Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 1 de bucolica en georgica een nieuw tijdperk (Ecloga 4)

Dovnload 201.88 Kb.

Hoofdstuk 1 de bucolica en georgica een nieuw tijdperk (Ecloga 4)



Pagina1/3
Datum26.04.2017
Grootte201.88 Kb.

Dovnload 201.88 Kb.
  1   2   3

HOOFDSTUK 1
2. DE BUCOLICA EN GEORGICA
Een nieuw tijdperk (Ecloga 4)

1. - er is geen angst meer, dus geen oorlog

- aarde brengt vanzelf bloemen, graan, druiven, honing voort

- er zijn geen herders nodig

- leeuwen zijn niet bloeddorstig en slangen en gif zijn verdwenen

2. Dat hij deze gouden tijd mag beleven en er over kan zingen, beter dan de mythische zangers Orpheus en Linus.

3. Ja, want tijdens het principaat van Augustus was er vrede, waardoor er veel welvaart kwam.

Orpheus en Eurydice (Georgica IV, 452-528)

1. Met deze straf bedoelt Proteus de sterfte onder de bijen van Aristaeus. Hiermee straft Orpheus de bijenhouder.

2. Hij noemt een groep boomnimfen en de heuvels van Rhodope en Pangaea en ver­schillende volkeren (r. 460-463). Door enkele uiteenlopende natuurelementen te noemen, suggereert de dichter dat de hele natuur rouwt om de dood van Eurydice.

3. De nadruk ligt op Orpheus als klagende, treurende zanger die zich in zijn verdriet terugtrekt. Boven­dien wordt zijn sterk verlangen naar Eurydice onderstreept, omdat hij de hele dag over haar zingt.

4. Met de woorden ‘de plaats waar de harten gewoon niet weten hoe zij zich door smeekbeden van ­mensen moeten laten overhalen’ (r. 470).

5. Het groot aantal schimmen dat naar de muziek van Orpheus werd gedreven.

6. De mate waarin alle schimmen, de Hades en andere wezens geboeid waren door de muziek.

7. Vergilius vermeldt niet hoe Orpheus geprobeerd heeft om Hades en Persephone zover te krijgen dat zij hem toestonden om Eurydice mee te nemen. Ook de reden waarom zij het hem toestaan wordt niet vermeld.

8. a. Dat Eurydice achter hem moest aanlopen en dat hij dus niet naar haar mocht omkijken.

b. Dat Vergilius nergens de voorwaarde expliciet onder woorden brengt.

c. Dat dit element reeds een bekend aspect van het verhaal was, dat niet verder geëxpliceerd hoefde
te worden.

9. Dat Orpheus gegrepen werd door hartstocht en waanzin (r. 487).

10. Dat het min of meer zijn schuld is dat zij weer moet afdalen. Het is zijn waanzin die haar en hem te gronde richt.

11. De veerman van de Onderwereld stond hem niet toe het moeras dat de toegang versperde opnieuw over te steken (r. 502-503).

12. Vergilius noemt twee verschillende elementen uit de natuur: de tijgers en de eikenbomen; deze zijn exemplarisch voor de hele natuur; dus zowel alle dieren als alle planten jammeren met hem mee.

13. Het ondraaglijke verdriet dat Orpheus ervaart en de heftigheid of intensiteit van zijn geween.

14. Hij wordt door Thracische vrouwen gedood tijdens een nachtelijk offerfeest ter ere van Bacchus. Ze waren gekrenkt, omdat hij alleen aandacht schonk aan Eurydice en niet aan hen.

