Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst (34264)

Dovnload 497.49 Kb.

Het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst (34264)



Pagina8/14
Datum28.10.2017
Grootte497.49 Kb.

Dovnload 497.49 Kb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   14
voorzitter:
Er zijn vragen. Ik deel ook voor de mensen die kijken en luisteren mee dat moties in de tweede termijn worden ingediend, maar dat soms in de eerste termijn wordt verwezen naar een motie die nog moet worden ingediend.

De heer Grashoff (GroenLinks):


De heer Mohandis heeft een aantal verstandige dingen gezegd over de wijze van benoeming en hoe dat moet rond de raad van toezicht en de raad van bestuur. Dat zegt iets over de onafhankelijkheid in de richting van de politiek, van de minister en van de Staat. Dat is belangrijk. Tegelijkertijd vormt de publieke omroep, de NPO, natuurlijk ook een eigenstandige macht en is het een eigenstandig bevoegd orgaan. Dat hoeft echter niet per definitie te betekenen dat het daarmee beter zou zijn als die invloed van de politiek er niet is. In de kritiek die tot nu toe op het stelsel wordt gegeven en waarover ik mij het hoofd breek, kom ik bij het aspect van de betrokkenheid van burgers, gebruikers, kijkers en luisteraars, hun positie en de manier waarop je binnen dat publieke bestel die pluriformiteit kunt garanderen. Zou de heer Mohandis daarop kunnen reageren? Vindt hij dat de wet daarin voldoende geregeld heeft of zegt hij met mij dat we daar aanvullend nog iets aan moeten doen?

De heer Mohandis (PvdA):


Ik vind dat de wet niet uitsluit dat het op die manier geregeld zou kunnen worden. De heer Grashoff interrumpeert mij op het punt van de benoemingen, maar hij doelt eigenlijk op de wijze waarop de nieuwe raad van toezicht samengesteld zou moeten worden. Dat proef ik uit zijn interruptie. Ik wil daar straks ook iets over zeggen, maar ik wil daar helder over zijn door de staatssecretaris te vragen hoe we ervoor zorgen dat de continuïteit op de een of andere manier geborgd kan blijven en — nog belangrijker — hoe wij ervoor kunnen zorgen dat dit ook een onderdeel is van de taak van de nieuwe raad van toezicht. Mijn punt over de benoeming is meer principieel. Op het moment waarop de NPO meer zeggenschap krijgt, moet je ook kijken naar de wijze waarop die benoemingen lopen. Ik wil waken tegen een situatie met een sterkere NPO in het huidige bestel, waarin zowel de toezichthouder als de bestuurder en — in samenspraak met de omroepen — de uitvoerder van delen van deze wet ook nog door de politiek worden benoemd. Dat is meer een principekwestie. Wat betreft de andere opmerking van de heer Grashoff merk ik op dat deze wet dat niet uitsluit.

De voorzitter:


De heer Grashoff op dit punt? Ik verzoek ook iets korter …

De heer Grashoff (GroenLinks):


Iets korter? Misschien is mijn introductie ook te lang geweest, want mijn dispuut met de heer Mohandis gaat niet over de benoemingen. Hij raakt daar echter terecht een punt. Het gaat juist om het behoeden van de pluriformiteit. Uiteindelijk zitten er zeven mensen in de raad van toezicht die bij wijze van spreken in splendid isolation kunnen zeggen wat goed is voor Nederland om op de buis te hebben. Nu is die verplichting van publieksbetrokkenheid in de wet geregeld, maar qua borging regelt de wet eigenlijk niks.

De heer Mohandis (PvdA):


Ik zou bijna zeggen: de nieuwe raad van toezicht wordt ook belast met de taak om bijvoorbeeld toe te zien op de algehele uitvoering van de taakopdracht door de uitvoerders. Je zou dus bijna zeggen dat die pluriformiteit ook wordt bewaakt via het toezien op de gehele taakopdracht. Maar laat ik er gewoon open over zijn: natuurlijk wil ook ik dat pluriformiteit bij de nieuwe raad van toezicht een belangrijk element vormt, als die wordt samengesteld. Ik vraag de staatssecretaris hoe hij dat wil gaan borgen. Nogmaals, de wet sluit het niet uit. Ik deel uw zorg. Ik stel deze vraag ook aan de staatssecretaris.

De heer Klein (Klein):


Voorzitter, u heeft er terecht op gewezen dat de moties in de tweede termijn worden ingediend. Het is dus wat lastig voor de staatssecretaris om te reageren op wat de heer Mohandis daarnet heeft gevraagd. Ik wacht dat dus ook even af. Ik neem echter aan dat het over het benoemingsbeleid gaat. Ik heb een amendement om die benoeming daadwerkelijk veel onafhankelijker van de overheid te laten zijn. Heb ik het nou goed begrepen dat de heer Mohandis, in antwoord op de heer Grashoff, zei dat het belangrijk is dat dat gebeurt, omdat de publieke omroep, of de NPO moet ik eigenlijk zeggen, en de raad van toezicht en de raad van bestuur zo ook de programmering zouden kunnen sturen?

De heer Mohandis (PvdA):


Nee, dat heb ik niet gezegd.

De heer Klein (Klein):


De heer Grashoff legde u woorden in de mond: dat dat belangrijk is, omdat de raad van toezicht zo mede de programmering en de inhoud kan gaan bepalen. U werpt dat verre van u?

De heer Mohandis (PvdA):


Volgens mij moet u het wetsvoorstel goed lezen. Daar staat heel duidelijk in wat de rol van de nieuwe raad van toezicht is. We hebben allerlei andere discussies gevoerd over de rol van de toezichthouder, ook in andere sectoren. Die is altijd vrij goed afgebakend. Je hebt gewoon te maken met het algehele toezicht erop. We hebben geen toezichthouder die zegt: dat programma past eigenlijk niet op NPO 3. Laat het duidelijk zijn dat dat niet de bedoeling is, als u dat tenminste bedoelt.

De voorzitter:


Gaat u verder met uw betoog, meneer Mohandis, en lokt u geen verdere dingen uit.

De heer Mohandis (PvdA):


Voor zover ik de vraag van meneer Klein goed heb begrepen.

De raad van toezicht was mijn volgende punt. Ik heb mijn standpunt aangegeven bij de interruptie van meneer Grashoff. Ik heb de staatssecretaris een vraag gesteld omtrent de pluriformiteit, de continuïteitsbewaking et cetera. Graag een reactie daarop.

