstel naar de Kamer zal sturen om dit te realiseren. Ik begrijp dat het ingewikkeld is, maar gaan we dit plan van het kabinet volgen en dan wel zien of het ooit lukt om op het punt van daadwerkelijk gerealiseerd rendement iets te doen? Of zegt het kabinet dat het niet een inspannings- maar een resultaatverplichting is en dat het systeem dat het aan de Kamer heeft voorgelegd, per definitie tijdelijk is? Als dat laatste het geval is, vraag ik aan het kabinet waarom er geen horizonbepaling in het wetsvoorstel is opgenomen dat bijvoorbeeld over drie jaar dit systeem vervalt. Is dit al zeker een tijdelijke situatie of kan dit zomaar een situatie zijn waar wij jarenlang mee aan de slag moeten?

Dan kom ik bij de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk, het stimuleren van onderzoek en innovatie. Uit de evaluatie van die wet, maar ook uit onderzoek van de OESO blijkt dat een regeling als de Wbso verreweg het best tot haar recht komt door innovaties te stimuleren bij kleinere bedrijven. Vanuit die optiek vindt mijn fractie het ongelukkig dat in de integratie van de Wbso en de RDA het kabinet geen waarborg inbouwt dat het geld ook daar terechtkomt. Het plafond dat nu in de Wbso staat, verdwijnt namelijk. Daarom heeft mijn fractie ook een amendement ingediend om te voorkomen dat het budget verschuift van start-ups, het mkb en familiebedrijven naar de grootste bedrijven, waarvoor inmiddels ook al de innovatiebox beschikbaar was. De heer Klein zei dat eerder bij interruptie. Wij doen dit door een plafond te introduceren van 20 miljoen euro voor speur- en ontwikkelingswerkkosten. Dat levert in totaal 100 miljoen euro op, die wij gebruiken om de subsidie voor innovatie voor de start-ups, het mkb en familiebedrijven te verhogen. Ik hoorde vanochtend eigenlijk al — de heer Groot was er vrij expliciet in, mevrouw Neppérus en de heer Bashir spraken erover — dat dit breed in de Kamer leeft. Ik nodig alle partijen graag uit opdat wij het amendement gezamenlijk indienen. Hoe breder hoe mooier. Ik zal alle collega's vragen of zij willen meetekenen. Ik ben natuurlijk ook erg nieuwsgierig naar de reactie van de staatssecretaris. Mijn fractie is er namelijk niet gerust op en bezorgd dat een te groot deel van het innovatiebudget straks niet meer beschikbaar is voor het midden- en kleinbedrijf en start-ups. De minister van Economische Zaken zei zelf tijdens de begrotingsbehandeling Economische Zaken in reactie op een motie van het CDA, dat hij het vooraf niet kan becijferen maar dat hij wel ingrijpt als het misgaat. Wij willen liever voorkomen dan genezen.

Ik heb nog twee specifieke vragen over de samenvoeging. De eerste gaat over het begrip "programmatuur". Wij lazen vanochtend in Het Financieele Dagblad dat de staatssecretaris de definitie van het begrip "programmatuur" wil vernauwen, waardoor bijvoorbeeld aanpassingen in de programmatuur en de voorbereidingen daarop straks niet meer onder de Wbso-criteria vallen. Dat zou IT-bedrijven in de wielen rijden. Wij zouden dat zonde vinden, want dit lijkt ons iets wat juist prima past in de definitie van innovatie. Die creatieve fase is vaak een soort van voorfase. Klopt het dat inderdaad voor zo'n strengere definitie is gekozen? Zo ja, waarom en is dit dan iets waar wij misschien toch nog eens naar moeten kijken? Ik krijg hierop graag een reactie. Ik begrijp ook dat de inhuur van derden niet meer kan worden opgevoerd in de nieuwe regeling. De IT-sector, zeker de kleine bedrijven, huurt soms zzp'ers in om dit ontwikkelwerk te doen. De zorg daar is dat deze kosten, die wel voor innovatiesubsidie in aanmerking kwamen, nu niet meer daarvoor in aanmerking komen. Herkent de staatssecretaris die zorg en is hij bereid om daaraan iets te doen? Als dat leidt tot aanpassingen waardoor zzp'ers hun werk minder goed kunnen doen, is het enthousiasme van mijn fractie nooit heel groot, maar dat van de staatssecretaris ook niet, volgens mij. Hopelijk kan hij mij dus geruststellen. Als hij dat niet kan, kan hij misschien bekijken of er toch nog iets aan te doen is.

