Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 1: Kennis, wetenschap en wijsbegeerte

Dovnload 120.64 Kb.

Hoofdstuk 1: Kennis, wetenschap en wijsbegeerte



Datum13.11.2017
Grootte120.64 Kb.

Dovnload 120.64 Kb.

Begrippen en namen filosofie

Hoofdstuk 1: Kennis, wetenschap en wijsbegeerte


Wijsbegeerte

De rationele studie van die problemen waarvoor we nog geen wetenschappelijke oplossingsmethode hebben.

  • Geen objectieve verhalen, enkel opvattingen van een bepaald individu

  • Gericht op kennisverwerving en rationele denken staat centraal (wetenschap in de brede zin)

  • Wijsbegeerte kan geen beroep doen op specifieke wetenschappelijke methoden ( wetenschap)

  • Afstand van dogmatische houding kan leiden tot relativisme

Kennis

Elke voorstelling, elk denkbeeld of elke overtuiging waarvan we aannemen dat die met een zekere werkelijkheid overeenkomt.

  • Voorspellingen maken

  • Handelingen goed uitvoeren

  • 2 eigenschappen:

  • Correspondentie: komt overeen met een zekere werkelijkheid

  • Pragmatisch: laat ons toe met succes onze handelingen te plannen

Wetenschap


  1. Formele/deductieve wetenschappen




  1. De ervaringswetenschappen

2 betekenissen:

  1. Een menselijke activiteit die erop gericht is tot gesystematiseerde en betrouwbare kennis te komen

  2. Een geheel van uitspraken, wetten of theorieën betreffende enigszins samenhangend probleemgebied, die aan volgende eisen voldoet:

  • Mededeelbaarheid

  • Systematisch karakter

  • Controleerbaar




  1. Uitspraken of stellingen zijn niet ontleend uit ervaring, ze vertrekken vanuit axioma’s. Door logische afleiding komen we tot stellingen. Ze verschaffen ons symboolsystemen of vormen.

  2. Onderzoekt hoe men de werkelijkheid (de totaliteit van de dingen) in elkaar zit. Betrouwbare kennis is enkel bereikbaar door een beroep te doen op ervaring.

Taboe

Iets dat wordt beschouwd als ongepast om te gebruiken, te doen of over te spreken. In de primitieve maatschappijen wordt het handelen veilig binnen de perken gehouden dankzij het taboe.

Objecten die men niet mag aanraken, handelingen die men niet mag stellen omdat ze een associatie vormen met gevaar/angst.

Als het individu in contact komt met een taboe  onreinheid. Terug reinigen met magie.


Magie

Een geheel van stereotiepe handelingen (riten) of uitspraken waarmee men bepaalde doeleinden wenst te realiseren, steunend op vetmatigheden die volgens de rationeel denkende mens niet bestaan.

Functies:



  • Afweermagie: Vooral bij taboeovertreding

  • Productieve magie/tovenarij: Bevredigen van de menselijke noden. (= Witte magie)

  • Destructieve magie: Kwaad berokkenen aan de vijand. (= Zwarte magie)

Verband met taboe: Macht kunnen verwerven.



Mythen

Verhalen die aan de menselijke fantasie ontspruiten en waaraan de toebehoorders of lezers een zeker geloof aan hechten. Poging om inzicht te krijgen in onoplosbare problemen.

Functies:



  • Ordening tot samenhangend geheel; reduceert angst voor het chaotische

  • Verklaring door het ontstaan duidelijk te maken; kosmogonische & bijbelse mythen

  • Legitimeren en consolidering

Gaan in hoofdzaak over (half-) goden.

Openbaringsgodsdienst

Gekenmerkt door:

  • Universaliteitsaanspraak: Ze richten zich op alle mensen, niet slechts 1 volk.

  • Openbaring: De waarheden vinden hun oorsprong bij God.

  • Dogmatisme: De geloofswaarheden komen onwrikbaar vast te liggen door een goddelijk karakter.

  • Verlossing: Mens bevindt zich in een droevige situatie, de godsdienst biedt de mogelijkheid hieraan te ontsnappen

Ontstaan door worsteling met het basisprobleem (Geluk van de bozen en lijden van de goede mensen)

  • Nood aan een diepere fundering van morele normen.

Wetenschappelijke methode

Een systematische manier om kennis te vergaren. Eisen empirische adequaatheid en logica. Iedereen kan de resultaten controleren en dit leidt tot een universele erkenning van een methode.

Rationaliteit


  1. Rationeel denken (enge zin)

  2. Rationeel denken (brede zin)


Wordt vaag beschreven. Reden waarom filosofen zo vaak van mening verschillen. Ze hebben uiteenlopende opvattingen over wat een behoorlijke argumentatie is.

Meningsverschil bestaat uit:



  • Mededeelbaarheid: hoe exact moet filosofische taal zijn?

  • Eenheid en coherentie: zijn sommige contradicties aanvaardbaar?

  • Bewijsvoering: hoe strikter men de eisen stelt, hoe preciezer en concreter de onderzoeksvragen dienen te zijn.



