Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 1 ────────────────────── Argumentstructuur 1 Inleiding

Dovnload 170.93 Kb.

Hoofdstuk 1 ────────────────────── Argumentstructuur 1 Inleiding



Pagina2/3
Datum05.12.2018
Grootte170.93 Kb.

Dovnload 170.93 Kb.
1   2   3

3 Soorten argumentstructuur

De argumentstructuur van een woord is datgene wat bepaalt hoeveel en wat voor argumenten een woord heeft. Werkwoorden zijn typisch voor woorden die argumenten hebben, en dus typisch voor woorden met een argumentstructuur. Maar ook nomina zoals zand of boom hebben een argumentstructuur, zij het van een andere soort dan werkwoorden. Nomina hebben een predikatieve argumentstructuur.


3.1 Predikatieve argumentstructuur

Mijn hypothese is dat een woord met een predikatieve argumentstructuur een woord is met een agr-kenmerk. Dat agr-kenmerk is de argumentstructuur van dat woord, want het is datgene wat bepaalt dat dat woord per se terecht komt in een predikatieve structuur, een AgrP. En die structuur wordt per se geïnterpreteerd als een predikaat met één argument.26

Neem bijvoorbeeld een nomen als zand. Mijn voorstel is dat dat nomen een argumentstructuur heeft in de vorm van (9)a. Structuur (9)a is de stam plus het kenmerk agr, en het is de argumentstructuur van zand omdat het (9)b als syntactische structuur induceert die geïnterpreteerd wordt zoals is aangegeven in (9)c. Daar is sprake van een subject (spec,AgrP) en een predikaat (Agr=) met een predikaatvariabele (Agr).
 a. [N [N zand] agr]

b. [AgrP spec,AgrP [Agr [NP zand]]]

c. [subject spec,AgrP] [predikaat Agrvariabele NP]
We kunnen de interpretatie in (9)c ook noteren in termen van de standaard predikatenlogica. Dat ziet er uit als in (10)a waar spec,AgrP is opgevat als een operator (spec) die de variabele x (de interpretatie van Agr) bindt waarop het predikaat (NP) van toepassing is.27 Die interpretatie kunnen we (met veronachtzaming van de operator) parafraseren als in (10)b. In wat volgt zal ik de meer vertrouwde notatie van (10)a gebruiken.
 a. spec:x[NP(x)]

b. >x zodanig dat >NP= erop van toepassing is=


Met predikatie bedoel ik dus de interpretatie van een AgrP waarvan de Agr als predikaatvariabele wordt geïnterpreteerd. En een woord α dat zo=n AgrP induceert heeft een predikatieve argumentstructuur, niet in de vorm van >α(x)= of iets dergelijks, maar in de vorm van (de morfologische structuur) [α agr].

De vraag is natuurlijk hoe dat agr-kenmerk die syntactische structuur en die interpretatie kan induceren. Het antwoord is dat dat agr-kenmerk gecheckt moet worden aan een Agr (met datzelfde kenmerk). Dat betekent onder standaardaannames dat de door zand geprojecteerde NP ingebed moet zijn in een AgrP zodanig dat dat kenmerk (of het woord met dat kenmerk) via verplaatsing naar Agr, gecheckt kan worden. Het is dus de checking-theorie die, gegeven (9)a, structuur (9)b afleidt (of induceert, zo men wil).

Dat (9)b geïnterpreteerd wordt als (9)c of (10)a beschouw ik als iets dat voor rekening komt van het interpretatieve systeem, in de standaardtheorie aangeduid als de LF-interface (vgl. Chomsky 1995:2;6). In hoofdstuk 2 zal ik uitvoeriger ingaan op woorden met een predikatieve argumentstructuur en de syntactische structuur die ze induceren.
3.2 Niet-predikatieve argumentstructuur

Predikatieve argumentstructuur is typisch voor nomina en, zoals we in hoofdstuk 2 zullen zien, ook voor geïnflecteerde adjectieven en determinatoren. Maar werkwoorden en voorzetsels doen niet aan predikatie. Voor voorzetsels is dat geen wonder, want die doen niet aan inflectie.


