Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 1: de hoofdpersonages (van het boek)

Dovnload 7.93 Mb.

Hoofdstuk 1: de hoofdpersonages (van het boek)



Pagina1/10
Datum24.09.2018
Grootte7.93 Mb.

Dovnload 7.93 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

Hoofdstuk 1: de hoofdpersonages (van het boek)

We zien een kwaad vrouwengezicht, een foto. Wat we normaal doen is een perfecte combinatie van zien en intuïtief denken. We zien dat ze op het punt staat iets kwaad te zeggen, dat ze zwart haar heeft… Dit is een voorbeeld van snel denken, het gaat vanzelf.

Echter: 17 x 24. We zien dat dit een rekensom is, dat we dit snel zouden kunnen oplossen met een papiertje… Maar zonder iets langer na te denken kunnen we de oplossing niet onmiddellijk zeggen. We hebben de keuze om de som wel of niet op te lossen.

Dit is langzaam denken. We doorlopen een reeks stappen. Het is een mentale taak:



  • Weloverwogen

  • Inspannend

  • Ordelijk

Dit zijn kenmerken van langzaam denken. Niet enkel in de hersenen, ook het lichaam doet mee!

Twee systemen

  1. Systeem 1 = Dit werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en geen gevoel van controle.

  2. Systeem 2 = Omvat bewuste aandacht voor de mentale inspanning die worden verricht, waaronder ingewikkelde berekeningen. De werking van systeem 2 wordt vaak gekoppeld aan de subjectieve ervaring van handelingsvermogen, keuze en concentratie.

We gaan dit boek verder met psychologisch verhaal met twee hoofdpersonen. Mensen voelen zich vooral aangetrokken door systeem 2, dit heeft de voorkeur. Maar systeem 1 is de held van dit verhaal. Het vormt moeiteloos indrukken en gevoelens, de voornaamste bron van de expliciete overtuigingen en keuzen van systeem 2. De automatische werking van 1 zorgt voor een verrassend complex patroon van ideeën maar alleen het tragere 2 kan gedachten in een ordelijke reeks van stappen omzetten! Ze hebben hun eigen vaardigheden, beperkingen en functies. Voorbeelden van systeem 1 op pagina 29. Deze behoren allen tot de groep van de foto. We delen deze vaardigheden met dieren. Aangeboren vermogen om de wereld om ons heen waar te nemen… Andere worden door oefening snel en automatisch uitgevoerd. Systeem 1 heeft aangeleerd associaties tussen ideeën te maken en heeft vaardigheden als lezen en het interpreteren van lichaamstaal ontwikkeld. Sommige dingen zijn slechts voor enkelingen weggelegd (bv. schaken op zeer hoog niveau). Vaak ook kennis van cultuur nodig.

Sommige dingen zijn volledig onvrijwillig. Andere activiteiten kunnen soms wel worden gecontroleerd, maar vinden wel automatisch plaats (kauwen). Het controleren van aandacht gebeurt in beide systemen. Jezelf wenden tot de bron van een geluid is zo in systeem 1 doorgaans een onvrijwillig reflex, dit wordt direct gevolgd door de vrijwillige aandacht in systeem 2. De processen van systeem 2 kunnen sterk verschillen maar hebben 1 ding gemeen: ze vereisen aandacht en worden onderbroken als onze aandacht wordt verlegd. Op pagina 30 staan daar enkele voorbeelden van. In deze situaties moet je aandacht zijn, je zal de taken minder goed of helemaal niet kunnen volbrengen als u niet gefocust bent of zich op andere dingen concentreert.

Systeem 2 heeft het vermogen om de manier waarop systeem 1 werkt te veranderen door normaal gesproken automatische functies van aandacht en geheugen te programmeren. Als we in Engeland een auto huren zullen ze ons waarschijnlijk vertellen dat je links moet rijden. Je wordt gevraagd iets te doen wat in principe onnatuurlijk is. Het uitvoeren van deze activiteiten vergt enige aandacht!