  1. Betrouwbare kennis vormen door interactie tussen theorieën en empirische feiten

  2. Antwoord zoeken op alle vragen; de wetenschappelijkheid versoepelen waar nodig. Hoe soepeler, hoe meer antwoorden (maar effect op de betrouwbaarheid).

Niet-rationaliteit

  1. Irrationaliteit


  1. A-rationaliteit




  1. Ideeën met interne contradicties, of manifest in strijd met de alledaagse ervaring.

Bv.: Christenen, moslims in hun verzet tegen de evolutietheorie.

  1. Leerstellingen die niet voor rationele of wetenschappelijke argumentatie vatbaar zijn, maar evenmin duidelijk strijdig met de logica of de wetenschappelijke gegeven zijn.

 Kwestie van persoonlijke appreciatie

Bv.: Hedendaagse protestantse en klassieke theologen.

Factische problemen

= Metafysica


  1. Ontologie



  1. Bijzondere metafysica

Leer over de grondslag van alles wat bestaat (het zijnde van het zijnde). Leer over de meest fundamentele vragen.


  1. Zoektocht van het zijnde naar het zijnde.

Bv.: ‘Wat is zijn?’ ‘Waarom is er iets, en niet niets?’

  1. Onderzoek van de eigenheid van de voornaamste soorten zijnden.

  • Rationele kosmologie: Bestudeert de basis/structuur van de wereld

  • Rationele psychologie: Algemene leer over de mens (= wijsgerige antropologie)

  • Rationele theologie: Wijsgerige leer over God.

De ethisch-politieke problemen

Focust niet op wat er is en hoe dit te kennen, maar wel op hoe dit te evalueren en eventueel aan te passen.

  • Direction of fit

Onderdelen:

  • Ethica: Bestudeert de normen en waarden

  • Politiek: Bestudeert hoe men de maatschappij moet organiseren

  • Esthetica: Leer van het schone en de kunst

De kennisleer/epistemologie

= Onderdeel van de kennistheoretische problemen

Bestudeert de vraag wat kennis is, of we geldige kennis kunnen bereiken en hoe dit moet gebeuren.



3 basisproblemen:

  • Factische of speculatieve vraag naar de aard van de werkelijkheid

  • Ethisch/politieke vraag naar het reguleren van het menselijke handelen

  • De epistemologische/kentheoretische vraag


Hoofdstuk 2: De pijlers van het westerse denken in de Oudheid en de Middeleeuwen


De natuurfilosofen


  1. Thales van Milete



  1. Anaximander




  1. Anaximenes




  1. Herakleitos




  1. Parmenides




  1. Leucippus & Democritus

  • 5e – 6e E v.o.t.

  • De stoffelijke wereld als voorwerp van studie

  • Voorloper van de moderne NW

Thema’s:

  • Demythologisering van de natuur

  • De idee van een geordende kosmos: de natuur kent een rationele orde

  • Zoektocht naar veralgemeende verklaringen

  • De mens als toeschouwer i.p.v. participant

  • Nieuwe methode: kritische discussie & voort- en opbouw

  • Zoektocht naar coherentie

  • Onderscheid tussen verschijning en realiteit

  • Permanentie en verandering

  1. Streefde naar een theorie over de wereld die vatbaar was voor argumentatie. Welke wiskundige regels zijn juist? Gefascineerd door het besef dat de werkelijkheid voortdurend verandert. Arche = water in 3 toestanden (gas, vloeistof, vast)

  1. Geocentrische kosmologie. De arche = een onzichtbare oerstof (to apeiron). Daaruit ontstaan en daartoe vergaan de concrete objecten die we kennen als resultaat van een voortdurende onderlinge strijd. (Verandering is het resultaat van de strijd van dingen)

Probleem van Thales: Op wat drijft water?  De aarde rust op niets in het centrum van het onbeperkte, het al.

  1. Arche = De lucht

Concrete objecten zijn het resultaat van verdunning en verdichting van lucht als neutrale stof;

  • Stabiel is onzichtbaar

  • In beweging/gecondenseerd is wind, wolken, water, modder, steen

  • Gezuiverd is vuur

  1. De zoektocht naar het onveranderlijke is hopeloos: het enige waar we zeker van zijn is dat alles veranderlijk is (Panta rei: alles vloeit)

Toch ligt vuur aan de basis van alles, het is vluchtig en ongrijpbaar

Tegenstellingen: Bv.: “Oorlog is de vader van alles.” “Je kan 2 keer in dezelfde rivier stappen, maar ook 2 keer niet in dezelfde rivier stappen.”

  1. Er is geen verandering met als gevolg dat er ook geen tijd is. Onze zintuigen zijn bedrieglijk.

Het zijnde is en niet-zijnde is niet: het zijnde is onveranderlijk en 1 want anders zou er iets van zijn naar niet-zijn gaan maar dat kan niet want het niet-zijnde bestaat niet.

