Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoe gekleurd wil je het hebben? Over interculturele communicatie en

Dovnload 389.73 Kb.

Hoe gekleurd wil je het hebben? Over interculturele communicatie en



Pagina1/7
Datum14.10.2017
Grootte389.73 Kb.

Dovnload 389.73 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7

HOE GEKLEURD WIL JE HET HEBBEN?


Over interculturele communicatie en

culturele diversiteit in Utrechtse culturele instellingen



Afstudeerscriptie deeltijd Communicatiemanagement HU

Mira K. Veenman, augustus 2008

Studentnummer 1223766


Scriptiebegeleider: Marja Kusters

Inhoudsopgave



Samenvatting pagina 5
Hoofdstuk 1 Inleiding pagina 7

1.1 Wit bolwerk 7

1.2 Kunst communiceert 7

1.3 Exploratief onderzoek 8

1.4 Probleemstelling en onderzoeksvragen 9
Hoofdstuk 2 Plaats en betekenis van podiumkunsten pagina 10

2.1 Podiumkunst en framing 10

2.2 Cultuuraanbod en waardering 10

2.2.1 Beeldvorming van theater 11

2.2.2 Beoordeling van multicultureel theater 12

2.2.3 Onderzoek naar cultuurbeleving in Utrecht 12

2.3. Theater en communicatie 13

2.4. Cultuurparticipatie en opleidingsniveau 14

2.4.1 Cultureel Kunstzinnige Vorming 15

2.4.2 Cultuurparticipatie en opleidingsniveau in Utrecht 16

2.5 Resultaten uit verschillende onderzoeken naar landelijk

cultuurbezoek 17


Hoofdstuk 3 Verschil in cultuurbehoefte en cultuurbeleving pagina 19

3.1 Cultuurdeelname 19

3.1.1 Allochtone jongeren en cultuurdeelname 20

3.2 Culturele informatie op internet 20

3.3 Communicatie met publiek 21

3.4 Begrippen 21

3.5 Vooroordelen 22

3.6 Allochtonentheater of intercultureel theater? 22

3.6.1 Betekenis van intercultureel theater 23

3.6.2 Vormen van intercultureel theater 23

3.7 De plaats van interculturaliteit in theater 25

3.8 Kanttekeningen bij etniciteit 26



Hoofdstuk 4 Maatschappelijke context pagina 27

4.1 Beleid 27

4.1.1 Cultuurbeleid van de landelijke overheid 27

4.1.2 Cultuurbeleid van provincie en gemeente Utrecht 27

4.1.3 Beleid van gemeentelijke culturele instellingen 28

4.1.3.1 Stadsschouwburg Utrecht 28

4.1.3.2 Muziekcentrum Vredenburg 28

4.2 Cultuurmakelaars 28

4.3 Netwerk CS 29

4.4 Onderwijs 29

4.4.1 HKU 29

4.4.2 Nieuwe theateropleiding 30

4.5 Stedelijke omgeving 31

4.5.1 Bevolkingssamenstelling stad Utrecht 31

4.5.2 Kenmerken van een grootstedelijke cultuur 31

4.5.3 Culturele progressiviteit 31


Hoofdstuk 5 Utrecht cultuurstad pagina 32

5.1 Creatieve stad 32

5.1.1 Culturele Zondagen 33

5.1.1.1 Publiekscommunicatie Culturele Zondagen 33

5.1.1.2 Publieksbereik Culturele Zondagen onder allochtonen 34

5.1.2 Stadsschouwburg Utrecht 34

5.1.2.1 Programmering Stadsschouwburg Utrecht 35

5.1.2.2 Publieksbereik Stadsschouwburg Utrecht 36

5.1.2.3 Publiekscommunicatie Stadsschouwburg Utrecht 37

5.1.3 Muziekcentrum Vredenburg 38

5.1.4 ZIMIHC 39

5.1.5 Openbare bibliotheek Utrecht 39

5.1.6 Overige culturele instellingen en initiatieven 40
Hoofdstuk 6 Communicatie pagina 42


    1. Communicatie algemeen 44

6.1.1 Interculturele communicatie 42

6.2 Marktonderzoek onder allochtone doelgroepen 44

6.2.1 Etnomarketing 45

6.2.2 MOSAIC 46

6.3 Diversiteitmanagement pagina 47

6.4 Communicatie van podia met allochtone doelgroepen 48

6.4.1 Van buiten naar binnen communiceren 50
Hoofdstuk 7 Conclusies en aanbevelingen pagina 51


    1. Inleiding 51

    2. Analyses 51

7.2.1 Analyse risicomijdend gedrag 51

7.2.2 Analyse beleid 53

7.2.3 Analyse weerstanden 54

7.2.4 Analyse communicatiemiddelen 55

7.2.5 Analyse overige middelen 56

7.3 Invoering van divers beleid 56

7.4 Aanbevelingen 57

7.4.1 Programmering 57

7.4.2 Communicatie 58

7.4.3 Onderzoek 59

7.4.4 Overig 59
Literatuuropgave pagina 61
Bijlage Interviews pagina 64

Theatergroep Stut 64

Nelly van der Geest, CIS 67

Ellen Blom, Stadsschouwburg Utrecht 69

Marjorie Boston, Made in da Shade 72

Samenvatting
