Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Het zal nooit iets met jou worden

Dovnload 3.1 Mb.

Het zal nooit iets met jou worden



Pagina1/118
Datum17.09.2018
Grootte3.1 Mb.

Dovnload 3.1 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   118

“Het zal nooit iets met jou worden” zei een leraar wiskunde tegen mij op de M.A.V.O. nadat ik een paar rekenfoutjes had gemaakt. Twee decimalen achter de komma zat ik naast de uitkomst. Ik deed alles uit mijn hoofd. Nederlands, Engels, Duits, wiskunde, natuurkunde, enz. ik had geen keus. Want ik kon, vrijwel niks, met mijn handen. Behalve mijn elektrische rolstoel besturen. Daarom moest ik het hebben van mijn goede verstand. Want dat was, immers, mijn sterke kant. Tijdens de geboorte zat de navelstreng om mijn hals, waardoor ik, zuurstofgebrek had en geheel blauw op de wereld kwam. Ik werd met spoed naar een andere afdeling gebracht alwaar de artsen mij, op verschillende manieren, tot schrikken brachten om de ademhaling op gang te brengen. Gelukkig lukte dit en was ik levensvatbaar. Ik heb, echt, moeten vechten voor mijn leven. Hoewel dat onbewust ging. Kennelijk had mijn lichaam zoveel kracht dat ik de eerste uren doorstond. Heb wel een tijd, ongeveer 3 dagen, in de couveuse gelegen. Mijn ouders mochten niet bij mij komen en mochten mij alleen bekijken vanaf achter glas. Toch kwam mijn vader elke dag kijken. Deze was trots, want hij had al een dochter en nu ook een zoon. Alleen het feit dat mijn ouders niet bij mij mochten komen, deed hen natuurlijk gigantisch veel pijn. Na een paar weken mocht ik naar huis. Wel had ik met kerst en oud en nieuw in het ziekenhuis gelegen. Dit tot groot verdriet van mijn ouders. Toen ik, na twee weken thuis kwam, was iedereen blij want ons gezin was compleet en bij elkaar.
Volgens de artsen zou ik zowel geestelijk als lichamelijk nooit iets zal worden. Er werd mijn ouders verteld dat ik door het zuurstofgebrek een ernstige hersenbeschadiging had opgelopen omdat de navelstreng om mijn hals zat tijdens de bevalling. De huisarts vertrouwde het, voor mijn geboorte niet en vond het verstandig om de bevalling in het ziekenhuis te laten plaatsvinden. Dat was zeker verstandig van onze huisarts. Want uiteindelijk zat ik verstrengeld in mijn navelstreng. In die tijd bestonden er al wel echoscopieën maar deze werden alleen gebruikt bij zeer rijke mensen.
Mijn moeder moest regelmatig met mij naar de kinderarts en daar kregen mijn ouders het volgende te horen: “Doe hem maar weg, want zowel geestelijk als lichamelijk zal hij nooit iets worden. Hij heeft, namelijk, een ernstige hersenbeschadiging opgelopen door zuurstofgebrek tijdens de geboorte en zal nooit iets kunnen” zeiden de artsen. Dit was de conclusie van de doktoren die mij onderzocht hadden. Dit was keihard voor mijn ouders. Zij waren het hier totaal niet mee eens omdat mijn ogen glashelder stonden. Wel ontdekte mijn ouders een lichamelijke achterstand. Ik lag altijd met mijn vuistjes dicht geknepen. Dat was 1 van de tekens dat er iets niet klopte van mijn lichaam en het feit dat ik op de grond bleef liggen waren allemaal tekenen dat er iets niet in orde was.