Vervreemding: Alle (ervaring van) verandering moet vanuit filosofisch oogpunt ontkend worden.

Alle worden is een illusie.



Bv.: Marmer Beeldhouwwerk, de verandering is schijn want het is nog steeds marmer.

  1. Atomisme

Idee van de eenheid, ondeelbaarheid en onveranderlijkheid van het zijnde overnemen, maar bevestigt ook het bestaan van het niet-zijnde als een lege ruimte.

De onveranderlijkheid geldt voor atomoi (= ondeelbare dingen) en de verandering ontstaat door hun samenklonteren of uiteenvallen  onsterfelijkheid kan niet, de ziel valt uiteen als de atomen loslaten.




Arche

Inonische wijsgeren redeneerden dat als er verandering is, dan moet er iets zijn dat verandert en dus onveranderlijk blijft: dat wat ten grondslag ligt aan alle verandering. Het is het begin van de wereld.

  • Volgens Thales: Water (3 toestanden)

  • Volgens Anaximander: To apeiron

  • Volgens Anaximandes: Lucht

  • Volgens Heraclitus: Vuur

Atomisme

° Democritus

De eerste vvorm van materialisme.



In de lege ruimte van niet-zijnde zweven een ontelbaar aantal zijnden (= atomoi), door botsing ontstaan hieruit objecten die we zintuiglijk waarnemen en die verdwijnen wanneer de atomen opnieuw uit elkaar gaan.

  • Onveranderlijkheid: atomoi

  • Verandering: samenklonteren/uiteenvallen



De sofisten


  1. Protagoras

  • Onderzoek op de praktijk toepassen

  • Rondreizende leraars die aan de groeiende rationele denkwijze een praktische toepassing gaven

  • Les tegen betaling aan (zonen van) rijke burgers over de politieke en kennistheoretische problemen.

  • Zwaartepunt van de filosofie  Studie van de mens en de samenleving.

  • Onderscheid tussen fusis (dat wat van nature is) en nomos (wat er door wetten/menselijke conventie is gekomen).

  • ° Relativisme: Traditionele W&N in twijfel trekken.

  • Bruikbaarheid > Waarheid

 Niet meer het goede/de waarheid nastreven, maar methodes zoeken om andere mensen zo goed mogelijk te overreden.

  • Alles wat we kennen is subjectief & wisselvallig




  1. Beklemtoont nomos

Homo mensura: De mens is de maat van alles. Er is geen absolute waarheid, geen absolute waarden. Ieder individu heeft zijn eigen waarheid en waarden, er is geen methode om het ene boven het andere te verkiezen.

Socrates

 Relativisme van de sofisten: het goede en de waarheid bestaan wel.

  • Socratische methode: Dialoog en discussie aangaan: de tegenstander ondervragen over zijn definities van begrippen en de grondslag van zijn redeneringen tot hij zijn zwakheden toegeeft.  aantasten van de zelfzekerheid

  • Centraal: helderheid en consistentie

  • Ter dood veroordeeld door goddeloosheid (asebia)  hij zou de jeugd op het verkeerde pad gebracht hebben.

  • Iemands leefwijze toont zijn relatie tot de waarheid

  • Ik weet dat ik niets weet”, “de zorg voor de ziel is van het hoogste belang”, “een goed mens kan niet geschaad worden”, …


Plato



  1. Platonisme op natuurkundig gebied



  1. Vormenleer



  1. Vormenwereld



  1. Redelijke ziel

Heeft als eerste in een samenhangend systeem de factische, de ethisch-politieke en de kennistheoretische vragen op een rationele wijze benaderd.

  • Hij zocht naar het goed: door de overtuiging dat men slechts kan ‘kennen’ als je een totaalvisie over de mens en wereld hebt

  • Kennisleer: De denkwijze van de meetkunde op alle problemen toepassen om zo de wereld te proberen begrijpen

  • Vormenleer




  1. Sterrenkunde

  • De volmaaktheid van de hemel interpreteren als eenparige bewegingen: bewegingen die versnellen of vertragen in een cirkelvorm.

  • Vaste sterren: de hemelkoepel wordt gezien als een bol waarop de sterren vaststaan.

  • De aarde: bolvormig, onbeweeglijk in het centrum

  • Planeten: problematisch op vast te leggen, wat voor de waarnemer onregelmatig lijkt zijn in feite objectief volmaakte cirkelbewegingen

  • Sozein ta fainomena: De fenomenen redden of behouden  ze moesten onregelmatige waarnemingen verklaren




  1. De basisstructuur van onze wereld leren kennen via de vormwereld = basistype, prototype van alle dingen die bestaan op volmaakte wijze. Onze wereld is slechts de benaderende realisatie van de vormenwereld




  1. De echte kennis is die van de volmaakte vormen die via definities zo aanleiding geven tot bewijsvoering en samenhang. Wanneer men aanneemt dat alle aspecten van de ervaarbare wereld via volmaakte vormen kenbaar zijn, moet men besluiten dat er een vormenwereld bestaat waarin het basismodel, prototype van alle dingen die op een volmaakte wijze bestaat. Via de vormenwereld kan men de basisstructuur van de wereld leren kennen.






