Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 1: Spelregels voor sociologen

Dovnload 113.64 Kb.

Hoofdstuk 1: Spelregels voor sociologen



Pagina1/3
Datum26.10.2018
Grootte113.64 Kb.

Dovnload 113.64 Kb.
  1   2   3

Hoofdstuk 1: Spelregels voor sociologen

De sociologie is probleem gericht en dient theoretisch en empirisch te zijn.



  • Theoretisch: gebeurtenissen worden met behulp van algemene beginselen verklaard en voorspeld.

  • Empirisch: nagegaan wordt in hoeverre deze beginselen met de werkelijkheid overeen komen. Gedane waarnemingen leiden tot het aanvaarden of verwerpen van theorieën.

De sociologie is probleem gericht. Stel een probleem, formuleer een theorie en verricht onderzoek. In een wetenschap worden problemen (P) gesteld, waarna theorieën (T) worden uitgedacht, die voorlopige oplossingen voor deze problemen bieden welke vervolgens worden bekritiseerd met behulp van onderzoeksbevindingen (O). Onderzoek leidt vaak tot een nieuw probleem:

P1  T1  O1  P2  T2  O2  P3  etc.



Hoofdvraag van de sociologie

Grondlegger (klassiek socioloog)

Theoretische oriëntatie/traditie

Ongelijkheid (stratificatieproblematiek: sommige samenlevingen kennen meer lagen dan andere en de afstanden tussen de lagen verschillen.)

Marx (1818-1883)

Historisch materialisme

Cohesie (mate van samenhang samenleving; ordeprobleem: geringe samenhang samenleving blijkt o.a. uit gebruik van geweld.)

Durkheim (1858-1917)

Structureel functionalisme

Rationalisering (mate waarin rationaliseringsprocessen zich binnen samenleving voltrekken; moderniseringsprobleem, vraagstuk sociale verandering.)

Weber (1863-1920)

Interpretatief individualisme

De hoofdvragen van de sociologie bezitten een hoge mate van algemeenheid die blijkt uit het feit dat ze verschillende deelvragen omvatten. Tegelijkertijd kennen ze een zodanige nauwkeurigheid dat men bij het zoeken naar een antwoord een uitweg uit de doolhof der vaagheid kan vinden.

Logische volgorde bij het stellen van problemen: Beschrijvingsvraag  trendvraag/vergelijkingsvraag  verklaringsvraag  toetsingsvraag  toepassingsvraag.

Het antwoord op een verklaringsvraag bestaat uit een theorie. Theorieën zijn gedachteconstructies waarmee wordt getracht verschijnselen te verklaren. Verklaringen zijn afleidingen van bijzondere uitspraken die een bepaald verschijnsel beschrijven (explanandum) uit een aantal andere uitspraken (explanans). Het explanans omvat:



  • bijzondere uitspraken over de condities waaronder het verschijnsel zich voordoet;

  • algemene uitspraken.


Hoofdstuk 2: Voer voor sociologen: geweld, ondergeschiktheid, welvaart

Het probleem van geweld of orde



Hobbes (1588-1679): Onder welke omstandigheden leven mensen vreedzaam samen? Hobbes oplossing van het ordeprobleem bestaat uit:

  • beginselen over de gestelde doelen en gekozen middelen van personen;

  • bijkomende veronderstellingen over het grondgebied waarop mensen leven;

  • stellingen over het aantal mensen dat op die plek door geweld sterft.

Op elk leefgebied (1) waarover geen staat heerst, (2) waar zich schaarste voordoet en (3) de mensen ongeveer even sterk zijn, woedt ‘een oorlog van allen tegen allen’ en is het leven ‘eenzaam, schamel, naar, wreed en kort’.

Onder een staat leven mensen langer en in welstand. Dan vermijden ze de straf die staten op geweld stellen. Omdat geweld dan achterwege blijft, worden ze ouder. Daarnaast weten de onderdanen van een staat zich zekerder van de voortbrengselen van hun eigen arbeid. Ze gaan daarom grond bewerken, een ambacht uitoefenen en handelen in de voortbrengselen van hun arbeid. Daardoor stijgt hun levenspeil.