Ik was 1 jaar toen ik wederom opgenomen werd in hetzelfde ziekenhuis. Ditmaal ter observatie. Dit was, weer, met kerst en oud en nieuw. Ik vermoed omdat er tijdens de feestdagen meer ruimte is. Later kreeg ik een E.C.G.-onderzoek en de conclusie, van de artsen, was wederom dat ik zowel mentaal als fysiek ernstige problemen had. Dit werd tegen mijn moeder verteld toen ik 9 maanden was. Waarop mijn moeder volhield: ”lichamelijk kunt u gelijk hebben maar geestelijk is hij goed. Kijk maar naar zijn ogen?”. De doktoren vonden mijn moeder zeer eigenwijs. Er viel niet te praten. Mijn ogen stonden, werkelijk, glashelder. Mijn ouders waren het er over eens dat ik verstandelijk goed was, alleen had ik een lichamelijke achterstand. Na velen gesprekken, met artsen, werd mijn moeder gezegd: ”U bent en blijft een eigenwijze moeder”. Omdat mijn moeder voet bij stuk hield door herhaaldelijk te zeggen dat mijn verstand goed was. Terwijl iedere moeder haar kind, bijna, 24 uur per dag ziet en observeert en een arts maar een momentopname ziet. Mijn moeder had, zeker, gelijk. Toch is het voor een specialist, altijd, moeilijk om dit te erkennen en om te luisteren naar iemand zijn ervaringen en klachten.

Mijn eerste levensjaar verliep redelijk goed. Toch wisten mijn ouders dat er iets niet klopte. Ik bleef, namelijk, liggen op de grond en had vaak mijn hand in een vuist. Deze vuist ging soms open en een andere keer niet. Dat jaar wilde men mij wederom opnemen in het ziekenhuis tijdens de feestdagen. Mijn ouders waren hier tegen en zeiden dat ik dit jaar, tijdens de feestdagen thuis bleef. Na een discussie gingen de artsen, uiteindelijk akkoord en konden mijn ouders, voor het eerst, kerst vieren met hun, gezin compleet. Mijn vader werkte destijds volop, en was zelden thuis. Dus was de grootste zorg voor mijn moeder. Toen ik 2 was en veel onderzoeken achter de rug had, bleek dat ik zwaar spastisch was. Ik kon niet lopen en bleef op de grond liggen. Ik speelde wat maar mijn motoriek bleek ernstig verstoord te zijn. Op een dag moesten weer naar die revalidatiearts. Mijn moeder vertelde dat ik dag en nacht zindelijk was. “Dat is tenminste iets.” “Wat zegt u” zei mijn moeder “dat betekent dat zijn verstand goed is”. De revalidatiearts concludeerde nogmaals: “U bent en blijft een eigenwijze moeder”. De broer van deze revalidatiearts was, destijds, onze huisarts. Mijn moeder sprak onze huisarts en vertelde deze ervaring. “Uw broer is gek” verkondigde mijn moeder. Onze huisarts zei: “Dat ga ik uitzoeken, want hij heeft, wel degelijk, ongelijk”. Mijn moeder heeft, natuurlijk, nooit meer iets gehoord over deze discussie. Een aantal maanden later had mijn moeder weer een afspraak met de revalidatiearts en vertelde dat zij zeker wist dat mijn verstand goed was. De revalidatiearts bleef bij zijn standpunt en herhaalde: ”U bent en blijft een eigenwijze moeder”. Toen besloot mijn moeder te gaan. Deze man kon, schijnbaar, niet luisteren. Ik leerde kruipen. Op handen en knieën door het huis. Ik weet er nog van. Mijn ouders hadden een huurwoning. Ik had heel veel geduld tijdens het spelen. Wanneer er iets niet lukte, wat heel regelmatig gebeurde, ging ik net zolang proberen totdat iets wel lukte. Ik werd nooit boos. Zo kreeg ik veel kleine dingen voor elkaar. Kleine dingen die andere kinderen niet redde. Een keurige file maken van mijn autootjes of heel netjes alle autootjes naast elkaar zetten. Als ik een spasme kreeg, waardoor er een aantal autootjes geraakt werden, begon ik gewoon weer opnieuw. Ik had emmers geduld. Dat had ik, overigens, met alles wat binnen mijn mogelijkheden lag. Ik had plastic gereedschap en vroeg of de kachel stuk was en of ik deze kon maken. “Natuurlijk” zei mijn moeder. Aan de zijkant, achter een luikje, bevonden zich wat knoppen. Ik ging er regelmatig aan “sleutelen” en in mijn fantasie repareerde ik de kachel weer. Ik vond dit fantastisch, door middel van kloppen met plastic gereedschap repareerde ik de kachel in mijn fantasie. Zo waren er meerdere dingen waarmee ik mij, uren, kon vermaken. Denk hierbij aan speelgoedauto’s en tractoren. Ik was hier dol op. Files maken vond ik prachtig van al mijn speelgoed. Dit ging heel ongecontroleerd, vanwege ernstige motorische storingen, waardoor het heel vaak fout ging. Wanneer dit gebeurde, begon ik met alle geduld weer opnieuw. Ik kon hier niet boos om worden. Ik had, namelijk, emmers geduld. Ik was dol op knikkers op de plint te leggen. Al had ik een uur werk maar die knikker kreeg ik altijd op de plint. Hier kon ik, onvoorstelbaar, veel geduld voor opbrengen.