  • De redelijke ziel staat los van het lichaam (dualisme).

  • De ziel is afkomstig vanuit de Vormenwereld, waaruit ze kennis heeft genomen van de vormen, deze kan ze zich herinneren in het aardse bestaan.

  • Stelt ons in staat aan wiskunde te doen en ordening te zien van het goede en het slechte

  • Ze heeft een Goddelijk karakter, is onverwoestbaar.

  • Ze verblijft tijdelijk in het lichaam, ze is immaterieel en onvergankelijk

  • Het lichaam is een graf/kerker voor de ziel

Aristoteles


  1. Constructieprocédé


  1. Abstractieprocédé


  1. Ervaring



  1. Teleologisch

  • Leerling van Plato

  • Eerste grote systematicus van de wijsbegeerte

  • Schools karakter: gebruikt cursussen i.p.v. dialogen

  • Nieuwe inzichten in het kennistheoretisch vlak:

  • Hij twijfelt dat vormen afzonderlijk kunnen bestaan: dvormen bestaan alleen in de dingen zelf

  • Abstractieprocédé

  • Constructieprocédé

  • Redeneren is van strikt belang in de logica, om de ervaringsgegevens betrouwbaar te organiseren; er is een noodzaak het denkproces volgens strenge regels te laten verlopen.

  • Ervaring

  • Observatie als onderzoeksmethode & systematiek in axioma’s als bron van kennis

  • Teleologische wereldvisie

  • Pragmatisch gericht: Er bestaat geen ideaaltype van de maatschappij. We kunnen alleen reflecteren over de bestaande maatschappijvormen en verbetering aanbrengen die haalbaar zijn en door inzicht te gebruiken. (Conservatief)




  1. Het idee dat er in de menselijke geest direct volmaakte meetkundige figuren geconstrueerd kunnen worden. Bv.: De vorming van het begrip ‘volmaakte cirkel’ in onze geest nadat we talloze keren onvolmaakte benaderingen van cirkels gezien hebben.

Ondervinding: de wiskundige formules voldoen niet meer, ° logica.


  1. Het idee dat we talloze, concrete, onvolmaakte benaderingen van cirkels hebben gezien, zich in onze geest het begrip volmaakte cirkel vormt.




  1. Ondervinding, d.w.z. een inzicht dat men verkrijgt door ouder te worden en veel te hebben beleefd.




  1. De wereld enkel verklaren vanuit oorzaken of ook doelgerichtheid als oorzaak? Je kan de wereld pas begrijpen/verklaren door het doel aan te wijzen waarnaar het streeft. Bv.: Veulen paard ; zaadje boom




Cynisme


  1. Diogenes




  1. Autarkeia

Ethiek met als doel eudaimonia (= welzijn, geluk), dat slechts te bereiken is door deugd. Leidt tot het centraal stellen van behoefteloosheid.


  1. Behoefteloosheid was het vertrekpunt, hij radicaliseerde tot een volledige autarkeia.

  • Ascentisme: Leven met het strikte minimum zonder behoefte aan goedkeuring van medemensen. (= de vertaling van de doctrine)




  1. Het aan zichzelf genoeg hebben, het kunnen leven met het strikte minimum en zonder behoefte aan goedkeuring van de medemensen.




De Stoa

Stoïcisme


  1. Apatheia

Vroege, midden en late Stoa

  • Gelijkenis vroege Stoa en cynisme: de leer van de autarkei

  • Verschil vroege Stoa en cynisme: doctrine is uitgesprokener bij de stoïcijnen

Wereldvisie van de Stoa:

  • De wereld en de kosmos vormen 1 geheel: ze worden samengehouden door een ‘vurige wind’ (= pneuma) (= de Heilige Geest).

  • Het is geordend door ‘logos’, de rede

  • Pronoia: de wereld ontwikkelt zich volgens een noodwendigheid/voorzienigheid.

  • Met de natuur als gids zal men nooit verdwalen.”

 De mens moet zich naar de wet van de natuur schikken.

Ethiek: Redelijk handelen = handelen overeenkomstig met de natuur

Geluk: Apatheia

  • Deugd = Vrijmaken van alle passies en een vorm van apathie nastreven  zich bewust boven passies en tegenslagen zetten

  • 4 deugden: Prudentia, Justitia, Fortitudi, Temperantia




  1. De minimale vorm van geluk die we kunnen bereiken: de houding waarin de negatieve dinges des leves ons zo weinig mogelijk raken.

De deugd = vrijmaken van alle passies en een vorm van apathie nastreven  Zich bewust boven passies en tegenslagen zetten.

Epicurisme


  1. Epicurus




  1. Ataraxie

Het pogen om een optimale gelukstoestand te bekomen over een zo lang mogelijke tijd door zoveel mogelijk te genieten van het leven.