Locke verbeterde in 1690 de theorie van Hobbes. Volgens Locke bant een staat bloedvergieten op zijn grondgebied niet altijd uit. Welke omstandigheden verkleinen onderdrukking en corruptie en verminderen daarmee de kans dat de inwoners van een land in opstand komen? Voor degene met het alleenrecht om iemand aan te klagen en het alleenrecht om eindoordelen uit te spreken, is het verleidelijk om ten nadele van tegenstanders en ten gunste van vrienden te handelen. Als beide machten zijn gescheiden, is de kans op misbruik kleiner. Hoe minder onderdrukking en corruptie zich in een staat voordoet, des te kleiner is de kans op volksopstand.

Bentham stelde in 1789 dat mensen lusten najagen en lasten vermijden. Ze voeren die handelingen uit waarvan de baten (lusten) het meest de kosten (lasten) overtreffen.

  1. Als mensen kunnen kiezen tussen twee of meer handelingen, voeren ze die handeling uit waarvan de lusten het meest de lasten overtreffen.

  2. Het naleven of overtreden van de wetten van een land vormt voor de inwoners van dit land zo’n handelingsalternatief.

  3. Als de baten minus kosten van wetsovertreding groter zijn dan de baten minus kosten van wetnaleving, overtreden mensen de wetten van een land.

  4. In een land waar zwaarder, langer en sneller wordt gestraft en de pakkans groter is, zijn de kosten voor een wetsovertreder hoger.

  5. Hoe zwaarder een land straft, hoe sneller het vonnist, hoe langer de straffen er duren en hoe hoger de kans op veroordeling er is, des te minder worden de wetten van dit land overtreden.

Geleding van het gewelds- of ordeprobleem

Geweld/orde:



  • Geweld van mensen tegen mensen;

  • Geweld van velen tegen velen (burgeroorlog);

  • Geweld van iemand tegen een ander (moord en doodslag);

  • Geweld van weinigen tegen velen (terreur);

  • Geweld van velen tegen enkelingen (georganiseerde misdaad).

  • Geweld van staten tegen elkaar (oorlog);

  • Geweld van een staat tegen zijn inwoners (onderdrukking);

  • Geweld van mensen tegen hun staat (opstand).

Ferguson (1723-1816) en het probleem van ongelijke verhoudingen en verdelingen: Rechten en regelmatigheden zijn geen uitvoering van een bepaald ontwerp, maar een onbedoelde uitkomst van menselijk handelen. Ferguson richt zich op de ongelijke verdeling over de leden van een samenleving van schaarse goederen als aanzien, grond en welstand. Ongelijkheden in de verdeling van schaarse goederen.

Millar (1735-1801): Richt zich op ondergeschiktheid en deelt de vraag hoe ongelijk de verhoudingen die er bij gewoonte of wet tussen de leden van een samenleving bestaan, in vieren:

  1. mannen en vrouwen;

  2. ouders en kinderen;

  3. heerser en onderdanen;

  4. meesters en knechten.

Elke verbetering in de bestaanswijze – van jacht via veehouderij naar grondbewerking en ten slotte arbeidsdeling en handel – zwakt iedere vorm van ondergeschiktheid af. Millar richt zich op ongelijkheden in de verdeling van allerlei diensten. Geleding van het ongelijkheidsprobleem:

Ongelijkheden in de verdeling van goederen en diensten:



  • Ongelijk verdeelde goederen;

  • Ongelijke rechtsverhoudingen

  • Ondergeschiktheid van vrouwen aan hun man;

  • Onderschiktheid van kinderen aan hun ouders;

  • Ondergeschiktheid van onderdanen aan hun heerser;

  • Ondergeschiktheid van personeel aan hun meester.

Smith (1723-1790) en het welvaartsprobleem: Waarom verschillen staten in welvaart? Het gaat voorspoediger met een land als er per jaar en per hoofd meer goederen worden vervaardigd. Grotere markten leiden tot meer arbeidsdeling; meer arbeidsdeling leidt tot de voortbrenging van meer goederen. Als markten volledig vrij zijn, is de productie optimaal.

Als markten vrij zijn, als individuen alles mogen doen wat ze maar willen zo lang ze het maar op vreedzame wijze doen, dan is de welvaart in een land hoger én de welvaart van elke inwoner in dat land.