Tussen de kamer en de keuken waren doorgeefluikjes. Ik vond het prachtig om van de kamer naar de keuken te kruipen. Maar haalde dan eerst de kast leeg. Om een baan naar de keuken te maken. Mijn moeder was, altijd, erg blij als ik dit deed want ik kon het zelf niet opruimen. Zo schuilde er een boef in mij. Op die leeftijd is dat gezond en bepalend voor je ontwikkelingen. Altijd was ik bezig met iets van speelgoed. Tenminste van wat ik kon. Want mijn moeder merkte dat ik de fijne motoriek miste. Dat is toch wel een teken dat er iets niet goed was. In deze periode was ik altijd blij omdat ik, allerlei, dingen ontdekte die mijn nieuwsgierigheid bevredigde. Met knikkers op de plint leggen, steunde ik met mijn muis, van mijn hand tegen de plint en wachtte ik tot mijn vingers zich ontspande. Dit duurde soms lang. Wanneer mijn hand eenmaal open ging, trok ik mijn hand terug. Als de knikker er, meteen, weer afrolde begon ik weer opnieuw. Veel geduld is mijn leven lang belangrijk geweest en heeft mij, heel vaak geholpen. Ik heb zelden iets opgegeven. Op de ene of andere manier, wilde ik me bewijzen. Dat zit ook in mijn karakter. Ook qua omgang met, heel veel, mensen die ik in mijn leven ontmoet heb. Met geduld ben je de ander, vaak, een slag op voor. Ik heb geleerd om nooit snel over iemand te oordelen. Want dat zou een vooroordeel zijn. Juist daar gaan, bepaalde, mensen de fout mee in. Iedereen die in mijn leven komt geef ik de kans om mij te leren kennen en als er een klik is zal ik deze altijd koesteren. Dat is, volgens mij, vriendschap! Vriendschappen zijn mij zeer kostbaar.

Mijn moeder leerde mij praten. Met heel veel geduld. Onvoorstelbaar veel geduld had zij. Het hele alfabet noemde mijn moeder op en ik moest deze dan nazeggen. Dat heeft ze keurig gedaan. Ze ontdekte dat twee letters voor mij niet uit te spreken waren. Dit waren de “L” en de “R”. Tijden heeft mijn moeder hier met mij op getraind. Na heel veel en lang oefenen kon ik de “L” zeggen. De “R” is altijd een probleem gebleven. Ik brouwde en inhaleerde adem tijdens het praten, Mede hierdoor praatte ik moeilijker. Ook had ik moeite om de ‘K’ en de ‘N’ achter elkaar uit te spreken. Het heeft heel veel tijd gekost voordat ik, redelijk, kon praten. Ik praatte altijd al moeilijk. Maar wanneer iemand, geduldig, luisterde, kon diegene mij prima volgen. Dit had ik te danken aan mijn moeder. Zoals eigenlijk alles. Mijn moeder deed alles spelenderwijs met mij. Ze kwam, gewoon bij mij op de grond zitten om mij te leren praten. Hier weet ik nog goed van omdat het iets betrof wat andere kinderen niet hoefde te doen. Volgens mij heeft dit daarom indruk achtergelaten.