Dat brengt mij bij de schenkbelasting. Als je kijkt naar alle schenkingsregelingen die we nu hebben, valt één ding op: wat hebben we het ingewikkeld gemaakt met al die regels en uitzonderingen. Er zijn vrijstellingen die elk jaar gelden. Er zijn vrijstellingen waarbij de familierelatie bepalend is. Er geldt bijvoorbeeld €5.000 vrijstelling voor ouders en kinderen en €2.000 voor schenkingen aan derden. Er zijn maar liefst zes verschillende tarieven voor de schenkbelasting, afhankelijk van de hoogte van het bedrag en van de familierelatie met de schenker. Dan hebben we nog allerlei vrijstellingen die je maar één keer in je leven mag inzetten. Het is of eenmalig ruim €25.000 belastingvrij ongeacht wat je ermee doet, zolang je het maar van je ouders krijgt, of €52.752 eenmalig belastingvrij als je het van je ouders krijgt en het gebruikt voor een woning of een dure studie, of €100.000 die je van iedereen mag krijgen maar aan de eigen woning moet besteden. Het is ingewikkeld.

Ik ben overigens heel blij dat ervoor is gezorgd dat je die €100.000 nu van iedereen mag ontvangen. Ik kijk daarbij in het bijzonder naar de woordvoerders van de coalitiepartijen. Ik vind dat echt een stap voorwaarts. Mijn fractie pleit er al langer voor om bij erf- en schenkregelingen dit soort regels te verruimen. De link met traditionele familieverbanden is namelijk niet heilig voor ons. Bij heel veel andere vrijstellingen bestaat die link echter nog wel. Daarom vraag ik allereerst of de staatssecretaris bereid zou zijn om een bredere visie op de erf- en schenkbelasting naar de Kamer te sturen, laten we zeggen ergens in het voorjaar. Het is namelijk wel heel ingewikkeld geworden, met allemaal aparte regels en aparte banden. Dat roept de vraag op of het geen tijd is om daar wat eenduidigheid in te brengen.

Ik heb nog twee specifieke punten. Ten eerste heeft mijn fractie in de vragenronde gevraagd wat het zou kosten om de bestaande vrijstelling van ruim €50.000 die je mag aanwenden voor een dure studie, ook te mogen gebruiken voor het aflossen van je studieschuld bij DUO. Daarop heb ik geen antwoord gekregen en dat vind ik jammer. Kan de staatssecretaris daar dus volgende week een indicatie van geven? Wat zou dit kosten?