‘Aandacht besteden’ – Dit kan je budget overschrijden en je activiteiten schenden. Ze kunnen elkaar hinderen! Je zal zo 17 x 24 niet makkelijk kunnen oplossen als je in het druk verkeer moet rijden. Je kan meerdere dingen tegelijk doen, maar vaak als ze eenvoudig zijn of weinig aandacht vergen. Iedereen heeft een besef van de beperkingen van onze aandacht… Ook door je intensief op een taak te concentreren kan het zijn dat je geen oog meer hebt voor andere dingen, die je anders direct zouden opvallen. Hierbij het voorbeeld van The Invisible Gorilla zoals we al talloze keren hebben gezien. Vooral het negeren van de ene ploeg creëert deze blinde vlek. Zien en waarnemen zijn automatische functies van systeem 1, maar vergen enige aandacht voor de relevante stimulus. Vooral verbazend was dat proefpersonen hogelijk verbaasd waren… Dit gorillaonderzoek onderstreept twee belangrijke aspecten van onze hersenen:



  1. We kunnen een blinde vlek hebben voor opvallende zaken

  2. We zijn ons ook niet altijd bewust van onze eigen blinde vlekken


Een korte samenvatting van het verhaal

De interactie tussen deze 2 systemen is in het boek een terugkerend thema…

Systeem 1 en 2 zijn beiden actief, mits we niet aan het slapen zijn. Systeem 1 wordt dus automatisch uitgevoerd en systeem 2 bevindt zich normaal gesproken in sluimerstand, waarin slechts een klein deel wordt gebruikt. Systeem 1 genereert voortdurend suggesties voor systeem 2 (indrukken, ingevingen, intenties, gevoelens). Indien ze door systeem 2 worden opgepikt veranderen ze in overtuigingen. Impulsen gaan dan gaan veranderen in vrijwillig ondernomen handelingen. Als alles soepeltjes verloopt zal systeem 2 de suggesties oppakken van systeem 1. Dit is meestal het geval! Meestal geen of weinig aanpassingen… U gelooft dus in de indrukken dat je krijgt en handelt op basis van uw gevoelens.
Dit is prima – meestal!

Zodra systeem 1 in de problemen geraakt, wordt systeem 2 ingeschakeld (17 x 24). Wanneer u wordt verrast, bent u zich waarschijnlijk sterk bewust van uw oplettendheid. Systeem 2 wordt geactiveerd wanneer er iets plaatsvindt wat inbreuk doet op het wereldbeeld van systeem 1. Enige aandacht is nodig om het verrassende element op te sporen (gorilla). De verrassing activeert en focust vervolgens uw aandacht. Systeem 2 is ook verantwoordelijk voor de controle over uw eigen gedrag. Dit is bv. de controle dat je zal beleefd blijven wanneer je boos bent of alert bent als je ’s avonds autorijdt. Ook wordt dit geactiveerd als jiij of iemand anders op het punt staan om een fout te maken.

Dus: “Het meeste wat systeem 2 denkt en doet, vindt zijn oorsprong in systeem 1, maar systeem 2 neemt de zaken over wanneer een en ander ingewikkeld wordt en heeft meestal het laatste woord!”

De scheiding van taken tussen 1 en 2 is uiterst efficiënt! Te leveren inspanningen worden geminimaliseerd en de prestaties geoptimaliseerd. De regeling werkt meestal goed, aangezien systeem 1 over het algemeen zeer goed functioneert.

De modellering van bekende situaties is accuraat, de KT voorspellingen zijn dat meestal ook en de eerste reactie op uitdagende kwesties is snel en relevant. MAAR:


  • Ook vooringenomenheden, biases – systematische fouten die worden gemaakt in specifieke situaties. Systeem 1 zal soms vragen beantwoorden die minder complex zijn dan de vragen die werden gesteld.

