Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 1: Kwaad bloed? Op zoek naar de oorsprong van het kwaad

Dovnload 246.88 Kb.

Hoofdstuk 1: Kwaad bloed? Op zoek naar de oorsprong van het kwaad



Datum26.10.2018
Grootte246.88 Kb.

Dovnload 246.88 Kb.

Mevrouw De Schepper – 5de jaar ASO godsdienst

Hoofdstuk 1: Kwaad bloed? Op zoek naar de oorsprong van het kwaad

  1. Inleiding

Bekijk onderstaande foto’s. Behoren deze tot alledaagse vormen van het kwaad of buitengewone vormen van kwaad?

Onderscheid: alledaags kwaad vormt vaak de voedingsbodem van alledaags kwaad. Het buitengewoon kwaad wordt dan ook vaak een uitvergroting van het alledaags kwaad. Het alledaags kwaad behoort eerder tot onze dagelijkse leefwereld. Terwijl de buitengewone eerder behoren tot het excessieve of wereldshockende.




  1. De Shoah: Auschwitz

Nooit zal ik vergeten

Nooit zal ik die nacht vergeten, de eerste kampnacht,

die van mijn leven één lange zeven maal vergrendelde nacht heeft gemaakt.

Nooit zal ik die rook vergeten.

Nooit zal ik de gezichtjes van de kinderen vergeten

Wier lijfjes zich kronkelden onder een zwijgende hemel.

Nooit zal ik de vlammen vergeten die voor eeuwig mijn geloof verteerden.

Nooit zal ik die nachtelijke stilte vergeten die mij voor eeuwig

van het verlangen om te leven hebben beroofd.

Nooit zal ik die ogenblikken vergeten die mijn God en mijn ziel vermoordden

en mijn dromen, die het aanzien van de woestijn kregen.

Nooit zal ik dat vergeten, zelfs niet wanneer ik gedoemd zou zijn

even lang te leven als God zelf.

Nooit.

Elie Wiesel

(Eliezer Wiesel (Sighet, 30 september 1928), algemeen bekend als Elie Wiesel, is een Joods-Roemeens-Frans-Amerikaans schrijver van verschillende boeken over zijn ervaringen tijdens de Holocaust, die hij overleefde. Hij ontving de Nobelprijs voor de Vrede in 1986.)

De naam van het concentratiekamp Auschwitz is de bekendste aanduiding geworden van het gruwelijke gebeuren van de moord op zes miljoen joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. De vragen van deze catastrofe zijn voor joden onontkoombaar. De slachtoffers moeten zich wel afvragen hoe het mogelijk was in een God te geloven, die zulk een verschrikkelijk kwaad en lijden had laten gebeuren. Hoe was het mogelijk om midden in de hel vast te houden aan de geboden van de Tora, te blijven geloven in de mens als beeld van God en de hoop niet te verliezen?

De joodse filosoof Emil Fackenheim mag beschouwd worden als de invloedrijkste denker over de holocaust. Volgens hem moet de joodse respons op de holocaust bovenal een wil zijn om te overleven, om te kiezen voor het leven. Het loslaten van het jodendom zou betekenen dat Hitler alsnog postuum een overwinning zou behalen. Daarom kan of mag het joodse volk God niet verwerpen na Auschwitz of ‘God is dood’ uitroepen. Vanuit de gaskamers hoort Fackenheim ‘een gebiedende stem’, die Israël oproept om niet te wanhopen en niet mee te werken aan het overleveren van de wereld aan de krachten van Auschwitz. In Auschwitz onthult God zich als de ethische opdracht om onze verantwoordelijkheid op te nemen, want Hitler is niet dood. Het hitlerisme sluipt vandaag binnen in onze dagelijkse verhoudingen met onze medemens. (racisme), de geschapen werkelijkheid (milieuverloedering en ecofascisme) en God (de Heilige Oorlogen). Om Hitler dan ook geen overwinning te schenken is het belangrijk dat we respect hebben voor de ander in zijn anders zijn: Pool, Duitser, man of vrouw, gezonde of zieke, homo of hetero.



