Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoe weloverwogen is voorlichting?

Dovnload 493.3 Kb.

Hoe weloverwogen is voorlichting?



Pagina1/5
Datum28.10.2017
Grootte493.3 Kb.

Dovnload 493.3 Kb.
  1   2   3   4   5

Hoe weloverwogen is voorlichting?


Spreken Nederlandse voorlichtingsfolders de sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten van condoomgebruik aan?
Judith Michorius
Bachelorthese Psychologie

Universiteit Twente



Augustus 2008

Hoe weloverwogen is voorlichting?


Spreken Nederlandse voorlichtingsfolders de sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten van condoomgebruik aan?

Begeleider: dr. H. Boer

Tweede lezer: dr. M.E. Pieterse

Judith Michorius

Studentnummer 0104558

Bachelorthese Psychologie

Universiteit Twente

Augustus 2008



Samenvatting

In dit onderzoek is gekeken of aanbevelingen vanuit psychologisch onderzoek, met betrekking tot heteroseksueel condoomgebruik, worden doorgevoerd in Nederlandse voorlichtingsfolders. Er is onderzocht hoe vaak en met welke beweringen de sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten van heteroseksueel condoomgebruik in voorlichtingsfolders worden aangesproken. Hiervoor zijn er vijf Nederlandstalige voorlichtingsfolders geselecteerd en vervolgens geanalyseerd. Dit is gedaan door middel van tekstanalyse met behulp van een coderingshandboek dat door Abraham, Krahé, Dominic en Fritsche (2002) is opgesteld voor vergelijkbaar onderzoek in Groot Brittannië en Duitsland. Uit de hier gevonden resultaten blijkt dat de sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten van heteroseksueel condoomgebruik veelal maar beperkt worden aangesproken, zowel in hoeveelheid als in de manier waarop. De aanbevelingen uit psychologisch onderzoek worden veelal niet doorgevoerd in de praktijk van voorlichting.




Summary

This research was conducted to explore if recommendations from psychological research about heterosexual condom use, are being used in Dutch health promotion. The quantity and the manner how instances of text within health promotion leaflets correspond to social cognitive and behavioural correlates of heterosexual condom use have been investigated. Fife Dutch health promotion leaflets have been selected and analysed. This was done by text analysis by use of a coding manual which has been developed by Abraham, Krahé, Dominic and Fritsche (2002) for a similar research in Great Britain and Germany. The results from the current research show that the social cognitive and behavioural correlates of heterosexual condom use are mostly only moderately addressed in Dutch health promotion leaflets. This is as well in quantity as in manner how. The recommendations from psychological research are mostly not used in the practice of health promotion.



Inhoud

Inleiding ……………………………………………………………………… p. 6

Methode van onderzoek ……………………………………………………… p. 9

    1. Steekproef van folders ……………………………………………… p. 9

    2. Beoordelingsinstrument ……………………………………………… p. 10

      1. Coderingshandboek ……………………………………………… p. 10

      2. Opbouw communicatie-inhouden coderingshandboek ……… p. 11

      3. Theoretische constructen ……………………………………… p. 12

      4. Sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten van

condoomgebruik ……………………………………………… p. 16

2.3 Procedure ……………………………………………………………… p. 18

2.4 Coderingsbetrouwbaarheid ……………………………………………… p. 19
Resultaten …………………………………………………………………….. p. 20

3.1 Theoretische constructen ……………………………………………… p. 20

3.1.1 Intentie ……………………………………………………… p. 21

3.1.2 Waargenomen vatbaarheid ……………………………………… p. 22

3.1.3 Waargenomen ernst ……………………………………………… p. 23

3.1.4 Zelfeffectiviteit ……………………………………………… p. 24

3.1.5 HIV/SOA kennis ……………………………………………… p. 25

3.1.6 Attituden ……………………………………………………… p. 25

3.1.7 Overige categorieën ……………………………………………… p. 25

3.1.8 Sociale normen ……………………………………………… p. 26

3.2 Sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten van condoomgebruik p. 27

3.2.1 Gewenste communicatie-inhouden ……………………………… p. 27

3.2.2 Condoomattituden ……………………………………………… p. 29

3.2.3 Normatieve overtuigingen ……………………………………… p. 29

3.2.4 Condoomgebruikintentie ……………………………………… p. 30

3.2.5 Aanschaffen van condooms ……………………………………… p. 30

3.2.6 Bij zich dragen van condooms ……………………………… p. 31

3.2.7 Communicatie over condooms ……………………………… p. 31

3.2.8 Overzichtscijfers van gewenste communicatie-inhouden ……… p. 32

3.3 Communicatie-inhouden ……………………………………………… p. 34

3.3.1 Meest frequent aangesproken communicatie-inhouden ……… p. 34

3.3.2 Minder frequent aangesproken communicatie-inhouden ……… p. 37

3.3.3 Niet aangesproken communicatie-inhouden ……………………… p. 40

Discussie ……………………………………………………………………… p. 43
Referenties ……………………………………………………………………… p. 48
Bijlage 1: Coderingshandboek ……………………………………………… p. 50