Ik had een plastic kiep vrachtwagen waar ik me uren mee kon vermaken en natuurlijk veel kleine auto’s die ik liet rijden met mijn vuist of een file maakte. In die kiepwagen heb ik zelf nog in gelegen en erachter gekropen. Tevens had ik een heel klein kinderfietsje, natuurlijk een driewieler. Met behulp van kleine aanpassingen kon ik hiermee, een stukje, door de woonkamer fietsen. Dat deed mij goed. Er zaten “bakjes” op mijn de trappers, waar mijn voeten in paste. Hier genoot ik enorm van. Ook begon ik te plagen. Mijn zus werd weleens, heel even, opgesloten in de schuur. Ik dacht dat kunnen ze met mij toch nooit doen. Dus begon ik uit te dagen. Maar mijn vader had een kruiwagen, waarin een lege aardappelkist stond met een jutezak. Op een avond was ik vervelend, daagde mijn ouders uit en mijn vader pakte me beet en legde mij in de kruiwagen. En liet mij even alleen. Dat was schrikken. Want ik besefte dat ik gelijkwaardig aan anderen was. En dus ook straf kon krijgen. Meteen kwam het besef dat ik gelijk was aan anderen. Ik ben dit nooit vergeten. Dit heeft mijn persoonlijkheid bepaald: Nooit zielig doen of piepen, altijd doorzetten, zoals ik vlak na mijn geboorte al had bewezen. Misbruik maken van mijn beperkingen heb ik nooit aan gedaan, zelfs niet aan gedacht. Zoiets zit absoluut niet in mijn karakter. Ik kreeg een looprek, een metalen frame met een soort zak, met 2 gaten, waar mijn benen door gingen. Het gaf me veel vrijheid. En maakte contact met andere kinderen uit de buurt. Mensen waarmee ik nu nog steeds contact mee heb. Alleen wanneer ik een kat tegen kwam, schreeuwde ik de hele buurt bij elkaar. Vond die beesten eng. Geen idee waarom. Ik heb zelden iets met katten gehad. Maar de manier waarop ze keken wekte angst bij mij. Ook kreeg ik vanaf mijn tweede fysiotherapie van iemand niet ver bij ons vandaan. Het was ongeveer 10 minuten lopen, dus nam mijn moeder mij op haar arm. Onderweg noemde ik, feilloos, de merken op van de geparkeerde auto’s. Opel, Volkswagen, Mercedes, Renault, Daf, Datsun, Ford, etc. Mijn moeder vroeg hoe ik dat wist. Maar ik kon daar geen antwoord op geven. Auto’s was ik gewoon dol op. Het was zelfs zo dat wanneer op de grond, in de huiskamer lag, hoorde ik aan het geluid van de motor welk merk het was. Dat klopte altijd. Niemand begreep hoe ik dat wist. Mijn vader was, werkelijk, verbaasd.