15. De onsterfelijke liefde van Orpheus voor Eurydice.



3. DE AENEIS
Korte inhoud van de Aeneis (I, 1-7)

1. a. ‘de krijgsdaden’ t/m ‘geslingerd’

b. ‘nadat hij veel door de oorlog’ t/m ‘Latium’

2. - Aeneas vlucht uit Troje

- hij zwerft door landen en over zee

- hij komt aan in Italië

- hij voert oorlogen

- hij sticht een stad (Lavinium)

- vanuit die stad worden Alba Longa en later Rome gesticht

3. ‘de goden zou overbrengen naar Latium’


Hoofdstuk 2 voorbereidingen voor de afdaling
1. aeneas ontmoet de sibylle (1-97)
b. Ontmoeting met de Sibylle (42-55)

1. Bij vertaling a is ingens bij latus vertaald, bij vertaling b bij antrum.

2. Apollo

3. - ellips (aanvulling van est)

- anafora (non)

- trikolon (non vultus t/m comae)

- alliteratie en assonantie (comptae…comae)

4. (lati) aditus (centum), ostia (centum) (43)

5. gelidus staat als eerste woord en tremor als laatste woord van de zin (hyperbaton), bovendien is ossa ­tremor geplaatst als enjambement voor een komma (zinsdeel).

6. - doordat de Sibylle zo’n verschrikkelijke verandering ondergaat, omdat ze in extase geraakt

- ze zegt dat de god aanwezig is (deus ecce deus)

c. Aeneas’ gebed tot Apollo (56-76)

1. 62: Aeneas vraagt Apollo om, nu ze Italië hebben bereikt, een einde te maken aan hun ellende.

2. a. preces: 56-68; vota: 69-73 (viros)

b. eerst de preces, dan de vota, dus chiastisch ten opzichte van vota precesque

3. Dat ze de Trojanen nooit hebben geholpen maar in tegendeel hebben tegengewerkt, omdat ze jaloers waren op het succes van Troje.

4. a. Troiae/Troiana (56, 62, 68), Dardana/Dardaniae (57, 65), Pergameae (63), Ilium (64), Teucros (67)

b. Om afwisseling te creëren en om metrische redenen

5. a. - Schrijvers vat fugientes op als bijstelling bij het onderwerp ‘wij’

- Schwartz neemt fugientes als bijvoeglijk bij oras

b. fugientis kan ook genitivus zijn bij Italiae: (de kusten) van het (steeds) terugwijkende Italië.

6. Marmer werd in Rome voor bouwwerken pas op grote schaal gebruikt in de tijd van keizer Augustus.



d. Profetie van de Sibylle (77-97)

1. Apollo: fatigat, domans, fingit premendo



Sibylle: nondum patiens, excussisse (magnum deum), os rabidum, fera corda

2. - hyperbaton (magnum...deum)

- enjambement (excussisse deum)

- voorop plaatsen van magnum in de zin (magnum...deum)

3. Of hij wel in staat zal zijn een nieuw rijk voor de Trojanen en hun goden te stichten (67-68).

4. Bloed van gesneuvelde Trojanen en Italiërs

5. _ _ / _ _ / _ _ / _ _ / _ UU / _ A (anceps)

Het gebruik van de spondeeën benadrukt de ernst en het afschuwelijke karakter van de oorlog die komen gaat.

6. - er zijn weer twee rivieren bij betrokken

- een vijandig legerkamp tegenover hen (van Italiërs)

- een godenzoon als tegenstander (Turnus)

- een buitenlandse vrouw en huwelijk daarmee als oorzaak van alle ellende (Lavinia)

- Juno/Hera is opnieuw anti-Trojaans

7. a. Het vers is niet af: er ontbreekt een half vers.

b. Vergilius overleed voordat hij de Aeneis helemaal had voltooid.

8. ‘je moet dapperder gaan dan je lot je zal toelaten = je moet het jou toebedeelde lot als het ware uit­dagen en overtreffen.’

