Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst (34264)

Dovnload 497.49 Kb.

Het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst (34264)



Pagina9/14
Datum28.10.2017
Grootte497.49 Kb.

Dovnload 497.49 Kb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14
voorzitter:
Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer.

De vergadering wordt van 23.45 uur tot 00.00 uur geschorst.

Staatssecretaris Dekker:
Voorzitter. We spreken vandaag over de wijziging van de Mediawet. Het voelt een beetje als 3FM Serious Request: we gaan gewoon door totdat we klaar zijn.

Ik gaf in oktober 2014 in een brief een visie op het toekomstige bestel van de publieke omroep. Nu is die vertaald in een wetsvoorstel. Dat het wetsvoorstel veel heeft losgemaakt, blijkt ook wel uit de vele reacties het afgelopen jaar, bijvoorbeeld in de Kamer. Een eervolle vermelding is er voor de heer Klein, met maar liefst 100 van de in totaal 300 vragen. Fantastisch. Het blijkt ook uit de vele brieven die we hebben ontvangen, de gesprekken die zijn gevoerd met de NPO, de Raad voor Cultuur, het Commissariaat voor de Media, de onafhankelijke televisieproducenten, de Vereniging Commerciële Omroepen, het Nederlands Filmfonds, Filmproducenten Nederland en andere producentenorganisaties. Dat is een goed teken. Dit betekent dat het echt leeft.

Er zijn positieve reacties. De Raad voor Cultuur geeft het belang aan van een nieuw stevig fundament om de publieke omroep toekomstbestendig te maken. Onafhankelijke producenten zijn enthousiast over het openen van de luiken van het publieke bestel. Ook was er bijval voor de oproep voor een meer onderscheidende omroep.

Er waren ook kritische reacties. Er waren mensen die riepen dat er toch nooit wat gaat veranderen in Hilversum of die stelden dat Den Haag zich te veel met de programmering in Hilversum bemoeit. Er waren omroepen die zich kritisch hebben uitgelaten. Ik begrijp dat de omroepen niet met elk onderdeel van het wetsvoorstel even blij zijn, maar ik zie gelukkig wel dat er al vrij snel nadat het wetsvoorstel in de Kamer lag, een gezamenlijke brief kwam van de NPO en de omroepen, die toegezegd hebben voortvarend aan de slag te gaan binnen de kaders van de nieuwe Mediawet.

Die voortvarendheid is hard nodig als we kijken naar alle veranderingen om ons heen. Het is een tijd waarin het medialandschap enorm aan het vernieuwen en veranderen is. Het is een tijd waarin bij wijze van spreken de dagelijkse video's van een vlogger als Enzo Knol beter worden bekeken dan een populair tienerprogramma als SpangaS. Er werd wat gezegd over de opkomst van Netflix. Die is enorm. 1,3 miljoen huishoudens hebben een abonnement op Netflix, in een tijd van twee jaar. Hoe verandert het televisiekijken? Dat gebeurt steeds meer online en steeds meer non-lineair, wat uiteindelijk ten koste gaat van het lineaire, traditionele televisiekijken. Nederlandse jongeren besteden nog maar 30% van hun videotijd aan ouderwetse televisie. Daarom vind ik het zo belangrijk dat de NPO met de publieke context ook actief is op allerlei andere platforms. Het medialandschap verandert in een razend tempo. Het mediagebruik verandert. Er zijn nieuwe internationale spelers en nieuwe distributiemethoden. Het aanbod is bijna oneindig. Ik vond het mooi dat de heer Rutte in zijn betoog even terugging naar hoe het vroeger was, toen we alleen maar de publieke omroep hadden. Nu is het spectrum aan keuzes zo groot dat je jezelf erin kunt verliezen. Dat vraagt ook om een herbezinning op de taken van de publieke omroep.

De noodzaak tot verandering wordt breed gedeeld. De Raad voor Cultuur zegt in zijn rapport De tijd staat open dat een omslag in het denken nodig is en dat het fundament onder de publieke omroep slijtage vertoont. Het wordt gezegd door de publieke omroep zelf, die wil meegaan met de tijd. Het wordt gezegd door andere betrokkenen, zoals onafhankelijke makers, maatschappelijke organisaties, bedrijven, commerciële partijen. Ook publieke omroepen in het buitenland denken na over hun positie. De discussies in Vlaanderen en het Verenigd Koninkrijk worden langs precies dezelfde lijnen gevoerd als die we nu hier aan snee hebben. Dat alles vraagt om en begint met adequate en toekomstbestendige kaders in de wet en dat is de reden waarom wij het vandaag over dit wetsvoorstel hebben. Ik zal de vragen behandelen in een aantal blokken.