3.2.1 Niet-verbale argumentstructuur

Typisch voor voorzetsels (en verstokte adverbia zoals misschien) is het ontbreken van agr-kenmerken. Onder onze aannames zijn ze dus uitgesloten van een predikatieve argumentstructuur. Toch gaan voorzetsels per se vergezeld van een argument. In een zin als (11)a bijvoorbeeld gaat op vergezeld van het argument de bank, en drukt op een relatie uit tussen zijn slapen en de bank, wat we kunnen weergeven als in (11)b,28


 a. hij slaapt op de bank

b. op(hij slaapt, de bank)


De vraag is nu: hoe komt op aan het argument de bank, en hoe komt het dat op met dat ene argument geïnterpreteerd wordt als een relatie met twee relata, de bank en zijn slapen?29

Mijn voorstel is dat een voorzetsel als op naast het lexicale kenmerk [op] het syntactische kenmerk [+complement] heeft, zoals aangegeven in (12)a. De structuur in (12)a is de argumentstructuur van op omdat (12)a daarmee de syntactische structuur in (12)b induceert en (12)b geïnterpreteerd wordt als in (12)c, een relatie P met de twee relata α en complement.30


 a. [P op, +complement]

b. [α α [PP Pop complement]]

c. Pop(α, complement)
De gelijkenis tussen (12)a en (9)a zal duidelijk zijn: de argumentstructuur is een stam en een morfosyntactisch kenmerk.31 De vraag is natuurlijk wel hoe in dit geval die argumentstructuur een interpretatie kan veroorzaken waarbij sprake is van een relatie met twee relata. Dit is mijn antwoord. Het kenmerk +complement in (12)a is een Casuskenmerk (traditioneel aangeduid als accusativus) dat de PP-structuur uit (12)b induceert. Ook +complement is een kenmerk dat gecheckt moet worden, in dit geval aan een complement, en daardoor in effect dat complement (een argument) selecteert.32 Laten we verder aannemenCeen standaardaannameCdat de PP op de bank in (11)a geadjungeerd is aan de VP, zoals aangegeven in (13)a. Bij de interpretatie geldt die VP, zoals aangegeven in (12)b en c, als een argument dat correspondeert met het eerste relatum, zoals aangegeven in (13)b.
 a. [AgrP hij [Agr [VP [PP op [NP de bank]] [VP slaapt]] ]]

b. op(slaapt, de bank)


Als het juist is wat we over op hebben verondersteld, is het ontbreken van een agr-kenmerk in P er de oorzaak van dat een P geen predikatieve structuur induceert maar een structuur als (13)a (ik kom hier op terug in hoofdstuk 7 en de appendix Over de structuur van PPs). Maar veroorzaakt het ontbreken van een agr-kenmerk ook dat een P als een relatie geïnterpreteerd wordt met twee relata? Dat niet, want daarvoor is het Casus-kenmerk +complement nodig. Dat blijkt uit het bestaan van zinnen als in (14). In (14)a komt lang, dat blijkens lange in (14)b kan voorkomen als een geïnflecteerd adjectief, voor als adjunct zonder inflectie.
 a. hij slaapt lang

b. lange stokken


Nemen we aan dat het ontbreken van inflectie wijst op de afwezigheid van een agr-kenmerk, dan induceert lang in (14)a geen AgrP maarCnet zoals de P opCde adjunctiestructuur in (15)a. In dit geval wordt lang geïnterpreteerd zoals aangegeven in (15)b: als een predikaat met de VP als enige term.33
 a. ...[VP [VP slaapt] lang]

b. lang(slaapt)


Het geïnflecteerde lange van (14)b, met wel een agr-kenmerk, induceert daarentegen de syntactische structuur in (16)a en wordt dus geïnterpreteerd met een predikaatvariabele zoals in (16)b is aangegeven.
 a. ...[AgrP spec [Agr lange]]

b. spec:x[lang(x)]


We zien hier hoe lang als het niet geïnflecteerd is, in feite geen argumentstructuur heeft.34 Op adjectieven kom ik terug in het volgende hoofdstuk. De aard van Casuskenmerken als +complement en de manier waarop dat in het geval van op de PP-structuur van (13)a oproept is een van de onderwerpen die in hoofdstuk 3 aan de orde komen..

Samenvattend: ook van een P hoeft de taalverwerver enkel te ontdekken dat het een bepaald Casuskenmerk (+complement) heeft om te weten hoeveel en wat voor argumenten die P heeft. De argumentstructuur van die P is dus dat Casuskenmerk (plus het ontbreken van een agr-kenmerk), en uit die argumentstructuur volgt de syntactische structuur die leidt tot de interpretatie als een relatie zodanig dat de twee relata corresponderen met respectievelijk het complement van de P en datgene waar de PP aan adjungeert.