9. Omdat de Trojanen alleen maar vijandschap van de kant van de Grieken hebben ondervonden.


2. Aeneas smeekt in de onderwereld TE MOGEN afdalen (98-155)

a. Aeneas verzoekt de Sibylle het mogelijk te maken zijn vader te ontmoeten (98-123)

1. - frena concutit



- stimulos sub pectore vertit

2. bacchatur (78)

3. In r. 76 vraagt hij Apollo d.m.v. de Sibylle om de Trojanen eindelijk een plaats te geven om zich te vestigen; hier richt hij zich persoonlijk tot de Sibylle om hem te helpen zijn vader in de Onderwereld te bezoeken.

b. ‘Het medelijden met zowel vader als zoon’

1. Stormen, wolkbreuken, windstiltes

2. ire ad conspectum cari genitoris et ora (108)

3. Afwisselend dood en levend: ze wisselen tussen dood en leven.

4. (Als het deze helden is gelukt om de Onderwereld in te gaan en eruit te komen), dan moet het mij (als afstammeling van Jupiter) ook lukken.

5. Orpheus en Pollux



c. Het is voor slechts weinigen weggelegd de Onderwereld te bezoeken (124-136)

1. orabat en tenebat (124) zijn imperfecta en geven een beschrijving van de achtergrond: Aeneas was aan het smeken met zijn handen op het altaar. Orsa (est) is een perfectum dat een gebeurtenis/handeling/


voortgang aangeeft: de Sibylle antwoordt Aeneas.

2. Positief: de Sibylle zal hem helpen de Onderwereld te bezoeken want Aeneas is een ‘godenzoon.’

3. - hij voegt ‘slechts’ toe bij ‘weinigen’

- het bijvoeglijk naamwoord aequus vertaalt hij als werkwoord (‘begenadigde’)

4. nu (bij het binnengaan van de Onderwereld) en bij Aeneas’ dood

5. - si tantum…si tanta (133)

- bis..., bis

Ze benadrukken de eigenlijk onmogelijke opgave om tweemaal (nu en bij de dood) de Onderwereld in te komen.

d. De Sibylle noemt drie voorwaarden voordat Aeneas de Onderwereld kan betreden (136-155)

1. a. aureus/auricomos staat op de eerste plaats van het vers en hoort bij ramus/fetus het laatste woord


(hyperbaton).

b. aureus staat op de eerste plaats van het volgende vers als enjambement.

2. Proserpina

3. ramum

4. - hij is van goud

- hij is gewijd aan Proserpina

- alleen met deze tak is het mogelijk in de Onderwereld af te dalen

- hij groeit, na afgeplukt te zijn, weer aan

- hij kan alleen worden geplukt door degene die daarvoor door het lot is voorbestemd

5. van carpe manu: met de hand plukken voldoet, er is geen mes bij nodig.

6. - (alte vestiga oculis et) rite repertum carpe manu (145-146)

- sedibus t/m sepulcro (152)



- duc nigras pecudes (153)

7. Omdat het offers zijn voor de goden van de Onderwereld.

8. Het vervullen van de drie voorwaarden van de Sibylle:

- de gouden tak zoeken en afplukken

- een overleden vriend begraven

- zwarte schapen offeren


3. De voorwaarden worden vervuld (156-267)

a. Ze vinden het lijk van Misenus en verzamelen hout voor een brandstapel (156-174)
1. _ _ / _ _ / _ _ / _ _ / _ UU/ _ _ : dit vers bestaat uit 5 spondeeën, een zwaar en langzaam metrum.

2. quem t/m diceret (161-162)

3. sermone serebant: alliteratie en assonantie

4. a. Misenus was de beste trompetter van de Trojanen, hij kon ook goed vechten. Een daad van hybris


(nl. het uitdagen van de goden) moest hij met de verdrinkingsdood, een onwaardige manier van
sterven, bekopen. Zo iemand zou in het gevecht moeten sterven.

b. Vergilius geeft zijn eigen mening over de dood van Misenus.

c. demens (172): Vergilius vindt het gedrag van Misenus stom.