  1. De nazi’s

Toen Adolf Hitler op 30 januari 1933 benoemd werd tot Rijkskanselier had Duitsland een bewogen periode achter de rug. Die periode begon in 1871 toen Duitsland één staat werd. Ze wilde even groot en machtig worden als de oude grootmachten Engeland en Frankrijk. Dit mislukte: Duitsland verloor de Eerste Wereldoorlog en kreeg bij de Vrede van Versailles (1919) enorme verplichtingen opgelegd: gebiedsverlies, militaire inkrimpingen en het betalen van een schadevergoeding aan de overwinnaars Frankrijk, Engeland en de V.S.

Daarna onderging ook Duitsland vanaf 1929 de grote economische crisis, de politieke onrust werd nog groter. Dit leidde tot nog meer ontevredenheid en het zoeken naar schuldigen. Een nieuwe politieke partij, de N.S.D.A.P. (Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiders Partij), wist precies wie de schuldigen waren de buitenlanders (Fransen b.v.) in het algemeen en de joden in het bijzonder. In hun propaganda vereerden ze het eigen, Germaanse of arische ras en kweekten ze haat tegen de joden. Net als de voorbije jaren en eeuwen werden de joden de zondebokken voor alles wat er in de voorbije jaren in Duitsland was misgegaan. De N.S.D.A.P. won zoveel aanhang, dat hun Führer Adolf Hitler Rijkskanselier werd en ze na de Rijksdagbrand in 1933 de verkiezingen won. Op 1 april kreeg Hitler de macht van alleenheerser, op 7 april werden alle joodse ambtenaren ontslagen. Dit was nog maar het begin. Aan het eind van 1933 werden de joden uitgesloten van het openbare en culturele leven, de eerste concentratiekampen werden opgebouwd om Hitlers politieke tegenstanders, vnl. communisten, in op te sluiten (Dachau en Oranienburg).

‘het arische ras’ of ‘joodse bloed’ niet konden verhelen dat je meestal niet kon zien of weten wie een joodse of niet-joodse Duitser of Pool was, werd iedereen die joodse (voor)ouders had, verplicht gesteld zich zichtbaar te maken.

In januari 1942 besloten de nazi’s over te gaan tot de definitieve oplossing van het jodenvraagstuk, de Endlösung: alle joden moesten gevangengenomen worden en omgebracht in vernietigingskampen.

Verklaar de term antisemitisme:


In september 1935 werd aan deze racistische politiek een wettelijke grondslag gegeven: de Neurenberger Wetten:

  • Bepaald werd dat alleen mensen van ‘puur Germaans bloed’ burgers konden zijn van het zgn. ‘Derde Rijk’. Personen met ‘onzuiver bloed’ waren aan hen onderworpen.

  • ‘Zuiver arisch’ en ‘onzuiver bloed’ mochten zich niet met elkaar vermengen, huwelijken en verhoudingen tussen joden en ariërs werden dus verboden.

Hierbij volgden allerlei verboden en geboden, er kwam een strenge controle en veel joden en anti-nazi’s werden gearresteerd. In 1938 werden er nog meer concentratiekampen in Duitsland gebouwd om al die gevangen in op te sluiten: Buchenwald en Sachsenhausen werden naast Dachau en Oranienburg, beruchte plaatsen.

In de nacht van 9 op 10 november 1938 ontlaadde de systematische antisemitische propaganda zich in de ‘Kristallnacht’: 30000 joden werden gearresteerd, 191 synagogen verwoest, 7500 joodse winkels verwoest. Ook in het inmiddels aangesloten Oostenrijk waren de joden niet meer veilig. Op 1 januari 1939 kregen de Duitse joden persoonsbewijzen met daarin de vermelding van hun jood zijn.

De tweede fase begon toen Nazi-Duitsland in 1939 Polen bezette en ingelijfd had bij het Derde Rijk. In Polen woonden ruim 3 miljoen joden en de nazi’s namen nog scherpere maatregelen: er werden ghetto’s gevormd en joden moesten een armband dragen (als voorloper van de gele Davidster). Omdat alle theorieën over

Vooral de Poolse kampen speelden hierin een grote rol: Auschwitz, Treblinka, Chelmno, Sobibor, Madjanek en Belzec.



Meer dan vijf miljoen joden vonden de dood, daarbij kwamen nog eens evenveel anderen om: zigeuners, homoseksuelen, verzetsmensen, communisten, gehandicapten, kortom: alle groepen die volgens de nazi’s niet op deze wereld thuishoorden.