Met het gegeven van het Actieplan Cultuurbereik, de culturele nota’s van de overheden en de veranderende samenleving, is de wil van culturele instellingen aanwezig om met hun aanbod een cultureel divers publiek te bereiken. Het cultuurbereik blijft echter beperkt, er is sprake van een ondervertegenwoordiging van etnische minderheden, het publiek herkent zich niet in het huidige programmeringsaanbod en laat het in grote getale afweten.
Met deze scriptie wordt inzicht gegeven in de factoren die bepalend zijn bij het cultuurbereik van de Utrechtse podia. Belemmeringen en voorwaarden worden middels een verkennend onderzoek geïnventariseerd. De volgende probleemstelling vormt het uitgangspunt:

‘Hoe kan communicatie en programmering van de gemeentelijke culturele podia in Utrecht zorgen voor een toename van publiek van verschillende etnische afkomst?’


Sociaal-economische factoren blijken een remmende factor te zijn bij cultuurparticipatie, wat dat betreft is allochtone afkomst niet bepalend. De inrichting van CKV-lessen en het kunstvakonderwijs vraagt om een interculturele aanpak. Competenties als kennis, motivatie (de wil om sociale relaties aan te gaan en te onderhouden) en vaardigheden (gedrag) zijn een voorwaarde om te laten zien dat men het serieus meent met de multiculturele samenleving.

In het cultuuraanbod bestaat er een onderscheid in populaire en klassieke repertoire, die van oudsher verschillende doelgroepen bereiken. In een grootstedelijke omgeving zijn hybride kunstvormen een belangrijk gegeven, stadsbewoners staan eerder open voor veranderingen en combineren in hun levensstijl een verscheidenheid aan invloeden. Er bestaat een soort organische tendens naar culturele mengvormen op podiumgebied, die aantrekkelijk zijn voor een publiek van jongeren.
Culturele diversiteit is zichtbaar in het dagelijks leven, maar daadwerkelijk integreren is een ander geval. Mensen interpreteren vanuit hun eigen referentiekader en houden vast aan hun waarden en normen, waardoor het niet makkelijk is om zich in te leven in andere culturen. Vooroordelen, gebaseerd op een gebrek aan kennis en visie zijn oorzaken van weerstand Van organisaties en bedrijven wordt een aanpassing aan de huidige multiculturele samenleving verwacht. De veranderingen om tot een positieve beeldvorming te komen, vragen om meer inzet, een organisatiebeleid, dat gestoeld is op intercultureel management. Organisaties met een gemengde personele samenstelling zijn flexibel en creatiever.
Op marketing- en communicatiegebied is diversity marketing een manier om divers publiek te bereiken, waarbij gebruik gemaakt wordt van cultuurgebonden en crossculturele media. Sleutelfiguren en persoonlijke communicatie zijn instrumenten om geloofwaardigheid te realiseren. Het inzetten van ‘allochtone’ producenten vergroot de kans om ander publiek aan te spreken en een culturele dialoog aan te gaan.
Intercultureel theater en andere interculturele kunstvormen, hebben het vermogen om verbindend te werken, het publiek kan zich identificeren met succesvolle artiesten uit ‘eigen’ omgeving en gemeenschappelijke waarden herkennen.
Het ‘Utrechtse model’ biedt volop kansen voor een betere afstemming van publieksbereik, er is veel samenwerking tussen de culturele instellingen en kennis over diversiteit en netwerken is aanwezig en kan gedeeld worden. Het probleem zit voor een deel in de samenstelling van het aanbod, maar langzamerhand weten de podia producenten te vinden die met een aansprekende programmering komen.

De stad Utrecht wil in 2018 Europese Culturele Hoofdstad worden en zal daarvoor haar best moeten doen om de Europese culturele rijkdom en diversiteit te laten zien, met inbegrip van die van etnische minderheden die deel uitmaken van de stedelijke bevolking.
De besturen van culturele instellingen en de samenstelling van adviesorganen blijken nog te weinig een afspiegeling te zijn van de samenstelling van de bevolking en dienen een andere uitstraling te krijgen. Het stimuleringsbudget voor diversiteit binnen de culturele sector levert nog te weinig resultaat en blijft veelal projectmatig van aard.

