Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 1 ────────────────────── Argumentstructuur 1 Inleiding

Dovnload 170.93 Kb.

Hoofdstuk 1 ────────────────────── Argumentstructuur 1 Inleiding



Pagina3/3
Datum05.12.2018
Grootte170.93 Kb.

Dovnload 170.93 Kb.
1   2   3
hoofdstuk 4 schets ik een theorie over theta-rollen en de systematiek die ten grondslag ligt aan de relatie tussen theta-rollen en Casus. Verder beargumenteer ik dat theta-rollen en grammaticale personen van hetzelfde laken een pak zijn. Eén van de pijlers onder dat idee is de hypothese dat tempus (tegenwoordige en verleden tijd) en aspect (onvoltooide en voltooide tijd) ook van hetzelfde laken een pak zijn, en dat dat geen toeval is omdat het in beide gevallen om dezelfde kenmerken gaat. In een appendix (Over de standaardvisie op theta-rollen) vergelijk ik mijn voorstellen met wat door anderen op dat punt naar voren is gebracht.

$ In hoofdstuk 5 beargumenteer ik dat mediale zinnen (bijv. de appels geven makkelijker) ontstaan als onergatieve werkwoorden hun onergatieve argumentstructuur uitschakelen en ergatief >doen=. Hier worden de in dit boek verdedigde hypotheses over de werkwoordelijke argumentstructuur voor het eerst ten volle aan de feiten getoetst.

$ In hoofdstuk 6 maak ik aannemelijk dat zgn. resultatieve constructies (zoals hij werkt zich suf) ontstaan als onergatieve werkwoorden hun argumentstructuur gelijk houden maar de interpretatiemogelijkheden daarvan uitbreiden met een resultatief relatum. Mijn stelling is dat het feit dat die uitbreiding mogelijk is en niet anders dan zo kan uitpakken op een natuurlijke wijze voortvloeit uit mijn voorstellen over de aard van theta-rollen en de manier waarop ze over argumenten worden verdeeld. Dit hoofdstuk biedt ook een theoretische reconstructie van het traditionele onderscheid tussen verschillende soorten objecten (van zgn. verba affectuum en effectuum). Dat die reconstructie mogelijk is vormt verdere evidentie voor de theorie over Casus, theta-rollen en het verband daartussen.

$ In hoofdstuk 7 wordt een verklaring geboden voor het ergatief worden van een werkwoord als lopen als het vergezeld gaat van een richtingsbepaling (vgl. (3)a,b). Hier wordt niet de onergatieve argumentstructuur uitgeschakeld en teruggevallen op een ongemarkeerde ergatieve argumentstructuur, zoals bij de vorming van een mediale constructie. Wat gebeurt heeft meer weg van assimilatie. Het gebeuren dat wordt uitgedrukt >ver­springt= onder druk van de context naar een minimaal verschillend gebeuren dat bij een ergatieve argumentstructuur past. In twee appendices (Anderen over ergativering en Over de structuur van PP=s) ga ik dieper in op bepaalde details van de voorgestelde analyse.



$ In hoofdstuk 8 knoop ik de losse eindjes aan elkaar en probeer ik een indruk te geven van de ruimere implicaties van het voorgestelde.


1 De argumentstructuur van nomina en adjectieven komt alleen in hoofdstuk 2 ter sprake, en de argumentstructuur van preposities alleen in hoofdstuk 7 en de appendix Over de structuur van PP=s.

2 Hoewel (on)ergativiteit strikt genomen een eigenschap is van de argumentstructuur van een woord, zal ik (zoals te doen gebruikelijk) woorden (on)ergatief noemen.

3 Zie bijvoorbeeld Reinhart (2000).

4 Er heeft niet alleen reductie plaats gevonden, maar ook een soort permutatie (in de literatuur aangeduid met termen als >promotie=, >demotie= en dergelijke). Dat wil zeggen dat de biggetjes in (1)b gepromoveerd is, en dat in bijv. de biggetjes worden door mij geslacht, het subject (mij) gedemoveerd is.