Volgens mij heeft de heer Verhoeven gerefereerd aan de brief die wij van Media Valley hebben gekregen. Het sprak mij zeer aan om de rol van de creatieve sector te versterken, en om alles wat in het gebied-Utrecht-Hilversum-Amsterdam rond media gebeurt verder te versterken. Een element dat ik miste en dat ik wil toevoegen is de rol van het onderwijs. Dat is onlosmakelijk verbonden met de versterking van de creatieve sector, of het nu gaat om conservatoria of hieraan gerelateerde hogeronderwijsopleidingen. Zij geven jonge, talentvolle makers en journalisten een kans. Graag hoor ik van de staatssecretaris hoe hij aankijkt tegen deze brief, die breed is ondersteund. Ik ben benieuwd. Misschien is het een suggestie om vóór het WGO Media met een kabinetsreactie daarop te komen, zodat we er dan over kunnen doorpraten? Ik heb behoefte aan zijn visie op deze richting, die volgens mij kansen biedt om wat in Nederland rond media gebeurt, verder te versterken.

Over de regionale omroepen is al veel gezegd. Ik wil beginnen met een compliment voor iedereen die hard heeft gewerkt aan het plan om van onderaf de toekomstverkenning voor de regionale omroepen mogelijk te maken. Complimenten aan al die regionale omroepen en in het bijzonder aan ROOS, de koepel van de regionale omroepen. Het kabinet heeft ook voorgesteld om het plan van onderaf te laten ontstaan. Ik ben blij dat men er voortvarend mee aan de slag is gegaan en dat het er nu ligt. Een verdere uitwerking van dit plan komt in een volgend voorstel, zoals het kabinet ook heeft aangegeven in de begeleidende brief. Voor de Partij van de Arbeid is het belangrijk dat de regionale verankering blijft en dat de regio's kunnen rekenen op herkenbare programma's.

Ik heb ook een vraag over de concessieperiode. Ik vond de schriftelijke beantwoording nog niet scherp genoeg. Er is nu gekozen voor een concessieperiode van vier jaar. Daar is een uitleg bij gegeven, maar hoe verhoudt dit zich tot een volgende, gebruikelijke periode van tien jaar, dus van twee keer vijf jaar? Ik kan me indenken waarom ervoor gekozen is, maar ik krijg graag nog meer toelichting waarom is gekozen voor deze concessieperiode. De Partij van de Arbeid wil in de toekomst toe naar langere concessieperiodes, omdat dit omroepen de kans geeft om zich verder te ontwikkelen.

Ook wij onderstrepen de bijzondere status van — ik probeer het als Gouwenaar goed uit te spreken — Omrop Fryslân. Het kabinet heeft toegezegd deze positie extra te onderstrepen in verband met de erkende rijkstaal. Dat doet mij goed. Wij willen echter graag dat in het komende wetsvoorstel meer wordt uitgewerkt hoe dit gaat gebeuren. Gaat de staatssecretaris dit integraal meenemen in een verdere uitwerking? Wij zijn heel benieuwd hoe de positie van de Omrop hierin wordt meegenomen.

Ik vind het ook goed dat Omrop Fryslân meegaat in de regionale samenwerking en onderdeel wordt van de RPO. Misschien is het een idee om te kijken naar de samenstelling van de RPO en te bekijken hoe de verschillende regio's er een rol in krijgen. Wij zijn verheugd dat de samenwerking er ook toe heeft geleid dat de samenwerking met de NOS wordt uitgebreid. Het regionieuws krijgt een plek in het NOS-journaal, kregen we vandaag te horen. Dat is goed voor de herkenbaarheid van de regionale omroep. Het is ook goed voor de versterking van de NOS, dat ook op de lange termijn het nieuws nog dichter bij de mensen kan brengen.

Ik heb een paar vragen over de lokale omroep, omdat er nog wat open eindjes zijn in relatie tot het wetsvoorstel over de regionale omroepen dat nog komt. Hoe zit het met de onlangs opgerichte stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen? Is de staatssecretaris het met mij eens dat dit een goede beweging is, ook in relatie tot wat nu wordt voorgesteld voor de regionale omroepen, de RPO? Ook bij de lokale omroepen is heel veel nodig op het gebied van verdere professionalisering. Ik ben een fervent liefhebber van RTV Gouwestad, maar het kan professioneler. Die samenwerking op streekgebied moet verder worden ontwikkeld, ook in relatie tot de samenwerking met de regionale omroep. Ik krijg graag een reactie van de staatssecretaris op deze ontwikkeling.

Dan kom ik op het punt van de radio. Ik kijk even naar collega Rutte. Hij heeft iets gezegd over een discussie die bij het AO Telecom gevoerd is over een aangenomen motie over de positie van de commerciële radio. Volgens mij heeft de heer Verhoeven er ook naar gevraagd. Laat ik er niet te veel over zeggen, maar ik ben benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris. Er moet namelijk nog iets geregeld worden in de Mediawet, aldus mijn collega Oosenbrug, woordvoerder ICT.

Om de positie van de NPO in het bestel te versterken worden belangrijke besluiten genomen. Een en ander vindt nu al plaats. Naast de taakstelling van het kabinet worden er strategische keuzes gemaakt. Die zorgen voor onzekerheid bij medewerkers. Ik ben benieuwd of de staatssecretaris het met mij eens is dat hij door die sterkere rol van de NPO ook meer oog moet hebben voor deze ontwikkeling. De bezuinigingen en die strategische keuzes lopen nog bij heel veel omroepen. Het is belangrijk dat we de NPO veel meer de opdracht geven om zich in te zetten voor bijvoorbeeld omscholing en werk-naar-werk. Is de staatssecretaris dat met mij eens?

Tot slot. De publieke omroep verbindt ons met elkaar, geeft nieuwe inzichten en laat ons samen genieten. De publieke omroep maakt vernieuwende, amuserende programma's, bedrijft onderzoeksjournalistiek en geeft talentvolle mediamakers de ruimte zonder dat de wetten van de markt gelden. Daarom wil de Partij van de Arbeid een sterke publieke omroep die er is voor alle Nederlanders en niet enkel voor een kleine elitegroep. Door samenwerking en een brede programmering kan de omroep ook in de toekomst interessant en relevant blijven voor alle Nederlanders. Met de blik vooruit en niet naar binnen gekeerd kan de publieke omroep deze uitdaging aan en kan hij er zijn voor een breed publiek in Nederland. De Partij van de Arbeid wil dat dit wetsvoorstel voor de toekomst met breed draagvlak wordt aangenomen. Dit wetsvoorstel — dat zal niemand verbazen — kan rekenen op onze steun omdat wat wij belangrijk vinden, erin is verankerd.