De belangrijkste verandering voor culturele instellingen komt neer op een investering in het hart van de organisatie.

Deze maatregelen houden veranderingen in op communicatie- en organisatorisch niveau, die uitgaan van een integraal verankerd beleid gericht op diversiteit. Communicatie met publieksgroepen kan verbeterd worden, door zich bewust te zijn van uitsluitingsmechanismen en een etnocentrische benadering.
Er dient verder onderzoek gedaan te worden naar motivatie en behoeften van potentiële theaterbezoekers van allochtone afkomst. Leefstijlanalyses, toegespitst op verschillende etnische groeperingen, maken het tegenwoordig mogelijk om hier een beter beeld van te krijgen.

Hoofdstuk 1 Inleiding


1.1 Wit bolwerk

Al jaren valt op dat de samenstelling van het publiek bij (toneel)voorstellingen van de culturele podia voornamelijk ‘wit’ is, waarmee bedoeld wordt dat het publiek uit autochtone Nederlanders bestaat. Dit wringt, want de samenleving toont een ander beeld, de bevolkingssamenstelling, met name in de Nederlandse steden, is veel diverser dan het gemiddelde theaterpubliek. Waarom is dit zo verschillend? Zou het aan de repertoirekeuze liggen, heeft het misschien te maken met de programmering en de communicatie daarover? Kan het zijn dat de voorstellingen niet aansprekend genoeg zijn voor bepaalde doelgroepen?

Ook de podia stellen zich vragen over de huidige bezoekerssamenstelling en het cultuuraanbod en zouden graag zien dat meer makers en producenten zich druk maken om de grote achterban in de steden, die zich niet herkent in het aanbod van de podia.

Aan de andere kant is het ook zo, dat weinig ‘witte’ bezoekers een Marokkaans festival of een Turkse komedie bezoeken. Naast een maatschappelijk fenomeen bestaat de kloof tussen verschillende bevolkingsgroepen ook in het theater.


1.2 Kunst communiceert

Waarom de link met communicatie? Kunst en cultuur z’n geheel is een vorm van communicatie. Kunst is een manier om iets in beeldende vorm uit te drukken, waarbij dagelijkse dingen in een ander licht komen te staan. Het kan een reactie of een commentaar op bepaalde gebeurtenissen zijn. Door de vorm waarin en de locatie waar het gebracht wordt, roept het al dan niet een beeld van herkenning en emoties op. De betekenis die eraan geven wordt, is ontleend aan de context.

Joost Smiers1 (voormalig lector politicologie van de kunsten aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht) zegt hierover: “Arts are specific forms of communication. Characteristics of the arts are their aesthetic connotations. Second, they often communicate in a denser, more concentrated form than we experience in day-to-day life; and third, the location or context in which the artistic communication takes place often indicates that something specific is going on”.

Die context is niet voor iedereen gelijk, persoonlijke achtergrond en referentiekader zijn bepalend voor de manier waarop culturele uitingen beleefd en gewaardeerd worden.

Het is voorstelbaar dat de behoefte van verschillende etnische groepen op cultureel vlak anders is. Voorkeuren voor muziek, dans, cabaret en toneel zijn cultureel bepaald.

Programmering kan gezien worden als een communicatiemiddel, omdat de podia met hun aanbod een bepaald publiek willen bereiken. Ook de uitstraling en locatie van een publiek gebouw als theater of schouwburg, communiceren met publieksgroepen.


1.3 Exploratief onderzoek

In deze scriptie wordt aan de hand van een verkennend onderzoek gekeken hoe de culturele sector, met name de podia van de gemeentelijke culturele instellingen in Utrecht, met de publieksgroepen communiceert. Ik heb gekozen voor Utrecht, omdat dit een cultuurstad bij uitstek is. Het cultuurveld in Utrecht is overzichtelijk en goed georganiseerd. In de culturele sector richt ik me voornamelijk op culturele podia die zich bezighouden met toneel en theater en mengvormen hiervan.

De huidige stand van zaken op communicatie- en programmeringgebied wordt hierbij onder de loep genomen, waarbij de vraag beantwoord wordt hoe de diversiteit in publieksbereik via communicatie verbeterd kan worden. Om een beperking aan te geven wordt binnen de podiumkunsten vooral ingezoomd op professionele toneel- en theatervoorstellingen. Louter muziek- en dansvoorstellingen vallen buiten het onderzoekskader.

Elementen als aanbod in programmering, personele samenstelling en competenties van beleidsmakers, communicatie- en marketingspecialisten en de cultuurbehoefte en waardering van de podiumkunsten worden hierbij betrokken.