Mijn tweede punt is de eenmalige belastingvrije schenking van €100.000 voor de eigen woning. Ik ben blij dat dit geregeld is. Ik ben blij dat ook geregeld is dat je die schenking ook van andere mensen mag ontvangen en niet meer alleen van familie. Maar heel veel mensen hebben dat bedrag natuurlijk niet op de plank liggen. Is het geen beter idee om het mogelijk te maken om dat bedrag niet alleen eenmalig maar ook gespreid te kunnen schenken? Dan kun je bijvoorbeeld eerst €20.000 schenken aan iemand die een woning wil kopen, en vijf of tien jaar later een tweede schenking doen om een stuk van de hypotheek af te lossen. Ik krijg graag een reactie van de staatssecretaris op dat idee. Ik proef hiervoor vrij brede sympathie. Ik begrijp ook dat dit iets betekent in de uitvoering. Dat snap ik heel goed, maar ik weet ook wat wij als belastingbetalers allemaal moeten bijhouden en wat de Belastingdienst bijvoorbeeld moet bijhouden bij de eigenwoningreserve. Daarom kan ik mij niet voorstellen waarom het zo superingewikkeld zou zijn om voortaan niet alleen bij te houden óf iemand een schenking heeft ontvangen, maar ook hoe groot het bedrag is. Dan kun je bij een tweede of een derde schenking precies constateren hoeveel ruimte er nog is. Dat lijkt me toch mogelijk. En het lijkt me niet alleen mogelijk; het blijkt ook mogelijk. In de overgangsfase doet de kabinet dit immers ook. Dan wordt er rondom de oude en de nieuwe schenkingsvrijstelling al gewoon geadministreerd en mag je aanvullen. Blijkbaar kan het dus wel. Ik krijg dus graag een positieve reactie van de staatssecretaris. Zouden we dit niet gewoon kunnen regelen bij het ingaan van de verhoogde schenkingsvrijstelling op 1 januari 2017?

Het Belastingplan regelt ook een aantal zaken niet. Een daarvan is de toepassing van de btw bij individuele scholingspotjes en opleidingsbudgetten. Die worden door de werkgever gevuld en de werknemer kan die gebruiken om zich te laten omscholen of bijscholen. Als je van baan verandert, mag je die meenemen. Mijn fractie is een groot fan van dat soort individuele scholingspotjes. Wij vinden die vaak beter werken dan bijvoorbeeld de huidige scholings- en ontwikkelingsfondsen in cao's, die mensen vaak juist verbieden om zich met het geld om te scholen naar een andere sector, waarin wel werk is. Nu kan een btw-plichtige werkgever die zelf scholing inkoopt, de btw op die opleiding aftrekken van de belasting. De btw op scholing die wordt gekocht vanuit een individueel scholingspotje moet echter door de werknemer worden betaald. De Belastingdienst ziet die scholing dan als een dienst aan de werknemer. Die kan de btw dan niet meer aftrekken van de belasting.

Ik vraag mij af of dit noodzakelijkerwijs de manier is waarop de Belastingdienst daar, gegeven de wet- en regelgeving, tegenaan moet kijken. De individuele scholingspotjes worden namelijk gevuld door werkgevers en mogen enkel en alleen aan scholing worden besteed. Wat is het materiële verschil tussen de situatie waarin de werkgever rechtstreeks de opleiding inkoopt en de situatie waarin het geld aan de werknemer gegeven wordt om daarmee zijn eigen opleiding te kiezen? Door deze interpretatie van de btw-regels staan individuele scholingspotjes op achterstand. Het zou heel mooi zijn als de staatssecretaris die achterstand zou kunnen oplossen, zodat er een gelijk speelveld ontstaat. Kan deze praktijk worden aangepast? Als hij van mening is dat dit een wetswijziging vereist dan hoor ik graag waar 'm dat in zit. Ik ben daar op voorhand namelijk niet van overtuigd.

Ik kom bij de overige vijf wetsvoorstellen die op de agenda staan. De eerste vier kan ik heel kort behandelen. Over de Overige fiscale maatregelen 2016 heb ik één vraag. De staatssecretaris trekt de aanpassing van de voorwaarden voor het verlaagde btw-tarief op geneesmiddelen weer in. Toch volgt dit uit een richtlijn volgens mij. Wat is het verdere traject hiervoor? De heer Groot vroeg ook al of dit leidt tot budgettaire derving.

Ten aanzien van de Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds kan ik heel kort zijn. Ik dank de staatssecretaris voor het uitvoeren van een Kamerbrede wens. Soms is maatwerk echt nodig en dat is hier het geval. Veel andere fracties hebben daar ook aandacht aan besteed. De heer Bashir wees bijvoorbeeld nog op een van zijn voorgangers. Ik ben blij met de zorgvuldige benadering die het kabinet heeft gekozen en met de uitgebreide analyse die hieraan vooraf is gegaan. Ik vind het fijn dat dit onderwerp na jaren goed opgelost lijkt te worden. Ik dank de staatssecretaris daarvoor.

