Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Historische inleiding in de wijsbegeerte – begrippen Deel 1 Van mythos naar logos

Dovnload 74.07 Kb.

Historische inleiding in de wijsbegeerte – begrippen Deel 1 Van mythos naar logos



Datum01.02.2019
Grootte74.07 Kb.

Dovnload 74.07 Kb.

Historische inleiding in de wijsbegeerte – begrippen
Deel 1
Van mythos naar logos
Symbolische orde = structuur van de wereld voor je geboorte. Het is de aard van de mens om orde aan te brengen. Soms wordt die orde doorbroken door pijn, verlies, schaterlach, orgasmes...

Ideologie = een geheel van definitieve zekerheden die het bestaan ordenen (vasthouden aan status quo; conservatief)

Wereldbeeld = bestaanshorizon waarin we ‘geworpen’ zijn

Logos = rede, ratio, woord, definitie, discours, rekenschap die wordt afgelegd over een te verklaren fenomeen, uitleg

Mythe = verklaring van verschijnselen/werkelijkheid door te verwijzen naar een eenmalige, grondleggende, (niet-bestaande / buiten de tijd) gebeurtenis (verhaaltraditie met (half)goden): legitimerend, onkritisch, normatief, oraal

Desacralisering = natuur is niet meer uitdrukking van het goddelijke, Goden niet meer immanent in de natuur, de natuur wordt gescheiden van het sacrale

Antropomorfisme = Goden met menselijke eigenschappen

Kosmos = sierraad, pronkstuk; er is orde, die rationeel kan worden uitgelegd door de logos

Relativisme = er is geen waarheid of universele moraal; de mens is de maat van alle dingen
Plato
Realisme = werkelijkheid bestaat onafhankelijk van jezelf, het denken en de structuur van de werkelijkheid komen overeen; logos

Idealisme = vanaf Kant: je kan de werkelijkheid slechts kennen zoals je hem denkt. De werkelijkheid an sich kan je niet kennen zoals hij is. Het subject is datgene wat de werkelijkheid maakt tot wat hij is (constitutief en inhoudelijk bepaald)

Ideeën = universele, abstracte begrippen

Transcendent = overstijgend


Aristoteles
Empirisme = kennis begint bij de waarneming (Aristoteles, Locke)

Teleologie = alles in de natuur is doelgericht

Hyrlemorfisme = verhouding vorm (morphè) en materie (hulè) in een substantiie

Abstraheren = dematerialiseren, desindividualiseren

Entelechie = het doel (telos) in (en) zich dragen/hebben (echein)

Eudaimonia = het geluk dat bereikt wordt door de hoogst mogelijke actualisering van hoogst mogelijke vermogens van de mens

Theoria = theoretische wijsheid: kennis om de kennis, wetenschap (Aristoteles)

Phronèsis = praktische wijsheid: verstandigheid, concrete situaties, deugdethiek (Aristoteles)

Deugd = rationeel principe van moreel handelen; situeert zich in het midden tussen extremen, bepaald door de rede; vaste gesteldheid hexis

Praxis = handeling die omwille van zichzelf wordt nagestreeft (geluk)

Poièsis = handeling gericht op een extern doel
Filosofie als levenswijsheid
Hellenisme = verspreiding van de Griekse cultuur op grote schaal door het Romeinse Rijk

Kosmopolitisme = wereldburgerschap

Apatheia = passies uitroeien

Epicurisme = geluk = genot = lathe biosas

Neoplatonisme = de werkelijkheid emaneert uit het Ene Goede
Augustinus
Exemplaria = modellen in Gods geest

Illuminatieleer = de goddelijke illuminatie stelt ons verstand in staat om de waarheid te zien

Philosophia Christiana = persoonlijke God, scheppingsgedachte, heilsgeschiedenis, individu en lichamelijkheid
Herontdekking Aristoteles
Geocentrisme = wereldbeeld Aristoteles + hel in het midden

Onder- en bovenmaans = wereldbeeld: ondermaans is onvolmaakt en veranderlijk, bovenmaans is volmaakt


