Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoe ontstaat ammoniak op een melkveebedrijf (technisch)

Dovnload 0.81 Mb.

Hoe ontstaat ammoniak op een melkveebedrijf (technisch)



Pagina2/2
Datum05.12.2018
Grootte0.81 Mb.

Dovnload 0.81 Mb.
1   2

Ammoniakemissie op het melkveebedrijf
Emissiebronnen

In figuur 2 zijn verschillende NH3-emissiebronnen binnen een melkveebedrijf schematisch weergegeven. Per bron is een schatting van het emissieaandeel op de totale bedrijfsemissie van een gemiddeld bedrijf weergegeven. Hieruit blijkt dat op bedrijfsniveau de meeste emissie optreedt vanuit de stal en bij uitrijden van organische mest.


Organische mest

Zoals gezegd is de (opgeloste)ammoniak in de mest in evenwicht met ammoniak in de gasfase. Als gevolg hiervan zal er ammoniakemissie optreden in de stal, tijdens mestopslag buiten de stal en na toediening (inclusief beweiding).


Kunstmest

Naast ammoniakemissie uit organische mest treedt er ook ammoniakemissie op bij toediening van kunstmest.

Stikstof in kunstmest komt voor in de vorm van nitraat, ammonium of ureum of een combinatie daarvan. Nitraat en ammonium zijn de vormen waarin de plant stikstof opneemt.

Uit kunstmeststoffen die ammonium of ureum bevatten kan ammoniakemissie ontstaan.



De ammonium in kunstmest kan afhankelijk van hoe sterk het gebonden is aan een bepaalde stof in de kunstmest deels vervluchtigen. Ureum wordt in bodem omgezet naar ammonium door het enzym urease (vergelijkbaar met ureum uit urine). Dit duurt enkele dagen. De snelheid waarmee de ureum wordt omgezet naar ammonium is afhankelijk van de mate waarin vocht en het enzym urease aanwezig zijn. Tijdens deze omzetting kan er veel (ammonium)stikstof verloren gaan door ammoniakemissie.




Verschillende bronnen van ammoniakemissie op een melkveehouderijbedrijf

Factoren die de ammoniakemissie beïnvloeden

    1. Factoren die de TAN-productie (bronfactor)

Uit voorgaande is gebleken dan de TAN-productie van het vee de bron is van de ammoniakemissie. De TAN-productie kan beïnvloed worden door:

  • Aantal dieren

Spreekt voor zich. Meer of minder dieren betekent meer of minder TAN-productie


  • Verhouding melkkoeien/jongvee

Het totaal aan gve per bedrijf is mede afhankelijk van het aantal stuks jongvee per melkkoe. Daarmee wordt de TAN-productie op bedrijfsniveau ook beïnvloed door de verhouding melkkoeien/jongvee.


  • RE-gehalte rantsoen

De N-uitstoot via mest en urine is sterk gerelateerd aan het RE-gehalte van het rantsoen.

Het vee neemt stikstof op in de vorm van (ruw)eiwit in het voer (ruw eiwit = 6,25 x N)



Een deel (25-35% van opgenomen N) is onverteerbaar en komt via de darmen in de feces terecht (zie figuur 3). Van het verteerbare deel wordt een deel (20-30% van opgenomen N) vastgelegd in melkproductie en groei en het overige deel (40-55% van opgenomen N) wordt uitgescheiden via de urine.


  • RE-benutting rantsoen

De benutting van het ruw eiwit hangt niet alleen af van het aandeel dat verteerbaar is maar ook van het aandeel van het verteerbare deel dat vastgelegd wordt in melk en groei. Verteerbaar N wat niet vastgelegd wordt in melkproductie en groei komt in de urine terecht en is daarmee direct gerelateerd aan de ammoniakemissie. Het aandeel verteerbaar N wat benut wordt voor melkproductie en groei is niet alleen afhankelijk van de hoeveelheid die gevoerd wordt maar ook van de afstemming met de hoeveelheid energie. Voor het zoveel mogelijk vastleggen van verteerbaar eiwit (met name onbestendig eiwit in de pens) is belangrijk dat deze is afgestemd met de hoeveelheid beschikbare energie.