5 Met de term >reductie= generaliseer ik over wat anderen opvatten als eliminatie, verzadiging, onderdrukking, etc. Daarmee doelt men op verschillende operaties op de argumentstructuur die eenzelfde effect in de syntactische structuur hebben. Vgl. Ackema & Schoorlemmer (1995).

6 Vgl. Reinhart (2000).

7 Omdat het hier om een niet-productief (of op z=n best een quasi-productief) geval gaat, is de notie >vervanging= enigszins ongelukkig.

8 Eigenlijk betekent deze zin zoiets als >zij maakt het je moeilijk iets aan haar te geven=, maar ik abstraheer hier van dit soort subtiliteiten. Volgens sommigen is deze zin ook een stuk minder dan zin (2)c, maar het gaat hier om het (onmiskenbare) contrast tussen (2)b en c aan de ene, en (2)d en e aan de andere kant.

9 Ik ga hier voorbij aan het feit dat in ieder geval het argument haar, en mogelijk ook het argument zo=n prikding, kan ontbreken.

10 In hoofdstuk 5 ga ik hier uitvoerig op in, ook op ‘uitzonderingsgevallen’ zoals bevallen in Zij bevalt mij dat kennelijk twee argumenten heeft.

11 Bij wijze van oplossing van dat probleem is wel verondersteld dat het subject-argument in een mediale zin (zoals (2)b en c) per se het hoogste argument moet zijn (vgl. Ackema en Schoorlemmer 1995): als een in aanleg laag argument tot subject gepromoveerd wordt moeten hogere argumenten ontbreken om dat mogelijk te maken. Een zwak punt van deze oplossing is het feit dat mediale zinnen ten hoogste één argument bevatten: dat is per definitie het hoogste argument en dus lijkt de aanname dat het subject het hoogste argument moet zijn triviaal waar. Toch blijkt deze analyse vatbaar voor empirische weerlegging, want ze houdt in dat óf (2)d óf (2)e, maar niet beide onmogelijk zijn. Stel dat de onwelgevormdheid van (2)d veroorzaakt wordt doordat dat prikding een hoger argument is dan zij, en dus dat het subject niet het hoogste argument is. Dan voorspellen we dat (2)e mogelijk moet zijn, want daar is dat prikding, het hoogste argument, het subject. Het feit dat (2)d en (2)e beide onmogelijk zijn, vormt dus een probleem voor deze analyse (en is een voorstelling van de door mij verdedigde analyse) en vormt daarmee een potentiële weerlegging.

12 Het feit dat naast het ijs smelt ook iemand smelt het ijs mogelijk is, is onvoorspelbaar. Deze niet-productieve alternantie blijft daarom in dit boek buiten beschouwing.

13 Daarin verschilt het van het mediale gebruik van werkwoorden dat we in (1) en (2) aantroffen. Het tweetal zinnen in (i) maakt duidelijk dat bijv. een adjectief zoals moeilijk geen voldoende voorwaarde is voor het mediale gebruik van een werkwoord (in (i)a. Op de vraag of het een noodzakelijke voorwaarde is, ga ik in in hoofdstuk 5.
(i) a. Jan loopt moeilijk (niet mediaal)

b. zo=n dik kleed loopt moeilijk (wel mediaal)



14 Ik zal beargumenteren dat zich suf in (4)b geïnterpreteerd wordt als een relatum van werken.

15 De veronderstelling dat bijv. *hij komt zich suf onmogelijk is omdat komen onaccusatief is en dus geen accusativus kan toekennen aan zich suf, beschouw ik niet als een verklaring omdat het enkel het raadsel een andere vorm geeft: waarom kan komen geen accusativus toekennen?

16 Zoals bijv. verdedigd wordt in Grimshaw (1990) die argumentstructuur opvat als een hiërarchisch geordende verzameling theta-rollen die een interface vormt tussen syntactische structuur en semantische interpretatie. Vgl. ook Bresnan (1995).

17 Gemakshalve neem ik aan dat komen een relatie is, ook al heeft het maar één relatum (degene die komt). Zo=n relatie wordt doorgaans een eigenschap genoemd (waarbij de term >relatie= gereserveerd wordt voor de gevallen waarin meer dan één relatum betrokken is). Overigens bedoel ik met >relatie= niet een in de objectieve werkelijkheid bestaand iets, maar een betekeniselement, een mentale representatie van die werkelijkheid.