  1. Wie zijn onderstaande mensen?

.









  1. Auschwitz: hoe kon het ooit gebeuren?

Er is enorm veel geschreven over de holocaust. Wat men zich vaak afgevraagd heeft nadien is hoe deze jodenvervolging en de massamoorden op zulk een grote schaal konden gebeuren. Hoe komt het dat mensen in staat zijn om andere mensen zulk een kwaad aan te doen?

Om het gedrag van de nazi’s te verklaren, doet men beroep op volgende begrippen (beschouwd als de drie ‘dagelijkse’ ondeugden van het kwaad – theorie van D. Pollefeyt):



  1. Fragmentatie:

Fragmentatie is jezelf opsplitsen. Daders splitsen zichzelf als het ware in stukken, kunnen in veel omstandigheden heel goed functioneren en geven naar de buitenwereld toe ook die indruk. Binnen de besloten wereld van de arbeid bvb. oefenen ze echter veel geweld uit. Daders hebben een dergelijke techniek nodig om te leven en om het misbruik en geweld te kunnen volhouden. Deze fragmentatie werkt niet enkel bij plegers van geweld, maar ook bij omstanders en getuigen. Zelfs bij slachtoffers van geweld kan dit een soort van ‘verdedigingstechniek’ zijn.

Het wordt dan gekenmerkt door het loskoppelen van gevoelens, handelingen, ervaringen van het gewone bewustzijn. Het misbruik of het geweld wordt naar het onbewuste verschoven. Lichaam en geest worden op zulke momenten vaak van elkaar gekoppeld, zodat in sommige gevallen van geweldpleging het slachtoffer er zich zelfs niks meer van herinnert. De gevoelens die samenhangen met het geweld worden afgesplitst. Een dergelijke houding is duidelijk een overlevingsmechanisme.

In de kampen bleek fragmentatie onder de opzichters heel veel voor te komen. Overdag waren veel bewakers bij de ergste wreedheden betrokken en 's avonds schreven zij vaak de meest romantische brieven aan hun familie. In feite hanteerden zij twee verschillende ‘ethieken’ (een arbeidsethiek en een familiale ethiek) die zij niet op elkaar lieten inwerken.

Kan je hiervan nog voorbeelden geven?

Waarom is fragmentatie volgens Pollefeyt een dagelijkse ondeugd denk je?


  1. Zelfbedrog

Zelfbedrog houdt in dat men eigenlijk wel weet dat men bij het kwaad betrokken is, maar dat doorheen processen als fragmentatie en depersonalisatie het kwaad niet langer echt kwaad lijkt. Op deze manier is het voor mensen ook mogelijk om het kwade te doen met een goed geweten. Zelfbedrog heeft te maken met het feit dat men een goed mens is wil volhouden ten opzichte van zichzelf als ten opzichte van anderen. Men is dus wel op het goede gericht.

Waarom is zelfbedrog zowel passief als actief?

Pas zelfbedrog toe op het verhaal van de barmhartige Samaritaan.

Gesprek met een wetgeleerde; gelijkenis van een barmhartige Samaritaan
     [25] Daar* kwam een wetgeleerde naar Hem toe om Hem op de proef te stellen. ‘Rabbi,’ zei hij, ‘wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?’ [26] Hij zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Hoe leest u dat?’ [27] Hij gaf ten antwoord: ‘U zult de Heer uw God liefhebben* met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’ [28] Hij zei tegen hem: ‘Juist geantwoord! Doe dat en u zult leven.’
     [29] Maar hij wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Ja maar, wie is mijn naaste?’ [30] Jezus* nam weer het woord en zei: ‘Op reis van Jeruzalem naar Jericho viel iemand in handen van rovers. Ze schudden hem uit, mishandelden hem en lieten hem halfdood achter. [31] Toevallig kwam er een priester langs die weg; hij zag hem, maar liep in een boog om hem heen. [32] Ook een Leviet die voorbijkwam en hem zag, liep in een boog om hem heen. [33] Toen kwam er een Samaritaan langs die op reis was; hij zag hem en was ten diepste met hem begaan. [34] Hij ging naar hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze. Toen zette hij hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een herberg, waar hij hem verder verzorgde. [35] De volgende ochtend haalde hij twee denariën tevoorschijn en gaf ze aan de waard. “Zorg voor hem,” zei hij, “en als u nog meer kosten moet maken, zal ik ze u op mijn terugreis vergoeden.” [36] Wie van die drie is naar uw mening de naaste geweest van de man die in handen van de rovers was gevallen?’ [37] Hij zei: ‘Hij die hem barmhartigheid heeft bewezen.’ Jezus zei tegen hem: ‘Doe dan voortaan net als hij.’