1. Inleiding

Over de jaren worden er steeds nieuwe campagnes gelanceerd om veilig vrijen te promoten. Dit is niet alleen om jongeren die zich voor het eerst op seksueel gebied begeven, voor te lichten. Maar ook om het belang van veilig vrijen bij andere groepen onder de aandacht te brengen en te houden. Belangrijke risicogroepen zijn mannen met homoseksuele contacten, allochtonen, prostituees en prostituanten, jongeren, druggebruikers en mensen met hiv. Onveilig seksueel contact kan namelijk leiden tot seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) zoals chlamydia en hiv. Zo spreekt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op haar website van een volksgezondheidsprobleem door de hoge incidentie en prevalentie van soa (RIVM, 2008a).

Chlamydia is de meest voorkomende soa, in 2007 werd bij 7.801 mensen chlamydia gevonden. De meerderheid van deze diagnoses vond plaats bij heteroseksuelen onder de 25 jaar. Het is belangrijk om een chlamydia-infectie zo vroeg mogelijk op te sporen en te behandelen, want door deze infectie kunnen vrouwen op de lange termijn onvruchtbaar worden.

Door een besmetting met het hiv-virus raakt het immuunsysteem aangetast. Als het immuunsysteem door het hiv-virus niet meer goed werkt kunnen er allerlei ziekten optreden. In dat stadium wordt er aids gediagnosticeerd, zonder behandeling van aids komt men sneller te overlijden. In 2007 zijn er in Nederland 864 nieuwe hiv-geïnfecteerden gemeld. Eind 2007 waren er in Nederland in totaal 14.019 personen met hiv geregistreerd en 7.515 mensen met aids. Sinds het begin van de hiv-epidemie in 1983 tot december 2007 zijn er 4.661 mensen gestorven aan aids (Van den Broek, Koedijk, Van Veen, Op de Coul, Van Sighem & Van der Sande, 2007). De preventie van hiv/aids richt zich op het voorkómen van nieuwe infecties door de overdracht van besmetting te blokkeren, en op het vroegtijdig opsporen en behandelen van infecties om ziekte en overlijden te voorkomen. Dit probeert men via verschillende methoden bij specifieke doelgroepen te bereiken. Zoals door het bevorderen van veilig vrijen, het doen van screening oftewel bevolkingsonderzoek, bevordering van hiv-testafname en door toediening van medicatie na blootstelling aan het hiv-virus (post exposure profylaxe [PEP] ).

Soa kunnen dus voorkomen worden door veilig seksueel contact. Er zijn meerdere manieren van veilig vrijen, waaronder onder andere zogenaamde veilige sekstechnieken, onthouding en condoomgebruik, waarbij condoomgebruik veelal de voorkeur geniet. Ondanks

deze meerdere manieren blijkt, mede gezien de soa-cijfers, veilig vrijen in de praktijk niet altijd even gemakkelijk. Veilig seksueel gedrag valt onder gezondheidsgedrag, waarvoor onderzoekers veelal sociale cognitie modellen gebruiken om het te verklaren.

Er zijn verschillende sociale cognitie modellen die elk zijn opgebouwd uit deels verschillende theoretische constructen. De inhoud en invloed van de theoretische constructen kan per model, maar ook per verklaard gedrag verschillen. Door onderzoek wordt steeds duidelijker welke theoretische constructen het meest van toepassing zijn op seksueel gedrag. Zo is onder andere naar voren gekomen dat seksueel gedrag wordt bepaald door attitudes en niet zozeer door kennis, zoals Marks, Murray, Evans en Willig aangeven: “Researchers using social cognition models within the context of sexual risk taking argue that people’s sexual behaviour is mediated by attitudes rather than knowledge.” (p. 217). De Theory of Reasoned Action (TRA; Fishbein & Ajzen 1975; Ajzen & Fishbein 1980) en de uitbreiding hiervan de Theory of Planned Behavior (TPB; Ajzen 1988, 1991) blijken volgens Rise (1992) en Sheeran en Abraham (1995) vooral geschikt te zijn om seksueel gedrag te verklaren, omdat sociale normen en inter-persoonlijke overwegingen in seksueel gedrag een grote rol spelen. Hieraan wordt door Sheeran, Orbell en Abraham (1999) toegevoegd dat een uitbreiding van de TRA naar de TPB met de zelfeffectiviteitcomponent en daarnaast een uitbreiding met descriptieve normen, de attitude van partners én bovenal voorbereidend gedrag, nog beter in staat zal zijn om seksueel gedrag te verklaren. Een meer algemeen model, inclusief constructen van de TRA, wordt ook door Fishbein et al. (in Baum, Revenson & Singer, 2001) gesuggereerd om gezondheidsovertuigingen mee te verklaren.