18 Het feit dat in het idiomatische hij schiet een bok het werkwoord schieten specifiek (een) bok als complement selecteert, geeft dus aan dat die selectie geen kwestie is van de argumentstructuur van schieten. Dat is in overeenstemming met het gegeven dat een bok in die zin niet met een relatum van schieten correspondeert, en dus geen argument is.

19 Dit is bij benadering de standaardopvatting (vgl. ook Heime & Kratzer 1998). Volgens die opvatting ziet de argumentstructuur van bijvoorbeeld geven er uit als >geven(θ123)=, of nog korter als >(θ123)=. Het idee is dat de argumentstructuur een ongeordende verzameling rollen (theta-rollen) is die elk toegekend worden aan een argument volgens een bepaalde sleutel. Het subscript van de theta-rollen is bedoeld om de rollen van elkaar te onderscheiden; die onderscheiding wordt in de tekst bereikt door de volgorde als kenmerk op te vatten. Dat verschil is dus notationeel. Niet notationeel is het volgende verschil: met >(θi,...,θn)= hebben we het over een verzameling rollen (die aan argumenten toekomen); met >= uit de tekst hebben we het over een verzameling argumenten (waarmee rollen verbonden worden). Zo bezien is wat volgens de standaardopvatting de argumentstructuur is, dus eigenlijk een rolstructuur (of rollenpatroon).

20 Strikt genomen legt het Theta-criterium een verband tussen argumenten en de relatie die ze met het gebeuren hebben (zoals >is agens van= e.d.). De correspondentie tussen argument en relatum is daarvan een onmiddellijk effect.

21 Zin (i)a kan dus niet dezelfde betekenis krijgen als (i)b door met ik zowel de rol van wasser als die van gewassene te verbinden. En (i)c kan niet betekenen dat ik haar en hem was door haar en hem de rol van gewassene te laten delen.
(i) a. ik was

b. ik was me

c. *ik was haar hem


22 Hier moet men abstraheren van het feit dat zin (8)a geen implicatie is van zin (8)b: in (8)b kan met hij enkel de opdrachtgever bedoeld worden (en wordt het doden door een ander uitgevoerd).

23 De voorstellen van bijvoorbeeld Hale en Keyzer (1998) getuigen van die bereidheid.

24 In het werk van Jackendoff worden voorstellen in deze richting gedaan in de vorm van correspondentieregels die bepalen welke relata met (welke) argumenten corresponderen.

25 Daarbij veronderstel ik een principe zoals Full Interpretation (vgl. Chomsky 1986;1995) volgens welke iedere uitdrukking geïnterpreteerd moet worden. Dat houdt in dat een uitdrukking die als een argument wordt aangemerkt als zodanig geïnterpreteerd moet worden, d.w.z. bij de interpretatie verbonden moet worden met een theta-rol dan wel een relatie (c.q. relatum).

26 Volgens de eerste-orde predikatenlogica wordt een zin als (i)a geïnterpreteerd als (i)b, waar zand correspondeert met het predikaat >zand= en het argument x (en de kwantor ). In de taalkundige literatuur (vgl. Williams 1994) heet het dat nomina zoals zand een argument hebben met een zgn. R-rol (R van referentieel).
(i) a. zand is droog

b. x[zand(x)  droog(x)]


Overigens is wat hier volgt een eerste benadering, die bij nadere inspectie nuancering zal blijken nodig te hebben. Maar die nuancering zal wat we hier aannemen eerder bevestigen dan ontkrachten. Overigens is wat ik onder >predikatieve structuur= versta in grote lijnen hetzelfde als wat doorgaans met de term >predikatiestructuur= wordt aangeduid. Vgl. Williams (1994), Heycock (1994), Rothstein (1984), Bowers (1991) en de aldaar genoemde literatuur. Eén verschilpunt is dat hier (alleen) Agr als mogelijke predikaatvariabele wordt gezien.

27 Als we kiezen voor de notatie in (10)a is de NP het predikaat, terwijl in (9)c Agr= het predikaat is. Verder is wat een subject is in (9)c, een operator in (10)a.