Wat ook volgt is dat werkwoorden die inflecteren niet dezelfde structuur zullen induceren als voorzetsels en dus ook niet als een relatie zullen worden geïnterpreteerd.
3.2.2 Verbale argumentstructuur

Werkwoorden hebben inflectie en als we daaruit afleiden dat ze een arg-kenmerk hebben, voorspellen we dat ze, net zoals nomina, een predikatieve argumentstructuur hebben. Op het eerste gezicht lijkt dat een juiste voorspelling. Van een zin als (17)a wordt gewoonlijk aangenomen dat hij de syntactische structuur in (17)b heeft, en niets staatClijkt hetCde interpretatie in (17)c in de weg: Agr is geïnterpreteerd als een variabele die gebonden wordt door Jan.35


 a. Jan valt

b. [AgrP Jan [Agr [VP valt]]]

c. Jan:x[valt(x)]
Maar een vergelijking met de nominale tegenhanger van vallen in (18), wijst er op dat, als (18) juist is, de analyse in (17) niet juist kan zijn. In (17)c heeft het argument x de rol van degene die valt, terwijl de rol van x in (18)c die van de val zelf is. Hoe komt dat? En hoe weten we dat we ons niet eerder vergist hebben door aan te nemen dat wat in (18) gebeurt juist is?
 a. de val

b. [AgrP de [Agr val]]

c. de:x[val(x)]
Er zijn twee voor de hand liggende manieren om het verschil tussen (17)a en (18)a te verklaren. De ene gaat uit van de veronderstelling dat het nomen in (18)a is afgeleid van het werkwoord vallen uit (17)a. De andere gaat er omgekeerd vanuit dat het werkwoord vallen uit (17)a is afgeleid van het nomen uit (18)a. De eerste verklaring komt er op neer dat wordt aangenomen dat een nominalisatie gepaard gaat met een interpretatie als in (19)a. Het idee is dat een werkwoord als vallen een gebeuren denoteert (aangegeven met de variabele e) en dat nominalisatie inhoudt dat dat gebeuren geïdentificeerd wordt als een individu (xe).
 a. de:xe[val(xe)]

b. e[valt(e) & θ(e,Jan)]]36

c. e[Jan:x[valt(e) & θ(e,x)]]
Als we deze verklaring aannemen zijn we gedwongen te veronderstellen dat zin (17)a niet geïnterpreteerd wordt als (17)c maar als (19)b: ook hier denoteert het werkwoord een gebeuren, maar bovendien is er sprake van een in dat gebeuren betrokkene, nl. Jan.37 De betrokkenheid van Jan is aangegeven door de relatie θ.38

Dat lijkt een plausibele verklaring (de representatie in (19)b is een gangbare), maar er is een probleem. Hoewel er in (17)b sprake is van een AgrP, is er in (19)b geen spoor van een predikatieve interpretatie. En dat is geen omissie, want Agr kan niet als één van de variabelen uit (19)b geïnterpreteerd worden. Dat is te zeggen, de variabele e kan niet met Agr corresponderen, want dan zou e, omdat Jan spec,AgrP is, door Jan gebonden worden (wat niet kan). En als we Agr in (17)b als de variabele x interpreteren, zoals aangegeven in (19)c, hebben we ook een probleem. Want nu zou de VP (valt) uit (17)b het predikaat van de door Jan gebonden variabele x moeten zijn, maar x is een relatum van de relatie θ, en VP is het predikaat van e. De veronderstelling dat val uit (18)a een nominalisatie is van vallen, kan dus niet zonder meer als verklaring dienen van het opgemerkte verschil tussen (17)a en (18)a.