  • Weinig logica en statistiek.

  • Het kan niet worden uitgeschakeld…

Conflict

Dit gaat over een conflict tussen de twee systemen. Voorbeeld pagina 33. Hoofdletters/ kleine letters is makkelijker links en omgekeerd rechts. Misschien zelfs soms een beetje beginnen stotteren. Deze taken doen beroep op systeem 2 , dit is niet wat we normaal gesproken doen bij het lezen. Wat we voor de taak deden, was het programmeren van ons geheugen. De relevante woorden kwamen op het puntje van ons tong te liggen (groot/ klein en links/rechts). Dit bleek effectief, we konden de lichte neiging bij de eerste kolom om andere woorden te lezen eenvoudig weerstaan. De tweede kolom was echter een ander verhaal! We konden ze niet negeren, want we hadden ons ingesteld op deze woorden. Negeren van een automatische reactie bleek lastig. Er was een conflict tussen een taak die we van plan waren te volbrengen en de automatische, conflicterende reactie.

Deze conflicten vinden in het leven veelvuldig plaats. Het zijn handelingen die in tegenspraak zijn met wat we intuïtief zouden doen. Een van de taken van systeem 2 is zo ook om de impulsen van systeem 1 te onderdrukken. Systeem 2 is zo verantwoordelijk voor onze zelfbeheersing.

Illusies

Illusie met de pijlen die even lang zijn. De onderste lijn is duidelijk langer en we geloven onze eigen ogen. Maar dit is de fameuze optische illusie van Müller. Ze zijn dus even lang.

Systeem 2 heeft nu een nieuwe overtuiging. We WETEN nu – na het meten – dat ze even lang zijn. maar toch LIJKT de onderste langer. We geloven de meting wel, maar we kunnen niet voorkomen dat systeem 1 zijn ding doet. We moeten leren om onze indruk van de langte van de lijnen met diagonalen te wantrouwen. We moeten de illusie kunnen doorzien en de kennis opdiepen, dan zullen we nooit meer misleid worden. maar de ene blijft langer lijken dan de andere.

Niet alle illusies zijn optisch, ook cognitieve illusies. Kan men deze negeren? De voortekenen zijn niet bemoedigd. Omdat systeem 1 automatisch werkt zijn denkfouten vaak lastig te voorkomen. Biases kunnen niet altijd worden vermeden. Systeem 2 is zich niet altijd van de fout bewust! Zelfs als er signalen zijn dat er iets misgaat, kunnen fouten alleen door extra controle en inspanning van systeem 2 worden voorkomen. Dergelijke onophoudelijke waakzaamheid is onpraktisch, laat staan wenselijk. Het beste wat we kunnen doen is compromissen sluiten. We gaan de situaties leren herkennen waarin fouten zich kunnen voordoen. Het is ook makkelijker om fouten van een ander te herkennen dan deze van onszelf.



Hoofdstuk 2: aandacht en inspanning

Mentale inspanning

Oefening plus-1  zet systeem 2 in actie. Gaat als volgt:

Kaartjes met 4 getallen maken en steeds 1 optellen bij elk getal. Aan de hand van de grootte van je pupillen kan je zien hoe intensief je bezig bent geweest.

E. Hess: ‘pupil is de spiegel van de ziel’.  zou een goede indicator zijn voor mentale inspanning. Vb. grotere verwijding bij lastige som dan bij makkelijke.

Beatty & Kahneman werden geprikkeld door dit fenomeen en deden een experiment.


  • Proefpersoon moet hoofd op steun rusten, in camera kijken en oefeningen doen (zoals Plus-1)

  • Er werden foto’s gemaakt van de ogen per vraag

  • Resultaat: grootte pupillen veranderde van seconde tot seconde, afhankelijk van de zwaarte van de taak. De pupilgegevens corresponderen exact met de subjectieve ervaring: langere reeksen getallen leiden tot meer verwijding, de rekentaak vergt extra inspanning en de maximale pupilgrootte valt samen met de maximale inspanning.