Wat betreft de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 is de D66-fractie een sterk voorstander van de internationale aanpak van belastingontduiking en -ontwijking. Dat wordt uiteindelijk natuurlijk niet veroorzaakt door het belastingsysteem van één land, maar doordat er verschillen ontstaan tussen nationale belastingsystemen. Die worden dan uitgebuit. De hybride lening is daarvan het schoolvoorbeeld. Het is goed dat we die nu aanpakken. Het lijkt een logische vervolgstap om de algemene antimisbruikbepaling dan ook toe te passen op de Interest- en Royaltyrichtlijn. Vooralsnog is daarover geen overeenstemming bereikt tussen de lidstaten in de Ecofin-Raad, de Raad van de ministers van Financiën. Kan de staatssecretaris aangeven wanneer hij verwacht dat er op dat onderwerp ook stappen kunnen worden gezet?

Ik kom op de Wet uitvoering Common Reporting Standard. Ik weet niet hoe je dat in mooi Nederlands zou moeten vertalen. Misschien als gemeenschappelijke rapportage standaarden? Ik heb nog één vraag over FATCA, de Amerikaanse versie hiervan. De eerste automatische informatie-uitwisseling heeft inmiddels plaatsgevonden. De Verenigde Staten hebben aan Nederland gegevens geleverd over Nederlandse inwoners. Dat zijn vaak mensen die ook wel accidental Americans worden genoemd. Voldoen die gegevens aan wat we met de Amerikanen hebben afgesproken? Ik krijg ook de indruk dat Nederland eigenlijk meer informatie levert aan de Verenigde Staten dan de Verenigde Staten terugleveren aan ons. Is dat ook het beeld van de staatssecretaris? Zijn alle aspecten van de overeenkomst tussen de twee landen volledig geratificeerd aan beide kanten van de oceaan om het principe van gelijke monniken gelijke kappen te borgen?

De voorzitter:
Hebt u nog veel tijd nodig? U bent al ruim over het gemiddelde heen. We werken weliswaar met een indicatieve spreektijd, maar toch.

De heer Van Weyenberg (D66):


Ik heb nog vijf minuten nodig. We behandelen vandaag zes wetsvoorstellen en dat doet mijn fractie graag zorgvuldig.

De voorzitter:


Ik wijs u er toch op dat u ver boven het gemiddelde zit, maar ga uw gang.

De heer Van Weyenberg (D66):


Ik dank u daarvoor. Ik weet zeker dat ik u niet hoef te overtuigen van het belang om fiscale wetten zorgvuldig te behandelen, voorzitter.

Ik kom bij de Wet tegemoetkomingen loondomein. Ik heb daarover nog een aantal vragen. Het doel van die wet steunt mijn fractie volledig. Door het goedkoper te maken om mensen rond het minimumloon in dienst te nemen, wordt het voor werkgevers immers aantrekkelijker om mensen een kans te geven, zeker aan mensen die zonder die tegemoetkoming misschien niet het minimumloon kunnen verdienen en te duur zijn voor werkgevers, waardoor zij langs de kant komen te staan. Ik ben blij met wat er rondom de premiekortingen gebeurt. In het bijzonder de heer Dijkgraaf heeft over de verzilveringsproblematiek van de premiekortingen vaak en terecht de aandacht van het kabinet gevraagd. Daar wordt nu een goede oplossing voor gevonden. Hoor ik hem iets mompelen? Ik bedank namens de heer Dijkgraaf het kabinet voor deze stap.