Ik wil beginnen met de discussie over een onderscheidende publieke omroep, waar het gaat om de aanscherping van de taakopdracht en de discussie rond amusement maar ook om bijvoorbeeld de rol van de publieke omroep als het gaat om talentontwikkeling, radio in het algemeen — ook heel belangrijk — en de activiteiten van de publieke omroep op internet.

Het tweede blokje zou wat mij betreft gaan om de openheid van het publieke bestel. Een aantal woordvoerders heeft gevraagd hoe het nu precies zit. Ik ben daar kritisch over geweest in de schriftelijke beantwoording van de vragen. Ik zal ingaan op het concessiebeleidsplan in relatie tot de wet, want het is goed om daar duidelijkheid in te creëren.

In het derde blok zal ik ingaan op de centralere sturing, de centralere rol van de NPO en hoe die zich verhoudt tot de rol van de omroepen.

Het vierde blok gaat over checks and balances. Ik heb daar twee grote thema's geïdentificeerd. Het ene gaat over de rol van de raad van toezicht, de raad van bestuur en de benoemingen aldaar en het tweede thema dat daar dominant was, ging over de transparantie die wij van de publieke omroep vragen.

Het vijfde blok gaat over de regio, waarin ik kort inga op datgene wat dit wetsvoorstel regelt rond regionale omroepen en de positie van Omrop Fryslân, waarbij ik een deel van die vragen graag schriftelijk zou willen beantwoorden, ook gezien het tijdstip van dit debat. Dat kan ook. Dit wetsvoorstel regelt betrekkelijk weinig als het gaat om de plannen rond de regio. Dat komt terug in een wetsvoorstel dat de Kamer volgend jaar krijgt. Als ik die vragen schriftelijk beantwoord, kunnen we daar wat mij betreft uitgebreid op terugkomen in het WGO. Als er dingen zijn waarop de Kamer vandaag toch antwoord wil hebben omdat het belangrijk is voor eventuele steun aan deze wet, laat mij het dan weten. Ik heb de Kamer goed beluisterd en ik denk dat ik ongeveer wel weet op welke terreinen het zit.

Het laatste blok gaat over overige onderwerpen. Daar zitten dingen in als het NPO-fonds en de vragen over reclame.

Het voorstel om de publieke mediaopdracht aan te scherpen, leidt tot veel discussie. Het gaat eigenlijk over de kerntaken van de publieke omroep: waartoe is de publieke omroep nu op aarde? De kern voor mij is dat de publieke omroep programma's maakt met publieke meerwaarde. Dat zit hem in twee elementen, namelijk in wat er wordt gemaakt, programma's gericht op een publieke functie — informatie, cultuur en educatie — en in de manier waarop dat wordt gemaakt, onafhankelijk, pluriform, kwalitatief, innovatief en onderscheidend.

Met name op het eerste onderdeel — wat er wordt gemaakt — zit in dit wetsvoorstel een aanscherping. De kerntaak is aanbod voor een breed en divers publiek dat informeert, dat bijdraagt aan educatie en raakt aan de culturele identiteit. Dat betekent dat amusement met dit voorstel niet langer een kerntaak is voor de publieke omroep. Amusement kan nog wel steeds een goed middel zijn. Dat is in mijn ogen ook volledig in lijn met de brief die ik de Kamer vorig jaar heb gestuurd.

Ik wil daar graag uit citeren, omdat een aantal leden de indruk hebben gewekt dat we plotseling iets anders in dit wetsvoorstel zeggen dan we toen hebben gezegd. In de brief staat letterlijk "Er moet steeds een duidelijk publiek doel zijn dat rechtvaardigt dat belastinggeld in programma's wordt gestoken. Voor sommige programma's die alleen plezier en vermaak nastreven, is dat niet evident. Dat betekent zeker niet dat amusement vanaf nu taboe is. Het kan soms juist een goed middel zijn om aandacht te trekken voor bijvoorbeeld cultuur of educatie."