  • Wanneer de pupillen heel snel verkleinden betekende dit vaak dat ze de taak opgaven

Kahneman deed een belangrijke ontdekking bij een vrouw die tussen 2 opgaven in zat. Wanneer ze een praatje maakte met de onderzoeker bleef de pupil klein.  gesprek over koetjes en kalfjes vereist weinig inspanning, niet meer dan het onthouden van enkele cijfers.

Hij vormde zich een beeld:

Mentale inspanning wordt normaal op wandeltempo uitgevoerd, soms onderbroken door looppas en zelden door een snelle sprint.  plus-1 oef is een sprintje  Gesprekje is een rustige wandeling

Bij een mentaal sprintje ontwikkelen mensen ook een blinde vlek: zie experimentje ‘The Invisible Gorilla’. In de Plus-1 oefening ontdekte men dit ook (waarnemen letter K, dit lukte het minst goed wanneer de mentale inspanning het intensiefst was).

Net zoals een elektriciteitsmeter geeft de pupil ons een indicatie van de snelheid waarmee we energie gebruiken.



  • Dat is afhankelijk van welke taken uitgevoerd worden.

  • Systeem 2 en de elektriciteitsmeter hebben beide een beperkte capaciteit. Systeem 2 zal selectief en preceis reageren op overbelasting, door de belangrijkste activiteiten te beschermen. (vb. bij plus-1 de letter K niet onthouden omdat men teveel inspanning in de cijfers moet steken)

  • Dit is het gevolg van evolutie!

Andere belangrijke bevinding: naarmate we beter worden in een taak, wordt de behoefte aan energie minder. Minder gebieden in de hersenen worden ingeschakeld. Ook met intelligentie is dit zo: zeer intelligente mensen moeten zich minder inspannen om mentale vraagstukken op te lossen. Dit is zowel te zien aan de pupilomvang als aan de hersenactiviteit.

Voor zowel fysieke als mentale inspanning geldt de universele ‘wet van minste weerstand’ = als er verschillende manieren zijn om een taak uit te voeren, zal men altijd voor de minst inspannende weg kiezen. Luiheid is in onze aard verankerd.

Verschillende taken verschillen aanzienlijk wat betreft de pupilgrootte. Vb. het onthouden van 2 cijfers of het onthouden van 7. Dat is logisch.

Maar wat maakt een taak nu intensiever dan een andere? Wat kan systeem 2 wat systeem 1 niet kan?

 Systeem 2 volgt regels, vergelijkt objecten op basis van verschillende kenmerken en kan een weloverwogen keuze maken tussen diverse alternatieven. Systeem 1 kan dit niet.  Belangrijke capaciteit van systeem 2: gebruiken van takensets. Het kan het geheugen programmeren om een instructie uit te voeren die conflicteert met gebruikelijke reacties. Psychologen gebruiken de term ‘coördinerende processen’ voor het initiëren en beëindigen van takensets. Neurowetenschappers hebben de gebieden geïdentificeerd die verantwoordelijk zijn voor deze processen. Een van de gebieden wordt actief zodra een conflict moet worden opgelost.

Nog een taak die veel inspanning vergt: overschakelen tussen 2 verschillende taken.  mensen die het hier goed op doen scoren vaak ook hoog op intelligentietests.

Tijdsdruk is een andere drijfveer voor inspanning (vb. metronoom bij de plus-1 taak). U wordt daardoor gedwongen om alle zeilen bij te zetten.



HOOFDSTUK 3: DE LUIE CONTROLEUR

HB p. 47 - 57



  • Gematigde fysieke inspanning verbetert cognitieve vermogens.

  • Systeem 2 heeft een natuurlijke snelheid.

  • Zelfbeheersing en weloverwogen gedachten putten uit dezelfde (beperkte) bron.