3. Depersonalisatie:

Depersonalisatie is de anderen ontdoen van hun menselijkheid. De anderen worden niet meer als mens beschouwd. Het is juist door iemand anders niet werkelijk als ‘persoon’, als ‘subject’ te zien dat het mogelijk wordt om dit individu geweld aan te doen. Plegers van geweld zien een andere persoon vaak als iemand in het verlengde van de eigen behoeften en verlangens en niet als werkelijk ‘subject’.

De filosoof Levinas (één van de grootste denkers van de twintigste eeuw) spreekt in deze context van ‘De vragende blik van de ander’ of ‘Het appèl van het gelaat’. Hij stelt dat de kracht van het gelaat een ethische kracht is, die mij verplicht om mijn verantwoordelijkheid op te nemen. Omdat we er niet altijd voor kiezen om dat te doen, blijft er volgens hem zoveel wreedheid en discriminatie bestaan in deze wereld.

Volgens hem bestonden de meest geraffineerde methoden van de nazi’s erin om de joden te ontdoen van iedere vorm van persoonlijkheid, zodat het kwaad kon worden ‘gerechtvaardigd’ wegens het ontbreken van enige menselijkheid of individualiteit bij de joden.

Welke ‘methoden’ in de kampen waren erop gericht de joden te ontdoen van hun persoonlijkheid, individualiteit?

4. Machtswellust:

Van machtswellust is sprake als de (fysieke) overmacht misbruikt wordt om de wil op te leggen aan de ander tegen de wens van die ander in of wanneer (fysieke) overmacht wordt misbruikt om de ander te bedreigen met het doel om angst te creëren. De dader wil zijn macht bewijzen of uitdrukken en schept er plezier in dit uit te buiten.

Kan je voorbeelden geven van de ‘machtswellust’ in de kampen?


  1. Benaderen van het kwaad

Ook over de nazi’s en de holocaust zelf zijn enkele ethische theorieën bedacht. Grosso modo kan je zeggen dat het kwaad dat in de verschillende concentratiekampen verricht werd (en de verantwoordelijken hiervoor) op drie verschillende manieren wordt benaderd.

  1. Diabolisering:

De holocaust wordt bekeken als het ultieme kwaad; nazi’s als monsters, duivels… Men legt de nadruk op het immorele karakter van het nazisme.

Men gaat alle schuld afschuiven op de nazi’s. Mensen kiezen spontaan voor de diabolisering omdat dit de ideale manier is om het inzicht te ontlopen dat wij allemaal een aantal trekken tot onmenselijkheid in ons dragen. De diabolisering bevordert de zekerheid, het overzicht en de geborgenheid: de boze, dat is de andere! Een dergelijke voorstelling is voor jezelf in ethisch opzicht geruststellend en bevredigend (het kwaad is in de ander gelokaliseerd en kan zelfs gewroken worden) en ik ben vrijgepleit van alle schuld. De dader daarentegen valt volledig samen met zijn daad en de daad is een adequate uitdrukking van de hele persoonlijkheid van de dader. De dader wilde bewust kwaad doen en is dus door en door slecht.

Wat is het gevaar van deze theorie?


  1. Banalisering:

Men beschouwt de holocaust als iets dat niet van veel belang is. Het wordt voorgesteld als iets alledaags, iets banaals. Hier wordt de nadruk gelegd op het amorele aspect van het nazisme.

Banalisering hangt samen met ‘deculpabilisering’, of het zich afschuiven van schuld. Probleem hier is dat de vrijheid en de verantwoordelijkheid van de dader wordt geminimaliseerd.

Welke link zie je met het negationisme en het revisionisme?


