Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Homilie – Hoogfeest van het Heilig Hart van Jezus – jaar c 04. 05. 2016

Dovnload 12.42 Kb.

Homilie – Hoogfeest van het Heilig Hart van Jezus – jaar c 04. 05. 2016



Datum05.12.2018
Grootte12.42 Kb.

Dovnload 12.42 Kb.

Homilie – Hoogfeest van het Heilig Hart van Jezus – jaar C 04.05.2016
Ezechiël 34, 11-16 / Lucas 15, 3-7


Patroonsfeest van de parochie Heilig Hart – Lier
Laten we de vraag van Jezus eens eerlijk beantwoorden: ‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft?’ We zijn waarschijnlijk geneigd om die overbekende vraag te beantwoorden met: ja! Want we kennen het verhaal en we weten dat Jezus een retorische vraag stelt. Een vraag die al veronderstelt dat je met ja antwoordt. Maar, is dat echt het antwoord dat je zou geven als je de situatie goed bekijkt? Stel je jezelf eens voor als schaapherder. Je mist één schaap, laat je dan die 99 anderen achter, nota bene in de wildernis, om dat ene schaap te zoeken en kost wat kost te vinden? Zijn in termen van risicomanagement de risico’s niet veel te groot om die 99 anderen alleen te laten. Nog los van de barre omstandigheden in de wildernis, denk ik nog aan allerlei dieren die de schapen kunnen bedreigen.
Ik denk dat de vraag als het erop aankomt veel minder vanzelfsprekend is om bevestigend te beantwoorden, omdat de praktijk weerbarstiger is. De Nederlandse oud-minister Donner, een actief lid van de Protestantse Kerk, zei ooit in een interview: ‘Christelijke verantwoordelijkheid is om het verloren schaap te zoeken. Publieke verantwoordelijkheid is eerst te zorgen dat de 99 andere schapen veilig thuiskomen.’ Ik denk dat die uitspraak weergeeft hoe het er in de praktijk aan toe gaat. En dat het ook de moeilijkheid aangeeft om de vraag van Jezus bevestigend te beantwoorden. Want natuurlijk is er de publieke verantwoordelijkheid en hebben we allen een zekere verantwoordelijkheid voor het algemeen belang.
Na dit verhaal van het verloren schaap staat er in het Lucasevangelie nog een kort verhaal over een vrouw die tien drachmen heeft en er één van verliest. Uiteraard gaat ze op zoek naar dat ene muntstuk dat ze kwijt is. Hoe zou je zelf zijn? Beide verhalen eindigen met de vermelding dat er vreugde is om het verlorene dat teruggevonden is. Verhalen dus over de zoektocht naar wat verloren is. En als vanzelf denk ik dan aan het verhaal van de Verloren Zoon. Logisch zelfs, want dat verhaal staat onmiddellijk achter die twee anderen over het verloren schaap en het verloren geldstuk.
Eigenlijk hebben we dat verhaal nodig om die twee anderen ten volle te waarderen. Ook bij de vader is er vreugde om de terugkeer van zijn verloren zoon. Maar om die vreugde te begrijpen en daar ook naar te handelen moeten we maar eens even kijken naar de broer van de verloren zoon. Als hij hoort dat zijn vader een groot feest wil geven voor zijn verloren gewaande broer, wordt hij woedend en zegt: ‘Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.’ Het is een jaloezie, waarvan we vanwege de bekendheid van het verhaal weten dat die fout is. Maar is die jaloezie niet erg herkenbaar, bijvoorbeeld als je hem terugplaatst in het verhaal van die schapen? Hoe zouden wij reageren als bijvoorbeeld in een klas of in een voetbalploeg of een jeugdbeweging alle zorg naar een enkeling gaat? Ligt jaloezie en afgunst dan niet op de loer? En zeggen we dan niet dat die aandacht toch gelijk moet worden verdeeld; dat alle mensen recht hebben op aandacht?
Maar God denkt anders. Hij ziet de mens die terugkeert van zijn schreden. Hij ziet de mens die zegt: ik kan het niet alleen en ik lijk alles te hebben verloren. En Hij hoopt dat wij ook zo zouden denken en handelen. En als dat betekent dat we onevenredig veel tijd aan een enkeling geven, dan is dat precies onze opdracht: die andere 99 redden zich wel. Die zijn ook niet hulpeloos. Waak voor die afgunst en die jaloezie.