Thomas van Aquino
Praembula fidei = geen twee waarheden: filosofie moet het geloof voorzien van voorbodes/fundamenten

Lumen naturale = natuurlijk licht, waarmee wij ons eigen verstand kunnen verlichten; zo dringen we door tot universalia

Universalia = universele begrippen, kennis van de vormen

Prima intelligibilia = denkprincipes die de basis vormen van elke denk-act: het ene, het goede, het ware, het non-contradictiebeginsel (voorwaarden voor lumen naturale)

Essentie = het wezen, de vorm, universalia

Existentie = reële/actuele bestaan van de dingen

Forma substitens = een substantie, bestaande uit essentie en existentie (onstoffelijk: bijv. de ziel, engelen)

Facultas = capaciteit / technische vaardigheid om goed te handelen

Usus = praktische toepassing, gebruik

Kardinale deugden = voorwaarde en vereniging van kenmerken van alle deugden: verstandigheid, matigheid, dapperheid, rechtvaardigheid)


Ockham
Particularia = individuele objecten die wij zintuiglijk waarnemen

Nomina = universele namen die wij geven aan objecten

Modus intelligendi = wijze van denken

Modus significanti = wijze van uitdrukken: taal

Modus essendi = bestaanswijze
Renaissance 15e – 17e eeuw
Renaissaice = wedergeboorte van de interesse in de oudheid, rationaliteit

Reformatie 1517 = scheiding katholicisme – protestantisme door Luther

Absolutisme = streven van vorsten naar absolute macht

Heliocentrisme = Copernicaanse revolutie: niet de aarde, maar de zon is het middelpunt van de kosmos


Bacon
Humiliato intellectus = bescheidenheid; de natuur het woord laten via observatie, want kennis is macht over de vijandige natuur
Opmars van het subject
Antropocentrisme = de mens wordt het subiectum, de dragende onderbouw van de werkelijkheid, centrum van de wereld
Descartes
Rationalisme = de zekerheid over de werkelijkheid buiten ons wordt verworven door de rede/ratio en niet door de zintuigen. De menselijke rede is primair uitgerust met concepten, axioma’s of intuïties, waarmee we de werkelijkheid kunnen begrijpen. (het eerste vaste punt is het denkende subject, met zijn ingeboren ideeën)

Axioma = onbewezen basisprincipe waaruit zekerheden afgeleid kunnen worden

Res cogitans = innerlijke wereld van het denken

Res extensa = de buitenwereld, uitgebreidheid, wereld van een andere orde

Idée claire et distincte = logisch evident, welonderscheiden (op zichzelf gekend) idee, per definitie waar

Répresentations = voorstellingen in ons bewustzijn, veroorzaakt door prikkels die binnenkomen in de zintuigen


Locke
Empirisme = zekerheid over de werkelijkheid buiten ons wordt verworven door de zintuigen (enkel zinsindrukken bestaan. Het subject is de basis van alle kennis, maar kennis kan niet uitstuigen boven de voorstellingen die de zintuiglijke waarneming veroorzaakt)

Complex ideas = woorden, samengestelde ideeën

Simple ideas = lettertekens

Sensations = uitwendige waarnemingen

Reflections = inwendige waarnemingen (abstracte begrippen)

Qualities = hoedanigheden van de uitwendige dingen

Primairy qualities = kwantitatieve eigenschappen (grootte, vorm, aantal, plaats, beweging)

Secundairy qualities = particulier in elke waarneming naargelang de waarnemer (kleur, geur, smaak, warmte, geluid)


Hume
Scepticisme = kritisch, alles in vraag stellend

Inductieprobleem = aan de hand van particuliere objeten mag je geen universele conclusies trekken


Kant
Aufklärung = verlichting: gedachtestroming die ervanuit ging dat de vooruitgang van de mensheid onstuitbaar zou zijn, als elke mens individueel de verantwoordelijkheid voor zichzelf zou opnemen en zijn leven op een redelijke manier zou ordenen