  1. Ethisering:

Dit is de morele omgang met het kwaad. Het kwaad wordt feitelijk niet als kwaad beschouwd, maar als een ethisch goed. Het kwaad wordt ‘verschoond’; alles wordt mooier en minder erg voorgesteld dan het eigenlijk is. Men zegt daarbij te handelen ‘in naam van het goede’.

Waarom is ethisering problematisch?



Denk je dat de nazi’s er echt van overtuigd waren dat ze goed deden? Waarom wel/niet?

De ethische paradigma’s verder ontrafeld

1. De diabolisering


Om de diabolisering ten volle te begrijpen moeten we ons concentreren op het slachtoffer. We zijn net als het slachtoffer geschokt door de (gruwel)daden van de boosdoener. We willen onze morele verontwaardiging uitschreeuwen, we koken van woede en willen dit in taal en teken vertolken. We willen de dader(s) de ontoelaatbaarheid van hun daden “aan den lijve” laten aanvoelen. Diabolisering is een zeer menselijk gebeuren, in die zin dat het een instinctieve, impulsieve reactie is op de confrontatie met het kwaad. Men moet er niks voor doen, het gaat er gewoon om de verontwaardiging, de woede vrij spel geven.
Deze maar al te menselijke verontwaardiging kan echter door middel van de wraak al vlug uitmonden in een ‘onmenselijke’ reactie. De nazi is een duivel (diabolos), een sadistisch monster dat moet uit de weg geruimd worden. Juist omwille van onze toorn, onze woede gaan we de vaak ingewikkelde realiteit vereenvoudigen tot een tweegevecht van “belle en het beest”. Wij scharen ons met het slachtoffer achter de banier van het goede en trekken, wellicht met de beste intenties, ten strijde tegen het kwade. Het diaboliseringsparadigma werkt dus met zwart-wit-mechanismen: wij zijn helemaal goed en de ander is helemaal slecht. Deze houding heeft echter verregaande gevolgen voor vergeving en verzoening. Vermits de boosdoener door en door slecht is, kunnen we ons enkel even hard en onbarmhartig opstellen, net zoals de Duitsers niet luisterden naar de smeekbeden van de joden. Het grote gevaar van de diabolisering is dus het herhalen van het kwaad. Net zoals de joden voor de Duitsers geen mensen, maar ongedierte, bacillen, on-mensen (Untermenschen) waren, die moesten verdelgd worden, zo waren de Duitsers geen mensen, maar sadisten, monsters, duivels die moesten uit de samenleving verwijderd worden (terechtstellen zoals bijvoorbeeld gebeurd is met Eichmann). Net zoals de joden geen mensen waren, maar pestbacillen of ratten, zullen ook de nazi’s omschreven worden als ratten. We stellen vast dat de diabolisering maar al te vlug leidt tot een spiraal van geweld. Voor vergeving is geen plaats binnen dit paradigma. Vergeving zou men interpreteren als een verraad aan het lijden van de slachtoffers, als een meeheulen met de vijand.
Het is voor de aandachtige lezer meer dan duidelijk, dat ondanks de grote populariteit van dit model, er zware tekortkomingen aan gekoppeld zijn. We hebben al gesteld dat men heel ingewikkelde situaties te eenvoudig gaat voorstellen met zwart-wit-mechanismen. Eveneens hebben we vermeld dat deze visie wel eens de motor kan vormen voor een beweging van geweld. Een derde probleem van de diabolisering is het feit dat dit paradigma ons niet verontrust. Het plaatst ons in een comfortabele positie doordat wij het kwaad buiten onszelf plaatsen. Geen enkel mens herkent zichzelf in een sadistisch, monsterlijk beeld. Auschwitz wordt dan net als een horrorfilm op de beeldbuis. Bij dat soort films denken we ook niet: “dat kon ik ook gedaan hebben”, “dat kan mij ook overkomen”. Auschwitz kan ons dan niks meer zeggen, want het is een andere taal, uit een andere tijd, uit een andere wereld. Een wereld die helemaal anders is dan onze samenleving die eerlijk rechtvaardig is. Een wereld die anders is dan mijn wereld waarbinnen ik tracht het goede te doen. Als Auschwitz ons echter niks kan zeggen, ons niet kan bevragen of bekritiseren, sterven de vermoorde joden dan niet een tweede dood?