5. c


6. a. Het staat voorop in het vers als enjambement.

b. Omdat hij de stommiteit beging zich op het terrein van Triton te wagen door diens concha uit te


proberen, een daad van hybris.
b. De Trojanen verzamelen hout voor een brandstapel (175-189)

1. _ _ / _ _ / _ _ / _ _ / _ UU/ _ _ : door het gebruik van 5 spondeeën.

2. a. sedibus hunc refer suis et conde sepulcro (152)

b. totam incestat funere classem (150)

3. In de vertaling zijn ‘de reusachtige essen’ onderwerp, terwijl ze in het Latijn accusativus, dus lijdend voorwerp, zijn (ingentis ornos).

4. - securibus (180) (bijlen)

- cuneis (181) (wiggen)

5. a. De dood van Misenus

b. Het bestaan van de gouden tak
c. Twee duiven brengen Aeneas naar de gouden tak (190-211)

1. a. duiven

b. Venus

2. - chiasme: pinguem ramus dives humum (acc. - nom. : nom. - acc.)



- enjambement: ramus humum

3. illas/columbas/aves

4. grave olentis Averni (203)

5. a. Dat de boom zowel groene takken als een gouden tak heeft.

b. De twee vogels/duiven gaan bovenin een boom zitten.

6. a. maretak/mistletoe

b. - De kleur: het frisjonge groen en de gele besjes (= het goud) in tegenstelling tot de dorre bomen
in de winter (= de donkere steeneik)

- hij is een parasiet die niet thuis hoort op de boom waar hij groeit

7. cunctantem: de tak geeft niet zo makkelijk mee als de Sibylle had voorspeld voor degenen die daarvoor door het lot zijn bestemd (146-147 vocant).

8. namque ipse volens facilisque sequetur, si te fata vocant (146-147)



HOOFDSTUK 3 DE GODEN EN HET FATUM IN DE AENEIS
2. Het zijn huisgoden en zij hebben een nieuwe stad nodig, die Aeneas voor hen moet vinden/stichten.

3. Juno haat Aeneas en net als Poseidon probeert zij de held te dwarsbomen. Ze wil niet dat hij Italië bereikt. Beide goden zwichten uiteindelijk voor de wil van Jupiter/Zeus.

4. - in direct contact, zonder vermomming

- in vermomming

- via dromen en visioenen

- via natuurverschijnselen

5. a. Bepaalde wetten van het menselijk leven, bijv. dat de mens sterfelijk is

b. De hoofdmomenten van de geschiedenis

6. Jupiter is ondergeschikt aan het Fatum. Wat door het Fatum is voorbeschikt kan hij niet veranderen.

7. - tijdens de burgeroorlogen waren godsdienstige zaken in verval geraakt

- als Pontifex Maximus was het de taak van Augustus hierop toezicht te houden, temeer omdat
godsdienstige zaken het staatsbelang betroffen.

Hoofdstuk 4 Afdaling naar de Onderwereld

1. De ingang van de onderwereld (268 - 336)

a. Aeneas en de Sibylle betreden de Onderwereld (268-281)

1. a. _ _ / _ _ / _ _ / _ _ / _ UU/ _ _

b. De spondeeën benadrukken het langzame tempo waarmee Aeneas en de Sibylle de Onderwereld
betreden.

2. Grammaticaal hoort obscuri bij het onderwerp van ibant maar wat de betekenis betreft past het beter bij nocte. Sola hoort grammaticaal bij nocte maar wat de betekenis betreft past het beter bij het onderwerp van ibant.

3. a. Chiasme: domos vacuas – inania regna (zelfst. nw. - bijv. nw.: bijv. nw. - zelfst. nw.)

b. De Onderwereld wordt bevolkt door ijdele wezens/schimmen.