A priori = universeel een noodzakelijk geldig zonder aan de empirie te moeten worden getoetst

A posteriori = gebaseerd op de empirie, niet universeel en noodzakelijk geldig

Analytisch = geldigheid wordt gegarandeerd door de betekenis van de termen zelf

Syntetisch = termen worden gecombineerd: er wordt iets nieuws geaffirmeerd dat niet gegeven is in de definitie van de termen zelf

Transcendentaal = we moeten niet objectief proberen te kijken naar het object zelf, maar objectief de mogelijkheidsvoorwaarden van objectieve kennis van het subject onderzoeken

Empfindungen = gewaarwordingen: subject ondergaat prikkels

Anschauung = prikkels, gestructureerd door tijd en ruimte

Ding an sich = dat wat prikkels uitzend; kunnen we niet objectief kennen

Begriffe = kenobject; de Anschauung, gestructureerd door de twaalf categorieën

Transcendentale ideeën = Ich Denke, Wereld, God; regulatief, ze structureren de kenobjecten

Theoretisch agnosticisme = over de grote thema’s van de metafusica kan nooit zekere kennis worden bereikt

Categorische imperatief = wet die de rede zichzelf onvoorwaardelijk oplegt en waarmee ze haar handelen onderwerpt aan de eis tot universaliteit

Posdtulaten = aanname van de transcendentale ideeën die moraliteit mogelijk maken: onsterfelijkheid morele persoon, God, vrijheid


Hegel
Verstandsdenken = Het verstand analyseert, scheidt wa samenhoort en fixeert de onderscheiden. Het verstand slaagt er niet in de opposities die ze zelf heeft gecreëerd te overwinnen

Dialectiek = continue beweging van de werkelijkheid/geschiedenis/alles

De zuivere idee = het denken op zich, het bewustzijn, het rationele als zodanig, abstracte begrippenapparaat

Natuur = veruitwendiging van de zuivere idee: rationele orde, van zichzelf vervreemd

Der Geist = rationele dat tot zichzelf komt door reflexiviteit, verwezenlijking van de zuivere idee en besef daarvan

Subjectieve Geest = wezens die reflexiviteit, zelfbewustzijn en inwendigheid beziten, tegenover de uitwendigheid van de nautuur

Objectieve Geest = veruitwendiging van de subjectieve geest: redelijke orde instellen om zich te affirmeren in de natuur

Absolute Geest = besef dat de Geest zelf alles is


Marx
Vervreemding = concrete mens vs. de idee ‘mens’; mens vs. arbeid; arbeid vs. privébezit; meesters (niet-arbeidende bezitters) vs. knechten (niet-bezittende arbeiders)

Infra-structuur = onderbouw: economisch-sociale sfeer (productiekrachten + productieverhoudingen)

Supra-structuur = bovenbouw: ideologische rechtvaardiging

Publieke sfeer = mens als burger

Private sfeer = mens als mens

Arbeidsdeling = arbeid werd complex, men ging samenwerken: splitsing van handen- en verstandsarbeid (meesters en knechten)

Uitbuiting = de arbeider wordt gereduceerd tot een levend onderdeel van de machinerie. De eigenaar van de prouctiemiddelen krijgt winst, die wordt geinvesteerd om de winst te vergroten. Hoe productiever de arbeider, des te goedkoper het product, des te lager de winst, des te lager het loon; de arbeider organiseert mee aan zijn eigen verarming

Proletarische existentie = niet-bezittende arbeiders: heeft vrijheid en zelfbeschikking dankzij de techniek en de productiemiddelen, maar heeft hiertoe geen toegang

Klassenstrijd = revolutie, die zal leiden tot het einde van de geschiedenis in een klassenloze maatschappij
Einde moderniteit: onttroning van het subject
Positivisme = elke vorm van weten is slechts geldig als ze verworven is door de methode van de positieve wetenschap; uitgaan van posita die kwantitatief worden verwerkt
Nietzsche
Begrippenmummies = vaste, onveranderlijke, abstracte constructies: ‘waarheid’, ‘de moraal’, ‘het zijn’