De heer Jasper van Dijk (SP):


Ik begin met een compliment aan de heer Mohandis. Hij heeft de kruistocht van de staatssecretaris flink weten af te remmen door de kaalslag op de publieke omroep te verminderen. Hij schrijft dat ook in Trouw van 28 augustus: het is belangrijk dat de staatssecretaris stopt met zijn symbolische strijd tegen vermaak en gewoon zijn werk gaat doen. Aldus de heer Mohandis. Is de PvdA nu werkelijk helemaal tevreden met deze wet? Zou zij deze wet zelf ook hebben kunnen maken als de fractie 76 zetels in de Tweede Kamer had gehad, of vindt zij het, hoewel zij de scherpe kantjes ervan af heeft gehaald, eigenlijk toch te gortig dat er zo veel macht naar de NPO gaat?

De heer Mohandis (PvdA):


De heer Van Dijk sprak over een kruistocht. Ik wil even vooropstellen dat ik prima kan werken met de staatssecretaris en dat ik dit de komende tijd ook gewoon zal doen.

De heer Van Dijk vraagt: wat als de PvdA 76 zetels had gehad? Ik vind het een rare vraag. Misschien was de inleiding of de richting van de wet dan anders geweest. Regeren doe je echter nooit alleen, maar samen. Samen maak je wetten en uiteindelijk moet je je dus samen ergens in kunnen vinden. Ik ben blij dat dit gebeurd is.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dat is een beetje een mager antwoord. Ik wilde gewoon weten of het een wet is waar de heer Mohandis voor 100% achter staat.

Mijn tweede interruptie ga ik gebruiken voor een vraag die ik in mijn eigen termijn al aan de heer Mohandis heb gesteld. Hoe zit het met de belofte van zijn voorganger, Martijn van Dam? Die zei in 2013: na die fusies en al die snoeiharde bezuinigingen gaan we echt even rust in de tent brengen; we gaan niet weer aan allerlei knoppen zitten draaien. Erkent de heer Mohandis wel dat die belofte niet wordt waargemaakt omdat wij hier vandaag weer staan? Is hij wel zo moedig om dat toe te geven?

De heer Mohandis (PvdA):
Ik ben zeker moedig genoeg om in te gaan op de vraag van de heer Van Dijk. Zijn aanname klopt niet. Toen ik nog geen woordvoerder op dit dossier was, is er een kabinetsbrief gekomen. Daarin stonden drie fases voor de hervorming van de publieke omroep. Ik zeg het even in mijn eigen woorden. De derde poot betrof de toekomstverkenning. Daarvan heeft Martijn van Dam, mijn voorganger, nooit gezegd dat die er niet zou komen. Dat heeft hij tenminste niet gezegd toen hij het stokje overdroeg aan mij. Uiteindelijk sta je daarvoor. Ik heb af en toe het gevoel dat de heer Van Dijk niet alles heeft meegekregen, want de omroepen en de NPO hebben gezamenlijk onderkend dat die volgende stap nodig is. Ik doe dit vanuit mijn volle overtuiging als sociaaldemocraat, omdat ik geloof in de NPO en de omroepen samen, omdat ik hen in goed vaarwater wil brengen en omdat ik hen sterker wil maken de komende vijf jaar. Daartoe heb ik voorstellen gedaan voor transparantie, onafhankelijkheid en een brede taakopdracht. Daar strijd ik voor. Uiteindelijk moet je keuzes maken en die keuzes zijn gemaakt. Daar sta ik voor. De heer Van Dijk zegt dat ik een belofte heb gebroken, maar dat is gewoon niet waar. Er is vanaf dag één gezegd dat we stapsgewijs, in drie fasen, gaan hervormen. Dit is de laatste fase, het sluitstuk. Daar sta ik voor.

De heer Grashoff (GroenLinks):


Ik grijp even terug op het stuk van het betoog van de heer Mohandis waarin hij een heel positief beeld schetste van de publieke omroep in Nederland. Daarin ging hij ook in op amusement, vermaak of verstrooiing. Vindt de heer Mohandis dat de balans in de publieke omroep ten aanzien van het aspect van amusement en de andere taakvelden eigenlijk gewoon prima is en dat er op dat gebied in de nieuwe wet niets verandert? Of ziet hij wel degelijk dat daar een verandering in optreedt? En welke verandering ziet hij dan?

De heer Mohandis (PvdA):


Ik refereer even aan de discussie die we vorig jaar tijdens het wetgevingsoverleg over dit onderwerp hadden. Toen werd gezegd dat als je het hebt over programma's, je altijd de discussie kunt voeren over de vraag of het puur amusement is of amusement met informatie. Daarom blijf ik altijd weg bij die discussies: omdat je er niet uitkomt en omdat ik het ook niet vind passen dat we dat hier met elkaar bespreken. Als ik kijk naar het voorstel van het kabinet, dan is het ook niet de bedoeling dat er amusement is om het amusement. Volgens mij is er duidelijk voor gekozen om de kerntaken goed neer te zetten. Een publieke omroep met alleen amusement is niet mijn publieke omroep. Laat ik dat gewoon heel duidelijk naar voren brengen. Ik heb de staatssecretaris op zich nooit horen zeggen dat amusement verdwijnt. Dat werd ook beweerd. Hij heeft programma's genoemd, wat ik onverstandig vond. Daar heb ik me ook over uitgelaten. Maar ook de staatssecretaris heeft nooit gezegd dat amusement verdwijnt.

En wat goed is, is dat we de wet zo hebben vormgegeven dat de kerntaken helder zijn, dat scherpere keuzes altijd gemaakt moeten worden en dat de discussie door de makers en door de publieke omroep gevoerd moet worden. Die moeten we niet hier voeren op programmaniveau. We doen hier geen voorstel om vervolgens te zeggen: volgens mij gaat er niets veranderen. Nee, er moet wel degelijk iets veranderen. Daar sta ik voor.

De heer Grashoff (GroenLinks):
Het wordt er met dit antwoord niet heel veel duidelijker op. Er wordt een taakveld geschrapt in de wet. Vervolgens is het de vraag wat dat nu verandert. Natuurlijk vraag ik de heer Mohandis niet om naar individuele programma's te verwijzen, natuurlijk vraag ik niet om te zeggen: die wel en die niet. Maar wat is nu volgens de heer Mohandis de wezenlijke verandering die optreedt?

De heer Mohandis (PvdA):


Wat ik belangrijk vind, is dat altijd de vraag wordt gesteld of een programma past. Die vraag moet dan gesteld worden door de makers en door de publieke omroep. Die discussie moet scherper worden. Nogmaals, een publieke omroep met alleen maar amusement zou niet mijn publieke omroep zijn. Maar ik zeg ook niet dat de publieke omroep nu alleen maar amusement is. Dat betekent niet dat je die discussie niet scherper met elkaar mag voeren, maar het moet dan wel over de kaders gaan. Het gaat om de vraag: hoe kijk je dan naar de kaders die gesteld waren, waarin er sprake moest zijn van verstrooiing? Wat mij betreft moet dat niet het geval zijn, maar je moet het wel mogelijk blijven maken om die kerntaken meer positie te geven binnen de gehele taakopdracht. Daar draait het uiteindelijk om.