Verdeling van opgenomen stikstof (tussen haakjes percentages van totaal opgenomen stikstof)

    1. Emissiefactoren

De mate waarin de TAN in mest vervluchtigd (emissiefactor) wordt beïnvloed door verschillende factoren, o.a.:


  • Concentratie ammonium-N(TAN) in de mest

Doordat er een evenwicht is tussen de ammonium-N en ammoniak in de mest en ammoniak in de gasfase zal er meer ammoniak gevormd worden en emitteren naarmate het gehalte aan ammonium-N in de mest hoger is.


Zoals blijkt uit de proton (H+) in vergelijking NH4+ <--> NH3 + H+ , is de reactie waarin ammonium wordt omgezet in ammoniak pH afhankelijk. Door een daling van de pH (veel H+) verschuift de reactie naar relatief weinig NH3 en bij hoge pH verschuift deze naar meer omzetting van NH4+


  • Temperatuur

Zowel het evenwicht tussen ammonium (NH4+) en ammoniak (NH3) in de mest als het evenwicht tussen de opgeloste ammoniak in de mest en ammoniak in de gasfase zijn afhankelijk van de temperatuur. Bij hogere temperaturen verschuift het evenwicht in de mest meer van ammonium naar ammoniak en vervolgens naar meer ammoniak in de gasfase. Dus bij hoger temperaturen zal er meer ammoniakemissie zijn dan bij lagere.


  • Luchtsnelheid

De mate van vervluchtiging van de ammoniak in de mest (oplossing) hangt ook af van het verschil van de concentratie ammoniak in de lucht direct boven de mest en de concentratie ammoniak in de drijfmest. Bij veel luchtverversing direct boven de mest zal het concentratieverschil groter zijn en zal er meer ammoniak ontsnappen/vervluchtigen.


  • Luchtvochtigheid

Naarmate de vochtigheid van de lucht boven de mest hoger is zal de ammoniak in de mest minder snel vervluchtigen.


  • Oppervlakte

Het mestoppervlak is bepalend voor de grootte van het contact van de mest met de omgeving en daarmee op de invloed van omgevingsfactoren op de uitwisseling van gassen en dus de emissies
Welke maatregelen zijn er om ammoniakemissie te verminderen

Door in te spelen op de genoemde factoren die de ammoniakemissie beïnvloeden kan de ammoniakemissie worden verminderd. Hieronder worden er een aantal kort in algemene zin genoemd.



  • Lagere TAN-productie door:




  • Mest en urine (beter) scheiden.

Door er voor te zorgen dat de urine zo min mogelijk met mest en dus met het enzym urease in aanraking komt zal er minder ureumstikstof omgezet worden tot ammoniumstikstof.


  • Mest verdunnen.

Door mest te verdunnen met water zal de concentratie aan ammonium-N en ammoniak in de mest lager worden. Omdat de ammoniak in de mest in evenwicht is met de ammoniak in de gasfase zal er minder ammoniak vervluchtigen.


  • Mest aanzuren.

Door (sterk)zuur toe te voegen aan mest zal de pH van de mest dalen. Door een daling van de pH (veel H+) verschuift de reactie naar relatief meer ammonium-N (NH4+) en minder ammoniak (NH3).


  • Inspelen op weer.

Door te voorkomen dat mest wordt blootgesteld aan omstandigheden met hoge temperaturen, hoge windsnelheden en lage luchtvochtigheid kan de snelheid waarmee ammoniak vervluchtigd worden beperkt.


  • Oppervlakte verkleinen

Door mest op te slaan in een relatief diepe opslag en het emissiearm/netjes aan te wenden zal de mest per volume-eenheid met een relatief kleine oppervlakte in aanraking komen met de omgeving. De relatieve oppervlakte waaruit ammoniak kan vervluchtigen is daardoor kleiner en zal er relatief minder ammoniak vervluchtigen.

Hoe zien deze maatregelen er concreet uit in bedrijfsmanagement

Minder RE in het rantsoen bij gelijkblijvende groei en productie, betekent een lagere excretie van N in de mest. Met name de N-uitscheiding in urine reageert sterk op de voedingen een verlaagde N-uitscheiding uit zich vooral in minder ureumuitscheiding in urine wat resulteert in een lagere ammoniakemissie.