Utilitaristisch individualisme:

  • Individualistisch: vragen over samenlevingen worden beantwoord met hypothesen over individuen;

  • Utilitaristisch: antwoorden houden in dat mensen hun nut nastreven.

Hobbes, Locke, Bentham, Ferguson, Millar en Smith.

Hoofdstuk 3: Ongelijkheid

Historisch materialisme: Maatschappelijke verschijnselen – zoals cohesie, rationalisering en bovenal ongelijkheid – zijn te verklaren uit de wijze waarop de mensen in hun bestaan voorzien. Veranderingen in de materiële basis van samenlevingen bepalen het verloop van de geschiedenis.

Marx (1818-1883) en Engels (1820-1895) voorspelden dat de maatschappij waarin zij leefden – Europese landen met een ver voortgeschreden arbeidsdeling en met vrijheid van arbeid en eigendom – steeds grotere ongelijkheden ging vertonen. Algemene wet van de kapitalistische accumulatie: De groei van de totale hoeveelheid kapitaal leidde in de negentiende eeuw tot een steeds hogere opstapeling van rijkdommen aan de kant der kapitaalbezitters en tot toenemende armoede voor de leden van de arbeidende klasse. Engels en Marx verbonden de vragen van Ferguson (verdelingen) en Millar (ondergeschiktheid) met elkaar: Hoe ontwikkelen zich in een kapitalistische samenleving de verschillen in inkomen tussen kapitaalbezitters en arbeiders?

Ongelijkheidsprobleem en de vraag van Engels en Marx

Ongelijkheden in één of meerdere opzichten tussen bepaalde categorieën inwoners in een samenleving:



  • de mate van onderscheid tussen arm en rijk;

  • de mate waarin personeel ondergeschikt is aan hun meester;

  • verschillen in levensstandaard tussen kapitaalbezitters en arbeiders.

Kern historisch materialisme

  1. Welke productiewijze een samenleving ook kent,

  2. elke ongelijkheid in die samenleving

  3. berust op een of andere vorm van dwang;

  4. deze dwang leidt tot een bepaalde vorm van strijd

  5. en soms resulteert deze strijd in de afschaffing van de oude dwangmiddelen en het verdwijnen van de oude ongelijkheden

  6. en onder bepaalde omstandigheden tot de komst van gelijkheid.

Klassieke historisch materialisme (Engels 1845 en Marx 1867)

  1. In samenlevingen waar niet alleen spierkracht en gereedschap productiemiddelen zijn maar tevens machines, en waar sommige personen eigenaar van machines zijn (kapitaalbezitters), terwijl andere personen moeten leven van hun arbeidskracht (arbeiders),

  2. dalen de arbeidslonenen en stijgen de winsten van de kapitaalbezitters,

  3. en wel doordat kapitaalbezitters dreigen met de vervanging van arbeidskracht door machines;

  4. tegen die dwang ontstaat gewelddadig verzet,

  5. en als arbeiders zich van die dwang bewust worden en zich aaneensluiten, winnen ze deze gewelddadige strijd en wordt privé-eigendom van de productiemiddelen afgeschaft;

  6. en als de productiemiddelen gemeenschappelijk bezit worden, ontvangen mensen voortaan consumptiegoederen naar hun behoeften.

Centralisatiehypothese:

  1. In kapitalistische samenlevingen

  2. Raakt de alsmaar groeide hoeveelheid kapitaal bij steeds minder kapitaalbezitters geconcentreerd,

  3. en wel doordat grote eigenaren de kleine eigenaren door prijsafbraak uit de markt drijven.

Kapitaalbezitters zetten hun dwangmiddelen tegen de leden van de arbeidende klasse in, als onbedoeld gevolg van de concurrentie in een vrijemarkteconomie.

Revisionistische historisch materialisme (scholingshypothese, politieke-rechtenhypothese)

Bernstein (1850-1932): Zolang arbeiders niet de vrijheid hebben zich in vakbonden te organiseren, zolang de stem van een arbeider bij verkiezingen voor een parlement niet even zwaar telt als die van een kapitaalbezitter en zolang dit parlement de ministers van een regering niet naar huis kan sturen, gaan de lonen van arbeiders er relatief (in vergelijking met de winsten van kapitaalbezitters) op achteruit.