Hinterweltler = mensen die een ‘werkelijke’ wereld achter de concrete werklijkheid creëren, waar alle chaos en veelheid (zintuigen, het lichaam) is weggevlakt. De wereld wordt herleidt tot één vlak, een eentonig geheel (monotono-theïsme): een leugen

Zwak nihilisme = vernietigen van het echte leven door begrippenmummies. Door angst wordt er een Hinterwelt gecreëerd. Het niet-werkelijke wordt werkelijk en beter geacht, het werkelijke wordt verwaarloosd

Sterk nihilisme = ongeremd de Wille zur Macht nastreven; je moet inzien dat de waarden in feite niets waard zijn, en dat we allemaal een Wil tot Macht volgen. Je moet in de afgrond kijken en niet bang zijn (stuntelen of dansen). Anarchie: jijzelf bent jouw enige heerser.

Uebermenschen = Zij ontplooien ongeremd hun machtswil, Jenseits von Gut und Böse. Ze gaan hun eigen weg, dragen de gevolgen van hun handelingen en nemen hun tragisch lot op (God kan geen verzoening of vergiffenis schenken); kameel, leeuw, kind

Amor fati = liefde oor het lot (het tragische heeft zelden een happy end)


Husserl
Lebenswelt = leefwereld; dagelijks bestaan; dagelijkse ervaring (intersubjectieve synthese van waarnemingen, aangevuld op basis van onze Einstellung)

Objectivistisch = de wereld biedt niet slechts een weergave van de werkelijkheid om communicatie mogelijk te maken in de leefwereld, maar ze toont de werkelijkheid zoals die werkelijk is

Substructie = wetenschap is een constructie van de leefwereld, maar wetenschap is nu werkelijker dan de leefwereld geworden: de constructie is naar de leefwereld gesubstitueerd

Einstelling = ingesteldheid; de manier waarop wij naar de wereld kijken, met vooronderstellingen en vanzelfsprekendheden

Epochè = opschorting

Einklammeren = tussen haakjes zetten

Wetenschappelijke inst.= objectivisme van de wetenschap

Natürliche Einstellung = common sense, alles wat wij subjectief inbrengen in de waarheid

Mogelijke ingesteldheid = reductie van vooronderstellingen, om te achterhalen hoe dingen zich tonen

Fenomenologie = zoeken naar het fundamentele uitgangspunt van waaruit we kunnen begrijpen hoe de werkelijkheid wordt gekend. Het beschrijft de wereld en het bewustzijn altijd in hun onderlinge betrokkenheid.

Intentionaliteit = de openheid van het bewustzijn op de dingen

(Re)constructie = een manier waarop we de relatie tussen fenomenen en bewustzijn inhoudelijk gestalte geven (leefwereld, wetenschap, objectiviteit...)

Abschattung = aspect dat je waarneemt vanuit een bepaald standpunt

Inwendige horizon = alle mogelijke standpunten die ik tegenover een bepaald object in kan nemen

Uitwendige horizon = alle mogelijke objecten die met het waargenomen object in relatie staan

Tijdshorizon retentie + protentie

Retentie = opslaan van ervaringen

Protentie = verwachtingen koesteren met betrekking tot ervaringen die zullen volgen

Objectiviteit = constructie, op intersubjectief niveau, als gevolg van communicatie over particuliere Abschattungen
Heidegger
Existentiële fenomenologie = de onleidbare relatie tussen de mens en de wereld omet worden gevat vanuit de meest oorspronkelijke bestaanservaring (existentie).