Dat is exact wat wij in dit wetsvoorstel hebben uitgewerkt. Amusement kan een middel zijn om informatief, educatief of een cultureel programma aantrekkelijk en toegankelijk maken voor een breed publiek. Daarnaast kun je met amusementsprogramma's een moeilijke doelgroep of een breed publiek bereiken, maar dan moet er vervolgens wel voor worden gezorgd dat die mensen ook gaan kijken naar programma's met een culturele, educatieve of informatieve taak. Ook in dat laatste geval moet er dus een heel duidelijke link zijn naar de kerntaken informatie, cultuur en educatie, en moet die ook worden aangetoond.

De heer Verhoeven (D66):
De staatssecretaris doet nu net alsof hij een jaar geleden precies heeft gezegd wat hij nu allemaal aan het doen is. Dat is natuurlijk niet waar. De staatssecretaris heeft op het Veronicaschip, in allerlei interviews en op allerlei momenten waarop iedereen kon meekijken, heel stevige woorden geuit over programma's met amusement erin. Ik ben echt niet de enige die dat zo heeft opgevat. De staatssecretaris zou een eind gaan maken aan een aantal programma's; dat is breed zo opgevat. Geeft de staatssecretaris toe dat de programma's die hij destijds noemde, zoals Bananasplit en Ranking the Stars, allemaal zonder enige verandering mogelijk blijven als deze wet in werking is getreden?

Staatssecretaris Dekker:


Nee, die programma's zijn dan niet mogelijk. Programma's met amusement alleen om het amusement, die alleen plezier of vertier nastreven, kunnen na deze wetswijziging niet langer worden gemaakt. Het moet altijd ten dienste staan van de kerntaken van de publieke omroep: informatie, cultuur en educatie.

De heer Verhoeven (D66):


In de wet staat nog een ander artikel over amusement. Daarin gaat het niet om amusement als drager van informatie en educatie; nee, om amusement als lokker van kijkers naar informatie en educatie. Dus als Ranking the Stars, Bananasplit of elk ander programma dat de staatssecretaris heeft genoemd, ervoor zorgt dat er meer mensen gaan kijken naar een programma dat wel binnen de kerntaken valt, dan voldoet het aan dat wetsartikel en zou het dus gewoon nog steeds mogen. En dat ook nog zonder onderbouwing, want zoiets is natuurlijk niet hard te maken. Die programma's kunnen volgens deze wet dus toch nog gewoon op televisie komen onder het mom van "ze trekken kijkers"?

Staatssecretaris Dekker:


De heer Verhoeven heeft ongelijk. Hij zegt: als amusement een breed publiek bereikt, zijn we klaar. Dat is niet wat wij met dit wetsvoorstel voorstellen. Er moet een heel duidelijke link zijn met een breed publiek, dat vervolgens ook kijkt naar culturele, informatieve en educatieve programma's. Daarmee is het cirkeltje weer rond. Hij zegt dat amusement mogelijk blijft zonder dat er moet worden aangetoond dat diezelfde kijkers vervolgens naar programma's gaan kijken die heel dicht op de kerntaken van de publieke omroep zitten. Dat is niet waar. In de memorie van toelichting staat heel duidelijk beschreven dat wij de publieke omroep gaan vragen om dat wél aan te tonen. Dat is echt een wijziging ten opzichte van de manier waarop nu de kerntaken van de publieke omroep zijn beschreven. Die zijn namelijk veel breder. De huidige taakopdracht van de publieke omroep is zelfs zo breed, dat hij een soort zeef is waar alles doorheen valt. Op basis van de kerntaken van de publieke omroep is er op dit moment helemaal geen kritische discussie over wat er wel of niet binnen de publieke omroep zou moeten plaatsvinden.

De heer Klein (Klein):


Als ik het goed begrijp, is amusement dus een middel om informatie en educatie, in dit geval de twee belangrijkste dingen die u noemt, te gebruiken? Maar als iedereen verantwoordt dat zijn programma een informatief, educatief of cultureel element in zich draagt, kan het dus gewoon? Moet ik het zo interpreteren? Is dit dan geen non-discussie? Je kunt dat vooraf natuurlijk keurig netjes doen. Tenzij u achteraf censuur wilt gaan plegen en zeggen dat ze het niet goed hebben gedaan. Discussiëren we hier dus eigenlijk over niks?