  1. In kapitalistische samenlevingen zonder vrijheid van vereniging en vergadering en zonder een grondwet die aangeeft dat iedereen stemrecht voor een parlement heeft, eenieders stem even zwaar weegt en ministers aan dit parlement verantwoording zijn verschuldigd,

  2. worden de arbeiders niet absoluut, maar wel relatief armer;

  3. (Bernsteins scholingshypothese) de arbeiders gaan er absoluut op vooruit doordat arbeid met de mechanisering van de productiewijze geschoold raakt en kapitaalbezitters minder dwang op geschoolde dan op ongeschoolde arbeiders kunnen uitoefenen; de arbeiders worden relatief armer doordat scholing niet geheel de dwang teniet kan doen die kapitaalbezitters uitoefenen;

  4. onder deze omstandigheden wordt de strijd tussen arbeiders en kapitaalbezitters steeds meer een strijd om de uitbreiding van politieke rechten; die strijd is niet uitsluitend gewelddadig en heeft succes; naarmate de verworven politieke rechten ruimer zijn, wordt de strijd tussen arbeiders en kapitaalbezitters meer syndicalistisch en parlementair van aard, daarmee vreedzame vormen aannemend;

  5. wanneer de arbeiders zich in vakbonden en partijen aaneensluiten, krijgen ze bij stapsgewijze hervormingen allerlei sociale rechten,

  6. terwijl door de invoering van sociale rechten de inkomens van arbeiders en kapitaalbezitters ook in relatieve zin minder van elkaar gaan verschillen.

Bernsteins alternatief voor Marx’ uitspraak over een tweede vorm van ongelijkheid in een kapitalistische samenleving:

  1. In kapitalistische samenlevingen

  2. neemt het aantal kleine eigenaren niet af, het stijgt zelfs;

  3. en wel doordat – door de toenemende vraag naar nieuwe consumptiegoederen als gevolg van hogere lonen – nieuwe bedrijfstakken met kleine eigenaren ontstaan, en doordat grote eigenaren in oude bedrijfstakken de kleine eigenaren in nieuwe bedrijfstakken minder beconcurreren dan die in oude.

Orthodoxe historisch materialisme (kolonialsimehypothese, wereldsysteemtheorie, mondialiseringshypothese)

Luxemburg (1871-1919): Het revisionisme ging ervanuit dat de negentiende-eeuwse Europese staten opzichzelfstaande samenlevingen vormden. Dat was echter niet het geval. Kolonialismehypothese:

  1. Als kapitalistische samenlevingen kolonieën hebben en aldus het moederland van een imperium zijn,

  2. dan stijgen in de moederlanden de lonen van arbeiders in absolute, maar niet in relatieve zin, terwijl de lonen van arbeiders in de koloniën in absolute zin dalen;

  3. en wel doordat kapitaalbezitters meer dwang uitoefenen over de arbeiders in hun koloniale ondernemingen, en met de daar gemaakte winsten de arbeiders in de moederlanden afkopen;

  4. het zoeken van moederlanden naar koloniën leidt tot oorlogen tussen de imperia,

  5. en deze oorlogen leiden tot de ondergang van het kapitalisme.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de koloniën zelfstandig, de kolonialismehypothese werd gefalsificeerd. Frank (1969) kwam met de afhankelijkheidstheorie die sinds Wallerstein (1983) bekend staat als de wereldsysteemtheorie:

  1. In sommige kapitalistische landen bevinden zich de hoofdzetels van ondernemingen (het centrum van de kapitalistische wereldeconomie), in andere (de periferie) staan alleen nevenvestigingen, waarbij veelal in de nevenvestigingen grondstoffen worden gewonnen of verbouwd en in de hoofdzetels daaruit eindproducten worden vervaardigd;

  2. in het centrum stijgen de lonen absoluut en relatief, terwijl ze in de periferie relatief en absoluut dalen,

  3. en wel doordat ondernemingen met de hoofdzetel in het centrum en nevenvestigingen in de periferie (multinationals) meer dwang uitoefenen over arbeiders in de periferie dan over arbeiders in het centrum;

  4. hierdoor komen in de periferie gewelddadige bewegingen op tegen regeringen die multinationals niet aan banden leggen.