28 Volgens sommigen drukt op een relatie uit tussen hem en de bank. Die mogelijkheid laat ik hier buiten beschouwing.

29 Het idee dat voorzetsels een relatie uitdrukken en dat de argumentstructuur een bijverschijnsel of afleiding is van de relatiestructuur, stuit o.a. op het probleem dat een voorzetsel als tussen in Jan zit tussen Kees en Els volgens gangbare opvattingen een relatie uitdrukt met drie relata (Jans zitten, Kees en Els). Toch heeft tussen dezelfde argumentstructuur als alle andere voorzetsels. Dat betekent dat de argumentstructuur niet (zonder meer) uit de relatiestructuur kan worden afgeleid (want op drukt een relatie met twee relata uit).

30 Ik veroorloof me hier en in het vervolg een slordige notatie waarbij bijv. P de ene keer (in (12)a bijv.) een afkorting is van >prepositie= (een linguïstische categorie) en een andere keer (in (12)b bijv.) de interpretatie van die prepositie aanduidt. Alleen waar dat naar mijn oordeel misleidend kan zijn, vermijd ik deze nonchalance.

31 Een morfosyntactisch kenmerk is een woordkenmerk dat zich syntactisch manifesteert (bijv. doordat het verplaatsing van een element afdwingt).

32 Dat checken komt tot uitdrukking in bijv. het contrast tussen op hem en *op hij: alleen hem heeft het kenmerk +complement en kan datzelfde kenmerk in op checken. Overigens gebruik ik de termen >induceren= en >selecteren= als volgt. Als een element A onmiddellijk, d.w.z. door een kenmerk +B, om de aanwezigheid van een element B (met het kenmerk +B) vraagt, dan wordt B door A geselecteerd. Als de aanwezigheid van B indirect door A veroorzaakt wordt, spreek ik van inductie. Een P met het kenmerk +complement selecteert dus een complement, maar een N met een agr-kenmerk induceert door dat kenmerk de aanwezigheid van een Agr met datzelfde agr-kenmerk.

33 Om precies te zijn wordt (14)a geïnterpreteerd als >e[slaapt(e) & agens(e,hij) & lang(e)]=. Ik kom hier op terug in hoofdstuk 4.

34 Tenzij we aannemen dat adjuncten datgene waar ze aan adjungeren selecteren door een syntactisch kenmerk. Van op moeten we dan aannemen dat de argumentstructuur niet (12)a is maar zoiets als (i)a, en dat lang (i)b als argumentstructuur heeft.
(i) a. [P op, +complement, +V]

b. [A lang, +V]


Het adjungeren van de PP op de bank en de AP lang aan de VP dient dan het checken van het kenmerk +V (aan de VP).

35 Volgens bijv. Reinhart (1999) wordt (17)a geïnterpreteerd als: Jan (λx (x valt)).

36 In de literatuur treft men naast >agens(e,x)= (= >e heeft x als agens=) ook wel de notatie >agens(x,e)= (= >x is de agens van e). Ik beschouw dit als notationele varianten.

37 Merk op dat ik aanneem dat het gedeelte >evalt(e)= correspondeert met valt, de VP uit (17)b.

38 In plaats van (19)b is ook wel een interpretatie als >e[valt(Jan,e)]= voorgesteld volgens welke vallen een relatie is met als relata het gebeuren en Jan (vgl. Chierchia & McDonnell-Ginet 2000). Deze mogelijkheid laat ik hier buiten beschouwing.

39 De interpretatie in (20)b is slordig: de interpretatie van val is eigenlijk bevat in de interpretatie van de VP. In (20)b is de interpretatie van val door & verbonden met die van de VP (waarbij we moeten aannemen dat de interpretatie van de VP nu niet langer die van val bevat). Ik ga er van uit dat deze slordigheid geen roet in het argument gooit.

40 Ik neem hier gemakshalve aan dat de N val in de V incorporeert. Het ligt in de rede aan te nemen dat een incorporerende N geen agr-kenmerk bevat en dus dat de AgrP ontbreekt.

41 En zelfs als (20)b zou betekenen dat Jan een val maakt, dan impliceert (20)b (anders dan de Nederlandse uitdrukking een val maken) niet dat de maker van de val ook de valler is. Volgens (20)b zou Jan ook de veroorzaker kunnen zijn van de val van een ander.