Staatssecretaris Dekker:


Ik ben minder pessimistisch dan de heer Klein. Ik zie een aanscherping van de kerntaken van de publieke omroep. Inderdaad betekent het dat iedere programmamaker moet laten zien waarom zijn programma bijdraagt aan de kerntaken van de publieke omroep, en waarom het een informatieve, educatieve of culturele functie heeft. Dat is iets wat op dit moment weinig gebeurt. De huidige wet geeft een vrijbrief om te pas en te onpas amusement om het amusement uit te zenden, zonder dat daar enige verantwoording over hoeft te worden afgelegd. Volgens mij zetten we met dit wetsvoorstel dus een heel grote stap in de goede richting.

De voorzitter:


De heer Klein, tot slot.

De heer Klein (Klein):


Ik ben niet pessimistisch, integendeel, ik ben juist heel optimistisch. Ik heb namelijk veel vertrouwen in de creativiteit en de inventiviteit van de omroepverenigingen en de programmamakers. Ik denk dat zij alle programma's met amusement kunnen verantwoorden vanuit een culturele, educatieve of informatieve visie. Dat is heel verstandig. In dat opzicht ben ik dus heel positief. Het is echter wel een non-discussie, omdat je ieder programma kunt laten passen in het amusementsbeeld in relatie tot informatie.

De voorzitter:


Wat is uw vraag?

De heer Klein (Klein):


Gaat de staatssecretaris dit controleren en vervolgens censuur plegen?

Staatssecretaris Dekker:


Nee, wij doen niet aan censuur. Wij vragen de publieke omroep wel om een goed toetsingskader te ontwikkelen op basis waarvan de NPO, degene die uiteindelijk de programma's op de televisie en de radio plaatst, de aanbiedingen van de makers kan toetsen.

De voorzitter:


De heer Van Dijk heeft ook een vraag op dit punt. Daarna geef ik de staatssecretaris weer even de gelegenheid om verder te gaan met zijn verhaal.

De heer Jasper van Dijk (SP):


Het laatste wat de staatssecretaris zei, is anders dan wat hij eerder in antwoord zei op die vraag. Ranking the Stars, Bananasplit en andere programma's met vermaak zouden verdwijnen. De staatssecretaris zei dat dit echt ging veranderen. Dat is in strijd met het feit dat wij, de staatssecretaris en de leden, helemaal niet gaan over programmatitels. Is hij dat met mij eens?

Staatssecretaris Dekker:


Ik heb bij de programma's die u net noemt, openlijk de vraag gesteld waarom die programma's met belastinggeld worden gemaakt. Ik heb gezien dat dit tot veel discussie heeft geleid. Overigens heeft nog niemand een goed verhaal verteld waarom die wel met belastinggeld moeten worden betaald.

De heer Jasper van Dijk (SP):


De staatssecretaris geeft geen antwoord op mijn vraag, maar dat terzijde. Het antwoord wordt bijvoorbeeld gegeven door de heer Mohandis, in Trouw op 28 augustus. Hij zegt dat amusement gewoon blijft om kijkers te trekken. Volgens hem is dat maar goed ook: amusement vormt het cement voor de educatieve, culturele en informatieve programmering van de publieke omroep. "Het cement" dus. Nogmaals, de staatssecretaris kan niet zeggen dat vanaf vandaag Bananasplit en Ranking the Stars verboden zijn. Dat lijkt me namelijk zeer onverstandig. Dat is hij toch met mij eens?

Staatssecretaris Dekker:


Wij gaan niet over het afschaffen van individuele programma's. Ik heb destijds openlijk een vraag opgeworpen, omdat ik vind dat de publieke omroep meer verantwoording moet afleggen en een kritische discussie moet voeren over de vraag waarom je met belastinggeld bepaalde programma's maakt. Onder de oude wet kon het, omdat amusement een kerntaak was. Zo is het op dit moment in de wet geregeld, maar die kerntaak verdwijnt. Dat betekent dus dat de programmamakers in Hilversum moeten aantonen waarom de programma's die zij maken, een educatieve, informatieve of culturele functie hebben. Dat kan op een tweetal manieren. Die zijn beide vastgelegd in de wet. Ze kunnen programma's maken met een amuserende aard, maar met een diepere laag erin. Ik geloof dat de termen "edutainment" en "infotainment" hier al genoemd zijn. Er zijn heel mooie voorbeelden van kinderprogramma's of kennisquizzen en noem het allemaal maar op. Dat is helemaal geen probleem. Je kunt ook amusement gebruiken waar dat laagje niet in zit, maar dan moet je aantonen dat je daarmee een doelgroep bereikt die je anders niet zou bereiken en moet je aantonen dat die vervolgens ook gaat kijken naar andere programma's. Zo bereik je uiteindelijk wel je doel, namelijk je kerntaak op het vlak van educatie, cultuur en informatie. Dat is de route die we nu vastleggen. Op dit moment wordt er in Hilversum geen verantwoording over afgelegd. Er worden amusementsprogramma's gemaakt die niet leiden tot meer kijkers op andere terreinen. Of er wordt amusement gemaakt zonder dat er een stevige educatieve, informatieve of culturele component in zit. Die discussie wordt met dit wetsvoorstel echt scherper gevoerd.

De voorzitter:


Ik verzoek ook de staatssecretaris om, waar mogelijk, beknopt te antwoorden.

Staatssecretaris Dekker:


Ja.

Zoals ik al aangaf, is dit geen loze discussie. Deze discussie moet gevoerd worden aan de hand van het toetsingskader. Het Commissariaat voor de Media heeft daarover gezegd: als wij als toezichthouder straks moeten kijken of de publieke omroep zich houdt aan die nieuwe taakopdracht, moet dit gestructureerd gebeuren, aan de hand van een toetsingskader waarmee elk programma wordt getoetst aan de publiekemediaopdracht. Dit toetsingskader wordt gebruikt om keuzes te maken: welke programma's worden gemaakt en uitgezonden en welke niet? Het toetsingskader zorgt ervoor dat een omroep niet weg kan komen met een slap verhaal over de publieke waarden en doelen van een programma. Behalve de programmamaker toetst namelijk ook de NPO of een programma bij de aangescherpte opdracht past. Daarna toetst ook het Commissariaat voor de Media dit nog, want dat moet kijken of de NPO zijn taak binnen de marges van de wet uitvoert. Al met al zorgt dat voor een serieus gesprek binnen de publieke omroep over de kerntaken van de publieke omroep en de kerntaken van programma's. Op dit moment is er bij elk programma wel een verhaal te bedenken: omdat het bij de publieke omroep past, omdat verstrooiing op dit moment ook een kerntaak is en omdat de huidige omschrijving van de kerntaken zo breed is, dat die geen enkele richting geeft. Dat mag van mij veranderen.

Het gesprek over het toetsingskader is nog niet afgerond. Ik vind het erg belangrijk dat externe experts — denk aan wetenschappers en anderen — meedenken over de ontwikkeling van zo'n toetsingskader, dat vervolgens onafhankelijk wordt gevalideerd. Het voorstel dat de NPO in zijn concessiebeleidsplan heeft opgenomen, sluit in mijn ogen nog niet aan bij de aangescherpte opdracht in dit wetsvoorstel. Ik ben niet de enige die dit vindt. Dit wordt ook geconstateerd door het Commissariaat voor de Media. Het moet uiteraard wel gebeuren, omdat de publieke omroep anders niet kan verantwoorden hoe hij zijn taak uitvoert. Dat is een van de dingen waarover ik in gesprek ben met de NPO en die de Kamer in mijn formele reactie op het concessiebeleidsplan kan terugverwachten. Het commissariaat is de partij die uiteindelijk moet valideren en verifiëren of het kader werkt en goed gebruikt kan worden door de publieke omroep. In mijn reactie op het concessiebeleidsplan zal ik daarop terugkomen.

Er zijn repeterende vragen gesteld over de publiekemediaopdracht en wat daar precies onder valt. Volgens mij heeft de heer Grashoff daarover gesproken. Hij vroeg wat we precies bedoelen met informatiecultuur en educatie. Ook het betoog van de heer Heerma vond ik interessant. Hij sprak over de waarden die ons binden. De culturele functie van de publieke omroep is natuurlijk niet beperkt tot kunst en cultuur in de meest smalle vorm, maar betreft ook de waarden die ons binden en de vraag hoe Nederland eruitziet. Wat de heer Heerma heeft aangehaald, past volgens mij heel goed binnen de publieke waarden die wij nu in deze wet vastleggen. Een ander voorbeeld is talenkennis. De link met educatie is in mijn ogen snel gelegd. Ik denk niet dat wij vanuit Den Haag moeten gaan bepalen wat de publieke omroep op programmaniveau zou moeten doen. Als ik dit soort dingen hoor, zie ik echter geen enkele reden waarom dit niet zou passen binnen de toekomstige taakopdracht van de publieke omroep.