    • Eiwit beter benutten

Voeren op de (eiwit) norm is voor N de belangrijkste maatregel om nutriëntenverliezen en bijgevolg N-emissies te beperken. Niet enkel door verlaging van het RE-gehalte, maar met name ook door het overschot aan verteerbaar eiwit in de de vorm aan onbestendig eiwit (OEB) en in mindere mate het overschot aan darmverteerbaar eiwit (DVE) in het rantsoen te verminderen, kan de N-efficiëntie stijgen en de N-uitstoot duidelijk verlagen.
Concrete maatregelen:

(Meer) snijmaïs in het rantsoen

Gras minder/gerichter met stikstof bemesten

Gras in een later stadium maaien en weiden

Krachvoer voeren met een ruimere energie : eiwit verhouding


    • Minder jongvee

Jongvee draagt bij aan de totale stikstofuitstoot van de veestapel op een melkveebedrijf. Minder jongvee leidt daardoor tot minder stikstofuitscheiding. Daarnaast is jongvee minder efficiënt in het vastleggen van stikstof dan melkvee. Legt melkvee ongeveer 75 procent van de opgenomen stikstof niet vast, bij jongvee is dat 85 tot 95 procent.


    • Duurzamere koe

Wanneer de gemiddelde leeftijd van de melkkoeien toeneemt zal er minder jongvee nodig zijn voor vervanging. Hierdoor daalt de totale N-excretie. Verduurzaming van de veestapel leidt daarnaast tot een hogere de N-efficiëntie van de melkkoeien omdat oudere koeien efficiënter zijn in de productie van melk.

Een duurzamere koe is te realiseren door een optimale productie te combineren met betere vruchtbaarheid en een lagere ziekte-incidentie.




    • (Meer) beweiden

Zodra de urine van de koe in contact komt met mest treedt een reactie op waardoor ammoniak ontstaat. In de stal is dit contact tussen en urine en mest vrijwel niet te voorkomen. In de wei komen urine en mest nauwelijks met elkaar in contact omdat ze voor een groot deel gescheiden op de grond terecht komen. Hierdoor is ammoniakemissie lager dan wanneer de mest en urine in de stal worden opgevangen en vervolgens uitgereden. De emissie van ammoniak neemt weliswaar af, maar er gaat vooral bij beweiden in het najaar meer stikstof verloren door uitspoeling van nitraat en uitstoot van lachgas.


  • Stalmaatregelen

    • Emissiearme vloer

Een emissiearme vloer beperkt de emissie van ammoniak, doordat er minder luchtuitwisseling plaatsvindt tussen stal en mestkelder. Ook blijft er minder urine staan op de stalvloer. Er zijn diverse vloersystemen opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij (RAV). Op http://wetten.overheid.nl/BWBR0013629 staan ze in het algemeen beschreven met een emissiefactor. De komende jaren worden wellicht nog nieuwe vloervarianten in de RAV opgenomen.


    • Water sproeien over de roosters

De afvoer van mest en urine richting de kelder is te versnellen door voor of na het mestschuiven te sproeien met water. De emissiereductie is afhankelijk van de hoeveelheid water en van het vloertype. Richtlijn is 10 liter water per m² bevuild oppervlak per dag. Dit leidt tot ongeveer 15 procent ammoniakreductie.

Het sproeien van water zorgt ook voor een verdunning van de mest in de kelder. Dat verhoogt het effect van de maatregel tot een reductiepotentie van 50 procent op stalniveau. Ook bij mesttoediening van verdunde mest is een positief effect op de ammoniakemissie te verwachten (zie ook maatregelen bij mest uitrijden).




    • Dakisolatie

Ammoniakemissie is afhankelijk van de temperatuur. Het isoleren van het dak zorgt ervoor dat de directe warmte-instraling op warme dagen wordt beperkt. Dit leidt tot een lagere staltemperatuur.

Naast de lagere emissie van ammoniak heeft een koelere stal een positief effect op het welzijn en diergezondheid van de koeien. Ze hebben minder last van hittestress, wat gunstig doorwerkt op de technische resultaten.




    • Ventilatie aanpassen

Het toepassen van Automatisch gecontroleerde natuurlijke ventilatie (ACNV) leidt tot een ammoniakreductie van maximaal 10 procent. Het is breed toepasbaar zowel in bestaande stallen als bij nieuwbouw.