En gaat het iets veranderen? Ja, ik ga er wel van uit dat het iets gaat veranderen. Anders moet je dit voorstel niet doen. Daarom steun ik het ook.

De voorzitter:
Mijnheer Mohandis, was u klaar met uw betoog?

De heer Mohandis (PvdA):


Ja.

De voorzitter:


Dan geef ik tot slot van de zijde van de Kamer het woord aan de heer Klein.

De heer Bosma (PVV):


Voorzitter. Met uw welnemen. Ik heb een kleine opmerking van orde. We naderen het hoogtepunt van het debat: de inbreng van de heer Klein in eerste termijn. Daar gaan we allemaal goed voor zitten. Daarna moeten we wellicht nog even schorsen. Daarna krijgen we het antwoord in eerste termijn van de staatssecretaris. Ik stel vast dat de staatssecretaris geen meerderheid heeft in de Eerste Kamer. Partijen moeten dus nog overtuigd worden. Er moeten misschien nog wat toezegginkjes gedaan worden. Vervolgens krijgen we nog een tweede termijn, et cetera. Ik zie de zon nog wel opkomen als we op deze manier doorgaan. Is hier niet een mouw aan te passen? Kunnen we niet gewoon stoppen na de eerste termijn van de Kamer en een andere keer verdergaan? We moeten een serieus debat voeren. Het is een zeer serieus onderwerp. Straks vallen we gewoon om van de slaap, bij wijze van spreken.

De voorzitter:


Ik heb net een afspraak met u gemaakt om het debat wel te voeren. U doet nu een verzoek om na de eerste termijn te schorsen. Het is eigenlijk een ordevoorstel. Ik kijk even naar de leden.

De heer Verhoeven (D66):


Geen steun. Als de SP een serieus debat wil, heeft zij die kans in haar eigen inbreng verspeeld. Excuses, ik moet zeggen PVV.

De heer Bosma (PVV):


Het is al te laat voor je, hè!

De heer Verhoeven (D66):


Ik zou dus zeggen: gewoon doorgaan met het debat. De voorzitter heeft er ook alles aan gedaan om, waar het de inbreng van de Kamer betreft, het debat zo kort mogelijk te laten zijn. Laten we dan nu ook gewoon doorgaan. D66 wil het debat dus gewoon afmaken.

De heer Rutte (VVD):


Het wordt inderdaad laat, maar laten we maar gewoon doorgaan. Er is nauwelijks ruimte om een eventuele tweede termijn later in te plannen en dan wordt het nog weer een keer nachtwerk. Dan hebben we nog een keer dezelfde problemen. Laten we dus maar even op de tanden bijten en doorgaan.

De heer Mohandis (PvdA):


Als de heer Klein zijn spreektijd aanpast aan die van mij, gaat het straks iets sneller. Het is echter vooral belangrijk om te constateren dat we volgende week ook een volle agenda hebben. Volgens mij moeten we even doorbijten. Ik geef dus geen steun voor het verzoek.

De heer Jasper van Dijk (SP):


Ik kan tellen. Ik wil echter toch zeggen dat ik het niet verstandig vind om hier tot drie uur in de nacht te gaan zitten. Wat mij betreft stellen we het dus uit.

De heer Klein (Klein):


Dit is een wetsbehandeling. Dat betekent dat we zonder tijdsdruk met elkaar kunnen praten en discussiëren, zonder haast. Kortom: zorgvuldige wetgeving vraagt om een zorgvuldige discussie. Dat betekent dat we er nu rustig nachtwerk van kunnen maken, of zelfs een nacht-tv-programma. Dat is akkoord; als we dat willen en zorgvuldig vinden, dan zij het zo. Het lijkt mij echter veel beter om dat volgende week te doen. Het ligt niet aan de Kamer dat we nu pas dit wetsvoorstel bespreken. Dat had de regering al veel eerder naar de Kamer kunnen sturen.

De heer Segers (ChristenUnie):


Ook ik kan tellen. Voor de Handelingen zeg ik echter dat ik het voorstel steun. Ik denk dat we op een fatsoenlijke manier moeten debatteren en dat betekent dat we dat doen op fatsoenlijke tijden. Ik steun dus het ordevoorstel.

De heer Grashoff (GroenLinks):


Hoe aantrekkelijk het ook kan zijn om er vanavond maar vanaf te zijn, ik voorzie dat het wel zo bijzonder laat gaat worden dat ik dat eigenlijk niet meer verantwoord vind. Ik steun dus het voorstel.

De voorzitter:


Ik concludeer toch dat er een meerderheid voorstander van is om dit debat in zijn totaliteit vanavond te voeren, zowel de eerste termijn als de tweede termijn. Ik geef nu dus het woord aan de heer Klein voor zijn inbreng in de eerste termijn.

De heer Klein (Klein):


Voorzitter. Ik wil allereerst de staatssecretaris graag bedanken voor de uitvoerige beantwoording van de vele vragen die ik heb gesteld naar aanleiding van het wetsvoorstel en voor wat is neergelegd in de nota naar aanleiding van het verslag. Ik wil mijn bijdrage graag richten op ongeveer een tiental onderwerpen: het belang van de publieke omroepen, de buitenproducenten, de onbewezen stellingen, holle wetteksten, het NPO-fonds, de regionale omroep, de publieksbetrokkenheid, het concessiebeleidsplan, wat varia, de Grondwet en tot slot een aantal amendementen waar ik het nog niet over gehad heb. Ik vind namelijk dat je, als je een hoop kritiek hebt, altijd wel moet proberen te streven naar een verbetering van het wetsvoorstel. Dat betekent dat ik ook een zevental amendementen heb ingediend.

Waarom hebben we in Nederland een publieke omroep? Daar zijn de collega's natuurlijk niet in geïnteresseerd, maar de heer Bosma gelukkig wel. Waarom zouden we overheidsmiddelen in een publieke omroep steken? De Kamer zegt: de kijker moet centraal worden gezet. Dat wordt als een mantra gepropageerd. Maar wie is de kijker? Net zo goed als "de kiezer" alleen maar een idee is en alleen maar een aanduiding van mensen die het kiesrecht hebben, is "de kijker" fictief, ongedefinieerd en onbepaald. Of denkt de staatssecretaris dat hij wel weet wie de kijkers zijn? Er zijn pakweg 17 miljoen kijkers. Dat zijn dus mensen met heel veel verschillende voorkeuren, achtergronden, geloofsovertuigingen en leeftijden. Kortom: het is een enorme veelkleurigheid en verscheidenheid. Voor die 17 miljoen mensen wil de staatssecretaris gaan bepalen wat wel of niet een goed aanbod is. De staatssecretaris als "de grote leider". Daarom heb ik met verbijstering de wijziging van de voorliggende Mediawet gelezen. Wat wordt nu beoogd en waar leidt dit toe?