Het culturele beleid van de (gemeentelijke) overheid van belang, omdat dit een kader aangeeft waarbinnen men formeel opereert om bepaalde doelstellingen te bereiken. Het gaat ook over de ruimte die in het theatercircuit bestaat voor de aanwezigheid van niet-westerse en allochtone acteurs, regisseurs en tekstschrijvers, de interculturaliteit van de theateropleidingen.

In de culturele infrastructuur hebben onderdelen als cultuureducatie, kunstvakopleidingen en productiehuizen veel met elkaar te maken. Subsidies zijn hier een belangrijk onderdeel van.

Bewust heb ik het culturele veld ruim verkend, omdat in de Utrechtse setting veel instellingen met elkaar samenwerken.
De overheid is een duidelijke voorstander van een zo groot en divers mogelijk cultuurbereik en cultuurparticipatie. Een van de doelstellingen van het Actieplan Cultuurbereik 2005-2008 is, om meer aandacht te geven aan culturele diversiteit, waarbij het gaat om mensen van verschillende afkomst in aanraking te brengen met cultuur in al haar uitingsvormen. De overheid uit zijn zorg over de monocultuur van de gesubsidieerde sector. Er bestaat een geringe deelname van bepaalde bevolkingsgroepen, als maker en publiek, aan de gesubsidieerde cultuur. De aanwezigheid van allochtone bevolkingsgroepen is nauwelijks zichtbaar in de cultuurwereld. Er zijn verschillende manieren om vorm te geven aan de realisering van een culturele diversiteit binnen de podiumkunsten.

In de nieuwe kunstnota van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Min OCW) ‘Kunst van leven’, krijgt de uitdaging, om het aanbod te laten aansluiten bij een steeds diverser publiek, een minder prominente plaats. Er wordt gewezen op de inzet van steden, die hebben geïnvesteerd in vernieuwing van hun podia. De overheid geeft ruimte aan diversiteit, door te pleiten voor een structurele financiering van kunst- en cultuurprojecten die een meer divers publiek bereiken en de culturele dialoog in grootstedelijke gebieden aanjagen.


1.4. Probleemstelling en onderzoeksvragen


Deze scriptie is geschreven vanuit het spanningsveld tussen het huidige aanbod van de podia en de wens om een divers publiek te bereiken. Het onderzoek spitst zich, vanuit een algemene context, toe op de Utrechtse situatie. Voor het onderzoek is de volgende probleemstelling geformuleerd:
Hoe kunnen de communicatie en de programmering van de gemeentelijke culturele podia in Utrecht zorgen voor een toename van publiek van verschillende etnische afkomst?
Een verkenning van de culturele sector roept gaandeweg allerlei vragen op. Vragen die te maken hebben met plaats en betekenis van de podiumkunsten, het aanbod, publieksbeleving, maatschappelijke veranderingen en communicatie. Een aantal subvragen geeft hierbij richting aan het onderzoek.
- Wat is de definitie, betekenis en waarde van de podiumkunsten in de samenleving?

- Hoe is het met de cultuurbeleving en cultuurparticipatie gesteld?

- Wat is de maatschappelijke context, met welke veranderingen hebben de podia te maken?

- Hoe communiceren de podia in Utrecht met hun publiek?

- Welke communicatiestrategieën kan men inzetten om een divers publiek te bereiken?
Naast het raadplegen van literatuur, heb ik ter verdieping een aantal culturele instellingen in Utrecht benaderd en hun een aantal vragen voorgelegd. Een aantal van deze ontmoetingen is in de vorm van een interview weergegeven en in de bijlage toegevoegd.

De interviews zijn illustratief bedoeld voor de huidige gang van zaken en opvattingen bij cultuurinstellingen inzake het beleid van culturele diversiteit. Ook wordt de visie van een kunstenaar van allochtone afkomst gegeven met betrekking tot ontwikkelingen van het multiculturele theater.

Ik kon hierbij op de prettige medewerking rekenen van Ellen Blom, programmeur van de Stadsschouwburg Utrecht, Muziekcentrum Vredenburg, Nelly van der Geest, directeur van het Centrum voor Interculturele Studies van de HKU en Donna Risa, regisseur bij Theatergroep STUT.
Hoofdstuk 2 Plaats en betekenis van podiumkunsten
2.1 Podiumkunst en framing

Kunst heeft een verbeeldingskracht, communiceert en stimuleert ontmoetingen. Daarmee heeft het een bindend vermogen. De waarde die we aan kunst toekennen, kan zowel individueel als collectief zijn. Individuele waarden kunnen gericht zijn op het artistieke of esthetische, het expressievermogen, identiteit, ontwikkeling en reflectie. Collectieve waarden zijn waarden als toegankelijkheid, ontmoeting, bindend vermogen, reputatie, pluriformiteit, en reflectie. Kunst kan een bindende factor zijn door mensen de kans geven hun talent te ontplooien en hiermee de samenleving te verrijken. Het bindend vermogen en de communicatiekracht vormen intrinsieke waarden.