Twee keer per week liep mijn moeder met mij naar fysiotherapie. Die fysiotherapeute was een hele aardige vrouw. spelenderwijs ging zij met mij om terwijl ze mij behandelde. Zij zag ook in dat mijn verstand uitstekend was. Ik kwam daar graag. In mijn ogen hadden ze een grote woning aan het water. Dat vond ik prachtig om te zien en het feit dat ik daar binnen was, vond ik geweldig. Het gaf een waanzinnige indruk in mijn ogen. Ik weet ook nog dat ze een zwembad hadden, waarin ik in de zomer mocht zwemmen en tegelijkertijd oefeningen kreeg. Heb daar weleens geslapen. Ik weet nog dat zij een paar dagen naar Duitsland gingen, dat wij in dat huis mochten eten en slapen. Dit was in de winter. Deze mensen deden dat omdat alles, in dat huis, beneden was. Mede dankzij haar begrip voor onze situatie vond deze mevrouw het een goed plan om zelf een aangepaste woning te tekenen en te gaan bouwen. Terwijl anderen tegen mijn vader zeiden: ”Doe dat kind toch weg, dat scheelt u heel veel zorgen”. Mijn vader liep dan weg zonder iets te zeggen. Dat was een hele sterke kant van mijn vader. Altijd rustig blijven en toch doorzetten. Zelfs revalidatieartsen en ambtenaren van de gemeente deden deze uitspraak. Deze fysiotherapeute was getrouwd met een fysiotherapeut die een praktijk bezat. Een aantal van hen kwamen daar over de vloer, waardoor ik hen leerde kennen. Dat vond ik leuk omdat ik, toen al, dol op mensen was en zij mij normaal behandelden. Kortom: in hun ogen was ik een normale peuter en wilde ook zo gezien worden. Ik had toen nooit durven denken dat ik ooit, een deel van deze mensen weer zou ontmoeten. Eveneens speelde ik regelmatig met hun jongste dochter. Deze was van mijn leeftijd. Een paar jaar later gaf zij een kinderfeestje. Ik mocht ook komen. We zijn toen naar een film van Disney geweest. Dit heeft indruk op mij gemaakt omdat ik niet van zulke “luxe” kinderfeestjes gewend was.

In onze achtertuin hadden we een schommel. Ik vond het prachtig om te zien hoe mijn zus en andere kinderen, op de buurt, hier gebruik van maakten. Ik was mij er heus wel van bewust dat ik niet op dat plankje kon zitten. Maar zei niks. Op een dag kwam mijn vader aan met een houten bakje met spijlen. Mijn vader hing de schommel op en mijn moeder pakte mij op, zette mij in het bakje, ik hield me vast aan de houten spijlen terwijl mijn moeder zetjes gaf, zodat ik schommelde. Deze ervaring was geweldig. Want nu hoorde ik erbij en kon ik meepraten over schommelen. Dit heeft, natuurlijk, ook bijgedragen aan de persoon die ik ben geworden. Ik heb mij nooit gehandicapt gevoeld! Terwijl ik heel goed weet dat ik zwaar spastisch en, daardoor, ernstig beperkt ben. Maar ik gedraag mij evenals iedereen en zorg dat mijn beperkingen nooit de kern zijn van een gespreksonderwerp.



Ondertussen kreeg ik een looprek. Dit was een metalen frame met kleine wieltjes en een leren zak er tussen met twee gaten waar mijn benen in konden, zodat ik mij buiten voort kon bewegen. Deze manier gaf mij zelfstandigheid. Ik liep in het weekend, altijd buiten en speelde daar met buurjongens. Iedereen ging normaal met mij om. Deze manier van zelfstandigheid gaf mij vrijheid en kansen om vriendjes te maken. Allicht benutte ik deze kansen. Want ik wilde erbij horen. Ook al wist ik hoe afhankelijk ik was, toch liet ik dit onbewust los. Ik wilde gewoon kind zijn en spelen met anderen van mijn leeftijd. Geen haar op mijn hoofd die er bij stil wilde staan dat ik zwaar spastisch ben. Ik heb enorm genoten van het looprek. Het kostte wel veel schoenen maar daar heb ik nooit bij stil gestaan. Ik was een gewone peuter en zo werd ik ook behandeld. Naar mijn idee is dat goed geweest en hebben mijn ouders het goed gedaan om mij zo normaal mogelijk op te voeden. Ik kon altijd alles en kon er heel slecht tegen wanneer iemand met een beperking zei: “Dat kan ik niet want ik ben gehandicapt” . Dit soort uitspraken kon ik, toen al, zeer slecht tegen. Want met mijn mond kon ik alles en heb mij nooit gehandicapt gevoeld. Want dan beland je in een negatief spiraal en zullen mensen, om jou heen, je loslaten. Ik had al snel door dat dat mij nooit zou moeten overkomen. Ik gedroeg mij ook altijd als een normale en gezonde peuter. Achteraf ben ik daar zeer blij om. Want daardoor kreeg ik, op latere leeftijd, normale vrienden en vriendinnen die door mijn spasticiteit heen prikken. Eigenlijk praat ik er zelden over omdat het is zoals het is en het levert geen toegevoegde waarde om er steeds maar weer over te praten. Omdat als ik veel zou praten over mijn beperkingen, ik niemand meer zou zien. Daarom word ik het liefst als een normale vent gezien. Want zo voel ik mij ook.