Volgens onderzoek van Sheeran et al. (1999) hebben de constructen HIV/SOA kennis en waargenomen dreiging, deze laatste is samengesteld uit waargenomen ernst en waargenomen vatbaarheid, geen directe invloed op seksueel gedrag. Dit staat in tegenstelling tot hetgeen het Health Belief Model (HBM; Becker et al., 1977; Rosenstock, 1974) en het Aids Risk Reduction Model (ARRM; Catania, Kegeles & Coates, 1990) aangeven. Echter stellen Sheeran et al. (1999) wel dat het noodzakelijke condities voor gedragsverandering kunnen zijn. Dit maakt dat de bijbehorende theoretische constructen, HIV/SOA kennis, waargenomen vatbaarheid en waargenomen ernst, relatief minder belangrijk zijn in voorlichting over veilig vrijen. Verder hebben zij, middels de door hen gedane meta-analyse naar de belangrijkste correlaten van heteroseksueel condoomgebruik, een aantal sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten vastgesteld. Deze kunnen op algemener niveau weer terug worden herleid tot enkele theoretische constructen, te weten: intentie, attituden, sociale normen en zelfeffectiviteit. Dit zijn dan ook de van belang zijnde constructen in voorlichting over veilig vrijen.

De meer specifieke sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten van heteroseksueel condoomgebruik die vastgesteld zijn, zijn: (1) attitude ten opzichte van condooms; (2) descriptieve normen in relatie tot condoomgebruik oftewel perceptie van of anderen condooms gebruiken en condoomgebruik goedkeuren; (3) zwangerschapsmotivatie oftewel de overtuiging dat condooms gebruikt kunnen worden voor zowel anticonceptie als bescherming tegen soa; (4) intentie om condooms te gebruiken; (5) bij zich dragen van condooms; (6) aanschaffen van condooms; en (7) communicatie met de seksuele partners over condooms. Als voorlichting deze sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten aanspreekt middels beweringen, dan kan het veilig seksueel gedrag stimuleren.

Maar uit onderzoeken naar de aansluiting van in voorlichtingsmateriaal gebruikte beweringen op de aanbevelingen uit psychologisch onderzoek, blijkt dat de psychologische inzichten maar beperkt worden doorgevoerd. Zo laat onderzoek van Abraham, Krahé, Dominic en Fritsche (2002) naar de inhoud van voorlichtingsmateriaal gericht op condoomgebruik in Groot Brittannië en Duitsland, zien dat het overgrote deel van het voorlichtingsmateriaal juist niet die sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten aanspreken die het sterkst met condoomgebruik correleren.

Hoe de situatie in Nederland is zal in dit onderzoek worden nagegaan. De vraagstelling van dit onderzoek luidt dan ook:

Spreken Nederlandse voorlichtingsfolders de sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten van condoomgebruik aan?

De aansluiting van voorlichting op de aanbevelingen uit psychologisch onderzoek wordt bekeken door enkele folders te analyseren. Mogelijk zal de situatie binnen Nederland niet veel verschillen van Groot Brittannië en Duitsland. Als dit het geval is, dan is het van belang om in de toekomst ook een duidelijk overzicht te geven van mogelijke verbeteringen. Dit kan door middel van het opstellen van een overzicht met de belangrijkste te beïnvloeden sociaal cognitieve en gedragsmatige determinanten van condoomgebruik en hierbij behorende voorbeeldteksten in de vorm van beweringen te geven. De tekstanalyse zal in het kader van dit onderzoek worden gedaan en wordt hierna nader besproken. Het opstellen van een overzicht met voorbeeldteksten zal voor een volgend onderzoek interessant zijn.


  1   2   3   4   5

  • Hoe weloverwogen is voorlichting
  • Samenvatting
  • Inhoud Inleiding ……………………………………………………………………… p. 6 Methode van onderzoek ………………………………………………………
  • Resultaten ……………………………………………………………………..
  • Discussie ……………………………………………………………………… p. 43 Referenties ……………………………………………………………………… p. 48 Bijlage 1
  • is de meest voorkomende soa, i
  • (Van den Broek, Koedijk, Van Veen, Op de Coul, Van Sighem Van der Sande, 2007).

  • Dovnload 493.3 Kb.