  • Hoogste doel is het nastreven van de lust (hedone)

  •  Stoïcijnse leer: er is geen ordende intelligentie

  • Goden hebben geen invloed op het menselijke leven

  • Onsterfelijkheid bestaat niet

  • Ataraxia

  • Intermundia: Ruimte tussen de werelden

3 soorten begeerten:

  • Natuurlijke noodzaak: voedsel, beschutting, rust

= Begrensd, makkelijke te bevredigen, veel genot

  • Natuurlijke niet-noodzakelijke: luxevoeding

= Onbegrensd

  • Ijdele: macht, rijkdom, faam

= Onbegrensd

Voor alle gebeurtenissen en fenomenen die voor de mensen een bron van angst zijn, is er een fysische verklaring te vinden (= Epicurische moraal). Er zit geen diepere betekenis achter.




  1. De filosofie is een bezigheid: de beoefenaar wordt beter

  • Zijn volgelingen hielden na zijn dood contact en beleefden genoegen aan het samen filosoferen met elkaar (sumfilosofein). Nadeel: Afzonderen van de anderen.

  • Filosofie is de activiteit die door argumenten en discussies tot het gelukkige leven leidt.

  • Goden leven tussen de wereld zonder iets van de mensen aan te trekken.




  1. Onverstoordheid

Beperken van de behoefte tot een minimum en het reduceren van de vrees om te leven; autonoom en sober leven.

Scepticisme

  • Een geluksleer met als hoogste doel de ataraxie.

  • Onmogelijk volgens Epicurus: wie gelooft dat hij niets weet, kan nooit een reden hebben om zus of zo te handelen, hij zou niet s doen en uiteindelijk sterven.

  • We kunnen niet uitmaken wat de dingen op zich zijn, alleen hoe ze aan ons verschijnen, hoe ze ons voorkomen

  • Er bestaat geen methode om met zekerheid tot kennis te komen

  • Band met ataraxie: Wanneer je allerlei ongelukken lijkt te overkomen, kan je nooit weten of het ongeluk echt ongeluk was.  Oordeel opschorten over de dingen die men overkomt en op die wijze onverstoorbaarheid bereiken.

Augustinus

  • Middeleeuwen

  • Enkel God kan een onderscheid maken wie naar de hemel/naar de hel gaat.

  • Erfzonde: de hemel verdienen door goede daden.

  • Predestinatie: De verlossing kan alleen door de genade van God en die is volkomen willekeurig.

Anselmus



  1. Ontologisch godsbewijs

  • Ontologisch godsbewijs

  • Aartsbisschop van Canterburry




  1. God kan niet louter als denkobject bestaan, want dan zou hij niet het grootste denkobject zijn. Iets dat én als denkobject en als reëel object bestaat is immers groter dan louter denkobject.

Thomas van Aquino

  • Hij benadert de hele christelijke leer via de rede: hij roept geen bovennatuurlijke krachten en invloeden om de werken van de menselijke kennis te verklaren

  • Hoogtepunt in de scholastiek:

  • Typisch hieraan is de aandacht die men heeft voor de rivaliserende opvattingen en tegenargumenten.

  • Aanzet tot de naturalistische epistemologie en cognitiefilosofie

Willem van Ockham

Scheermes van Ockham:

  • Entiteiten mogen niet zonder noodzaak vermenigvuldigd worden.

  • Als 2 theorieën evenveel fenomenen evengoed kunnen verklaren, dan moet je opteren voor de theorie die het minst aantal entiteiten inroept.

  • Zuinigs, eenvoudig, meest economisch

Universalia zijn nergens voor nodig, er zijn alleen individuen

Zintuiglijke kennis kan een even groot zekerheidskarakter hebben als analytische kennis.



  • Bv.: Je bent even zeker van dat je kijkt naar de boektoren, als van je kennis dat een cirkel rond is.


Hoofdstuk 3: Ontstaan van de NW en van het nieuwe wereldbeeld


Francis Bacon

De filosofie en de wetenschap dienen zich bezig te houden met onze ervaarbare wereld en ze moeten de middelen aan de hand houden om op de wereld in te grijpen en die te veranderen. Bacon verwoordde deze nieuwe denkwijze voor het eerst in zijn werk ‘Novum Organum’, waarin hij het belang van redeneren, gebaseerd op observatie, aanhaalt.

Bruno Giordano

  • Beweerde dat het heelal oneindig is en dat het een oneindig aantal zonnestelsels bevat. De zon staat hier NIET centraal en de aarde is heir slechts een stipje.

  • Hij ontkende de goddelijkheid van Christus

  • Hij beweerde dat de Bijbel geen goede bron is om NW kennis uit op te doen

  • Hij pleitte voor een samenwerking van de godsdiensten.

New Learning

  • Nieuwe methode om kennis te verwerven

  • Ze vertrouwen in de rede

  • Lumen naturale: Het ‘natuurlijk licht’ van de mens

  • Afkeer van de denkbeelden en opvattingen gebaseerd op autoriteit en filosofie

Gesloten naar open wereldbeeld

Copernicus is het startpunt van een open wereldbeeld met het heliocentrisme, dan volgt Bruno Giordano.