In-der-Welt-sein = er is niet altijd een geïsoleerd bewustzijn (ik), het bewustzijn is altijd al in de wereld verwikkeld

Dasein = kunnen-zijn, er-zijn; aanwezig in de wereld, maar valt nooit samen met de gegeven feitelijkheid

Existentialen = ontologische structuren van het Dasein; opdrachten die het Dasein moet vervullen en waaraan het niet kan ontsnappen; ontologische structuren die de ontische structuren mogelijk maken: In-der-Welt-Sein, Sorge, Mit-sein, Entschlossenheit

Ontische structuur = de gegevenheid van dingen, de zijnden

Ontologische structuur = datgene wat die gegevenheid mogelijk maakt (het zijn van de zijnden), fundamenten

Sorge = een koesterend bezig zijn (het nodige doen of voorzien om het object van onze zorg zo gaaf mogelijk te bewaren) met ons eigen bestaan, met anderen, en met dingen/tuigen in de wereld

Zuhandenes = tuigen staan ten dienste van het Dasein. Tuigen staan in relatie tot elkaar; ze verwijzen naar elkaar en maken elkaars bestaan mogelijk. Het Dasein structureert tuigen en doet tuigen ‘tuig zijn’

Vorhandenes = tuigen functioneren niet meer en staan niet meer zuhandenes: het netwerk van verwijzingen is doorbroken. We beschouwen het tuig als ‘ding’, we objectiveren het

Mit-sein = met anderen in de wereld zijn

Mit-Dasein = met anderen in de wereld zijn, die ook open staan naar de wereld: gemeenschappelijke intentionaliteit

Das Man = onpersoonlijk ander, waarvan je afhankelijk bent; dicteert en heeft controle

Entschlossenheit = openheid/intentionaliteit/gerichtheid op de wereld en op zijn eigen mogelijkheden (een Daseinw illen zijn)

Befindlichkeit = affectiviteit; structuurmoment van Entschlossenheit. Je hebt altijd een Stimmung (ontisch), je staat altijd op een bepaalde manier in de wereld (ontologisch)

Verstehen = verstaan; structuurmoment van Entschlossenheit. Onmiddelijk, preconceptueel verstaan van de dingen in onze omgeving en in de wereld

Rede = taal; structuurmoment van Entschlossenheit. Bepaalt affectiviteit en verstaan. Dasein brengt met taal onderscheidingen en structuur aan in de wereld

Geworfenheit = mijn bestaan in de wereld is een gegeven: ik ben reeds in de wereld (verleden)

Entwurf = ontwerp: ik ben altijd op mezelf vooruit door de gerichtheid op mijn mogelijkheden (toekomst)

Jemeinigkeit = ik heb een authenticiteit die mijn authenticiteit is, en die ik in mijn existeren moet waarmaken

Verfallen = teveel das Man volgen, waardoor de authenticiteit van het Entwurf in gevaar komt

Durchschnittlichkeit = doorsneebestaan (rede  gerede, verstehen  neugier (wat ‘men’ wil), befindlichkeit  zweideutigkeit (dubbelzinnigheid: doen alsof))

Vrees = heeft een duidelijk afgebakend object

Angst = onbestemd, angst voor het niets, angst voor de dwang om een Entwurf en authentiek te moeten zijn

Grundbefindlichkeit = constitief, een drijvende motor van ons bestsaan


Ontologische Differenz = onderscheid tussen ‘zijn’ en ‘zijnden’

Onto-theologisch = het ‘zijn’ wordt een ‘zijnde’, namelijk God

Seinsvergessenheit = men is het ‘zijn’ in de oorspronkelijke betekenis vergeten, en men is deze vergetelheid zelf vergeten

Seinsgeschichte = zijnsgebeuren: in de zijnden onthult en verhult het zijn zich door tijdelijkheid. Wat zich nu toont, wordt op een ander moment verhuld.

Zijnde = plaats waar ‘zijn’ blijk geeft van zichzelf

Zijn = activiteit van het tonen en verhullen: in die activiteit ligt de waarheid vervat. Spel van manifesteren, per definitie tijdsgebonden. De manier waarop zijnden getoond worden op een bepaald moment in de geschiedenis.