De mondialiseringshypothese (Reich 1991 en Klein 2001) gaat over de gevolgen van de vrijhandel in grondstoffen én eindproducten voor de inkomensongelijkheid in landen met hoge en met lage lonen. Klein (2001):

  1. In een wereld met vrijhandel in grondstoffen en eindproducten waarin wereldwijd in- en verkopende ondernemingen uit hogelonenlanden zich steeds meer toeleggen op merkgoederen,

  2. stijgt in hogelonenlanden de werkloosheid onder academici, dalen er in absolute zin de lonen voor ongeschoolde arbeid in de inudstrie en blijven in lagelonenlanden deze lonen even laag als ze waren en de arbeidsomstandigheden even erbarmelijk,

  3. en wel omdat mondiale ondernemingen arbeid in hogelonenlanden vervangen door arbeid in lagelonenlanden en de onderaannemers in lagelonenlanden tegen elkaar uitspelen;

  4. tegen deze dwang wordt tijdens bijeenkomsten van de WTO en andere internationale organen betoogd door studenten uit hogelonenlanden,

  5. en hoe meer deze studenten via internet komen te weten van de leden van vakbonden in de landen met lage lonen over het optreden aldaar van onderaannemers en hoe meer deze studenten die kennis onderling uitwisselen,

  6. des te sneller wordt de aardbol een wereld zonder kinderarbeid waarin de productie voldoet aan veiligheidseisen en werknemers minstens het wettelijk minimumloon ontvangen en tevens een wereld zonder logo’s.

In de jaren ’20 waren de ondernemingen in de VS wel groter geworden, maar was het eigendom versplinterd ‘naamloze venootschappen’. De centralisatiehypothese kreeg met empirische tegenspraak te kamen. Berle (1932) en Means (1968):

  1. Met het aanhouden van de kapitalistische productiewijze in een land,

  2. raakt de hoeveelheid kapitaal verspreid over meer aandeelhouders,

  3. en wel doordat arbeiders hun hogere lonen deels in bedrijfsaandelen beleggen.

Burnham (1941) ging nog verder:

  1. In samenlevingen waar kapitaalgoederen het belangrijkste productiemiddel zijn, en sommige personen door middel van aandelen in een bedrijf eigenaar van kapitaalgoederen zijn (aandeelhouders), terwijl andere personen het feitelijke beheer over kapitaalgoederen voeren (directeuren en commissarissen),

  2. dalen de dividenden van aandeelhouders en stijgen de salarissen en tantièmes van directeuren en commissarissen,

  3. en wel doordat directeuren en commissarissen dwang over aandeelhouders uitoefenen door met opstappen te dreigen.

Sombart (1906) kwam met de mobiliteitshypothese. Hij stelde de vraag: Hoe komt het dat er in de VS geen socialisme is? Volgens Sombart was er iets mis met de derde invulling van het klassieke historisch materialisme.

  1. In kapitalistische samenlevingen

  2. zijn alle bewoners, wat de vrijheid van arbeid en recht op privé-eigendom betreft, voor de wet gelijk; in feite is het voor arbeiders zo goed als onmogelijk een eigen bedrijf te beginnen en daarmee eigendom te verwerven,

  3. en wel doordat gevestigde ondernemers nieuwelingen uit de markt drukken.

Volgens Sombart komt dit doordat veel kapitalistische samenlevingen vroeger feodaal waren, er was geen recht op vrijheid van arbeid. Dit was afgeschaft, maar eigenlijk was er niet veel veranderd. De klasse der kapitaalbezitters raakte na verloop van tijd meer en meer gesloten voor personen uit de arbeidende klasse. In kapitalistische samenlevingen zonder feodaal verleden (VS) is dit niet het geval.

  1. In kapitalistische samenlevingen die geen feodaal verleden hebben gekend en waar ontgonnen grond bestaat die nog niet in particuliere handen is,

  2. beginnen meer arbeiders een eigen bedrijf, waardoor ze sociaal stijgen;

  3. ze doen dat omdat de dwang die kapitaalbezitters in landen met vrije grond over arbeiders kunnen uitoefenen, zwakker is;

  4. en naarmate de sociale stijging in die samenlevingen omvangrijker is, komt er minder strijd voor tussen arbeiders en kapitaalbezitters en neem die strijd ook vreedzamere vormen aan.