De andere verklaring van het verschil tussen (17)a en (18)a gaat er van uit, niet dat val een nominalisatie is, maar dat vallen een >verbalisatie= is, bijvoorbeeld een complex werkwoord waar het nomen val onderdeel van uitmaakt, zoiets als [V V N] (vgl. een val maken). De syntactische structuur van (17)a zou dan zoiets kunnen zijn als (20)a, gegeven dat zowel N als V een agr-kenmerk bevatten. Nemen we aan dat AgrN geïnterpreteerd wordt als de variabele e (het nomen val denoteert een gebeuren) en AgrV als x, dan kan (20)a bij benadering geïnterpreteerd worden als (20)b.39
 a. [AgrP Jan [AgrV [VP V [AgrP spec [AgrN [N val]]]]]]

b. e[Jan:x[VP(x) & Nval(e)]]


Maar ook deze analyse, die sinds Chomsky (1995) tamelijk gangbaar is, stuit op problemen. Ten eerste is de aanwezigheid van de AgrNP ongemotiveerd,40 en ten tweede volgt uit (20)bmet name het gedeelte >VP(x)=niet dat Jan degene is die valt. In feite betekent VP(x) dat Jan het vallen is, en niet dat iets anders dat vallen is en dat Jan daar enkel als valler in betrokken is (zoals aangegeven in (19)c).41 Dus ook deze verklaring van het interpretatieverschil tussen val en vallen, kan niet zonder meer worden geaccepteerd. Hoe moet het dan?

Mijn voorstel is dat de verklaring langs de eerste weg gezocht moet worden, maar dat daarbij moet worden aangenomen dat Agr in zinnen niet als een variabele geïnterpreteerd wordt. Met deze (overigens gebruikelijke) veronderstelling wordt het probleem dat we hierboven voor de analyse in (19) opmerkten vermeden.42 Maar er ontstaat een nieuw probleem: hoe komt het dat Agr niet als variabele geïnterpreteerd wordt en hoe komt het dat Jan in (17)a geïnterpreteerd wordt als relatum van de geheimzinnige relatie θ? Waar komt die relatie vandaan? Het antwoord is dat het agr-kenmerk van een werkwoord als valt Casus-gemarkeerd is, en dat het die Casuskenmerken zijn die veroorzaken dat Agr geïnterpreteerd wordt als een relatie (en niet als een variabele), weergegeven als θ in (19)b.43 Over de rol van Casus bij de interpretatie komen we in latere hoofdstukken nog uitvoerig te spreken.

Samenvattend komt wat we veronderstellen op het volgende neer. Hoewel werkwoorden een AgrP induceren, hebben ze geen predikatieve argumentstructuur. Dat komt doordat Agr in dit geval (wegens Casusmarkering) niet als een variabele geïnterpreteerd wordt maar als een thematische relatie waardoor het argument in spec,AgrP begrepen wordt als een betrokkene in het door het werkwoord uitgedrukte gebeuren. Anders gezegd, zin (17)a heeft (17)b als syntactische structuur en wordt geïnterpreteerd als in (19)b, waarbij θ de interpretatie is van de Casusgemarkeerde Agr en Jan de interpretatie is van het subject Jan in spec,AgrP. Als het daarbij blijft, heeft het werkwoord een ergatieve argumentstructuur die gekarakteriseerd wordt door één argument.44 Dat klopt in een geval als vallen, maar hoe zit het met geven waar sprake is van drie relata? Hoe komt zo=n werkwoord aan drie argumenten?
3.2.3 Onergatieve argumentstructuur

Een ergatief werkwoord als vallen komt aan z=n ene argument door de quasi-predikatieve argumentstructuur. Onergatieve werkwoorden kunnen meer dan één argument hebben. Eén daarvan, het onderwerp van de zin, wordt ook door het Casusgemarkeerde agr-kenmerk geïnduceerd, maar hoe zit het met die andere argumenten? Een voor de hand liggend antwoord op die vraag is dat die op dezelfde manier geïnduceerd worden, namelijk door Casuskenmerken. Onder standaardaannames heeft een zin als (21)a de structuur in (21)b: hij is verplaatst naar spec,AgrSP en haar naar spec,AgrOP (om hun Casuskenmerken te checken).45


 a. hij draagt haar

b. [AgrSP hiji [AgrS [AgrOP haarj [AgrO [VP ei draagt ej ]]]]]

c. e[draagt(e) & θ1(e,hij) & θ2(e,haar)]
In (21)b staan AgrS en AgrO voor respectievelijk subject-Agr en object-Agr, d.w.z. Agr met de nominatieve kenmerken en Agr met de accusatieve kenmerken. Als we aannemen dat ook AgrO (door de Casuskenmerken ervan) niet als variabele geïnterpreteerd wordt, maar als thematische relatie, leiden we de interpretatie in (21)b af: zowel hij als haar zijn betrokken in het draag-gebeuren e.46 Zo bezien bestaat de argumentstructuur van draagt dus uit de Casuskenmerken van AgrS en AgrO, en het ligt in de rede te veronderstellen dat het verschil tussen die Casuskenmerken samenhangt met het verschil tussen θ1 en θ2, d.w.z. het verschil tussen drager en gedragene.