Waarheid = de manier waarop de zijnden zich aan het Dasein tonen op een gegeven moment in de tijd via een bepaalde samenhang van de zijnden (onverborgenheid)

Andenken = erkennen van onze machteloosheid

Gelassenheit = gelatenheid

Differente = eeuwig uitstel van de toegangsweg tot ‘zijn’


Sartre
Existentialisme =

En-soi = op zichzelf zijn, pure gegevenheid, geen bewustzijn, volledig met zichzelf samenvallen

Pour-soi = voor zichzelf zijn, bewustzijn, betrokkenheid op zichzelf en op het andere dat existentie heeft

Néant = niets; de mens valt nooit samen met zichzelf, is altijd meer dan hij i; de mens is vrijheid en mogelijkheden

Mauvaise foi = ter kwader trouw: poringen om te ontsnappen aan vrijheid en verantwoordelijkheid
De Saussure
Structuralisme = betekenis komt enkel en alleen tot stand binnen een structuur, waar tekens naar onderlinge verschillen verwijzen

Semiotiek = tekenleer

Signifiant = betekenaar: het teken/woord

Signifié = betekende: betekenis

Differentie = verschil van een taalteken met andere taaltekens (systeem van verwijzingen). Hierdoor wordt plaats en betekenis bepaald

Heteronomie = parallel tussen schrift en mens-zijn: beide moeten gehoorzamen aan wetten waar je geen inspraak in hebt

Traces = sporen van vroegere constellaties

La dissémination = de eindeloze voortgang van betekenissen die aan het worod worden toegekend (afwezige schrijver)

La différance = datgene wat actief het verschil/uitstel voortbrengt: elk teken verwijst naar een ander, betekenis ligt niet vast, we hebben nooit toegang tot ‘de dingen achter de woorden’

Deconstructie = demontatie van metafysische systemen door concentratie op wat de tekst verzwijgt/verdringt ind e marge

Ondeconstrueerbare = à venir, betekenis die nooit te controleren valt, lege plaats in het aanwezige: tijd, gerechtigheid, zijn...
Analytische wijsbegeerte
Linguistic turn = taalfilosofie belangrijk in de 20e eeuw

Continentale filosofie = metafysica, grote systemen, rationalisme, literaire en geen strikt logische teksten

Analytische filosofie = empirisme, wetenschappelijk formalisme, logische methode, analyse (Frege, Russel)
Wittgenstein I
Geschwätz = gezwets, het onzegbare; onzin

Afbeeldingstheorie = meaning is reference: waarheid is de overeenkomst van de uitspraak met de stand van zaken in de werkelijkheid (empirische uitspraken)

Das Mystieke = onzinnige uitspraken tonen dat wat niet beschreven/waargenomen kan worden (niet feitelijk, wel zinvol)
Wittgenstein II
Sprachspiel = taalspel: de context, waarvan de betekenis afhankelijk is

Lebensform = het geheel van niet-verbale gedragingen, gebruiken, normen, waarden etc., gemeenschappelijke elemten die in de communicatie worden voorondersteld: bevat taalspellen en een jarchon

Coherentie = waarheid is contextafhankelijk, volgens de regels van de context
Deel 2: Historsich-hermeneutische wetenschap
Historisme = het inzicht dat alles (subject en object) historisch is, en vanuit zijn historische context moet worden verklaard
Sprengler
Comparatieve benadering = vergelijken van grote beschavingen d.m.v. morphologie: er ligt een organische structuur aan de grondslag van de geschiedenis
Popper
Historicisme = wijze van benaderen van de sociale wetenschappen, die ervan uitgaat dat het voorspellen van de geschiedenis hun belangrijkste doel is, dat bereikt kan worden door het ontdekken van de ’ritmen’ of ‘patronen’, de ‘wetten’ of ‘tendensen’, die aan de ontwikkeling van de geschiedenis ten grondslag liggen (uniek, overkoepelend evolutieproces van de menselijke beschaving; organisch basispatroon)

Carnap
Psychologisme = psychologie moet een positieve wetenschap worden (objectief, universeel, toetsbaar)

Intersubjectiviteit = betekenis wordt gesticht in een ruimere samenhang en overstijgt het strikt individuele (communicatie en taal spelen een rol)