ACNV maakt het mogelijk om de luchtsnelheid in de stal te sturen. Door de ventilatie te remmen bij een toenemende windkracht, neemt de luchtsnelheid in de stal af. Daardoor komt minder ammoniak vrij van emitterende oppervlakten zoals de stalvloer en de mestkelder.





    • Toevoegmiddelen

Aanzuren

Aanzuren va mest met sterke zuren is al langer bekend als een effectieve methode om de ammoniakemissie uit de stal te verminderen. Een paar jaren geleden is vanuit Denemarken een aanzuursysteem voor melkveestallen geïntroduceerd dat ook in bestaande stallen is in te bouwen. Het aanzuren gebeurt door het toevoegen van zwavelzuur aan de mest in een tussenopslagtank buiten de stal. De aangezuurde mest wordt vervolgens (gedeeltelijk) teruggepompt in de mestkelder.

Deze maatregel heeft vrij hoge investerings- en jaarkosten. Al is een pH-waarde van zes niet heel laag, het is de verwachting dat het zuur de wanden van de mestkelder licht aantast. Een ander nadeel is dat leidt tot te hoge aanvoer van zwavel naar de percelen.
Aanzuren van mest met behulp van bacteriën (zgn. biologisch aanzuren) is eveneens een oplossingsrichting. Op dit moment is deze methode nog in ontwikkeling en nog onvoldoende praktijkrijp.
Ureaseremmer

Het enzym urease zet ureum op de stalvloer en in de mestkelder om in ammonium. Dit ammonium wordt deels omgezet in ammoniak dat vervolgens kan vervluchtigen. Zolang ureum niet is omgezet tot ammonium kan er ook geen ammoniak uit gevormd worden. Ureaseremmers beperken de activiteit van het enzym urease of maken het enzym inactief. Eerste metingen binnen het project Proeftuin Natura 2000, waarbij de ureaseremmer met een rugspuit op de roosters werd aangebracht, lieten emissiereducties tot 40 procent zien. Er zijn op dit moment nog veel praktische vragen aan de oppervlakte, onder meer over de doorwerkingseffecten op dier en dierproducten en formele (EU-)veiligheidsvereisten van het werken met dergelijke middelen in de stal. Het beantwoorden van deze vragen vraagt uitgebreid en langdurig onderzoek. Dit betekent concreet dat de ureaseremmer als praktisch toepasbare maatregel nog niet is toegestaan.


Overige toevoegmiddelen

Naast aanzuren van mest en toevoegen van ureaseremmers zijn er nog verschillende andere additieven beschikbaar. De meesten hebben een fysische of microbiologische werking of een combinatie daarvan. In het algemeen kan van deze middelen worden gezegd dat het werkingsmechanisme en de samenstelling van deze commerciële additieven in veel gevallen niet goed gekend is en het nader onderzoek vergt. Wanner het werkingsmechanisme wel bekend is dan zijn vaak dusdanige hoge doseringen nodig zijn dat het in de praktijk economisch niet meer interessant is, terwijl de commerciële doseringen vaak niet onafhankelijk getest zijn.


Toevoegmiddelen op basis van micro-organismen

Fabrikanten claimen vooral stankvermindering, minder ontmenging,lagere N-verliezen en een betere gewasgroei van de behandelde mest. De vooral buitenlandse onderzoeksresultaten zijn hierover niet eensluidend. De effecten zijn vaak niet of

slechts in gering mate aangetoond en dan vooral met betrekking tot ammoniakemissie.
Toevoegmiddelen op basis van ionen/fysische regulatie

Door toevoeging van kleimineralen (vaak bentoniet) of zeolieten wordt het

adsorptievermogen van mineralen en stikstof vergroot. Dit moet leiden tot een betere leefomgeving voor micro-organismen die een belangrijke rol bij de bodemvruchtbaarheid spelen. De gevonden effecten zijn zeer wisselend, maar in het algemeen iets positiever dan die van de bacteriemengsels.
Combinatiemiddelen

Een groot aantal toevoegmiddelen bestaat uit een combinatie van de drie beschreven basisprincipes. Zo zijn er toevoegmiddelen die een pH-regulator, micro-organismen en kleimineralen bevatten, waardoor alle eigenschappen die hierboven genoemd

zijn in één keer aanwezig zouden zijn.