Mijn vragen gaan over het lage-inkomensvoordeel; de rol van de sociale partners, de urengrens, de relatie met de regeling voor mensen met een arbeidsbeperking en het budget. De sociale partners hebben ook een verantwoordelijkheid voor voldoende werkgelegenheid aan de onderkant. Wordt met dit wetsvoorstel niet iets gerepareerd wat door de sociale partners is veroorzaakt? Ik gun iedereen een goed salaris, maar het is wel belangrijk dat er voldoende cao-loonschalen zijn rond het minimumloon. In veel cao's zie je dat in de laagste loonschaal gemiddeld 105% van het WML wordt verdiend, dus daar is nog een wereld te winnen. In de bouw starten de laagste loonschalen op meer dan 110%. De reguliere cao-schalen in de schoonmaaksector komen helemaal niet in aanmerking voor dit lage-inkomensvoordeel, want daar starten de laagste reguliere schalen op 122% van het minimumloon. Ik heb er dan ook niet veel vertrouwen in dat deze wet voor deze groepen het verschil gaat maken, zoals het kabinet de koning expliciet liet zeggen in de troonrede.

Ik heb het idee dat eerst wordt geregeld dat er hoge instaplonen zijn in de laagste reguliere loonschalen. Die groep mensen kan eigenlijk niet in dienst worden genomen tegen dat loon. Dan gaat de overheid dat daarna repareren met het lage-inkomensvoordeel. Bij de voorganger van deze wet over de specifieke afdrachtskorting gaf het kabinet niet alleen een fiscale stimulans, maar was het ook druk in gesprek met de sociale partners om de laagste loonschalen te openen. Tot mijn verbazing ontbreekt dat bij het huidige wetsvoorstel. Ik hoop dat het kabinet de vraag kan beantwoorden wat we gaan doen om de laagste loonschalen te benutten. Anders zijn we met belastinggeld iets aan het repareren wat in de cao-onderhandelingen is ontstaan.

De urengrens houdt in dat men 1.248 uur per kalenderjaar oftewel gemiddeld 24 uur per week moet werken. Mijn fractie is er geen voorstander van om die grens te verhogen, zoals de heer Bashir en de heer Groot suggereerden. Als je 28 uur per week zou eisen, zou een grote groep mensen met een arbeidsbeperking buiten de boot vallen. Mevrouw Schouten zei al dat bij het tellen van de garantiebanen in de Participatiewet en in de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten is gekozen voor een gemiddelde werkweek van 25,5 uur per week voor deze groep. Dat was een realistische voltijdse werkweek voor de groep mensen met een arbeidsbeperking. Een hoger getal lijkt mij dus een slecht idee. Ik vind de wekeneis van 24 uur wel goed gekozen, maar ik ben wel bezorgd dat het kabinet zegt dat het geen substantiële baan is als iemand geen 1.248 uur per kalenderjaar haalt.

De heer Bashir (SP):


De heer Van Weyenberg zegt dat 25,5 uur al is gergeld in een andere wet. Kunnen we daar niet beter op aansluiten in plaats van weer een nieuw getal?

De heer Van Weyenberg (D66):


Die 25,5 is een gemiddelde. Dat volgt uit onderzoek van de staatssecretaris van Sociale Zaken over wat mensen met een arbeidsbeperking die niet het minimumloon kunnen verdienen, gemiddeld als werkweek aankunnen. Voor die groep is gekozen voor dat getal. Ik waarschuw ervoor om geen dingen te doen die dat in de wielen rijden. Ik denk dat de heer Bashir dat ook niet voor ogen heeft met zijn amendement.

Als je een halfjaar iemand fulltime in dienst neemt, voldoe je niet aan het urencriterium op jaarbasis en krijg je dat lage-inkomensvoordeel niet. Het kabinet vindt dat geen substantiële banen. Dat vind ik een nogal denigrerende woordkeuze. Is dat nu de boodschap die dit kabinet wil geven aan mensen in de bijstand? Als je een halfjaar fulltime aan de slag gaat, vindt het kabinet dat geen substantiële baan en wil de overheid er niet aan bijdragen om je goedkoop te maken voor de werkgever. Ik hoor hierop graag een reactie, niet alleen van de minister van Sociale Zaken, maar ook van de staatssecretaris van Financiën.