Hermeneutiek
Hermeneutiek = interpretatieleer (Gr. hermèneuein is ‘verklaren’, ‘vertalen’. Lat. interpretari); Kunst des Verstehens

Intra-tekstuele interpr.= letterlijke of de allegorische interpretatie

Typologie = het Oude Testsament wordt gelezen als voorafschaduwing van het Nieuwe (prefiguraties van gebeurtenissen uit het leven van Jezus Christus)

Letterlijke betekenis= historische betekenis, wat er staat

Allegorische betekenis = tyoplogische betekenis

Tropologische betekenis = morele betekenis (leven van Christenenen beteren)

Anagogische betekenis = toekomstperspectief tonen van de hemelse bestemming
Schleiermacher
Schwierige Stellen = moeilijke, lastige, passages/werken

Rede = talige uiting: grammaticale en psychologische interpretatie

Gleichstellen = gelijkstellen aan de auteur door Nachconstruiren der gegebenen Rede (taalkennis, innerlijke en uiterlijke aspecten van het leven)

Hermeneutische cirkel = het verstaan van het geheel vanuit de delen en van de delen vanuit het geheel


Dilthey
Naturwissenschaften= men richt zich op fenomenen die zich van buitenaf aan de mens opdringen en die met elkaar worden verbonden in causale relaties (Erklären)

Geisteswissenschaften = men richt zich op de manifestaties van het menselijke leven (Verstehen)

Ausdrücke = materiële expressies van de geestelijke beleving Erlebnis

Zeitgeist = plaats in de tijd; tekens en individualiteit zijn veruitwendigingen

Objectiever Geist = geheel van materiële expressies, die bestaat uit ‘de diverse vormen waarin de tussen de individuen bestaande gemeenschappelijkheid (Gemeinsamkeit) zich in de zintuiglijke werkelijkheid heeft geobectiveerd’. (Bijv. religie, filosofie, kunstwerken, architectuur, geschreven uitdrukkingen...)

Nacherleben = opnieuw beleven van de Zeitgeist

Sichhineinversetzen = zich verplaatsen in de positie van de maker
Heidegger
Auslegung = interpretatie: het uiteenlegen en expliciteren van de mogelijkheden (van een zijnde) die vooraf verstaan worden: iets als iets zien, een tuig ‘om te’: jij actualiseert tuigen en geeft betekenis door interpretatie

Vorhabe = ervaring van een voorafgaande totaliteit (verzameling tuigen ‘om te’)

Vorsicht = voorafgaand perspectief: motivatie, doel tuig

Vorgriff = voorafgaande conceptualiseringen: verwachtinsgpatroon, begrippelijkheid die je geeft aan een object

Sinn = ‘om-te’, betekenis
Gadamer
Werkingshistorisch = bewustzijn: geaffecteerd door de geschiedenis en zich daarvan bewust. Subject en object zijn historisch

Vorurteilshaftigkeit = we zijn wezenlijk in staat tot vooroordelen: ze zijn voorwaarden Bedingungen voor onze ervaring (traditie, taal, verstaan zelf). Vooroordelen zijn hsitorisch en contingent, constitutief voor de horizon van de interpreet, arbitrair.



Traditie = geeft autoriteit aan vooroordelen (opvoeding, geschiedenis, cultuur...)
Betti
Selbstentäuβerung zelf-wegcijfering: je kan je historiciteit tijdelijk uitzetten. Er isg een objectieve maatstaf, maar je kan de oorspronkelijke mening wel reproduceren

  • Filosofie als levenswijsheid
  • Herontdekking Aristoteles
  • Renaissance 15 e – 17 e eeuw
  • Bacon Humiliato intellectus = bescheidenheid; de natuur het woord laten via observatie, want kennis is macht over de vijandige natuur Opmars van het subject
  • Einde moderniteit: onttroning van het subject
  • Jenseits von Gut und Böse
  • Analytische wijsbegeerte
  • Deel 2: Historsich-hermeneutische wetenschap

  • Dovnload 74.07 Kb.