Mechanisering van het wereldbeeld

  • Galilei: Mechaniseerde de nieuwe wereldvisie door de nieuwe fysica

  • Newton: Publiceerde dat zowel de aardse als de hemelse verschijnselen verklaard konden worden met dezelfde wetten (dezelfde krachten waren verantwoordelijk voor de beweging van voorwerpen)


Hoofdstuk 4: Moderne filosofie


Moderne filosofie

  • Door wetenschappelijke en wiskundige ontwikkelingen

  • Conflict tussen Kerk en Staat

  • Secularisering

  • Optimisme

  • Algemene karakterisering van de filosofie

  • De mens als bron van kennis

  • De mens heeft mogelijkheden die men daarvoor niet dacht

Nicollo Machiavelli

  • Politieke filosoof

  • Nadruk op efficiëntie: niet bemind worden, meer bereiken met vrees

  • Doel heiligt de middelen, als het doel goed is

  • Politiek moet gebaseerd zijn op een feitelijke analyse van de maatschappelijke wetmatigheden, niet uit abstracte principes en edele gevoelens – maar de vorst moet zich wel zo voordoen.

  • Immorele daden zijn in bepaalde situaties het meest geschikt

Hugo de Groot/Grotius

  • Seculariserende trend op gebied van het volkenrecht

  • Basis voor het moderne internationale recht

  • Onderscheid tussen Goddelijk recht en menselijk recht.

  • Menselijk recht: opgedeeld in

  • Natuurrecht: Principes toegankelijk voor het inzicht van alle en dus bindend voor individuen, staten en God. (= Basis om op volledig rationele wijze het recht te funderen)

  • Burgerlijk recht: mensenwerk en kan van staat tot staat verschillen. Het mag niet ingaan tegen het natuurrecht.

Thomas Hobbes


  1. Sociaal contract

  • 1e moderne filosoof met een materialistisch en mechanistisch mens- en wereldbeeld.

  • Radicaliseert de seculariserende trend zodanig dat hij zijn staatsconceptie baseert op een mechanische mensvisie:

  • Alle verschijnselen/handelen/bewustzijn en perceptie van de mens zijn verklaarbaar in termen van beweging van materie. Lichamen zijn voortdurend in beweging

  • Werking van de geest  machine die voortdurend beweegt




  1. Hij ziet de maatschappij als een systeem waarin de mechanische wetten van Galilei werkzaam zijn en waarin de absolutistische conceptie het beste functioneert. Dit omdat het rekening houdt met het egoïsme van de individuele mens als die aan zichzelf wordt overgelaten.

  • In natuurstaten vechten mensen een strijd uit van allen tegen allen; men kan aan de situatie ontsnappen door een contract af te sluiten. Om de trouw van de contracten te verzekeren is een sterke autoriteit nodig; een absolute heerser. De bevolking staat haar macht af uit eigen belang.

Rationalisme


  1. Descartes



  1. Methodologische twijfel (Descartes)




  1. Res extensa (Descartes)



  1. Cogito (Descartes)


  1. Nativisme (Descartes)



  1. Dualisme (Descartes)


  1. Idées claires et distinctes (Descartes)




  1. Monisme


  1. Spinoza



  1. Mind-bodyproblematiek


  1. Substantie


  1. Attributen



  1. Modi


  1. Pantheïsme




  1. Vrijheid als autonomie



  1. Deus sive natura

  • Denkwijze die alleen beroep wil doen op klare en duidelijke begrippen, vastgelegd in axioma’s waaruit al de rest wordt afgeleid.

  • Rede is de enige bron van kennis

  • De werkelijkheid bevat een inherente redelijke en logische structuur; ze kan direct door het verstand gelezen worden zonder enige tussenkomst van iets anders of van het denken zelf.



  1. Opgegroeid in scholastieke tradities, maar vond dat deze hopeloos waren.

  • Mechanische visie op de mens

  • ° Analytische meetkunde

  • Om de totaliteit van de kennis over de wereld op te doen moet men beroep doen op de methode van de wiskunde

  • Op deductieve wijze tot stellingen komen.




  1. Twijfelen aan alles: “Je pense, donc je suis.”

  • Wanneer men aan alles twijfelt, kan men niet twijfelen aan het feit dat men twijfelt.

  • Het denkend ding/kennend subject bestaat

  • Er bestaat een volmaakt wezen: God.

  • Als het niet zou bestaan zou er iets aan ontbreken: het bestaan, en het zou bijgevolg niet perfect zijn.

  • Bezwaar: ‘bestaan’ is een heel andere orde dan de andere eigenschappen.




  1. Het ruimtelijke, het stoffelijke binnen het dualisme

  • Hierbinnen loopt alles volgens de wetten van de meetkunde en de mechanica.




  1. Overgaan van een denkorde (= cogito) naar een zijnsorde. Er is aan 1 ding waar men niet kan twijfelen: de zekerheid die ik heb is dat ik twijfel, dat ik denk, als ik denk besta ik.