De heer Pieter Heerma (CDA):
Ik ben blij dat de staatssecretaris het zo ziet, maar aan het slot van mijn betoog heb ik verwezen naar de motie-Van Dam, die breed door de Kamer is gesteund. De indiener heeft in zijn motie expliciet naar de publieke omroep verwezen. Deze motie wordt nu door het kabinet uitgevoerd. Ik ben benieuwd wat de rol van de staatssecretaris daarin is. Overigens zal ik de laatste zijn om te bestrijden dat wij hier niet op programmaniveau over gaan; ik heb de staatssecretaris eerder juist bekritiseerd omdat hij dat wel probeerde te doen. Ik wil graag een antwoord op deze vraag.

Staatssecretaris Dekker:


Ook ik lever een bijdrage aan de uitvoering van de motie-Van Dam als het gaat over gedeelde waarden. De heer Heerma heeft helemaal gelijk dat ook de media daar een rol in spelen en een bindende functie hebben in onze samenleving. Heel veel mensen kijken veel televisie. Dat gebeurt steeds meer op nieuwe manieren, maar toch. Het is een goede manier om Nederlanders te bereiken. Dat is, denk ik, ook de reden waarom je zou moeten en kunnen zeggen dat de publieke omroep ook in die zin een collectieve voorziening is. Dat was een interessant pad dat in een aantal betogen terugkwam. Wij doen dat met z'n allen als belastingbetalers, omdat het een specifieke functie vervult, hoewel ik vind dat die functie scherper kan dan zij nu is.

De heer Verhoeven heeft een amendement ingediend. Hij vraagt waarom we amusement expliciet hebben beschreven in dit wetsvoorstel. Als het een middel is, waarom kan je het bij wijze van spreken dan niet gewoon weglaten? Het is opgenomen in het wetsvoorstel, omdat er veel discussie over is geweest. Het is het belang van een wet om duidelijkheid te scheppen. Het moet duidelijk zijn dat amusement geen taboe is, dat er gewoon gelachen kan worden bij de publieke omroep, maar het moet ook duidelijk zijn dat het geen doel op zich is. Het schrappen van amusement/verstrooiing is een verandering. Amusement kan wel bijdragen aan het uitvoeren van de kernopdrachten, maar door het zo op te nemen, hebben we in ieder geval duidelijkheid gegeven. Bovendien is door het opnemen van amusement in de expliciete taakomschrijving van de wet de omroep verplicht om aan te tonen dat amusement ook echt bijdraagt aan de kerntaken van de publieke omroep. Dat is één van de redenen op grond waarvan ik het amendement ontraad.

De heer Segers vraagt om een ander element in de taakopdracht van de publieke omroep, namelijk levensbeschouwing. Hij vraagt: kan dat niet een expliciet onderdeel worden van de mediaopdracht? Ik denk dat dat niet nodig is. Levensbeschouwing is al een onderdeel van die opdracht. In het tweede lid van artikel 2.1 staat dat de publieke omroep verplicht is om in zijn media-aanbod de onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op levensbeschouwelijk gebied op te nemen. Levensbeschouwing is in dat opzicht ook een onderdeel van educatie, cultuur en informatie. Daarnaast wordt er voor de komende concessieperiode specifiek budget vastgelegd langs de lijnen van de motie die hij volgens mij destijds samen met de heer Heerma heeft ingediend.

De heer Segers (ChristenUnie):


Daaraan wordt niet voldaan als dat geoormerkte geld besteed wordt. Dat is ter voortzetting van de oude 242-programmering. Maar levensbeschouwing is natuurlijk een veel breder aspect dat in allerlei programma's en op allerlei terreinen een rol kan spelen. Daar moet, wat mij betreft, volop ruimte voor zijn. Ik hoop dat de staatssecretaris dat ook bevestigt.

Staatssecretaris Dekker:


Ik las net een stuk uit de wet voor dat volgens mij daar de volle ruimte voor biedt.