  1. De banalisering

Wetenschappelijk onderzoek rond de getuigenissen van overlevenden van de Holocaust heeft aangetoond dat werkelijk sadisme (beleven van genot bij het opwekken of vaststellen van pijn bij de ander) slechts minimaal aanwezig was bij het Duitse kamppersoneel (5 à 10 %). We kunnen dus met de diabolisering niet verklaren waarom een gans volk (treinbegeleiders, artsen, rechters, boeren, soldaten, fabrieksarbeiders…) jaren aan een stuk heeft meegewerkt aan de uitroeiing van de joden, zonder maar één moment op te houden zichzelf als ethisch hoogstaande wezens te voelen. Zo schreef Rudolf Höss, de kampcommandant van Auschwitz-Birkenau kort voor zijn terechtstelling in 1947: “De openbaarheid mag gerust in mij voortaan het bloeddorstig beest, de wrede sadist, de moordenaar van miljoenen zien- want anders kan de grote massa zich de commandant van Auschwitz immers niet voorstellen. Die zou toch nooit begrijpen, dat hij ook een hart had, dat hij niet slecht was”. Uit de Tischgespräche van Hitler vinden we gelijkaardige uitspraken: “God zij dank heb ik altijd vermeden om mijn vijanden te vervolgen”. “Men kan zijn wil niet door geweld aan anderen opdringen, en ik heb een afkeer van mensen die er genoegen in scheppen het lichaam van hun medemensen te pijnigen of hun geest te tiranniseren”. Sommige denkers stelden dat de Holocaust in het algemeen en de beweegredenen van de Duitsers in het bijzonder niet konden verklaard worden op basis van het sadistische motief. Zo kwam ook ondermeer de joodse filosofe Hannah Arendt tot deze conclusie wanneer ze zag hoe Adolf Eichmann zich verdedigde op zijn proces in Jeruzalem in 1962. Eichmann was één van de belangrijkste figuren voor de organisatie en coördinatie van de jodenuitroeiing. Hij wist bij de val van het Dritte Reich de dans te ontspringen en vluchtte met zijn gezin naar Argentinië. Een speciale joodse elite-eenheid arresteerde Eichmann en transporteerde hem naar Israël, waar hij in Jeruzalem terecht stond. Gideon Hausner schilderde Eichmann af als een aartsmonster. We zien echter geen breedgebouwde beul met sadistische trekjes, maar een doodgewoon burgermannetje, die op een zielig wijze uitlegt wat zijn plaats in het systeem is. Hannah Arendt wijst duidelijk op de middelmatigheid van Eichmann. Vandaar spreken we ook over het paradigma van de banalisering. Het kwaad is niet banaal, maar de boosdoener. Hij is een mens zoals u en ik, als Jan in de straat. Wat is dan de schuld van Eichmann binnen deze denkwijze? Hij antwoordt zelf: “mijn schuld is mijn gehoorzaamheid”. “Ik deed het omdat ik het moest doen, ik was maar een tandwieltje in het nazistisch rad. Ik gehoorzaamde wat men mij opdroeg”. Heel belangrijk binnen dit paradigma is de verontschuldiging (deculpablisering). Een mens kan niet verantwoordelijk gesteld worden voor iets als er geen sprake van vrijheid is. Maar wanneer is een mens vrij? Freud leerde ons de macht van het onbewuste, de driften, de biologie leerde ons dat de mens geboeid is in DNA-ketens, de sociologie vertelt ons dat de afkomst bepalend is…. . De dader wordt nu zelf slachtoffer. Hij is misbruikt geweest door de machthebbers. De dader was ter goeder trouw, maar zijn oversten hebben zijn trouw misbruikt. In het tweede paradigma neemt de perverterende kracht van de cultuur plaats op de beklaagdenbank en niet de daders.
Het probleem is weerom de vergeving. Hoe kan je nu nog spreken over vergeving als de dader niet eens duidelijk schuld bekent of draagt. Hij is zelf slachtoffer, hem treft geen schuld, wel de samenleving, zijn godsdienst… . Er is weerom geen sprake van vergeving, hier omdat er niks te vergeven valt: de dader treft geen schuld. Het tweede probleem is de denkfout die dit schema verbergt. Men vergeet het keuzemoment van de dader. Hij heeft bewust gekozen om bepaalde daden te stellen en kan daar in een zekere hoogte voor verantwoordelijk worden gesteld.