Vanuit vrijzinnig perspectief betekent publieke omroep dat de omroep een onderdeel vormt van het publieke domein. Kernwaarde voor vrijzinnige politiek is zeggenschap van burgers binnen het publieke domein. In het openbaar bestuur vertaalt zich dat door verkiezingen te houden, waarbij verschillende stromingen in de samenleving zich in de volksvertegenwoordiging kunnen laten vertegenwoordigen. Dat wordt ook wel representatieve democratie genoemd. Ook de omroep in het publieke domein heeft pas waarde als die representativiteit inhoud krijgt. In onze publieke omroep-geschiedenis is ervoor gekozen om die representativiteit te realiseren door omroepverenigingen, die op basis van ledental en onderscheidendheid erkenning kunnen krijgen. De publieke omroep heeft de publieke opdracht om spiegel van de samenleving te zijn, een spiegel die belangrijk is om verschillen in de samenleving van lokaal tot globaal, van één plaats tot de hele wereld, zichtbaar en toegankelijk te laten zijn voor een breed publiek.

Het idee daarbij is dat door deze zichtbaarheid van verschillen een beter begrip kan ontstaan en samenleven ook echt samenleven wordt. Zeker in een tijd waarin juist verschillen leiden tot minder begrip, willen vrijzinnigen dit juist blijven benadrukken. Externe pluriformiteit betekent dat iedereen die aan eisen voldoet kan deelnemen aan het publieke domein; de publieke omroep. Die toegankelijkheid staat nog steeds voorop. Door deelname aan de publieke omroep wordt de legitimiteit bepaald. Belangrijk punt daarbij is dat in de loop van de tijd het een wettelijk vereiste is geworden dat alleen verenigingen een erkenning voor toetreding tot de publieke omroep kunnen krijgen. Dat was vroeger anders; denk maar aan stichtingen als de TROS. Juist door te kiezen voor de verenigingsvorm is recht gedaan aan de basale democratie; medezeggenschap in de vereniging van leden en door leden. Deze principiële keuze blijft het uitgangspunt voor vrijzinnige omroeppolitiek. Zonder medezeggenschap en zonder omroepverenigingen is er geen rechtvaardiging van het publieke omroepbestel, waarin publieke mediadiensten worden aangeboden. Daarin zit het principiële verschil met de commerciële omroep.

Het is een verkeerd beeld dat de commerciële omroep in het programma-aanbod anders zou zijn dan de publieke omroep. Terecht wijst de staatssecretaris in de beantwoording dan ook op het publieke karakter van het programma-aanbod van de commerciële omroep. Dat verklaart ook dat in feite alle programma's tussen commerciële omroep en publieke omroep in principe uitwisselbaar zijn. Relevant is de vraag of het programma inhoudelijk past bij het profiel van de zender en — in het geval van de publieke omroep — past bij de missie van de omroepvereniging en past bij de wettelijke publieke taken op het gebied van informatie, cultuur, educatie en amusement. Amusement blijft overigens, zij het via een wat andere constructie. Maar dat is maar cosmetisch.

"Passend bij een profiel van een zender" is ongeacht of deze commercieel of publiek is. NPO 2 als verdiepende journalistieke zender of RTL 7 als mannenzender kan centraal gecoördineerd worden door de NPO of door de directies van de commerciële zenders. Het unieke van de inhoud van de programma's op de publieke zenders is dat daar een democratische verantwoording binnen de omroepvereniging kan plaatsvinden. Een overheidssturing op inhoud is dan ook nooit goed. Die sturing kan leiden tot een direct gestuurde staatsomroep, zoals bijvoorbeeld in Noord-Korea, waar sprake is van censuur, of een indirect gestuurde staatsomroep, door prestatie-opdracht en benoemingsbeleid. Dat laatste lijkt verdacht veel op de staatsomroep NPO die in Nederland ontstaat. In een proces van jaren wordt geleidelijk het hele democratische omroepbestel afgebroken. Als nitwittige, geldverspillende clubs worden omroepverenigingen en hun 3,5 miljoen leden weggezet. Met "de kijker centraal" wordt bedoeld dat de publieke omroep direct en stevig moet concurreren met de commerciële omroepen. Dat is een oneigenlijke concurrentie, omdat de staatsomroep NPO gesubsidieerd wordt en nu niet meer aan profileringseisen hoeft te voldoen. Daarentegen blijft de commerciële omroep juist met handen en voeten gebonden aan hoofdstuk 3 van de Mediawet. Een amendement op dit punt heb ik al ingediend.

Het is volstrekt duidelijk dat de staatssecretaris de VVD-richting op wil. Hij wil toe naar het verder uitkleden van de omroepverenigingen als oude, zogenaamd verzuilde rudimenten in de overgang naar een geheel staatsgestuurde en ondemocratische NPO. Het publieke domein zonder publieke vertegenwoordiging. Dan is de terechte vraag of we daar nog wel geld in moeten stoppen. Mij lijkt dat dan inderdaad het PVV-model uitgevoerd kan worden, dus stop maar met de publieke omroep en koop als overheid wat zendtijd bij commerciële zenders in voor uitzendingen van nationaal belang. Dat is in mijn visie een volstrekt foute route, die echter in de afgelopen jaren wel is ingezet, met de centrale sturing, met de reeds gebeurde clustering van omroepverenigingen, met een rupsje-nooit-genoeg, het NPO, en met de uitdijende staatsgestuurde taakomroepen NOS en NTR. Nu volgt de volgende slag: het voorliggende wetsvoorstel om de Mediawet te wijzigen en om de publieke omroep daadwerkelijk een echte staatsomroep te laten worden. De kijker staat niet centraal, de kijker wordt gepiepeld. Nu de omroepverenigingen hun zendtijd en plaatsingsgaranties inleveren, worden ze aan de goden — de NPO-netcoördinatoren en nu ook alweer een NPO-genrecoördinator — overgeleverd.