Theater is een verzamelnaam voor levende voorstellingen op een podium. Toneel is vooral teksttheater en bevat dialogen en monologen. In de literatuur worden deze termen regelmatig door elkaar heen gebruikt. Waar mogelijk gebruik ik de begrippen in bovenstaande betekenissen.

Theater kan een reflectie zijn van maatschappelijke kwesties en daarmee een afspiegeling van de samenleving vormen, maar ook zuiver esthetisch genoegen voortbrengen en grensverkennend zijn. Podiumkunsten kunnen, in hun avant-garde verschijning, als exclusief beschouwd worden voor een kleine groep liefhebbers, maar ook grotere groepen bereiken.


De maatschappij verandert continu, er zijn culturele en maatschappelijke ontwikkelingen die zich laten vertalen in het culturele circuit. Op dit moment lijkt in de theaterwereld een verandering op komst te zijn die zich in de richting van actuele sociaal geëngageerde kunst beweegt. Het gaat hier dan ook over de kwaliteit van het theater en zijn maatschappelijke functie. Die actualiteit vertaalt zich in de invloed van het dagelijks leven op theatermakers, zoals de straattaal van jongeren en de invloed van de beeldtaal in het moderne toneel. Het verbinden van verschillende elementen zoals klassieke en moderne dans, muziek en tekst heeft hiermee te maken. Ook hierin uit zich het bindend vermogen van kunst.

2.2 Cultuuraanbod en waardering

Bij het cultuuraanbod bestaat doorgaans een onderscheid in populair en klassiek repertoire, die beide eigen doelgroepen kennen. Populaire cultuur houdt in: cabaret, popconcerten, musicals, jazzconcerten, dance/house party’s, bioscoop en filmhuis.

In toenemende mate is in de programmering van podia, als schouwburgen, aandacht voor populaire cultuur, bijvoorbeeld in de vorm van community theater.
Tot klassieke/traditionele cultuur behoren toneelvoorstellingen, concerten, opera, ballet, kunstgalerie en museum. In de praktijk bestaat een kloof qua oordeel en publieks-samenstelling tussen populaire en klassieke cultuur. Voor theatermakers zijn de scheidslijnen niet altijd zo definitief.

Klassieke cultuur kent doorgaans een gemiddeld hoog opgeleid publiek. Er wordt ook wel gesproken over hogere en lagere kunst, dit houdt verband met een historische ontwikkeling van volkstheater en elitetheater.

Daarnaast bestaat er onderscheid tussen amateur en professionele theatergezelschappen, al of niet kortdurend of langjarig gesubsidieerd. Maar ook hier speelt het verschil in waardering, gebaseerd op een maatschappelijke kloof.

Bij de beoordeling van de kwaliteit van theater door publiek, producenten en subsidiegevers, kent men een bepaalde waarde toe. Een waarde die te maken heeft met referentiekader en die cultuurgebonden is. Bij dit oordeel speelt de westerse canon, een gedeelde cultuur die bestaat uit het geheel van toneel en dans, klassieke muziek en opera, en musea, een grote rol.

Dus de betekenis en status die veel autochtone Nederlanders aan theater geven, hoeft niet dezelfde te zijn als die van allochtone cultuurliefhebbers.
Smiers zegt hierover: “It would be a mistake to limit the arts to mean what in the Western world has been considered ‘high culture’. We should keep in mind that the arts are a broad field of social activities but have special characteristics. In the arts specific forms of communication take place. The arts are not a neutral field.”
2.2.1 Beeldvorming van theater

Het Bureau Promotie Podiumkunsten heeft onderzoek laten doen naar de beeldvorming van toneel (hier wordt theater bedoeld, MV) onder Nederlanders.2 Hieruit blijkt dat tweederde, zowel bezoekers als mensen die nooit gaan, positief denkt over toneel.

Toneel heeft een meerwaarde, is sfeervol, betekenisvol en aantrekkelijk. Slechts 3% denkt negatief over toneel. Men vindt theaterkaartjes betaalbaar, maar als reden om niet te gaan wordt de toegangsprijs als belangrijkste drempel genoemd. Ruim 80% ziet één tot vier keer per jaar toneel, een kleine 10% bezoekt 5 tot 12 voorstellingen per jaar en de overige 10% gaat 13 keer of meer. De mensen die veel gaan zijn vooral te vinden in de kleine huishoudens zonder kinderen: onder de 25 jaar of 50-plus, woonachtig in de grote steden.
2.2.2 Beoordeling van multicultureel theater

Negatieve beeldvorming en vooringenomenheid vormen factoren in de beoordeling van multicultureel theater. Dit kan een verklaring zijn voor het geringe interessante aanbod, geringe publiciteit en klein publieksbereik .