  • ‘Flow’ (Csikszenthihalyi): staat van moeiteloze concentratie die zo diep gaat dat ze zelfs het besef van tijd, van zichzelf en van hun problemen geheel verliezen’

 onderscheid tussen twee vormen inspanning: concentratie op taken en focussen van aandacht.

 Als je ‘flow’ ervaart vereist het focussen v/d aandacht op de activiteit geen enkele zelfbeheersing, zodat alle resources aan de taak zelf kunnen worden besteed.



Het drukke en uitgeputte Systeem 2

  • Vormen van mentale arbeid: cognitieve inspanning, zelfbeheersing

  • Systeem 1 heeft meer invloed op gedrag wanneer Systeem 2 drukbezet is.

  • Taken Systeem 2: controlerende gedachten en gedragingen

  • Mensen die cognitief bezet zijn, zullen eerder zelfzuchtige keuzes maken, seksistische taal gebruiken en in sociale situaties oppervlakkige oordelen vellen.

  • Te veel zorgen over de eigen prestaties bij het uitvoeren van een taak kan de prestaties ook echt verminderen, doordat het kortetermijngeheugen met zinloze spanningen wordt spanningen wordt beziggehouden.



  • R. Baumeister

“Alle varianten van vrijwillige inspanning (cognitief, emotioneel, fysiek) zijn ten minste deels op een gezamenlijke bron van mentale energie gebaseerd.”

  • Egodepletie
    Als u uzelf moet dwingen om iets te doen, bent u minder snel bereid of minder goed in staat om uw zelfbeheersing te behouden wanneer de volgende taak zich aandient.

  • Experiment 1

  • OV: a) emotionele reactie op emotioneel beladen film onderdrukken

b) emotionele reactie op emotioneel beladen film niet onderdrukken

  • AV: prestatie bij een latere, fysieke taak

 hoelang ze een dynamometer stevig konden vastpakken, ondanks
het toenemende ongemak

  • Hypothese: mensen met egodepletie zullen sneller toegeven aan de neiging om
    op te geven.

  • Resultaat: de emotionele inspanning gedurende het eerste deel van het
    experiment verminderde hun vermogen om de pijn van een langdurige
    spiersamentrekking te weerstaan.

  • Experiment 2

  • OV: gezonde voeding tot zich nemen, terwijl ze de verleiding van koekjes
    en chocolade weerstaan

  • AV: tijd alvorens men toegeeft aan de verleiding tijdens het later verrichten
    van een cognitieve taak

  • Hypothese: mensen met egodepletie zullen sneller toegeven aan de verleiding

  • Resultaat: later, toen ze een cognitieve taak moesten verrichten, gaven mensen
    met egodepletie eerder toen aan de verleiding dan mensen zonder
    egodepletie.



  • Activiteiten die Systeem 2 activeren vereisen zelfbeheersing en het tonen van zelfbeheersing is uitputtend en onplezierig.

  • Egodepletie ≠ cognitieve belasting

 I.t.t. cognitieve belasting omvat egodepletie ten minste deels een verlies van
motivatie.

  • Concept van mentale energie is meer dan een metafoor:

  • zenuwstelsel verbruikt glucose

  • als u een zeer lastige cognitieve taak uitvoert of zelfbeheersing moet vertonen, daalt de glucosespiegel van het bloed aanzienlijk

 Het effect van egodepletie kan ongedaan gemaakt worden door de inname van
glucose.

  • Experiment 3

  • OV: - Opwekken van egodepletie
    (woorden die op het scherm verschijnen negeren terwijl een
    geluidloos interviewfragment wordt bekeken)
    - Limonade drinken: a) gezoet met glucose
    b) gezoet met gewone zoetstof

  • AV: Het geven van juist/fout antwoord waarbij ze gevraagd werden hun
    intuïtief antwoord te onderdrukken en het juiste antwoord op de vraag
    te geven

  • Hypothese: Mensen met egodepletie geven veel vaker intuïtieve, foute
    antwoorden.