Toen ik 3 jaar en 3 maanden was moest ik naar een revalidatiecentrum: Intern! Ik kon niet begrijpen waarom ik daar intern moest en sowieso kon ik nauwelijks beseffen wat ik daar moest. Voor een kind van drie is dat heel moeilijk te bevatten. Echt onbegrijpelijk voor mij. Ik voelde mij totaal niet thuis tussen allemaal kinderen met een lichamelijke beperking. Ik kon helemaal niemand en dat voelt niet prettig op die leeftijd. Vrijdagmiddag, tegen de avond, mocht je naar huis en Zondagavond om 19.00 uur moest je weer aanwezig zijn en gelijk naar bed. Ik werd gehaald en gebracht door mijn ouders. Er werkte nog nonnen, dus structuur en regelmaat. Het was een oud gebouw en het aanblik was zeer koud. Velen schreeuwden om aandacht. De sfeer was zeer onprettig. Plezier werd er niet gemaakt. ‘S Middags moest je om 1 uur naar bed, 1,5 uur lang. Ik was dat niet meer gewend en lag dan wakker. Afschuwelijk was dit. Tegenover dat gebouw bevond zich een garage. Waar auto’s gerepareerd werden. Ik droomde dat ik daar mocht kijken. Maar mijn droom bleef een droom. Voelde me opgesloten. Want je mocht geen leuke dingen doen. Er waren hele strakke regels. Je mocht niks zelf doen. Zelfs niet alleen spelen. Alles ging in groepsverband. Geen moment had je voor jezelf en constant stonden er mensen naar je te kijken. Er werd geen ruimte gegeven om je eigen fantasieën te ontplooien. Ik voelde me gevangen met lichaam en geest. Bah, wat voelde ik mij eenzaam en verloren. Dit kwam ook omdat ik mijn vader, moeder en zus alleen in het weekend mocht zien. Ik voelde mij verdrietig. Elke Vrijdagmiddag was ik blij en vrolijk en keek dan uit naar mijn vader. Deze kwam mij altijd ophalen. Op Vrijdag keek ik de hele dag naar dit moment uit en kon dan aan niks anders meer denken. In het weekend haalde ik het maximale eruit. Mijn vader had een bootje en ging op Zaterdag altijd met ons varen. Ik vond dat prachtig en voelde mij op Vrijdagmiddag en Zaterdag prettig en veilig bij mijn ouders. Ik was op Vrijdagavond en Zaterdag, altijd, blij met alles. Zondagmorgen was ik ook nog wel blij. Maar Zondagmiddag, naarmate de dag verstreek, werd ik steeds stiller en had weinig trek in eten. De vrolijke en blije, spontane jongen in mij, leek mij dan weer te verlaten. Ook voelde ik mij Zondagmiddag steeds eenzamer worden. Ik werd verdrietig omdat ik wist dat ik die avond weer naar het revalidatiecentrum werd gebracht. Mijn ouders deden dit ook met tegenzin. Vroeg in de avond brachten mijn ouders en mijn zus naar het revalidatiecentrum met de auto. Onderweg voelde ik mij altijd vreselijk verdrietig. Als wij daar aan kwamen werd ik in mijn looprek gezet en mocht ik naar de afdeling lopen. Dit door de ijskoude gangen van het revalidatiecentrum waar geen kleur te bekennen was. Alles zag er grijs en koud uit. In de gang, van het revalidatiecentrum, stond halverwege een paal, vanwege de bouwconstructie. Elke zondag bij aankomst mocht ik een rondje om die paal lopen in mijn looprek. Dat was het leukste van de hele week. Voor de rest was ik verdrietig. Vervolgens legden mijn ouders mij in bed en gingen naar huis. Even later ging het licht uit en moest je slapen. Op dat moment werd ik, altijd, verdrietig en dacht veel aan thuis en mijn buurtje. Eveneens viel er een stilte over mij heen. Want je mocht niet praten zodra het licht uit was. Dit gaf een heel eenzaam gevoel. Ik werd bang van al die vreemde mensen in witte kleding die voor mij alles regelde en, soms, even kwamen kijken of je wel sliep. Slapen deed ik sowieso