Volgens de samenstellers van ‘Kunsten in beweging’ (2004) kon men bij autochtonen de volgende ontwikkeling waarnemen: “het delegeren naar het domein van de cultuur met een kleine c; het witwassen van de niet-Nederlandse herkomst; het exotiseren door het werk overmatig te idealiseren of juist te demoniseren; het uitsluiten en het via de warme omhelzing insluiten”. Er kan uit geconcludeerd worden dat de meeste kunstuitingen van niet-Nederlandse herkomst niet serieus worden genomen.

Hoe we als toeschouwer of recensent een voorstelling beoordelen, heeft ook veel te maken met het ‘kijkgedrag’. Het toekennen van het etiket ‘allochtonentheater’ aan een voorstelling, gebeurt omdat veel mensen geneigd zijn iemand een identiteit toe te schrijven op grond van uiterlijk en naam. Terwijl de vormen waarin de voorstelling wordt gegoten die van de gangbare theaterpraktijk kunnen zijn.

Verschillende auteurs in de bundel ‘Multicultureel drama?’ maken melding van hun ongenoegen over de beoordelingscriteria die de theatercritici hanteren. Erwin Jans zegt over de interculturele communicatie van theater: “(……) is altijd verbonden met de mechanismen van culturele dominantie, erkenning en uitsluiting, en met de wetmatigheden die de verhouding tussen centrum en de periferie in het artistieke veld bepalen.”

Dit laat zien dat er nog een lange weg te gaan is voordat het intercultureel theater een gevestigde plaats in het Nederlandse theaterlandschap heeft.


2.2.3 Onderzoek naar cultuurbeleving in Utrecht

Er is weinig onderzoek bekend naar de cultuurbeleving en –waardering van allochtone bewoners van de stad Utrecht. Uit een onderzoek naar bereik, beleving en betekenis van de Culturele Zondagen (2003) blijkt dat 30% van de bezoekers een niet-Nederlandse etniciteit heeft. De lezer komt niet veel te weten over de belangstelling en motivatie van bezoekers van allochtone afkomst. Uitkomsten van verder onderzoek hiernaar, kunnen van belang zijn voor het programmering- en communicatiebeleid van de Utrechtse podia.

In het onderzoek van de gemeente (2006) blijkt 82% van de Utrechters (zeer) tevreden te zijn over de huidige culturele voorzieningen. Turken en Marokkanen zijn over het algemeen minder tevreden over de culturele voorzieningen in de stad dan Nederlandse Utrechters.
Uit onderzoek van SCP naar het dagelijks leven van allochtone stedelingen zijn gegevens bekend over de cultuurdeelname en verschillen tussen allochtonen en autochtonen, die verder in hoofdstuk 3 aan bod komen.
2.3. Theater en communicatie

Theater speelt met communicatie en betekenissen en laat iets zien over de innerlijke belevingswereld van spelers en theatermakers. Theater kan ingezet worden bij voorlichting en educatie. Communicatie in theater kan impliciet of expliciet, verbaal en/of fysiek zijn. De waardering en interpretatie van een toneelstuk heeft veel te maken met iemands culturele bagage en competentie. Theater kan een voortrekkersrol hebben in het maatschappelijk debat en daarmee een reflectie zijn op de tijdgeest.

Vanuit de optiek van interculturele theaterproductie, kan de allochtone afkomst van een regisseur verwijzen naar een bepaalde cultuurgebonden opvatting over esthetiek en kunst in het algemeen. Het kan vragen inhouden over een westers kunstbegrip, het vormgeven van een eigen theateridioom en communicatie met specifieke doelgroepen.
2.4. Cultuurparticipatie en opleidingsniveau

Cultuurbezoek veronderstelt een bepaalde culturele bagage, meer opleiding zou voor meer begrip en waardering voor cultuur kunnen zorgen. Opleidingsniveau is een belangrijke factor bij cultuurbezoek.

E-quality3, een kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit, stelt in een factsheet over cultuurdeelname:

“Zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs wordt cultuurparticipatie gestimuleerd. In de leeftijdscategorie 6-11 jarigen zijn vooral het toneel, het museum en de bioscoop populair. In de leeftijdscategorie 12-17 jarigen daalt het klassieke cultuurbezoek ten opzichte van de basisschooljeugd, terwijl het populaire cultuurbezoek in die categorie juist toeneemt.” Jongeren gaan op die leeftijd meer met leeftijdsgenoten om en zouden zo eerder in aanraking komen met populaire vormen van cultuur.“ Op havo- en vwo-niveau worden meer culturele activiteiten georganiseerd dan op de lagere niveaus van het voortgezet onderwijs. Daardoor krijgen hoger opgeleiden een betere kunsteducatie dan lager opgeleiden. Als gevolg hiervan hebben hoger opgeleiden meer kansen om het cultuuraanbod te leren kennen en waarderen, en zijn ze meer geneigd tot cultuurdeelname. Mensen met een hogere opleiding zijn daardoor beter toegerust om te genieten van kunst- en cultuuruitingen dan mensen met een lagere opleiding en zullen daardoor meer geneigd zijn om hun vrije tijd te besteden aan culturele activiteiten.” De laatste conclusie is gebaseerd op bevindingen van het AVO uit 2003: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe hoger het bezoek aan klassiek en populaire culturele instellingen.