4. a. per umbram



b. (sola) sub nocte

c. het schemerige licht

5. primisque in faucibus (273)

6. Honger verleidt tot diefstal en andere misdaden.

7. De lustgevoelens waardoor mensen op het slechte pad geraken.

8. domos Ditis, lunam sub luce, caelum condidit, cubilia Curae, metus malesuada, letum labosque, mala mentis, Discordia demens, vipereum vittis, crinem cruentis
b. Aeneas ziet nog meer monstra (282-294)

1. Het gaat om Dromen die geen betekenis of zin hebben.

2. tenere hangt af van ferunt, en zo verwacht je dat de zin vanaf foliisque ook van ferunt afhankelijk is, maar vanaf foliisque volgt een hoofdzin.

3. Vanwege de Centauri, die hij als eerste vermeldt. Het zijn paarden.

4. a. _ _ / _ _ / _ _ / _ _ / _ UU/ _ U (A)

b. De spondeeën onderstrepen het huiveringwekkende beeld.

5. De verschillende schimmen van de wilde dieren.

6. Als zieneres heeft zij contact met de goden en heeft zij kennis van bovenmenselijke zaken.

7. Het praesens (potentialis) suggereert dat Aeneas de handeling van inruat en diverberet nog zou kunnen uitvoeren. Het gebruik van het praesens verhoogt de spanning of de levendigheid.

8. a. De schimmen van de plagen die de mens kunnen treffen (274-281), de ijdele Dromen (283-284) en


de mythologische monsters (285-289)

b. De schimmen van de plagen bevinden zich vóór het voorportaal, de ijdele Dromen in de olm in


het midden van het voorportaal en de monsters bij de ingang van de Onderwereld.
c. Charon (295-304)

1. Van de poort van de Onderwereld.

2. caeno (296)

3. terribili squalore (299), stant lumina flamma (300)

4. canities inculta (300), sordidus amictus (301), nodo (301)

5. Assonantie

6. Dat hij dit werk alleen doet, zonder hulp.

7. corpora cumba


d. De eerste schimmen (305-316)

1. De boot (cumba) van Charon.

2. Naar ad ripas

3. Jongemannen die in de oorlog zijn omgekomen.

4. De grote hoeveelheid van de schimmen (quam multa…quam multae)

5. frigidus annus (311)

6. Door de schimmen in de tweede vergelijking met aves ‘vogels’ te vergelijken.

7. hos en illos (315)

8. amore
e. De verbazing van Aeneas en de verklaring van de Sibylle (317-336)

1. a. Door de drie vragen die hij stelt, de herhaling van quid en ve/vel (anafoor)

b. Over de menigte zielen die staan te wachten om te mogen oversteken, en hoe het komt dat
sommige zielen wel mogen oversteken en andere niet.

2. breviter (321)

3. Dit zijn de zielen die worden afgewezen en teleurgesteld vertrekken, want illae steken over.

4. Omdat hij in de Onderwereld mag afdalen.

5. a. De zielen die niet mogen oversteken.

b. hae (329)

6. illae (320)

7. Of de doden begraven zijn of niet.

8. Er is blijkbaar niemand die hulp biedt door hem te begraven. Het is ook mogelijk dat ze hulpeloos zijn omdat ze geen muntje bij zich hebben om Charon te betalen.

9. Degenen die niet begraven zijn. Transportare vat zij intransitief op, nl. ‘bevaren’,‘de oversteek maken’.

10. De zielen die de rivier nog niet mogen oversteken, omdat ze niet begraven zijn.

11. Misschien staan deze honderd jaar voor de tijdsduur van een mensenleven.

12. ‘Met man en muis’

13. Tot de groep die nog niet begraven zijn en dus niet mogen oversteken.


2. Ontmoeting met Palinurus (337-383)

a. Aeneas ontmoet de schim van Palinurus (337-346)

1. Alliteratie: sidera servat en multa maestum

2. a. _ UU/ _ _ / _ _ / _ _ / _ UU/ _ _

b. De spondeeën benadrukken de droefheid van Palinurus.