Mijn fractie heeft het liefst dat mensen worden gestimuleerd om een baan te aanvaarden en dat werkgevers worden gestimuleerd om die baan aan te bieden. Het lijkt mij een waardevolle aanvulling als iemand die een halfjaar aan de slag gaat met een contract voor 24 uur per week, ook in aanmerking komt voor dat lage-inkomensvoordeel. Ik hoor hierop graag een reactie van de staatssecretaris en van de minister.

Dan de relatie met de regeling voor mensen met een arbeidsbeperking, los van het urencriterium. Met dit wetsvoorstel vervalt de premiekorting van €2.000 per jaar voor de doelgroep van de banenafspraak. Dat was een tijdelijke bonus voor werkgevers die mensen een baan aanbieden. Daar komt nu een permanente bonus voor in de plaats. Dat is op zich goed nieuws. In de oude situatie werden mensen met een arbeidsbeperking door de premiekorting goedkoper voor werkgevers dan andere werknemers. Het doel daarvan was om hen een extra zetje in de rug te geven, maar dat verdwijnt nu. Daar heeft mijn fractie wel zorgen over. Dit helpt niet voor de toch nog grote opgave om mensen met een beperking aan de slag te krijgen. Het kabinet zegt dat we ons geen zorgen hoeven te maken en dat dit geen enkel effect heeft op de baankans voor mensen met een beperking. Dat kan bijna niet waar zijn. Dan geven we al dat geld aan die premiekortingen gewoon voor niets uit. Als het schrappen ervan helemaal geen effect heeft, stop er dan helemaal mee. Ik geloof echter niet dat dit het geval is. Ik denk dat dit wel degelijk een verschil kan maken.

Waarom heeft het kabinet er niet voor gekozen om tijdelijk toe te staan dat je zowel dat lage-inkomensvoordeel als die premiekorting, of straks dat loonkostenvoordeel, krijgt? Ik snap dat dit wat geld kost, maar daarmee behoud je de relatieve steun in de rug voor werkgevers die deze groep een baan aanbieden. Dat is namelijk echt heel ingewikkeld. De uitdaging is groot. Of wil het kabinet het niet? Ik hoop natuurlijk dat het kabinet dit wel een goed idee vindt. Dan vraag ik het kabinet om te reageren op het voorstel van Cedris, de koepel van de sociale werkvoorziening, om in ieder geval dat lage-inkomensvoordeel forfaitair uit te keren voor de doelgroep die in aanmerking komt voor de banenafspraak en het beschut werk, dus zonder urengrens, zonder bedrag per uur, maar gewoon €2.000 per doelgroeper.

Ook mensen die vanuit de Wajong met loondispensatie gaan werken, gaan er door dit voorstel op achteruit. Voor hen krijgen werkgevers geen lage-inkomensvoordeel. Ze verdienen namelijk niet het minimumloon. Dat betekent dus dat de Wajonger relatief duurder wordt. Zet dit voorstel de zittende Wajonger niet op achterstand? Ik krijg hierop graag een reactie van het kabinet.

Dan kom ik op de budgettering. Voor het lage-inkomensvoordeel is 0,5 miljard euro per jaar beschikbaar. Dat geld moet op, want als het geld niet opgaat, wordt het LIV verhoogd. Als het juist heel goed gaat met de regeling en het geld meer dan opgaat, wordt het voordeel verlaagd. Dat klinkt een beetje raar. Als het niet blijkt te werken, verhogen we het bedrag. Als het wel blijkt te werken, verlagen we het bedrag. Dat klinkt als een rare economische argumentatie.

Mevrouw

1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12

  • Van Weyenberg

  • Dovnload 431.68 Kb.