Omdat over het algemeen allochtonen een lagere opleiding volgen dan autochtonen (SCP, 2007), en niet op alle onderwijsniveaus evenveel aandacht aan cultuur wordt besteed, komen vooral zij niet in aanraking met cultuur via school. Uit onderzoek4 blijkt dat theater- en museumpubliek nauwelijks een afspiegeling vormt van de multi-etnische Nederlandse bevolking. In hoofdstuk 3 wordt verder op dit onderdeel ingegaan.

Landelijk onderzoek5 toont aan dat er de laatste jaren een langzame stijging is waar te nemen van het gemiddelde opleidingsniveau van niet-westerse allochtonen. Er vindt de laatste jaren duidelijk een inhaalslag plaats.

Kunnen we dan ook verwachten dat bij stijging van opleidingsniveau er dus meer cultuurparticipatie van allochtone groepen te verwachten is?

Het rapport Cultuurdeelname en Cultuurbeleving Jongeren6 geeft als conclusie aan, dat zowel bij bezoek aan klassieke als populaire cultuur, deelname afhankelijk is van de mate van cultuurparticipatie van de ouders, het opleidingsniveau van de ouders en het opleidingsniveau van de jongeren zelf.


Maar het toegenomen opleidingsniveau van de bevolking heeft niet geleid tot eenzelfde stijging van het cultuurbezoek. De ondervertegenwoordiging van etnische minderheden bij cultuurbezoek heeft niet zozeer te maken met iemands niet-Nederlandse afkomst, maar eerder met sociaal-economische determinanten.7 Naast de sociale omgeving en leefstijl van bepaalde leeftijdsgroepen spelen de mate van cultuurparticipatie van de ouders en hun opleidingsniveau een grote rol. Ook worden beschikbare tijd en huishoudsamenstelling genoemd als remmende factoren bij cultuurparticipatie.

Wat dat betreft is niet de allochtonie bepalend maar de sociaal-economische achtergrond.


2.4.1 Cultureel Kunstzinnige Vorming

Om jongeren meer te betrekken bij cultuurparticipatie, is sinds 1999 het vak Cultureel Kunstzinnige Vorming (CKV) structureel ingevoerd, in eerste instantie op havo en vwo-niveau. Sinds 2003 bestaat dit vak ook voor VMBO leerlingen. Het vak is bedoeld om jongeren kennis te laten maken met kunstvormen. Er is aandacht voor populaire en klassieke cultuur. Leerlingen worden gestimuleerd om theatervoorstellingen, al of niet in schoolverband, te bezoeken.

Uit een CKV1-Volgonderzoek van Cultuurnetwerk Nederland (2001) bleek dat jongeren die het vak CKV1 volgden, meer aan klassieke cultuur deelnamen dan de groep die geen onderwijs in dat vak kreeg. Vooral theater en musea werden vaker bezocht. Bovendien bleken allochtone jongeren complexere theatervoorstellingen te bezoeken dan hun autochtone leeftijdsgenoten. Complexiteit verwijst naar de mate van voorkennis en geestelijke inspanning die zijn vereist om culturele uitingen te kunnen begrijpen en waarderen. De mate voor deelneming aan klassieke cultuuruitingen wordt vooral bepaald door de sociaal-culturele kenmerken.

Een later onderzoek uit 2003 laat echter zien dat de resultaten op middellange termijn niet blijvend zijn, de opgedane kennis over cultuur blijkt in de loop van de jaren te vervliegen. Wat de effecten op lange termijn zullen zijn, is nog niet bekend omdat CKV nog maar sinds 1999 bestaat.


2.4.2 Cultuurparticipatie en opleidingsniveau in Utrecht

Van de Utrechtse bevolking is bijna 40% hoogopgeleid (hbo/wo) en circa 30% heeft een lage scholing (tot mbo-niveau). Onder de Utrechters van 16 jaar en ouder heeft anno 2004 bijna 40% een opleiding op hbo-, of wo-niveau. Bij Turken en Marokkanen is ongeveer 60% laagopgeleid. Bij deze laatste groep is dus zoals te verwachten de cultuurdeelname lager.