  1. De menselijke geest beschikt over aangeboren ideeën die toelaten een klare intuïtie te hebben over de principes die als grondslag moeten dienen om de wiskunde en natuurkunde op te bouwen. Het inzicht in de axioma’s waarmee we de wereld kunnen vatten is aangeboren.




  1. Er zijn 2 soorten dingen in de werkelijkheid:

  • 3 substanties: materie, denken, God




  1. Heldere en duidelijke ideeën waarover we beschikken over de ruimtelijke of ‘uitgebreide’ wereld rondom ons.




  1. Tegenovergestelde van dualisme. Hierbij aanvaart men maar 1 soort werkelijkheid: materie of geest, niet beide.




  1. Geloof in God; de rede is datgene waardoor de mens het dichtst bij God komt

  • Hij stelt dat de Bijbel een verzameling van historisch gesitueerde teksten is, die aangepast zijn aan het bevattingsvermogen van de massa. Het enige niet historisch gesitueerde is de oproep van liefde tot God en naasten (dit is de ware essentie van de bijbel).

  • Verstand vs. openbaring, maar nog steeds staat liefde centraal, maar men moet deze realiseren door redelijk inzicht

  • Systeemdenken: Ik is niet het centrum van de wereld: alleen God kan de grondslag van de wereld vormen en dus ook het vertrekpunt van ons denken.

  • Ethisch ideaal = dichter bij God komen door de autonomie te verhogen. De hoogste vorm is redelijk denken en zich niet door passies laten leiden.

  • Intellectuele liefde voor God is het ultieme geluk, niet passies (die zijn tijdelijk).

  • Mechanistische staatsvisie

  • Natuurtoestand blijft voortbestaan ondanks sociale contracten: het mens blijft een egoïstisch wezen (maximaliseren van onze autonomie en macht). Democratie is nodig.




  1. Vraagstuk naar de verhouding tussen lichaam en geest.

  • Descartes: dualisme

  • Spinoza: parallelisme

  • Vergelijken met een klok die 2 wijzerplaten heeft (lichaam en geest), maar met eenzelfde centraal mechanisme (God). Denken en materie zijn uitingen van dezelfde substantie.




  1. God: datgene wat op zichzel bestaat en op zichzelf gedacht kan worden.

  • Causa sui: Oorzaak vanzichzelf

  • Uit de substantie zal men het denken over de werkelijkheid afleiden

  • Er kan maar 1 substantie zijn; die moet oneindig en eeuwig zijn.




  1. De substantie drukt zich op een oneindig aantal wijzen uit (bv.: uitgebreide en denken)




  1. Wijzigingen van het attribuut, concrete dingen die we rondom ons zien in het uitgebreide. Alle modi vloeien voort uit de substantie. Bv.: Zon, maan, bomen




  1. De wereld en God vormen een eenheid. God = natuur




  1. Als zelfbepaling wel is toegestaan. Alleen God is volkomen autonoom, de andere wezens hebben een bepaalde gradatie in de mate waarin men min of meer autonomie heeft (waar de mens de hoogste van heeft; redelijk denken).




  1. God valt samen met de werkelijkheid. God IS het universum. Monisme! De wereld kan zich in principe op ontelbaar veel manieren aan ons manifesteren.

Empirisme


  1. John Locke

  2. Berkeley

  3. Hume

Beroep doen op directe ervaring voor kennis.





Hoofdstuk 11: Filosofie in de 2e helft van de 20e E en het begin van de 21eE


De school van Frankfurt

Frankfurter Schule


  1. Theodor Adorno



  1. Negatieve dialektiek (Adorno)



  1. Herrschaft (Adorno)



  1. Herbert Marcuse



  1. Unidimensionele mens (Marcuse)


  1. Jürgen Habermas



  1. Herrschafstfrei (Habermas)



  • ° Negatieve dialectiek

  • Centraal staat de vraag of de ‘rede’ die hier aan het werk is, en die de verlichting zo ophemelde, autodestructieve aspecten bevat.




  1. De evolutie van de westerse cultuur is volgens hem in grote mate gedragen of gestuwd door een idee, dit idee is vooral gerealiseerd via de technologisch-economische processen.

  • De vooruitgang in onze tijd is in haar tegendeel omgeslagen: de mens is slaaf van zijn eigen kennis en werktuigen (= Negatieve dialektiek)

  • Pessimistische theorie




  1. Het besef dat de rationaliteitsidee haar eigen negatie in zich bevat.

  • Op de intense tegenstelling van het Herrschaft idee volgt geen synthese.

  • Denken dat continu de tegenspraak tussen begrip en zaak benadrukt. Waar dialektiek bij filosofen als Hegel eindigt in het samenvallen van de identiteit van these en antithese, gaat Adorno uit van de niet-identiteit tussen beide. Het gaat in zekere zin om een denken dat zich tegen zichzelf keert, zichzelf continu bekritiseert. Hoe binnen deze constellatie filosofie nog mogelijk is, is de inzet van dit nog steeds hoogst relevante veelbesproken werk.