3. Dat Palinurus, zij het als schim, naar het Ausonische gebied zou komen.

4. Hij vraagt zich af of dit de manier is waarop Apollo zijn woord houdt.

5. a. vix (multa)…in umbra

b. De woorden quis te…eripuit worden in de vertaling in het passief omgezet en verder wordt mersit in-
transitief vertaald (jij verdronk).
b. Het antwoord van Palinurus (347-371)

1. a. Palinurus beantwoordt eerst de tweede vraag van Aeneas en dan de eerste (dus in chiastische volgorde)

b. Zij vat deus op als Apollo en niet als god in het algemeen.

2. Dat het de god van de Slaap is geweest die hem liet verdrinken.

3. Nee, daar wordt verteld dat de winden gelijkmatig zijn, dat de zee kalm is en de golven rustig en de hemel helder.

4. a _ _ / _ _ / _ _ / _ _ / _ UU/ _ U (A)

b. De spondeeën benadrukken de zware inspanning en de trage gang van de zwemmende Palinurus.

5. Alliteratie terrae tuta tenebam

6. a. Palinurus wordt gedood door de gens crudelis omdat ze dachten dat er bij hem iets te halen viel. Ver-
volgens hebben ze hem in zee gegooid.

b. Nee, in boek V sterft hij in zee.

7. Vergilius draait de volgorde om: omdat ze Palinurus als buit beschouwden, vielen ze hem aan.

8. Bij Velia

9. Het niet begraven zijn

10. Aeneas moet óf zijn lijk zoeken en dat begraven óf hij moet zijn schim meenemen over de rivier ­verder de Onderwereld in.

11. Velia is pas in de 6de eeuw v.Chr. gesticht, terwijl het verhaal van Palinurus zich afspeelt direct na de Trojaanse oorlog, dit was in de 12de eeuw v.Chr.

12. a. 1. 347-348, 2. 349-362, 3. 363-371

b. 1. Inleidende verzen: direct antwoord op de vragen van Aeneas, 2. Het verhaal over zijn dood,
3. Epiloog in de vorm van een verzoek, waarbij Palinurus medelijden probeert op te wekken bij
Aeneas.

c. De geruststellende reactie van de Sibylle (372-383)

1. Ze is geschokt dat iemand die onbegraven is toch de Styx wil oversteken.

2. aspicies kan pas ná adibis (dit heet in het Grieks een hysteron proteron ‘het eerdere later’).

3. Dat Palinurus tegen de goddelijke wet zou willen ingaan, namelijk onbegraven de Onderwereld


be­treden.

4. duri casus (377)

5. De herhaling (anafoor) onderstreept het belang van de cenotaaf.

6. a. _ _ / _ _ / _ _ / _ _ / _ UU/ _ U (A)

b. De spondeeën benadrukken het verdriet van Palinurus.

7. a. Bij de lezing met terra ligt de nadruk op het land waarover Palinurus zich verheugt. Bij de lezing


cognomine terrae verheugt Palinurus zich over het feit dat het land zijn naam draagt.

b. Hij volgt de lezing cognomine terrae



c. Het land is blij met zijn naam.

8 a. - Ook Palinurus is nog niet begraven en vertoeft daarom vóór de poorten van de Onderwereld.

- Beiden zijn de eerste bekende dode die aan beide helden verschijnen.

- Palinurus is een makker van Aeneas, net zoals Elpenor een makker is van Odysseus.

- Ook Aeneas herkent Palinurus meteen, maar ook hij weet niet dat zijn makker omgekomen is,
en dus ook niet wat de doodsoorzaak is.

- Palinurus vertelt net als Elpenor wat hem is overkomen.