De staatssecretaris schrijft in de memorie van antwoord dat de mate waarin het aanbod onderscheidend is, richtinggevend moet zijn. Dat is mooi. De staatssecretaris zegt ook dat die keuzes niet aan hem zijn en dat hij die keuzebevoegdheid graag aan de NPO geeft. Zo worden er in dit wetsvoorstel meer bevoegdheden aan de NPO gegeven om die keuzes daadwerkelijk te maken. De NPO is te afhankelijk van keuzes en voorstellen die de omroepen doen en die logischerwijs niet in het belang zijn van het geheel. Het is nu echter net de kern van het publieke stelsel dat wij hier kennen, dat we de inhoud niet laten bepalen door de NPO, maar door de omroepverenigingen en in dit verband ook de taakomroepen, hoewel die ook wat minder zouden kunnen.

Wat betekent dat? Het leidt er alleen maar toe dat er een soort willekeur ontstaat en dat de publieke omroepverenigingen simpele productiehuizen worden. Die mogen wat leveren, maar het enige wat nog overeind blijft, is de subsidiegarantie, al wordt die reeds stukje bij beetje verminderd. De nieuwste truc wordt nu de introductie van de zogenaamde toegang van buitenproducenten. Wat een belachelijke redenering om die clubs worsten voor te houden! Een garantie op uitzending is er echter niet. Je hebt als buitenproducent geen enkele garantie dat je geplaatst wordt. Het is dus een dode mus. Omroepverenigingen hoeven gelukkig formeel geen voorstellen door de strot geduwd te krijgen, maar de NTR wel. Die kan, zo lees ik in de stukken, hooguit bezwaar en beroep aantekenen. Bij wie wordt dat ingesteld? En wordt het besluit van de NPO dan geschorst tot het beroep of bezwaar is afgehandeld?

De omroepverenigingen kunnen formeel weigeren, maar ze kunnen vervolgens op allerlei manieren afgeknepen worden door de NPO, bijvoorbeeld door een ongunstige plaatsing van programma's of botweg door het afwijzen van programma's die zogenaamd niet zouden passen bij de publieke opdracht zoals de NPO die invult. Dat is ook de reden waarom het kunnen plaatsen van externe programma's echt volstrekt ongeloofwaardig en onheus is. Je zou kunnen zeggen dat ze er te weinig bij betrokken worden, maar de Europese vereiste is 10% voor buitenproducenten. In Nederland hebben we 16,5% als eis gesteld. In werkelijkheid is het op dit moment 30,6%. Aan het betrekken van buitenproducenten bij de publieke omroep kan het dus niet liggen.

Waar ligt het dan wel aan? Het komt eigenlijk op iets heel anders neer, namelijk een heleboel vooringenomenheid, onbewezen stellingen en wollige teksten die worden geproduceerd. Als je oppervlakkig de staatssecretaris volgt, en dat doen de meeste gansjes, dan is de publieke omroep niet relevant, niet creatief, niet innovatief, niet toekomstgericht, niet toekomstbestendig en nog een paar open deuren. Dat is gemakkelijk gezegd om een beetje leuk de publieke omroep te bashen. Verdedigen is niet mogelijk en het gaat erin als koek.

Vervolgens vraag je je af: waar zijn die kwalificaties dan allemaal op gebaseerd, bijvoorbeeld als het gaat over creativiteit? Deze toegang moet door externen worden verzorgd omdat er geen sprake is creativiteit. Uiteindelijk gaat het om de beste ideeën, de beste creatieve ideeën. Volgens de staatssecretaris moeten die leiden tot een creatieve competitie. Maar het is helemaal geen competitie. Het zijn gewoon ideeën. Er is pas een competitie als er iets gewonnen kan worden, als je idee overgenomen wordt. Maar dat is van alle tijden. Steeds hebben alle buitenproducenten bij de omroepverenigingen en bij de taakorganisaties producten kunnen aanleveren. Vervolgens worden die wel of niet opgenomen in de programma's van de betrokken omroepvereniging. Bedoelt de staatssecretaris soms dat er helemaal geen creatieve programma's gemaakt worden? Dat kan natuurlijk ook. Dan betekent het dat er ineens wel creatieve programma's komen, wat in het verleden kennelijk niet het geval was; een gotspe dus.

Vervolgens roept de staatssecretaris in alle kranten dat de publieke omroep relevant moet worden. De heer Mohandis deed dit net ook. Wie bepaalt dat? Wanneer is het relevant? Wanneer is het programma relevant? Dat zijn discussies waar je nooit uitkomt. Wat ik relevant vind, hoeft de staatssecretaris niet relevant te vinden. Iedere inhoudelijke discussie over een programma is gedoemd te mislukken in een open democratie. Iedereen mag namelijk vinden wat hij of zij wil. Dat is ook de basis van vrijzinnigheid. Als je een staatsomroep met centrale sturing realiseert, wat nu in mijn ogen gebeurt, laat het je aan een paar ondemocratisch aangestelde lieden over. Prima, die lieden bedoelen het goed, maar zij bepalen wel de maat der dingen: relevant of irrelevant. Willen wij die weg opgaan in een open, democratisch, vrijzinnig Nederland?

De raad van bestuur beveelt aan om innovatie aan de wet toe te voegen. Vervolgens gebeurt dat ook. Maar innovatie kan nooit een doel zijn. Innovatie is een term om iets te bereiken. Het is een leeg containerbegrip waar het de inhoud betreft. Het zegt niets want je weet niet wat innovatie is. Het is een proces en hoe kun je dat bevorderen? Daar kun je wel iets aan doen. Hoe kun je daarmee een markt winnen of behouden? Ik heb jaren innovatieprojecten begeleid en altijd gaat het erom, een product of een dienst zo te maken dat je de markt, in dit geval de publieke omroep, de kijker of een deel van de kijkers, weet te boeien of te amuseren.

Kwaliteit is ook een belangrijk criterium. Wat is kwaliteit? Ook daar kun je allerlei waarden op loslaten die helemaal niet gedefinieerd zijn en waar je als overheid uiteindelijk buiten moet blijven. Als de NPO dat inhoud wil geven, heeft de NPO inhoudelijke, brongebonden sturing nodig. Waar is dat allemaal op gebaseerd? Nergens wordt aangegeven waarom dit moet. Er is maar één ding en dat is de bron, het rapport van de Raad voor Cultuur De tijd staat open. Dat wordt veelvuldig te pas en te onpas als bron vermeld. Maar dat is gewoon papegaaien. In dat hele rapport wordt niets bewezen. Het zijn slechts aannames vanuit de perceptie van de opstellers, brave mensen daar niet van, maar er is geen enkel hard cijfer. Integendeel, de NPO-zenders zijn de best bekeken tv-zenders in Nederland. Zo slecht doen die omroepverenigingen het dus niet.