  • Resultaat: - Drinker van gewone zoetstof, vertoonden egodepletie, en gaven
    vaker intuïtieve, foute antwoorden.

- Glucose drinkers vertoonden geen egodepletie (doordat de goede
suikers in hun hersenen werden aangevuld) en presteerden weer
optimaal bij het beantwoorden van de vraag.

  • Verder onderzoek: veroorzaken taken die glucosevoorraden uitputten ook die
    tijdelijke prikkel die verantwoordelijk is voor pupilverwijding en
    hogere hartslag?



  • Uitputtingseffect – experiment

  • OV: tijd sinds laatste snackpauze van rechter

  • AV: aantal goedgekeurde aanvragen voor vervroegde vrijlating

  • Resultaat: het aantal goedgekeurde aanvragen piekte na elke snack (toen werd
    ongeveer 65% goedgekeurd). Hierna daalde het percentage
    goedgekeurde aanvragen geleidelijk tot nul, tot de volgende
    snackpauze van de rechters.

  • Verklaring: vermoeide en hongerige rechters vallen eerder terug op hun
    standaardreactie (afwijzing). Zowel honger als vermoeidheid spelen
    vermoedelijk een rol.

Het luie Systeem 2

  • Eén v/d belangrijkste taken van Systeem 2 is het monitoren en controleren (goedkeuren, onderdrukken, aanpassen) van gedachten en handelingen die door Systeem 1 worden aangedragen.

  • Beslissingstheorie o.b.v. Systeem 1 en Systeem 2 (Kahneman & Frederick)

  • Hoe goed monitort Systeem 2 de suggesties van Systeem 1?

  • Knuppel-balraadsel, rozensyllogisme, Michan/Detroit-vraag

 Het niet-slagen voor de tests lijkt een kwestie van gebrekkige motivatie te zijn.

 ‘Lui’ lijkt een harde (passende) kwalificatie van de zelfcontrole en Systeem 2.



  • Mensen die intuïtief antwoorden zijn volgers van de wet van de minste weerstand; mensen die het intuïtieve antwoord onderdrukken, hebben een actiever brein.

  • Veel mensen hebben te veel zelfvertrouwen en hechten te veel geloof aan hun intuïtie.

  • Als systeem 1 een rol speelt, komt de conclusie eerst en de argumenten pas daarna.

 Als mensen denken dat een bepaalde conclusie waar is, achten ze ook
argumenten die de conclusie ondersteunen valide, zelfs als ze niet valide zijn.

  • Intelligentie omvat niet alleen het vermogen tot redenatie, maar ook het vermogen om relevante kennis uit het geheugen op te diepen en deze kennis waar nodig toe te passen.

  • De geheugenfunctie is een kenmerk van Systeem 1; de mate waarin het controleren en zoeken gebeurt, is een kenmerk van Systeem 2.

  • Mensen die de zonde van de intellectuele luiheid kunnen weerstaan, kunnen we meer ‘betrokken’ noemen.

 Deze individuen zijn alerter, intellectueel actiever, minder snel bereid genoegen
te nemen met op het eerste zicht aanlokkelijke antwoorden, sceptischer t.o.v. hun
eigen ingevingen.

 Rationeler (Stanovich)



Intelligentie, controle, rationaliteit

  • Verband tussen denken en zelfcontrole

  • Experiment (W. Mischel)

  • Steekproef: vierjarigen

  • AV: keuze voor onmiddellijke, kleinere beloning (1 koekje) of keuze voor 15
    min. Wachttijd en grotere beloning (twee koekjes)

  • Opzet: kinderen in kamer zonder speelgoed (of andere afleidende objecten),
    onderzoeker verliet de kamer en keerde pas terug na verstrijken van
    15 min of als het kind het belletje had geluid (om onderzoeker met
    koekje bij zich had geroepen), het koekje had opgegeten, was
    opgestaan of tekenen van angst vertoonde.