  • Maatregelen bij mest uitrijden

    • Verdunnen

Door het toevoegen van water wordt de ammoniumconcentratie in de mest verlaagd en daarmee vermindert de ammoniakemissie. Ook kan een groter deel van de mest beter infiltreren in de bodem, waardoor minder ammoniak vervluchtigd. Nadeel is dat er ten opzichte van onverdunde mest meer volume moet worden uitgereden. Het aanwenden van mest verdund met minimaal 1 deel water op 2 delen mest geeft tot 40 procent minder ammoniakemissie.

De lagere ammoniakemissie en de betere infiltratie van de mest kan ook een hogere grasopbrengst opleveren.



Mest verdunnen met water wordt in de praktijk al toegepast door bijvoorbeeld het bemesten met sleepslangen op veen- en kleigronden. In dit geval om de mest goed te kunnen verpompen, maar het draagt ook bij aan de vermindering van de ammoniakemissie.


    • Netjes werken

Door het nauwkeurig werken bij mestaanwending wordt het oppervlakte waarvan ammoniak vrij kan komen, verkleind. Op dit moment gaat men bij de aanwending van mest met de zodenbemester uit dat 19 procent ammoniakemissie plaatsvindt. Met nauwkeurig werken is dit percentage terug te brengen naar 16 procent (een reductie van 18 procent). Mogelijk kan het emissiepercentage nog verder dalen tot 10 procent. Dit levert dan een ammoniakreductie op van 50 procent. Dit levert naast ammoniakreductie ook financiële voordelen op. Door netjes te werken (10 procent emissie) is het mogelijk om 20 kg stikstof per hectare grasland extra te benutten dan bij onnauwkeurig werken.


Schematische weergave van methoden van mest uitrijden bij juiste of slordige toepassing



    • Rekening houden met weersomstandigheden

De ammoniakemissie is onder andere afhankelijk van windsnelheid, luchttemperatuur, zonnestraling en relatieve luchtvochtigheid. Door met deze factoren rekening te houden tijdens het mest uitrijden kan de emissie beperkt worden. In onderstaande grafieken is het effect van windsnelheid en temperatuur op de ammoniakemissie weergegeven. In onderstaande figuur is de invloed van temperatuur en windsnelheid op de ammoniakemissie bij uitrijden van mest weergegeven.


Verandering van de ammoniakemissie bij de mesttoediening als gevolg van verandering t.o.v. de gemiddelde luchttemperatuur (ca. 15 °C) (links) en verandering t.o.v. de gemiddelde windsnelheid (3.4 m/s, grens zwak-matig) (rechts)

Berekenen van de ammoniakemissie kringloopwijzer
Berekeningswijze

De rekenregels van de Krinloopwijzer worden beschreven in het rapport Rekenregels van de KringloopWijzer (http://edepot.wur.nl/370323). Binnen de KLW worden kengetallen over de Bedrijfsspecifiek Emissie van Ammoniak (BEA) weergegeven op het tabblad “Ammoniak” De BEA is een rekentool om de ‘Bedrijfsspecifieke Emissie van Ammoniak’ op een landbouwbedrijf te berekenen.

Voor de berekening van de NH3 emissie wordt in de BEA aangesloten bij het Nationaal Emissie Model

voor Ammoniak (NEMA, Velthof et al., 2009). Deze methodiek baseert de berekening op de

hoeveelheid Totaal Ammoniakale stikstof (TAN) en volgt, althans voor wat betreft het melkvee, de

weg die de TAN aflegt, te weten achtereenvolgens: uitscheiding door de veestapel, stalvloer,

stalopslag, opslag buiten de stal en aanwending. Bij iedere stap van die weg wordt via emissiefactoren (EF) berekend hoeveel TAN als ammoniak (NH3-N) vervluchtigt. De EF’s zijn gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en beschreven door Velthof et al. (2009) en sluiten waar mogelijk aan bij bestaande Nederlandse wet- en regelgeving. Zo zijn de EF voor de stal (vloer en opslag) gebaseerd op de NH3 emissie metingen die ten grondslag liggen aan de Regeling ammoniak en Veehouderij (RAV, http://wetten.overheid.nl/BWBR0013629).
De basis voor de berekening van de TAN-productie vormt de N-excretie die via de BEX wordt berekent. De BEX berekent de N-excretie als:

N-excretie ‘onder de staart’ (kg) = N-opname (kg) – N-vastlegging (kg)

De N-excretie ‘onder de staart’ bestaat uit feces en urine. Om de verdeling van de N-excretie over de

feces en de urine te kunnen berekenen is, in aanvulling op de informatie uit BEX, ook informatie over

de verteringscoëfficiënt van het ruw eiwitgehalte (VC-re) van de gebruikte voedermiddelen nodig (zie ook paragraaf 4.2 figuur 3). Het urine-deel van de N-excretie is in principe vluchtig (TAN). De overige N wordt met feces uitgescheiden (organisch gebonden N) en wordt alleen TAN wanneer er sprake is van mineralisatie (in de mestopslag).


  • Stal en mestopslag

De EF voor TAN in stal en opslag geven het percentage vervluchtiging weer van de totale hoeveelheid TAN die gedurende een kalenderjaar in de stal en opslag is terechtgekomen. Daarbij wordt de TAN- en N-excretie in de weide niet meegenomen. De TAN in stal en opslag betreft de optelsom van:

  • TAN-excretie melkveestapel op stal in de winterperiode (=100% van de TAN-excretie in die periode).

  • TAN-excretie melkveestapel op stal in de zomerperiode (% van de TAN-excretie in die periode is afhankelijk van eventuele weidegang).

  • Mineralisatie van de organisch gebonden N in de opslag (=10% van de N-excretie van de melkveestapel op stal in de periode met volledig opstallen + de periode met weidegang).

Van de hoeveelheid geproduceerde TAN gaat een deel verloren door vervluchtiging als ammoniak. De EF geeft aan welk deel van de TAN verloren gaat en de grootte van dat deel is afhankelijk van de stal- of weideperiode.

Voor de stalemissie tijdens de stalperiode wordt een EF aangehouden van 13,4%. De EF voor de stalemissie tijdens de weideperiode is afhankelijk van het aantal uren weiden en varieert van 11,9% bij 0 uren weiden per dag tot 34,5% bij 20 uren weiden per dag.

Genoemde emissiefactoren kunnen voor praktijkbedrijven met een standaard roostervloerstal gebruikt worden, maar dit staltype is slechts voor een deel van de praktijk van toepassing. In de Regeling Ammoniak Veehouderij (RAV) worden 30 staltypen voor de categorie melkvee onderscheiden, elk met hun specifieke emissiefactoren. De RAV-emissies worden uitgedrukt in kg NH3 per dierplaats per jaar en zijn daarom niet zonder meer toepasbaar in BEA waar emissiefactoren worden uitgedrukt als een fractie van de geproduceerde ammoniakale N. Dit betekent dat er voor de BEA berekeningen van de stalemissie van de RAV-staltypen een emissiefactor per staltype nodig is. Deze emissiefactoren zijn niet beschikbaar en worden daarom in de BEA gegenereerd door de emissie van ieder RAV staltype te relateren aan de emissie van de standaard RAV stal ‘A 1.100- overige huisvestingssystemen’. Daarbij wordt aangenomen dat de emissie volgens RAV-stal A1.100 overeenkomt met de emissie zoals berekend volgens de NEMA methodiek van de ‘niet emissiearme stal’. Voor de andere RAV-staltypen wordt vervolgens de berekende stalemissie vermenigvuldigd met een correctiefactor voor staltype , die overeen komt met de verhouding tussen de RAV-emissie per dierplaats van het betreffende staltype en de RAV-emissie per dierplaats van staltype ‘A 1.100- overige huisvestingssystemen’.





  • Mesttoediening

Het ammoniakverlies bij mestaanwending wordt berekend op basis van de aangewende TAN in combinatie met de EF voor de verschillende aanwendingstechnieken.