- Hij smeekt Aeneas nadrukkelijk, evenals Elpenor Odysseus, om te worden begraven teneinde
toegang te krijgen tot de Onderwereld.

b. - De passage over de ontmoeting tussen Palinurus en Aeneas is aeteologisch van karakter, dat wil


zeggen: ze vormt een verklaring voor de naam van de kaap (Capo di Palinuro). Andere kleinere
verschillen zijn:

- Palinurus is Aeneas’ stuurman, Elpenor een gewone makker van Odysseus.

- Palinurus is op een andere manier om het leven gekomen dan Elpenor, die van het dak van het
paleis van Circe is gevallen en zo zijn nek heeft gebroken.

- Palinurus vraagt Aeneas om hem eventueel nu bij de hand te nemen en hem mee te nemen over


het water. Dat verzoek doet Elpenor niet.

- Bij Homerus antwoordt Odysseus Elpenor zelf, bij Vergilius geeft de Sibylle Palinurus antwoord,


niet Aeneas. De Sibylle maakt duidelijk dat Aeneas hem niet zelf zal begraven maar dat er een
cenotaaf zal worden opgericht waar de bewoners van Lucanië jaarlijks offers zullen brengen.
3. Overtocht over de styx (384-439)

a. Charon weigert hen over te zetten (384-397)

1. a. Enallage

b. _ UU/ _ UU/ _ UU/ _ _ / _ UU / _ _

c. De vele dactylen suggereren haast

2. Chiastische constructie: prior adgreditur-increpat ultro

3. Dat Charon niet wacht totdat zij hem aanspreken

4. umbrarum (390)

5. Aan Zeus/Jupiter (vader van Heracles) en Poseidon (vader van Theseus)

6. Cerberus

7. invicti viribus (394)


b. Charon zet Aeneas en de Sibylle over (398-416)

1. a. tandem (415)

b. Aeneas is als levende eigenlijk te zwaar voor het bootje: accipit alveo ingentem Aenean (413), gemuit sub
pondere cuma
(413).

2. Ook bij Dante veroorzaakt de levende figuur, in dit geval Dante, dat de boot dieper in het water komt te liggen.


c. Cerberus bewaakt de toegang tot de Onderwereld (417-425)

1. Een chiasme.

2. custode (424)

3. Cerberus heeft drie koppen, dus ook drie nekken.

4. Enjambement: obicit

(alliteratie: colla colubris, frugibus offam).

5. _ UU/ _ UU/ _ UU/ _ UU/ _ UU/ _ _



rabidā is ablativus (lange a in de uitgang), hoort dus bij de ablativus fame. De a van het onzijdig mv. is altijd kort.

6. a _ UU/ _ _ / _ _ / _ UU / _ UU / _ U (A)

b. elisie

7. metafoor: sepulto

8. melle t/m obicit/...obiectam (420-421/422)

  1   2   3

  • Orpheus en Eurydice ( Georgica IV, 452-528)
  • 3. DE AENEIS Korte inhoud van de Aeneis (I, 1-7)
  • Hoofdstuk 2 voorbereidingen voor de afdaling 1. aeneas ontmoet de sibylle (1-97) b. Ontmoeting met de Sibylle (42-55)
  • 2. Aeneas smeekt in de onderwereld TE MOGEN afdalen (98-155) a. Aeneas verzoekt de Sibylle het mogelijk te maken zijn vader te ontmoeten (98-123)
  • 3. De voorwaarden worden vervuld (156-267) a. Ze vinden het lijk van Misenus en verzamelen hout voor een brandstapel (156-174)
  • HOOFDSTUK 3 DE GODEN EN HET FATUM IN DE AENEIS
  • Hoofdstuk 4 Afdaling naar de Onderwereld 1. De ingang van de onderwereld (268 - 336) a. Aeneas en de Sibylle betreden de Onderwereld (268-281)
  • 2. Ontmoeting met Palinurus (337-383) a. Aeneas ontmoet de schim van Palinurus (337-346)
  • 3. Overtocht over de styx (384-439) a. Charon weigert hen over te zetten (384-397)

  • Dovnload 201.88 Kb.