  • Resultaat: helft kinderen sloeg, helft kinderen faalde.

 10-15 jaar later duidelijk verschil tussen kinderen.

- Geduldige kinderen: sterke coördinerende processen in cognitieve


taken ontwikkeld, vermogen om aandacht effectief te doseren,
kleinere kans op druggebruik
- Significant verschil in intellectuele vermogens: geduldige kinderen
scoorden aanzienlijk hoger op intelligentietests

  • Verband tussen cognitieve controle en intelligentie

  • Intelligentie verhogen d.m.v. het doseren van aandacht

  • Experiment

  • OV: computerspelletje gericht op aandacht en controle

  • AV: prestatie bij intelligentietest

  • Resultaat: trainen van aandacht verbeterde de coördinerende processen en de
    prestaties bij niet-verbale intelligentietests en deze verbetering werd
    enkele maanden vastgehouden.

  • Specifieke genen spelen een rol bij het doseren van aandacht, maar ook opvoeding is belangrijk.

  • Verband tussen vermogen van kinderen om aandacht te doseren en hun vermogen om emoties te beheersen.



  • Cognitive Reflection Test (S. Frederick)

  • bestaat uit 3 raadsels die een intuïtief maar incorrect antwoord uitlokken (zie H5)

  • Onderzoek kenmerken proefpersonen die laagscoren op CRT

 Verband dominante systemen en persoonlijkheden:

  • Systeem 1: impulsief en intuïtief

  • Systeem 2: beredeneerd, voorzichtig, maar ook lui

  • Waarom zijn sommige mensen ontvankelijker voor vooringenomenheid dan andere?
    (K. Stanovich & R. West)

  • Systeem 1 en Systeem 2  Type 1- en Type 2-processen

  • Systeem 2 = ‘algoritmisch brein’ + ‘rationaliteit’

 hoge score intelligentietests;
snel, efficiënt overschakelen tussen taken

  • ‘Rationaliteit’: ≈ ‘betrokken’

 Onderscheid maken tussen rationaliteit en intelligentie

 Raadsels (CRT) ietwat betere indicatoren van cognitieve gebreken dan


conventionele intelligentiemaatstaven (zoals bv. IQ-tests)

 Oppervlakkig (‘lui’) denken is een foutje v/d beschouwende geest, een gebrekkige


rationaliteit.

Hoofdstuk 4: De associatieve machine

Associatieve activering = opgeroepen beelden activeren andere beelden, resulterend in een kettingreactie van associaties. Dit gebeurt allemaal dankzij Systeem 1. Als we de woorden ‘banaan’ en ‘braaksel’ presenteren dan volgt zowel een cognitieve, emotionele en fysieke reactie. Deze reacties zijn zowel divers als coherent, dat noemen we associërend coherent.

Hume biedt een verklaring van het denkproces waarbij men ideeën associeert. Hij vatte de principes van associatie terug tot: overeenkomstigheid, samenhang van tijd en plaats en causaliteit. Het huidige inzicht is dat veel gelijktijdig plaatsvindt. Een idee dat is geactiveerd roept niet eenvoudigweg een ander idee op. Het idee activeert veel ideeën die op hun beurt weer andere ideeën activeren. Slechts een klein aantal van die geactiveerde ideeën komt in ons bewustzijn terecht. Associatief denken vindt vooral op de achtergrond plaats.



Het wonder van priming

Priming = als men wordt blootgesteld aan een stimulus zullen concepten die geassocieerd zijn met die stimulus sneller oproepbaar zijn. Priming is niet alleen voorbehouden aan concepten of woorden.

Experiment 1:

John Bargh vroeg aan studenten om uit vijf woorden een zin van vier woorden samen te stellen (bijvoorbeeld ‘vindt hij geel het direct’). Voor de ene groep bevatte de helft van de zinnen woorden die gerelateerd waren aan bejaarden zoals Florida (hier wonen veel Amerikaanse bejaarden). Na deze taak wandelden de studenten beduidend trager. Dit noemt men het Florida-effect. Het beïnvloeden van gedrag door een idee wordt ook het ideomotoreffect genoemd.