42 Het bestaan van zgn. onpersoonlijke, d.w.z. argumentloze zinnen als er wordt gewerkt, is evidentie voor de veronderstelling dat de door het agr-kenmerk van werkwoorden geïnduceerde Agr niet per se als argument geïnterpreteerd wordt.

43 Een andere mogelijkheid (die op hetzelfde neerkomt) is dat een Casus-gemarkeerde Agr geïnterpreteerd wordt als een relatum in een gebeuren. Agr wordt dan nog steeds als een variabele geïnterpreteerd, maar niet als in (i)a, maar als in (i)b (waar e een event-variabele is).
(i) a. [AgrP spec Agr XP]  spec:x[XP(x)]

b. [AgrP spec Agr+Casus XP]  spec:x[e[XP(e) & θ(e,x]]


Hoewel ik er op conceptuele gronden toe neig aan deze mogelijkheid de voorkeur te geven, zal ik de analyse in de tekst volgen. Ze is equivalent en eenvoudiger.

44 We veronderstellen nu dus dat vallen een relatie uitdrukt tussen een gebeuren (het vallen) en een >gebeurder= (degene die valt). Niettemin heeft het werkwoord vallen één argument, degene die valt. Het gebeuren, de tweede term in de uitgedrukte relatie, correspondeert niet met een (talig) argument. We zien dus opnieuw dat het verband tussen argumentstructuur en relatiestructuur geen simpele 1-op-1 correspondentie is.

45 Ik ga uit van de standaardaanname dat in het Nederlands het gehele subject en object (en niet alleen het Casuskenmerk) verplaatst.

46 Het gedeelte edraagt(e) is de interpretatie van draagt.

47 Daarin verschillen ze ook van voorzetsels: die hebben geen interpreteerbare Casuskenmerken.

48 In zekere zin neem ik dus aan dat een interpretatie als (i) is uitgesloten omdat de ongespecificeerde relatie θ er meer dan één keer in voorkomt.
(i) *e,x,y[V(e) & θ(e,x) & θ(e,y)]
Die uitsluiting volgt uit een conditie als (ii) (het equivalent van (een deel van) het Theta-criterium).
(ii) een theta-rol α komt per gebeuren e niet meer dan eenmaal voor

49 Woorden kunnen ook op andere manieren een relatie met meerdere relata uitdrukken. Het nomen neef in de neef van Jan bijvoorbeeld drukt een relatie uit tussen een individu (die de neef van Jan is) en Jan: neef(x,Jan). Het individu x is de interpretatie van de (door het agr-kenmerk van neef geïnduceerde) variabele, Jan is de interpretatie van Jan dat een door van geselecteerd argument is. De argumentstructuur van neef bestaat dus uit een agr-kenmerk en het voorzetsel van.

50 Een bevestiging is bijvoorbeeld het feit dat we niet uit het ergatieve hij valt het onergatieve *ik val hem kunnen afleiden. En de aanname dat het onergatieve smelten (van hij smelt het ijs) is afgeleid uit het ergatieve smelten (van het ijs smelt) werpt daar geen schaduw over: het gaat hier immers om een niet-productieve, en dus gemarkeerde >afleiding=.

51 Onergatieven kunnen wel productief aan een ergatieve argumentstructuur komen (vgl. dat lampje leest prettig). Het lijkt er nu op dat een ergatief werkwoord vergeleken bij een onergatief werkwoord ongemarkeerd is: beide hebben Casuskenmerken, maar alleen bij onergatieven zijn die kenmerken gemarkeerd als interpreteerbaar. Merkwaardig is dan dat nieuwvormingen per se onergatief zijn, d.w.z. per se gemarkeerd. Maar als weCwat meer in de rede ligtCaannemen dat kenmerken die niet geïnterpreteerd worden, gemarkeerd zijn (die moeten bij of voor de interpretatie verwijderd worden), zijn het ergatieve werkwoorden die gemarkeerd zijn, en zijn nieuwvormingen ongemarkeerd.
1   2   3


Dovnload 170.93 Kb.