Het hele rapport van de Raad voor Cultuur is een soort trendwatching, glazenbollenkijken, volstrekt nietszeggend, maar wel leuk als discussiestuk. Maar het wordt nu opgevoerd als bewijs voor platitudes en, nog erger, als reden om de Mediawet te wijzigen. Nog erger dan het advies van de Raad voor Cultuur is dat de staatssecretaris verwijst naar de reacties van NDP Nieuwsmedia, de Vereniging van Onafhankelijke Televisie Producenten, Filmproducenten Nederland, de Documentaire Producenten Nederland, de Vereniging voor Nederlandse Animatieproducenten en het Filmfonds. Die willen graag allemaal gebruikmaken van de mogelijkheden tot innovatie, creativiteit en openheid waarmee de publieke omroep ineens verrijkt zou worden. Dank je de koekoek! Dat is natuurlijk logisch. Zij hebben een commercieel belang om programma's die het nu niet halen en die ze nu niet kunnen verkopen bij de omroepverenigingen, toch te kunnen verkopen. Daar is op zichzelf niets mis mee. Dat is het goed recht van een commerciële onderneming, maar het is ondeugdelijk als argument.

Er wordt vaak gezegd dat het probleem is dat wij allemaal compromissen hebben in deze publieke omroep. De omroeporganisaties, dat zegt ook de staatssecretaris, hebben hun eigen missie en visie en werken in grote lijnen op basis van de opdracht die zij van een vereniging en haar leden meekrijgen. Dat is de basis voor de erkenning. Daarmee komt niet vanzelf de programmering tot stand die volgens de staatssecretaris alle groepen in de samenleving bedient. Wij hebben een open systeem om ervoor te zorgen dat ook PowNed, WNL, omroep MAX, de VPRO en de EO binnen de publieke omroep hun plaats kunnen krijgen. De regering vindt het onwenselijk dat dit allemaal gebeurt en stelt vervolgens maatregelen voor die in het belang zouden zijn van de gehele publieke omroep en die 17 miljoen Nederlanders als uitgangspunt hebben. Kortom, het gevolg hiervan is puur staatsdirigisme. Het leidt tot een stuk eenheidsworst binnen de publieke omroep waarmee de democratische basis van de publieke omroep en het bestaan daarvan onderuitgehaald wordt. Vrijzinnigheid laat juist ruimte voor die omroepverenigingen en voor die externe pluriformiteit. Niet alleen de programma's staan dan voorop, maar juist ook het doel dat je met elkaar beoogt.

Ik kom nu bij het NPO-fonds. Ik heb het doorgelezen en mijn vraag is heel simpel. Wat is het verschil tussen het Mediafonds, waar 16,6 miljoen euro in zit, en het NPO-fonds? Het verschil is helemaal niet duidelijk. Sterker nog, er wordt door de staatssecretaris aangegeven dat de oormerking van het budget in prestatieafspraken zal worden vastgelegd en ook jaarlijks — daar zijn wij blij mee — zal worden verantwoord. Er zit een hele regelgeving achter. Het verschil met het Mediafonds is helemaal niet aan de orde. Sterker nog, de systematiek van het Mediafonds is gelijk aan die van het NPO-fonds, met dien verstande dat wij nog wel een paar problemen zien. Een van de problemen waar ik van de staatssecretaris graag een antwoord op hoor, is het punt van de regiodocumentaires. De regionale omroepen konden ook een beroep doen op het Mediafonds. Nu is alles bij de NPO ondergebracht en niet bij de RPO. De regio's zullen nu zelf weer naar het NPO-fonds moeten gaan. Wil de staatssecretaris een garantie geven dat ook de regiodocumentaires geoormerkt zullen worden in het budget van het NPO-fonds?

Ik had de duur van de concessie voor de regionale omroep liever langer gezien. Inmiddels heb ik wat zorg over de timing en de tijdigheid om de veranderingen door te voeren en de bezuiniging, die wij met elkaar hebben afgesproken, te kunnen halen. De staatssecretaris doet er bijna drie jaar over om met dit beleid te komen en nu moet met stoom en kokend water de uitvoering in een jaartje plaatsvinden. Kan de staatssecretaris garanderen dat het beperken van de concessieduur van tien tot vier jaar alleen te maken heeft met een gelijkleggend beleid tussen NPO en RPO? Leidt dit niet weer tot nieuwe discussies over de integratie van de landelijke en regionale omroep? De regionale omroep krijgt wel heel laat te weten waar zij aan toe is en moet nu in een goed jaar alle wijzigingen doorvoeren. Is dit reëel? Vindt de staatssecretaris dit zorgvuldig, vooral ook naar de medewerkers? Is hij bereid de oorzaak en de financiële consequenties ervan niet bij de regionale omroepen te leggen, maar die zelf te nemen en verdere gesprekken aan te gaan met de ROOS en de toekomstige RPO?

De RPO als coördinator kan natuurlijk heel erg positief uitpakken. Ik vind dat op zichzelf een goede ontwikkeling in het belang van de regionale omroepen. Onduidelijk is nu hoe die noodzakelijke en door de staatssecretaris geprezen onafhankelijkheid van het programma-aanbod en daarmee vaak samenhangende activiteiten op locaties in de provincies kunnen worden gegarandeerd. Omrop Frieslân, met een eigen wettelijk verankerde taal, zal zelf inhoud moeten kunnen blijven geven aan zijn doelstellingen binnen de grenzen van de Mediawet. Graag een verdere verduidelijking op dit punt.

Ook horen wij graag een nadere toelichting en verduidelijking ten aanzien van de positie van de lokale omroepen. De heer Mohandis, die ik even niet zie, had het er net ook over. De NLPO (Stichting Nederlandse Lokale Omroepen), met 20.000 vrijwilligers en 500 medewerkers, heeft een belangrijke basis in onze samenleving. Toch zien wij daar, waar het gaat om de publieke omroep, nu niets van. Wij willen dat daar duidelijkheid over komt. Ook moet de ondersteuning beter.

Dan de publieksbetrokkenheid. Er wordt aangegeven dat het gaat om 17 miljoen kijkers en 3,5 miljoen leden, met alles wat daarbij hoort. Dat wordt te weinig gevonden. De publieksbetrokkenheid zou dus vergroot moeten worden, maar hoe en wat blijft volstrekt onduidelijk. Vaagheid is op dat punt troef. Daarom dien ik een amendement in. Als de publieksbetrokkenheid inhoud gegeven moet worden, moet dat worden gedaan in samenwerking met de omroepverenigingen. Die zijn per slot van rekening in alle haarvaten van onze samenleving aanwezig. Een idee voor een vervolg zou kunnen zijn om die publieksbetrokkenheid daadwerkelijk te vergroten door omroepverkiezingen. Omroepverkiezingen bieden de gehele Nederlandse bevolking ruimte en kunnen ervoor zorgen dat een goede verdeling plaatsvindt van de verschillende stromingen in de publieke omroep. Mensen kunnen immers stemmen op omroepverenigingen en iedereen die meent dat hij een bijdrage kan leveren aan de publieke omroep. In mijn tweede termijn kom ik daarop terug met een motie.