Experiment 2:

Het ideomotoreffect werkt ook omgekeerd. Als men vroeg aan studenten om traag te wandelen werden na deze oefening aan ouderdom gerelateerde woorden sneller herkend.

 er is dus sprake van een wederkerig verband bij primingeffecten.

Experiment 3:

Studenten moesten een potlood in hun mond houden om zo een lachende uitdrukking of fronsende uitdrukking te krijgen. De personen met de lachende uitdrukking vonden cartoons grappiger dan degenen met een frons.

Bovendien rapporteerden de mensen met een frons een sterkere emotionele respons op verontrustende beelden van bijvoorbeeld uitgehongerde kinderen.

Experiment 4:

Deelnemers moesten via een koptelefoon naar boodschappen luisteren, als de deelnemers ruis hoorden moesten ze hun hoofd bewegen. De helft van de deelnemers moest knikken, de helft moest schudden. Degenen die moesten knikken, waren het over het algemeen eens met de boodschap, terwijl degenen die moesten schudden het meestal oneens waren met de boodschap.

 eenvoudige gebaren kunnen dus ook onbewust invloed hebben op gedachten en gevoelens.

Priming als richtlijn

Experiment 1:

De steun voor een wetsvoorstel om scholen extra geld te geven nam toe als het stemlokaal in een schoolgebouw was.

 stemmen wordt beïnvloed door de locatie van het stemlokaal.

Experiment 2:

Mensen die geprimed werden door zinnen die te maken hadden met geld (‘betalende goed bureau baan een’  ‘een goed betalende baan’)  achteraf stelden de proefpersonen zich onafhankelijker, zelfzuchtiger en minder gesteld op gezelschap.

 geld doet ons neigen richting individualisme.

Experiment 3:

Dubbelzinnige woordfragmenten W__H en S__P. Mensen die gevraagd werden om aan iets te denken waarover ze zich schaamden interpreteerden dit als WASH en SOAP in plaats van WISH en SOUP.

Als mensen dachten aan achterbakse streken dan waren ze eerder geneigd om zeep te kopen dan sinaasappelsap. Dit noemt men het ‘Lady Macbeth-effect’ = het gevoel dat je iets ergs hebt gedaan, versterkt de wens om jezelf te reinigen.

Een ander voorbeeld van het Lady Macbeth-effect werd duidelijk wanneer men mensen vroeg om tegen een denkbeeldig iemand te liegen. In een vervolgonderzoek over de aantrekkelijkheid van producten verkozen ze mondwater in plaats van zeep.

Conclusie: deze experimenten tonen niet aan dat we worden beheerst door primingprikkels in de omgeving, maar ze zijn er wel. Systeem 1 is de bron van ingevingen die in keuzen transformeren.

Experiment:

Boven een bus met ‘vrijwillige bijdragen’ een poster ofwel met ogen op die je aankijken ofwel een poster met bloemen. Men betaalde meer bij de poster van de ogen dan met de bloemen. De zuiver symbolische suggestie van observatie leidt tot beter gedrag.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

  • Een korte samenvatting van het verhaal
  • “Het meeste wat systeem 2 denkt en doet, vindt zijn oorsprong in systeem 1, maar systeem 2 neemt de zaken over wanneer een en ander ingewikkeld wordt en heeft meestal het laatste woord!”
  • Hoofdstuk 2: aandacht en inspanning
  • E. Hess
  • HOOFDSTUK 3: DE LUIE CONTROLEUR
  • Het drukke en uitgeputte Systeem 2
  • Intelligentie, controle, rationaliteit
  • Hoofdstuk 4: De associatieve machine

  • Dovnload 7.93 Mb.