3. De ethisering


We hebben in de vorige paragraaf vastgesteld dat we op basis van de banalisering wel bepaalde inzichten verwerven, maar dat deze laatste toch gebukt gaat onder serieuze tekortkomingen. De mens is niet louter een machine die geprogrammeerd en onderhouden wordt door leiders. Het gaat om mensen met een eigen wil, die zelf beslissingen maken. Het dient ook gezegd te worden dat heel wat nazi’s zich maar al te graag van hun taak gekweten hebben. Ze hebben dus niet louter gehandeld omwille van de druk van bovenaf. De historicus Hillberg maakt ook duidelijk dat de bevelen uit Berlijn verre van duidelijk waren. De lagere functionarissen dienden met veel toewijding en creativiteit deze abstracte berichten toe te passen op hun concrete situatie. Ze deden het (vaak) niet tegen hun zin, maar gepassioneerd, met volle overgave. Dan rijst onmiddellijk de vraag: “Waar komt die geestdrift vandaan?”. Ze deden het niet vanuit hun lust naar pijn, kwaad (1e paradigma), niet omwille van het systeem dat verdoofde (2e paradigma), maar vanuit de idealen, waarden, overtuigingen die voortvloeiden uit de nazistische ethiek. De nazi was dus niet immoreel (onethisch) zoals het eerste paradigma dat stelt, niet a-moreel (niet in staat om ethisch te zijn) zoals in het tweede paradigma, maar had een heel eigen ethiek. De nazi’s dachten nu eenmaal dat zij het goede deden. Je merkt dat het derde paradigma zich tracht in te leven in de wereld van de dader, zich tracht invoelend op te stellen. Heel wat Duitsers vonden namelijk dat de NSDAP (Nationaal-Socialistische Arbeiderspartij) heel wat te bieden had. Voor de Duitsers viel het Hitlerregime immers niet samen met de judeocide (uitmoorden van de joden). Het uitroeien was gewoon een onderdeel van het nazi waardepakket. Hitler haalde het land uit een politieke, economische crisis, gaf iedereen hoop, een ideaal, werkzekerheid, een land om trots op te zijn, een bloeiende cultuur. Het waren niet altijd verre idealen, maar concrete doelen die werden voorop en ten toon gesteld: iedereen moet op reis kunnen bijvoorbeeld. Zo had de “vrijetijdsafdeling van de nationaalsocialistische gemeenschap, Kraft durch Freude” (NSG KdF) in de periode tussen de machtovername van Hitler en de het uitbreken van de oorlog maar liefst acht miljoen toerpakketten aan een belachelijk lage prijs verkocht. Meer dan 45 miljoen mensen kregen de mogelijkheid om te reizen, zelf om luxueuze cruises te maken. Er werden overal grote autobanen aangelegd, een imponerend olympisch stadion werd in Berlijn opgericht, grote en indrukwekkende regerings- en partijgebouwen werden in neoklassieke stijl opgetrokken, de stadsparken en plantsoenen werden aangelegd en onderhouden. Met al dit goeds dat ze brachten, eigenden de nazi’s zich ook het recht toe te bepalen wat goed en slecht was. Er ontwikkelde zich een nazistische moraal, met elementen die gekend waren. Het nazisme leende wat van de religieuze afkeer (jammer genoeg ook van christelijke origine) ten aanzien van de joden, van het nationalisme dat overal opkwam, van de rassentheorieën die al een paar decennia opgang maakten en men voegde er dromen, idealen en waarden aan toe. Men wou een duizendjarig rijk vestigen, de waarden van weleer in ere herstellen. Heel concreet waren gehoorzaamheid, moed, trouw, doorzettingsvermogen, burgerplicht, natiebewustzijn, kampgeest, onbarmhartigheid belangrijke pijlers van het naziereferentiekader. Het moorden was nu eenmaal niet aangenaam, maar men deed het in de naam van het goede, zelfs in de naam van God (Gott mit uns). De nazi was dus eigenlijk een idealist.
Dit model stelt ook duidelijke problemen als men het wil hebben over schuld envergeving. Het is zeer moeilijk om vergeving ter sprake te brengen binnen het derde paradigma, daar de daders eigenlijk het goede nastreefden. Het enige wat je dan nog kunt zeggen: “kijk, wij verschillen in onze visie op wat goed en kwaad is”. Het is alsof we een andere ethische taal spreken en we alleen kunnen vaststellen dat we elkaar niet verstaan. Je kan elkaar niet beschuldigen, je kan je geen schuld toe-eigenen. Waar geen schuld is, is geen verantwoordelijkheid, waar geen schuld en verantwoordelijkheid is, kan geen vergeving zijn, waar geen vergeving kan zijn, kan geen verzoening zijn. We dienen ook de denkfout van het derde paradigma te onderlijnen. Net alles kun je “goed” noemen, niet alles is ethiek. Als alles ethisch is, is niks nog ethisch. Dat wil zeggen: als iedereen zelf kan bepalen wat juist en fout is; dan is niks nog echt goed, zuiver, ethisch. De nazie-ethiek kun je geen ethiek noemen, integendeel, het is een verkrachting van de term ethiek.