  1. De heerschappij van de mens over de natuur door zijn rede




  1. De unidimensionele mens

  • De maatschappij is totalitair en repressief omdat zij er op een efficiënte wijze in slaagt de meerderheid van de burgers tot deze unidimensionaliteit te brengen.

  • Aanhanger van de negatieve dialektiek.

  • Westerse maatschappij = totalitair en repressief systeem waarin de mens vervreemd is omdat hij niet in dienst staat van doeleinden die hij zelf creatief ontworpen heeft, maar alleen in die van de geïndustrialiseerde maatschappij.




  1. Als zijn waarden en doeleinden zijn gericht op de aanvaarding van de normen van het systeem, en dat hij ook zijn denken aan de gevestigde categorieën aangepast.




  1. Dialectische wetenschapsfilosofie

  • Vertrekt vanuit een kritische houding tegenover het positivisme

  • 1e filosoof in de fenomenologisch-historische traditie die de Angelsaksische literatuur beheerst

  • Hij is er zich van bewust dat hij ook een inhoudelijke, beargumenteerde analyse moet brengen van die ‘andere rationaliteit’ die naast en misschien boven de wetenschappelijke moet staan

 Hij zoekt de rationaliteit in een bepaald type van dialoog die als doel een consensus heeft.


  1. De rationaliteit moet plaats vinden tussen mensen die aan geen enkele dwang onder elkaar of van buitenaf onderworpen zijn. Iedere bijdrage moet authentiek een eigen bijdrage zijn.

Structuralisme

Er zijn niet direct waarneembare of onbewuste structuren die ten grondslag liggen aan alle sociale verschijnselen.

  • Structuren zijn verzamelingen van de relaties tussen de elementen waaruit de sociale werkelijkheid is opgebouwd

  • Uitbreiding van de structurele taaltheorie van Saussure, naar verschillende andere vakgebieden

  • Deze taaltheorie stelde dat de betekenis van een woord niet wordt bepaald door hetgeen waarnaar zij verwijst, maar net door de gehele taal zelf. Om een woord te begrijpen, moet men dus de bredere taal onderzoeken en kijken hoe dit element erin past.

Jean-François Lyotard

  • Postmodernist (= de overtuiging dat de zogenaamde grote verhalen gegroeid zijn uit de moderniteit hebben afgedaan)

  • Hij is van mening dat, t.g.v. de technologische ontwikkelingen zoals de informatica, massamedia, … de grote verhalen uiteengevallen zijn in meerdere taalspelen.

  • Hij gelooft niet langer meer in de mogelijkheid van universele waarden en objectieve kennis.

  • Geen aanleiding voor pessimisme

  • Postmoderne relativisme = bevrijdend karakter

Jacques Derrida

  • De deconstructie: Een close reading van filosofische en andere teksten, waarbij men de contradicties, de blinde vlekken en de onopgeloste spanningen erin wil blootleggen.

  • Leidt tot een filosofie waarbij alles in de taal en in teksten vastligt.

  • Postmodern: teksten over de onmogelijkheid om betrouwbare kennis te verwerven of zingeving en waardevolle betekenissen te creëren.

  • Derridiaanse school

Gelukkig bewustzijn (Marcuse)

Dialectiek school van Frankfurt:

Mens is tevreden met toestand. Overvloed consumptiegoederen en conditioneren.



Vrede met de toestand nemen.

Repressieve tolerantie (Marcuse)

Bv.: Lolita (jong meisje, seksbom)

  • Alles wat er gebeurt, is wild en obsceen, robuust en pikant genoeg, volstrekt immoreel, maar daardoor juist onschadelijk. Want doordat die seks aan mensen wordt opgedikt, ontstaan er bij hen een soort gelukkig bewustzijn, waardoor ze niets anders meer willen.

Media ten onrechte evenveel aandacht besteden aan echt nieuws als aan non-nieuws. Deze vorm voor irrelevant nieuws beschouwde Marcuse als repressief, omdat het het relatieve belang van het echte nieuws doet afnemen.

Michel Foucault

  • Onderzocht structuren, maar echte structuren kwamen weinig voor

  • Historicus van denksystemen

  • Studie over de geschiedenis van de psychopathologie

  • De waarheid is een constructie die het denken en de intenties van individuen overstijgt.

  • De geschiedenis kent geen vooruitgang maar een discontinu verloop

  • De hedendaagse, zelfbewuste mens is zelf een historisch bepaalde uitvinding

  • Verwerpen van de humanistische antropologie

  • Mensen zijn ingebed in deels onzichtbare machtsstructuren en instituties, die hen disciplineren, conditioneren en controleren.








  • Hoofdstuk 2: De pijlers van het westerse denken in de Oudheid en de Middeleeuwen
  • Hoofdstuk 3: Ontstaan van de NW en van het nieuwe wereldbeeld
  • Hoofdstuk 4: Moderne filosofie

  • Dovnload 120.64 Kb.