weinig, dat kwam omdat het leven heel monotoon was. Ik was de controle over mijn eigen leven en het kind zijn kwijt. Heel vreemd als je er zelf niks van begrijpt wat je daar moet en waarom je daar achter gelaten werd door je eigen ouders. Wist niet wat ik daar moest in dat kille gebouw en begreep die regelmaat niet. Ik voelde mij ontzettend eenzaam en had weinig aan diegenen die daar ook lagen. Werkelijk alles ging op tijd. Op de minuut af. Gewoon onbevattelijke angst speelde er constant in mij. Ik kon niet bevatten wat ik hier moest. Je moest je houden aan de strenge regels. Opstaan, aangekleed worden door een zuster, ontbijten, tanden poetsen, wachten tot je naar therapie werd gebracht, daarna lunchen, vervolgens rusten in bed met de gordijnen dicht, in de middag weer naar therapie, dan wachten, vervolgens eten en weer naar bed. Ruimte om te spelen om je fantasieën te prikkelen kreeg je niet. Die akelige lucht die daar hing, vergeet ik nooit meer. Een mengeling van vanille vla en rotte eieren en het rook naar urine. Omdat veel kinderen in hun broek plaste. Dit maakt heel veel indruk op je als kind van drie. Ook kreeg je met niemand contact. Het leek alsof dat verboden was. Ik voelde me eenzaam en verloren. De vrolijke jongen in mij was vertrokken. Ik kon uit niets een leuk moment halen, uit helemaal niets! Op een bepaalt moment kreeg ik van een onbekende man een sticker van het schip van Radio Veronica. Deze werd op mijn rolstoel geplakt. Daar was ik heel blij mee en trots op. Blij met een sticker. Ik wist dat dat niet normaal was. Ik vroeg me af wat ik in het revalidatiecentrum moest. Maar vanwege het strenge beleid, er liepen ook nog nonnen, was ik heel bang om mijn mening en gevoel te uiten. Mijn gevoelens uiten kwam niet in mij op. Gewoon omdat ik veel te jong was om te beseffen wat er allemaal gebeurde.

Op een dag zaten we in de eetzaal deze lag naast de grote slaapzaal. Er hingen aan de muur 7 kaarten, deze waren dicht geplakt. Voor elke dag ging er een velletje open. Daar stond dan een afbeelding van wat die dag bij iedereen moest gebeuren. Douchen, haren wassen. Allemaal dingen die vrij normaal waren. Dit waren geen dingen waar je, als kind, naar uitkeek. Het leven was veel te gestructureerd. Eigenlijk veel te eentonig voor een peuter. Ik zag dingen gebeuren die ik niet wilde zien maar moest zien. Om een voorbeeld te noemen: Er zat eens een meisje tegenover mij die weigerde te eten. Ze had gewoon genoeg gegeten maar van een zuster moest ze haar bord, helemaal, leeg eten. 2 zusters werden boos en de 1 greep haar bij haar hoofd en kneep haar neus dicht, haar mond ging open en de andere zuster drukte snel een hap eten in haar mond. Dit proces herhaalde zich, terwijl ik met verbijstering dit, afschuwelijke, gebeuren moest aanschouwen. We werden, expres, niet omgedraaid of weggehaald, gewoon om te laten zien dat hun macht hadden. Enige tijd later moest ze overgeven en spuugde de hele tafel onder. Je werd verplicht om hier naar te kijken. Ik vond dit zielig en werd weer heel bang. Ik besloot dat mij dat nooit zal overkomen. Gewoon net doen alsof je alles lekker vindt en je mening, daarover, niet uiten. Toch raakte deze gebeurtenissen mij wel. Maar op de 1 of andere manier hield ik dit voor mezelf. Daar was ik, toen al, goed in. Evenals net doen alsof je alles lekker vindt. Zulke ervaringen kwamen niet in je op om over te praten. Dit werd, destijds, verboden dus hield je je daar maar aan. Op dat moment besef je niet hoeveel macht de nonnen en de zusters hadden.