In feite komt de hypothese die ik in dit boek verdedig hier op neer: onergatieve werkwoorden verschillen van ergatieve daarin dat hun Casuskenmerken interpreteerbaar zijn.47 De interpretatie van die Casuskenmerken vervult de functie die we hierboven (in '2.1.1) lieten vervullen door een principe als de UTAH, dat specifieke argumenten verbindt met specifieke relata. Omdat ergatieve werkwoorden geen interpreteerbare Casuskenmerken hebben, kunnen ze niet meer dan één argument hebben, en dat ene argument correspondeert daardoor met een ongespecificeerd relatum (d.w.z. een betrokkene waarvan de >betrekking= ongespecificeerd is).48 Onergatieve werkwoorden, daarentegen, kunnen door hun interpreteerbare Casuskenmerken meer dan één argument hebben. Die kenmerken vormen de sleutel die elk afzonderlijk argument verbindt met een specifiek relatum. Daardoor wordt hij in (21)a per se verbonden met de drager en niet met de gedragene: de nominatief wordt geïnterpreteerd als actor, accusatief als thema (dus in (21)c geldt θ1 = θnom = actor en θ2 = θacc = thema). Onder die aanname kunnen we de argumentstructuur van een onergatief werkwoord dus identificeren met de Casuskenmerken die het ter beschikking heeft. Dat is niets nieuws, want ook in het geval van het voorzetsel op hebben we de argumentstructuur geïdentificeerd met een Casuskenmerk (dat overigens niet interpreteerbaar is).

Vatten we samen. De argumentstructuur van woorden bestaat uit agr-kenmerken en/of Casuskenmerken. Als er interpreteerbare Casuskenmerken in het spel zijn, kan het woord meerdere argumenten hebben en daardoor een relatie uitdrukken met meer dan één relatum.49 In hoofdstuk 3 stel ik voor dat de traditionele naamvallen zoals nominativus, accusativus e.d. binnen het hier aangenomen kader gereconstrueerd moeten worden in termen van een tweetal structurele kenmerken: specifier en complement. Onder die aanname volgt dat er niet meer dan vier Casussen mogelijk zijn. En daarmee voorspellen we dat een onergatief werkwoord in aanleg niet meer dan vier argumenten kan hebben.

En dat brengt ons op het probleem van de taalverwerver: hoe kan hij op basis van de betekenis van woorden de argumentstructuur van die woorden ontdekken? Wat ik hier heb voorgesteld impliceert dat de taalverwerver bij zijn taak formeel en substantieel aan banden ligt, en dat die banden hem in staat stellen die taak uit te voeren ook als de betekenis alleen maar in contour gegeven is.


4 Argumentstructuur en leerbaarheid

De hier geschetste theorie over argumentstructuur blijkt bij uitwerking grote voordelen te hebben. Eén daarvan is dat ze ons in staat stelt te verklaren hoe het komt dat woorden beperkt zijn in de argumentstructuur die ze kunnen hebben. Die beperking kan herleid worden tot andere beperkingen, nl. die op agr-kenmerken en die op Casuskenmerken. Aan die andere beperkingen wordt in de volgende hoofdstukken veel aandacht besteed, onder andere in de vorm van hypotheses waardoor die beperkingen een principiële grondslag krijgen.

Ook de veranderingen die mogelijk zijn in de argumentstructuur van woorden, kunnen grotendeels verklaard worden uit de gemaakte aannames. Als we veronderstellen dat de orde in de weergave van de verschillende soorten argumentstructuur in figuur 1 een weerspiegeling is van hun gemarkeerdheid, dan kunnen we wat er productief aan verandering mogelijk is verklaren onder de aanname dat een woord kan alleen kan overstappen op een minder gemarkeerde argumentstructuur. Een onergatief werkwoord kan dus ergatief worden doordat de Casuskenmerken oninterpreteerbaar worden, maar het omgekeerde kan niet. Zelfs wat lijkt op de uitbreiding van een onergatieve argumentstructuur met een extra argument (zoals in hij werkt zich suf), blijkt bij nader inzien niet anders dan een uitbreiding van de mogelijkheden om argumenten die een onergatieve argumentstructuur toelaat te interpreteren. Op het eerste gezicht wordt deze voorspelling bevestigd door de feiten.50