Vooral hoogopgeleiden (41%) en jongeren maken meer gebruik van het culturele aanbod in Utrecht dan andere groepen van de bevolking. Minder gebruik maken laagopgeleiden (9%), Marokkanen (9%) en Turken (13%). Het percentage allochtone cultuurbezoekers is in de praktijk waarschijnlijk nog iets lager doordat in dit soort onderzoek (inwonersenquête) de hoger opgeleide allochtonen oververtegenwoordigd zijn.
Om een volledig beeld te krijgen van culturele participatie en vrijetijdsbesteding is het daarom interessant om ook de ‘informele‘ manieren waarop Utrechters hieraan invulling geven te onderzoeken. In de Sociale Staat van Utrecht (2006) vragen de samenstellers zich af op welke manieren verschillende etnische groepen aan ‘cultuur’ doen. Ook de vraag hoe tevreden Utrechters hierover zijn, krijgt aandacht.
Uit dit onderzoek komt een beeld tevoorschijn van een cultuurminnend Utrecht.

Iets meer dan een kwart van de Utrechters (27%) geeft aan regelmatig (vijf keer per jaar of meer) naar een culturele voorstelling of evenement in Utrecht te gaan.

Allochtone Utrechters gaan minder vaak naar culturele voorstellingen dan autochtonen.

Jongeren (16-39 jarigen) gaan vaker naar een culturele voorstelling dan ouderen. Jongeren gaan daarbij relatief vaker naar de bioscoop en ouderen gaan relatief vaker naar een klassiek concert.


2.5 Resultaten uit verschillende onderzoeken naar landelijk cultuurbezoek

- Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) doet landelijk onderzoek naar het aanvullende voorzieningengebruik waar ook cultuurbereik en theaterbezoek onder vallen, via de AVO-enquête. Het Aanvullend Voorzieningen Onderzoek is een vierjaarlijks onderzoek om gegevens te verkrijgen over het gebruik van een groot aantal maatschappelijke en culturele voorzieningen door de Nederlandse bevolking. Het laatst bekende onderzoek is uit 2003. Uit die analyse blijkt dat het bezoek aan concerten en theatervoorstellingen zowel kan worden verklaard uit persoonskenmerken, vooral het opleidingsniveau, als uit het theateraanbod. Populaire (informele) cultuur wordt meer bezocht door niet-westerse bevolkingsgroepen. Theaterbezoek is in deze groep duidelijk lager. Er blijkt verder uit dat vooral Turkse vrouwen, Marokkanen (mannen en vrouwen), Surinaamse mannen en Antilliaanse mannen weinig klassieke cultuur bezoeken.

Niet al het cultuuraanbod trekt hetzelfde publiek. Het SCP laat veldwerk verrichten dat meer informatie moet genereren over het cultuurbereik onder allochtonen in Nederland. Hierover zal de komende jaren gerapporteerd worden.8


- Een bezoek aan een theatervoorstelling in een gemiddelde schouwburg kost al gauw tussen de € 14,- en € 23,50 per voorstelling (kortingsprijzen meegerekend). En dan betreft het een rijksgesubsidieerde voorstelling. Amateurkunst is in verhouding tot het grote theater vrij duur.

Utrecht is in verhouding tot andere randstedelijke provincies voor amateur- zowel als professionele kunst (muziek, theater en dans) goedkoop. Voor een deel komt dit door veel kleinere producties en kleinere podia. Toegangsprijzen zijn vaak het resultaat van onderhandelingen tussen gezelschappen en podia.9


- Uit het onderzoek ‘De G4 in de peiling’ (COS, 2003) komt naar voren dat Utrecht goed scoort op het aandeel regelmatige bezoekers van culturele voorstellingen (exclusief bioscoopbezoek) in en buiten de stad. Amsterdam en Utrecht (beide 28%) nemen een gedeelde tweede plaats in op het gebied van toneel (Den Haag scoort het hoogste met 31%).
- Populaire cultuur is toegankelijker dan klassieke cultuur, behalve voor allochtone meisjes, die minder bewegingsruimte hebben.10 De scheiding tussen mannen- en vrouwenwereld wordt in de religieuze of culturele beleving van sommige bevolkingsgroepen soms strikt gehanteerd. Vrouwen kunnen of willen daardoor soms alleen in een publiek van vrouwen zijn. Meisjes gaan overigens vaker naar een theatervoorstelling dan jongens en zijn ook op gebied van cultuurparticipatie actiever.11

Ook kunnen factoren als gebrekkige kennis van de taal, gebrek aan tijd en inkomen bij cultuurbezoek meespelen.




  1   2   3   4   5   6   7

  • Hoofdstuk 1 Inleiding
  • 1.4. Probleemstelling en onderzoeksvragen

  • Dovnload 389.73 Kb.