Wiley (1967) gaf een ander antwoord op de vraag waarom in de VS geen socialisme is. Sombart zocht naar de verkeerde vormen van strijd tussen de verkeerde groeperingen. Één invulling van Wiley luidt:

  1. In kapitalistische samenlevingen waar steeds meer grond ontgonnen raakt,

  2. worden de schulden van nieuwe boeren zwaarder, terwijl de rentebedragen die schuldeisers ontvangen toenemen,

  3. en wel doordat de boeren voor investeringen in hun bedrijf tegen voor hen steeds ongunstiger voorwaarden leningen aangaan;

  4. dit leidt ertoe dat boeren op partijen stemmen die een lage rente en hoge graanprijzen voorstaan.

Wiley’s tweede invulling luidt:

  1. In kapitalistische samenlevingen die slavernij hebben gekend,

  2. verbetert de levensstandaard van voormalige slaven en van hun nakomelingen maar weinig,

  3. en wel doordat de oude slavenhouders door één lijn te trekken deze mensen van het genot van goederen en diensten blijven uitsluiten;

  4. dit leidt ertoe dat de nakomelingen van slaven deelnemen aan sit-ins, boycots, betogingen en marsen, en dat rassenrellen en –onlusten uitbreken.

Sombart zag alleen strijd in de vorm van stakingen van arbeiders tegen kapitaalbezitters. Wiley bespeurt ook strijd van schuldenaren tegen schuldeisers. Verder wijs Wiley op vormen van strijd tussen consumenten en producenten. Opdeling van ongelijkheidsvragen sinds Sombart

Ongelijkheden tussen boven- en ondergeschikten:



  • Ongelijkheden tussen personen met een sterkere dan wel zwakkere positie op de arbeids- en kapitaalmarkt

  • Scheeftheid

Absolute afwijkingen

Relatieve verschillen



  • Mobiliteit

Intra-generationele mobiliteit (veranderingen binnen generaties)

Inter-generationele mobiliteit (wijzigingen tussen generaties)

Marx, Engels, Bernstein, Luxemburg, Frank, Wallerstein, Reich, Klein, Berle, Means, Burnham, Sombart en Wiley.
Hoofdstuk 4: Vermogens- en inkomensverschillen in Nederland

Vragen over privévermogens wortelen in het klassieke en orthodoxe historisch materialisme. Vragen over uitkeringen uit collectieve vermogens wortelen in het revisionistische historisch materialisme. Dit hoofdstuk legt de nadruk op de scheefheid met betrekking tot inkomensverschillen (relatieve verschillen). Behandelde vragen: Hoe scheef is de personele vermogensverdeling? Is er over de lange termijn gezien een tendens tot concentratie van vermogen of is het kapitaal juist meer gespreid geraakt?

De vermogensverdelingen zijn voor de jaren 1894, 1905 en 1914 erg scheef en ontlopen elkaar nauwelijks. De verdeling in 1920 is minder scheef dan die van eerdere jaren, dus constateert men dat de trend tot nivellering (vermogensverhoudingen worden minder scheef) pas na WO1 inzette. Deze trend hield zich aan tot 1980. Daarna zette de denivellering zich in, die pas na 1989 echt doorzette. Ondanks deze recente ombuiging (van nivellering naar denivellering) is er op de lange termijn gezien toch een trend naar minder scheve vermogensverhoudingen.

  1   2   3

  • Hoofdvraag van de sociologie Grondlegger (klassiek socioloog) Theoretische oriëntatie/traditie
  • Logische volgorde bij het stellen van problemen
  • Geleding van het gewelds- of ordeprobleem
  • Geleding van het ongelijkheidsprobleem
  • Utilitaristisch individualisme: Individualistisch
  • Marx (1818-1883) en Engels (1820-1895)
  • Ongelijkheidsprobleem en de vraag van Engels en Marx
  • Kern historisch materialisme
  • Klassieke historisch materialisme
  • Revisionistische historisch materialisme
  • Orthodoxe historisch materialisme
  • Frank (1969)
  • Berle (1932) en Means (1968)
  • Sombart (1906)
  • Opdeling van ongelijkheidsvragen sinds Sombart

  • Dovnload 113.64 Kb.