Tenslotte biedt de geschetste theorie over argumentstructuur ook een veelbelovend kader voor de verklaring van de verwerving van argumentstructuur. We zagen in '2.1.2 dat de betekenis van een woord, d.w.z. de relatie die door een woord wordt uitgedrukt, onvoldoende aanknopingspunten biedt om de argumentstructuur ervan te kunnen vaststellen. Onder de hier gemaakte aannames vindt het leren van die argumentstructuur plaats in een strak keurslijf dat de verwerver slechts een beperkt aantal opties biedt. Is er een agr-kenmerk? Zo ja, is er sprake van Casuskenmerken? Zo ja, zijn de Casuskenmerken interpreteerbaar? Zo ja, welke Casuskenmerken zijn er? Het is duidelijk dat slechts een geringe notie van de betekenis van een woord volstaat om die vragen te beantwoorden: ze doen een beroep op andere kenmerken dan die van de betekenis. We moeten dan wel aannemen dat de gegevens die de taalverwerver ter beschikking staan, voldoende zijn om die vragen te beantwoorden.

Maar niet alleen het feit dat van een woord de argumentstructuur kan worden vastgesteld relatief onafhankelijk van de betekenis ervan, wordt verklaarbaar binnen het geschetste kader. Zoals al geschetst in de Inleiding houdt dat kader ook voorspellingen in over de verschillende fasen die bij de verwerving van argumentstructuur zullen worden doorlopen. Zo zal de verwerving van de predikatieve argumentstructuur voorafgaan aan die van de werkwoordelijke, gegeven dat Casuskenmerken later beschikbaar komen. En als we veronderstellen dat de interpretatie van Casuskenmerken later komt dan die Casuskenmerken zelf, volgt waarom ergatieve argumentstructuur eerder verworven wordt dan onergatieve. Taalverwervingsonderzoek zal moeten uitwijzen of deze verwachtingen bewaarheid worden. Daarbij zal vooral aandacht besteed moeten worden aan het specifieke karakter van voorzetsels; en aan het feit dat woorden bij nieuwvorming per se predikatief (nomina, adjectieven) of onergatief (werkwoorden) zijn. Alsof het stadium waarin oninterpreteerbare Casuskenmerken een rol spelen, een overwonnen fase is waarnaar geen terugkeer mogelijk is.51 In dit boek kan aan deze kwesties alleen terloopse aandacht besteed worden. De kwesties die centraal staan zet ik hieronder op een rij.
5 Vooruitblik

Dit boek verdedigt de voorgestelde hypotheses over argumentstructuur als volgt.

$ Hoofdstuk 2 dient in eerste instantie als voorwerk voor de er op volgende hoofdstukken. Ik schets het theoretische kader en werk al doende het idee uit dat predikatie door een agr-kenmerk geïnduceerd wordt. Een belangrijke veronderstelling is dat bepaalde categorieën (zoals determinatoren) gekarakteriseerd kunnen worden in termen van een beperkte verzameling agr-kenmerken waarvan de onderlinge verhouding die van een zgn. kenmerkboom is. Bovendien is bij de lexicale specificatie van afzonderlijke elementen uit zo=n categorie een sleutelrol weggelegd voor variabele kenmerken. Het idee van kenmerkbomen en variabele kenmerken zal ook verder in het boek een verklarende rol spelen. In een appendix Over kwantoren zal ik laten zien dat de predikatie-analyse niet alleen van toepassing is op nomina en determinatoren.

$ In hoofdstuk 3 ontvouw ik een theorie over Casuskenmerken die in feite een principiële reconstructie inhoudt van de traditionele naamvallen. Uitgangspunt van die theorie is dat de Casuskenmerken van het Nederlands in eerste instantie een syntactische positie aangeven. De rol van die kenmerken bij de interpretatie komt aan de orde in hoofdstuk 4.

$ In

1   2   3

  • 3.1 Predikatieve argumentstructuur
  • 3.2 Niet-predikatieve argumentstructuur
  • 3.2.1 Niet-verbale argumentstructuur
  • 3.2.2 Verbale argumentstructuur
  • 3.2.3 Onergatieve argumentstructuur
  • 4 Argumentstructuur en leerbaarheid
  • 5 Vooruitblik

  • Dovnload 170.93 Kb.