De aangewende TAN (kg N) in de vorm van melkveemest wordt binnen BEA berekend door de TAN in mestopslag (TAN-stalmest) te corrigeren voor eventuele mest aan- en afvoer. De mest aan- en/of afvoer wordt in BEA opgegeven in kg N. Hierbij wordt verondersteld dat zowel de aan- als afgevoerde mest dezelfde hoeveelheid TAN per kg N bevatten als de mest in de opslag van het bedrijf. Vervolgens wordt de totale TAN-aanwending uit melkveemest en ‘staldier’-mest verdeeld over het uitrijden op bouwland en het uitrijden op grasland. Dit gebeurt volgens opgave van het bedrijf in BEA waarbij de kg N mestaanwending op grasland en bouwland zijn opgegeven. Ten slotte wordt ook de wijze van aanwending opgegeven, waarmee de EF bij aanwending wordt vastgesteld. In de BEA-module van de KringloopWijzer moet worden aangegeven welk percentage van de mest met een bepaalde methode is aangewend. Daarbij worden zowel op grasland als op bouwland drie aanwendingsmethodes onderscheiden


Gemiddelde emissiefactoren per toedieningsmethode voor grasland en bouwland

Grondgebruik

Aanwendingsmethode

EF vervluchtiging TAN (%)

Grasland

Bovengronds drijfmest/vaste mest

74/100




Sleepvoet

26




Sleufkouter

23




Zodenbemester

19










Bouwland

Bovengronds drijfmest / vaste mest

69/100




In één werkgang onderwerken

22




Sleepvoet

26




Injectie

2



  • Beweiding

Bij beweiding gaat er in de weide minder N via NH3 emissie verloren dan op stal. Er vindt in de weide immers minder contact plaats tussen urine en feces. De EF van de TAN-excretie bij beweiding is dan ook laag en er wordt een constante EF aangehouden van 3,3%


  • Kunstmesttoediening

Ook uit kunstmest kan ammoniak vervluchtigen. Daarom wordt in BEA opgegeven hoeveel kg N kunstmest is aangewend. Bij de berekening van ammoniakemissie wordt bij niet-ureumhoudende meststoffen onderscheid gemaakt tussen grasland en bouwland. Geen onderscheid is gemaakt tussen aanwending op verschillende grondsoorten. Bij ureum-houdende kunstmest blijkt de ammoniakemissie af te hangen van de vorm, de wijze van toediening en eventuele toevoegingen.
Emissiefactoren voor kunstmest (EF_NH3-Nkunstmest, kg N per 100 kg N-totaal toegediend).

Kunstmestsoort

Grondgebruik

Emissiefactor

Alle N-meststoffen anders dan ureumhoudende

Grasland

0,9

Bouwland

2,0










Ureum, gekorreld, zonder emmer of zuur

Grasland en bouwland

14,3

Ureum, gekorreld, met ureaseremmer

Grasland en bouwland

5,1

Vloeibare ureum, oppervlakkig toegediend

Grasland en bouwland

8,1

Vloeibare ureum, oppervlakkig toegediend, met ureaseremmer of zuur

Grasland en bouwland

2,9

Vloeibare ureum, geïnjecteerd

Grasland en bouwland

1,6




  • Ammoniakemissie uit gewassen

Het gaat hier om ammoniakverliezen uit oogst-, maai- en beweidingsverliezen van ruwvoeders (maïs, ‘maaigras’, ‘weidegras’ en ‘overig ruwvoer’) en de (eventueel af te voeren) bijproducten van marktbare akkerbouwgewassen (‘marktakkerbouw’), zoals stro. Ammoniakverliezen (kg N) uit al deze gewasvormen worden becijferd op 3%.


Pagina van

1   2

  • Factoren die de ammoniakemissie beïnvloeden Factoren die de TAN-productie (bronfactor)
  • Welke maatregelen zijn er om ammoniakemissie te verminderen
  • Hoe zien deze maatregelen er concreet uit in bedrijfsmanagement Management maatregelen Lager RE-gehalte in rantsoen
  • Stalmaatregelen Emissiearme vloer
  • Water sproeien over de roosters
  • Toevoegmiddelen Aanzuren
  • Maatregelen bij mest uitrijden Verdunnen
  • Rekening houden met weersomstandigheden
  • Berekenen van de ammoniakemissie kringloopwijzer Berekeningswijze
  • Grondgebruik Aanwendingsmethode EF vervluchtiging TAN (%)
  • Ammoniakemissie uit gewassen

  • Dovnload 0.81 Mb.