Thuis was ik mondiger en durfde wel te zeggen wat ik lekker vond. Gelukkig had ik 1 troost, dat was mijn beertje: ”Pokkie” noemde ik hem. “Pokkie de wit”. Ik heb geen idee hoe ik op deze naam kwam. Pokkie was mijn steun. Tegen hem kon ik praten. Beter als met nonnen, zusters en andere kinderen. Had het idee dat ik alleen stond en dat ik het alleen moest doen samen met “Pokkie”. Een zeer angstig en eenzaam gevoel voor iemand van drie jaar. Juist omdat mijn zus wel elke Zondagavond mee naar huis mocht. Ik vond dat niet eerlijk. Want waarom werd ik daar achter gelaten en mocht zij mee naar huis? Ik wist het niet en kon het niet bevatten. Ik voelde mij eenzaam en verloren in het revalidatiecentrum en kon bij niemand steun vinden. Ik besefte dat mijn leven, doordeweeks, helemaal niet leuk was. Dit gaf een heel verdrietig en eenzaam gevoel. Onbevattelijk eenzaam, mede omdat er tijdens de verzorging, van mij, totaal, niet met mij gesproken werd. Ik kreeg de indruk dat dat niet mocht. In het weekend vroeg ik alle aandacht en kwam mijn zus op de tweede rij. Natuurlijk onterecht en niet normaal. Ik wist best dat dit niet normaal was. Maar anderzijds was het weekend de enige periode in de week dat ik mij vrij en verlost kon voelen. Voor mijn zus was dit, natuurlijk, ook niet leuk. Want wij hebben een goede band en dan zal ik dat even onderuit halen. Zo werkt dat niet bij een jongen van amper vier jaar oud. Op Zondag kreeg ik, vlak voor dat ik weer naar het revalidatiecentrum werd gebracht, weleens van mijn oma narcissen mee voor bij mijn bed. Deze bloemen werden door oma “trompetertjes” genoemd Mijn moeder zette de bloemen, altijd, naast mijn bed. Vond die kleuren veel mooier als de omgeving waar ik verbleef. Keek er daarom graag naar. Deze narcissen gaven mij iets speciaals. Een gevoel van verbondenheid met mijn vertrouwde omgeving. Die ik zo miste. Dacht heel vaak aan thuis of, eigenlijk, speelde dit altijd in mijn hoofd. Was veel bezig met mijn zus. Besefte, heel goed dat zij wel thuis was. Ik wist heel goed dat mijn zus naar school moest en thuis kwam om te eten en te slapen. Daarom vond ik deze situatie zo oneerlijk. Bijna elke week op Vrijdag liep mijn moeder een paar uur of een dag mee. Mede om informatie te krijgen over mijn echt zekerheid over kon zeggen. Vond dat enerzijds leuk dat mijn moeder meeliep maar anderzijds voelde ik me bezwaard. Alles van de zusters werd genoteerd in een schrift. Deze ging, in het weekend, mee naar huis zodat mijn ouders ook in dit schrift konden en moesten schrijven. Ik vond dit niet leuk omdat ze in het revalidatiecentrum van alles over mij konden schrijven. Maar het zegt niks over iemand zijn gevoelens.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   118


Dovnload 3.1 Mb.