De heer Mohandis heeft een ander element opgebracht: talentontwikkeling. Ik heb de indruk dat dit wetsvoorstel daar ook in voorziet. In het voorstel krijgt de publieke omroep de opdracht om innovatie ten aanzien van het media-aanbod te stimuleren. Dat zie je bijvoorbeeld heel sec terug in wat de NPO gaat doen om te ondervangen dat het Mediafonds per 1 januari 2017 wordt opgeheven. Het is extra van belang dat de publieke omroep aandacht besteedt aan innovatie van het media-aanbod. Een van de taken van het Mediafonds was het stimuleren van talenten. Ook de Raad voor Cultuur vraagt hiervoor aandacht in zijn advies. De NPO heeft aangekondigd dat de regeling voor talentontwikkeling van het Mediafonds wordt overgenomen.

Dan kom ik op het onderwerp radio. Een aantal fracties heeft daarnaar gevraagd. Bij de meeste discussies over het vermogen zich te onderscheiden en over de aanscherping van de kerntaken van de publieke omroep gaat het over televisie. Dat klopt ook wel: veel van de discussies gingen het afgelopen jaar over televisieprogramma's. Hetzelfde geldt echter natuurlijk voor de radio. Ik pas de publieke mediaopdracht aan en dan geldt voor radio hetzelfde als voor televisie. Er moeten scherpere keuzes worden gemaakt en de publieke radio moet publiek en daarmee onderscheidend zijn.

De publieke functie van de radio zit wat mij betreft in twee elementen. Het eerste is de keuze voor muziek. Dat is het "wat": de genres. Het tweede is de omlijsting van die muziek. Dan gaat het over het profiel van een radiostation, het type dj's dat je vraagt, de items en de ruimte die je in je programmering geeft aan jong talent en aan innovatie. Ik vind wat 3FM doet met jonge singer-songwriters altijd een mooi voorbeeld. Dat heeft een heel belangrijke taak in het ontdekken van nieuwe talenten en het aanjagen van cultuur. Ik vind dat de publieke omroep zowel op het vlak van unieke muziektitels als op het profiel van de radiostations het verschil moet laten zien met commerciële zenders. Wij zullen daar later dit jaar prestatieafspraken over maken.

Dit onderwerp wordt heel specifiek als er gevraagd wordt naar het eventueel stopzetten van Radio 6. Culturele organisaties hebben een brief gestuurd en ook de Raad voor Cultuur heeft enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij het verdwijnen van Radio 6. Het gaat dan vooral over de genres jazz en soul. Met sommige andere muziekgenres zijn dit misschien geen genres waar de massa naar luistert. Het is cultureel echter belangrijk dat ze behouden blijven voor de publieke omroep en dat ze duidelijk terugkomen in de programmering van de publieke omroep. Een aantal Kamerleden hebben daar ook naar gevraagd en ik ben het daar volledig mee eens.

Er zijn twee trajecten. Bij de precieze beoordeling van nieuwe diensten of het afschaffen van kanalen heb je te maken met een formeel-juridisch traject. Voor deze aanbodkanalen moet een nieuwe dienstenprocedure worden gevolgd. Dat geldt voor Radio 6, maar overigens ook voor de andere aanbodkanalen in het concessiebeleidsplan, zoals NPO Plus en NPO3.nl. Binnen die procedure heb ik een formeel traject te bewandelen, waarbij ik van twee belangrijke adviesorganen — dat zijn de Raad voor Cultuur en het commissariaat — adviezen krijg. Dan moet ik formeel een ontwerpbesluit nemen. Dat is in voorbereiding. Vervolgens kunnen belanghebbenden na publicatie hun zienswijze uiten, waarna ik een definitief besluit moet nemen. Ik vind het ingewikkeld om in dit debat over deze specifieke juridische procedure al allerlei uitspraken te doen. Ik vind dat ook niet getuigen van behoorlijk bestuur. Ik kan echter wel zeggen dat ik het belangrijk vind dat de publieke omroep aan deze genres ruim aandacht blijft geven, welke kant het besluit over Radio 6 ook op valt. Dat kan op een apart kanaal zijn, zoals nu het geval is, of duidelijk herkenbaar op andere radiokanalen.

De heer

1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

  • Jasper van Dijk
  • Pieter Heerma

  • Dovnload 497.49 Kb.