Over het concessiebeleidsplan van de NPO ga ik inhoudelijk nog niet zo veel zeggen. Er komt nog een reactie op. Wat wel merkwaardig is, is de timing en de manier waarop een en ander loopt. Er wordt een concessiebeleidsplan gemaakt op basis van de Mediawet zoals die op dit moment geldt, dus de Mediawet 2008. Vervolgens wordt er gezegd: u moet wel een concessiebeleidsplan maken alsof de nieuwe wet er al is. Dan blijkt nog een en ander vaag te zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag staat een aantal steken onder water richting te NPO en het College van Omroepen in de trant van: jullie hebben het niet goed ingevuld en jullie hadden het veel beter moeten doen. Ik vind het een uitermate onzorgvuldige handelwijze en, zoals ik eerder zei, rechtsstatelijk heel erg onlogisch. Als gevraagd wordt aan de NPO om te zorgen voor een concessiebeleidsplan, is het logisch dat zij dat maken op basis van de vigerende wet en niet op basis van iets wat mogelijkerwijs al dan niet geamendeerd op een later moment aangenomen wordt. Dat lijkt mij het omdraaien van de zaken.

Ik heb nog een tweetal varia, zoals mooi heet. Ten eerste heb ik de staatssecretaris schriftelijke vragen gesteld over de betaling van gasten in talkshows. Ik wil niet weten hoeveel ze krijgen, hoewel dat vanmorgen keurig in het Algemeen Dagblad heeft gestaan. Het is echter belangrijk dat je kunt praten over journalistieke integriteit. Wie zit daar als amusement en wie zit daar daadwerkelijk als gast om te duiden? Gasten die betaald worden, hebben bovendien natuurlijk een enorm belang om nog een keer terug te komen, dus die moeten vooral leuk blijven om daarna nog een keer te kunnen vangen. Ik wacht met belangstelling de antwoorden op de vragen daarover af.

Er is ook gesproken over transparantie over de kosten van programma's. Ik ben op zich voor een goede verantwoording van de uitgaven die met publiek geld zijn gedaan, maar ik ben geen voorstander van transparantie om de transparantie. Je kunt die programma's namelijk niet sturen. We willen met z'n allen bijvoorbeeld dat transparant is wat aan het spoor wordt uitgegeven. Dat willen we omdat we op dat punt kunnen sturen. Hoe kunnen we het Nederlandse spoor nóg beter maken? Bij programma's is dat echter niet aan de orde, tenzij we inderdaad willen gaan naar een systeem waarbij censuur mogelijk is en er achteraf over programma's kan worden gediscussieerd.

Ook ik heb de petitie over Radio 6 ontvangen en gesteund. Het is een belachelijk idee om een stukje van Radio 6 te voegen bij Radio 2. Radio 2 gaat juist steeds meer op een commerciële zender lijken, met een top 2000, met acht dagen "The Eighties" et cetera. Kortom, het lijkt me geen goed idee om Radio 6 op te heffen.

In een ander verband heb ik al een discussie gevoerd over de grondwettelijke toetsing. De Kamer zou veel meer aandacht moeten hebben voor de grondwettelijkheid van wetsvoorstellen. Het is verstandig om in dit verband te kijken naar artikel 7, lid 2 van de Grondwet. Daarin staat dat er geen voorafgaand toezicht op radio en tv mag zijn. Het is nog maar de vraag of dit met dit wetsvoorstel niet sluipenderwijs wordt ingevoerd. Op die manier zou er strijdigheid met de Grondwet ontstaan. Volgens mij zou dat een heel slechte zaak zijn. We willen onze Grondwet immers hooghouden. Ik hoor hierop graag een reactie van de staatssecretaris.

Ik kom op de amendementen, voor zover ik die nog niet heb besproken. Er is een amendement ingediend over de sturing. Het is volstrekt duidelijk dat wij op geen enkele wijze toe moeten naar sturing door de NPO. We moeten alleen maar werken met de huidige systematiek van samenwerking en coördinatie. De NPO moet samenwerking bevorderen en coördineren, niet sturen.

Met de heer Van Dijk heb ik een amendement ingediend over het verbeteren van de checks-and-balances. Het gaat daarbij over een advisering door het College van Omroepen bij bindende regels van de NPO. Dat moeten we veel beter borgen in deze wet. Daarmee kunnen we een gelijkwaardige positie creëren voor de omroepverenigingen en de NPO.

Er staat ook nog een heel raar artikel in. Daarin staat dat de NPO één redactie mag gaan invoeren. Dat lijkt mij een beetje raar. Wij stellen voor om drie redacties te maken, namelijk een voor beeld, een voor geluid en een voor internet. Dat lijkt ons veel beter dan het instellen van een soort centrale redactie die gaat over alle diensten.

Het is belangrijk om de profilering te behouden. Er is gezegd dat die profilering eruit moet, maar die biedt nou juist de mogelijkheid om een onderscheid aan te brengen tussen de verschillende zenders. Die profilering biedt ook de mogelijkheid om niet op de inhoud in te gaan, maar op bijvoorbeeld de vraag waarom een zender een journalistieke zender is. Die profileringseis die op dit moment in de wet staat, moet wat mij betreft in de wet blijven staan.

Verder heb ik nog een amendement ingediend over de voordracht bij de benoeming van de raad van toezicht van de NPO. Daarover voerden we ook al een klein debatje. Het kan toch niet zo zijn dat die sturing vanuit de staat — er is al steeds meer sprake van een staatsgestuurde NPO — extra nadruk krijgt in het benoemingsbeleid. Daarom stel ik een benoemingsbeleid voor waarin een onafhankelijke commissie bindend advies zou kunnen gaan geven. Zo gaat dat ook met de vertrouwenscommissie in de gemeente. Dat is een vergelijkbare situatie.

Vrijzinnige politiek betekent dat wij op alle vlakken van het publieke domein medezeggenschap moeten hebben en dus ook bij de omroep. Wij moeten ervoor zorgen dat de medezeggenschap daar goed geregeld is. Op dit moment vindt de medezeggenschap plaats via de omroepverenigingen. Wat ons betreft zal dat zo moeten blijven. De omroepverenigingen moeten een sterkte positie houden, maar met dit wetsvoorstel wordt die sluipenderwijs steeds meer onderuitgehaald.

De

1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   14

  • Mohandis
  • Jasper van Dijk
  • Verhoeven

  • Dovnload 497.49 Kb.