Algemeen overzicht





Diabolisering

Banalisering

Ethisering


De moraliteit van de dader
(= wat kan je zeggen van de ethiek van de “boosdoener”)

De immoraliteit van de dader

 

De dader wil het slechte


(denkt aan het slechte)

De a-moraliteit van de dader

 

De dader wilt niet, de leider of het systeem wilt


(denkt helemaal niet na)

De alternatieve moraliteit van de dader
De dader wil het goede
(denkt aan het goede)


Het beeld van de dader dat opgetrokken wordt

De dader als duivel (diabolos), als sadistisch beest

De dader als tandwieltje in een systeem

De dader is een idealist


Positie?

Komt tegemoet aan (de ver-
ontwaardiging, zelfs wraakgevoelens van) het slachtoffer

Komt op voor de dader
(hij is OOK slachtoffer)

Komt op voor de dader (ook hij tracht zich te richten naar het goede)


Mogelijkheid op vergeving en verzoening

Je KAN en MAG de dader niet vergeven. Zijn daden zijn ONVERGEEFLIJK

     
Verzoening is onmogelijk




Je KAN de dader niet vergeven.
Hij draagt geen schuld, hij is niet verantwoordelijk

   


Verzoening is onmogelijk

Je KAN de dader niet vergeven
De dader spreekt een andere “ethische taal”, er is geen communicatie mogelijk

Verzoening is onmogelijk

Waarom is dit denkschema gevaarlijk?

Herhaling van het kwaad: men wreekt het kwaad en start een spiraal van geweld

Minimaliseren van het kwaad:
Men vergeet dat de dader een eigen wil en verantwoordelijkheid heeft

Camoufleren van het kwaad:
Men misbruikt de term ethiek, waarde, het goede. Als alles ethiek is, is niks nog ethiek.



  1. Jezus aan het kruis

Lees onderstaand Bijbelfragment

[32] Er werden ook nog twee misdadigers weggevoerd om samen met Hem ter dood te worden gebracht. [33] Toen ze op het zogeheten Schedelveld* kwamen, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en ook die twee misdadigers, de een rechts en de ander links van Hem. [34] Jezus sprak: ‘Vader, vergeef het hun, want* ze weten niet wat ze doen.’ Ze verdobbelden zijn kleren. [35] Het volk stond toe te kijken. De leiders lachten Hem uit en zeiden: ‘Anderen heeft Hij gered; laat Hij nu zichzelf redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!’ [36] Ook de soldaten dreven de spot met Hem; ze kwamen Hem wijn brengen [37] en zeiden: ‘Ben jij de koning van de Joden? Red dan jezelf!’ [38] Boven zijn hoofd hing het opschrift: Dit is de koning van de Joden. [39] Eén van de misdadigers die daar hingen zei smalend tegen Hem: ‘Ben jij de Messias? Red dan jezelf en ons erbij!’



Huistaak: Hoe moeten we de woorden “zij weten niet wat ze doen” interpreteren in het licht van de Shoah? Of moeten we net zeggen “Vergeef het hen niet, want ze weten wat ze doen”. Probeer deze uitspraak zo goed mogelijk te evalueren aan de hand van de bovenstaande leerstof.

  • De ethische paradigma’s verder ontrafeld 1. De diabolisering
  • 3. De ethisering
  • Algemeen overzicht

  • Dovnload 246.88 Kb.