Om nog even bij dat verhaal van de verloren zoon te blijven: het is bijzonder kwetsend voor de vader dat de oudste zoon spreekt over ‘die zoon van u’. Hij trekt zijn handen van zijn broer af! Maar tegelijk geeft hij eigenlijk zelf het antwoord: de ander is ook een zoon van de Vader, een kind van God. Het is een verbondenheid die nooit overgaat, en die gelegd wordt bij je doopsel. Daar ben je aangenomen als kind van God. Aan het ja van je ouders gaat Gods ja vooraf. Een standvastig ja. Die belofte ooit aan Abraham gedaan, die droom van al die sterren en dat Abraham zoveel nakomelingen zou krijgen als er sterren zijn. Die belofte blijft staan. Dat is een verbond. Daar verbindt God zich aan. Vandaag, morgen en in de verdere toekomst. Hoe ver het leven je ook van God vandaan kan drijven, God blijft met jou verbonden. En er is altijd een weg terug. Je bent altijd welkom. Je bent nooit afgeschreven. Je terugkeer zal met vreugde worden ontvangen. Je relatie met God blijft en daarin is het altijd mogelijk terug te gaan, terug te komen naar huis, in het huis van de Vader. Want God houdt van ons!
Het evangelie van dit feest helpt ons goed op weg om te doorgronden hoe die liefde eruit ziet. Het beeld van de herder die op zoek gaat naar dat ene verloren schaap geeft handen en voeten aan wat de liefde van God voor de mens is en hoe diep die liefde gaat. De mens, elk mens is voor God uniek en de relatie met die unieke mens duurt een heel leven lang. God bekommert zich voortdurend om ons en we mogen dan ook nooit zeggen: och, mijn probleem is niet zo belangrijk, God heeft wel wat beters te doen dan te luisteren naar mijn geklaag. Zijn liefde is mateloos en tijdloos en voor geen mens uitgezonderd. Door in gebed Gods aandacht te vragen, snoepen we geen tijd van de ander af. Het komt tot uiting in die zoektocht naar het verloren schaap. De herder vindt dat verloren schaap zo belangrijk dat hij de rest er voor in de steek laat en op zoek gaat tot hij het heeft gevonden, onvoorwaardelijk zou ik zeggen. Het vermoeide schaap draagt hij op zijn schouder en brengt het terug naar de kudde.
Misschien willen wij ook wel gezocht worden door iemand die zich over ons ontfermt. Misschien herkennen we wel iets van het verloren schaap in onszelf en zouden we op de schouders gedragen willen worden als het leven zwaar is en ontmoedigend. Maar ook wij kunnen die herder zijn en dat verloren schaap, die naar troost zoekende mens, die de weg kwijt is, op onze schouders dragen en terugbrengen in de gemeenschap waar veiligheid en genegenheid kan werken als innerlijk helend en lichamelijk gezondmakend. In die zin worden we dan de handen en schouder van God.
Op het feest van het Heilig Hart blijkt eens en te meer hoe Gods hart overstroomt van liefde voor ons. Als we ons door die stroom van liefde laten voeden dan worden we mensen die oog hebben voor elkaar en elkaar willen dragen en tegelijk kunnen we ook het verloren schaap zijn dat in zijn kwetsbaarheid het even niet kan dragen en dus gedragen wordt. Dat is geen teken van zwakte. Juist door je kwetsbaarheid te tonen laat je een sterke kant van jezelf zien en hervind je je krachten om als het nodig is die andere kwetsbare te dragen. Het feest van het Heilig Hart van Jezus heeft misschien wel eens te zoete vrome kanten gekend. In deze tijd van politieke en sociale verharding en verschraling kan die zoete kant er juist toe bijdragen dat er een stroom van verzachting op gang wordt gebracht, zodat de omgang tussen mensen weer wat meer glans krijgt zoals God het heeft bedoeld. Mag Gods hart ook ons hart worden!

Jan Verheyen – Lier


Hoogfeest van het Heilig Hart C – 4.6.2016

(Inspiratie: o.a. www.koningshoeven.nl – preek van de week)

  • Jan Verheyen – Lier

  • Dovnload 12.42 Kb.