Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 1: waarover en hoe denken economen? Waarover denken economen?

Dovnload 278.96 Kb.

Hoofdstuk 1: waarover en hoe denken economen? Waarover denken economen?



Pagina1/9
Datum31.07.2017
Grootte278.96 Kb.

Dovnload 278.96 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

Hoofdstuk 1: waarover en hoe denken economen?

Waarover denken economen?


  • Materiële voorwerp van de economische wetenschap.

  • Economen spreken over de ervaring van een welvaartstekort.

Mensen willen beter wonen, willen reizen, willen cultuur,…

De activiteiten om dat welvaartstekort op te vullen, leggen beslag op schaarse middelen.




  • Ze denken na over het beheer van de schaarse middelen.

  • Hoe kunnen we ze optimaal gebruiken?

Schaarse middelen = productiemiddelen

Productiemiddelen = grondstoffen, arbeid, kapitaal




  • Hoeveel en wat gaan we produceren?




  • Hoe gaan we produceren?

  • Welke productietechnologie

  • Hoe de productie organiseren

Vroeger: iedereen voorziet in eigen behoeften

Nu: arbeidsdeling en specialisatie




  • Waar gaan we produceren?

  • Afhankelijk van de lokale input en output markt

(kostenoverweging)

  • Globalisatie

(men gaat proberen exporteren)


  • Voor wie gaan we produceren?

  • Wie krijgt de geproduceerde goederen

  • Wie verdient hoeveel

De invalshoeken van de econoom (hoe denken economen)


  • Formele voorwerp van de economische wetenschap.

Oneindigheid van behoeften eindigheid van de beschikbare middelen (= beperkt)


Opportuniteitskost


  • De waarde van de verloren gegane best mogelijke alternatieve aanwending van de gebruikte schaarse middelen.

De kost als gevolg van de keuze voor iets.

  • Kiezen = verliezen

  • Om iets te kunnen krijgen moet je iets anders opofferen.

  • De kost als gevolg van de keuze voor iets.


Vb. een moeder die niet gaat werken maar thuis blijft om haar kinderen op te voeden.

  • Opportuniteitskost: het hoogst mogelijke gemiste inkomen op de arbeidsmarkt

  • Schaars middel: tijd


Vb. wonen in een eigen huis.

  • Opportuniteitskost: de hoogst mogelijke gemiste huuropbrengst

  • Schaars middel: 1 huis

Productiemogelijkhedencurve


  • Grafische voorstelling van het keuzeprobleem voor de gehele economie.

Een economie wordt geconfronteerd met schaarste aan middelen en dus met de opportuniteitskost van de keuzes die gemaakt worden.

Product 1
Deze curve geeft de grens weer van de mogelijkhedenverzameling in de economie.

= de grens van de verzameling van alle mogelijke producties




Product 2



  • Alles op of onder de curve is haalbaar

  • Dalend owv de opportuniteitskosten

  • Concaaf owv de stijgende opportuniteitskost naarmate de productie van een goed stijgt.

  • Alle punten gelegen op de curve zijn efficiënt.

Inefficiëntie ontstaat als het mogelijk is om meer te produceren van een goed zonder minder te moeten produceren van een ander goed.

Dit kan vb door het niet gebruiken van alle productiemiddelen.



  • Het doel is om een punt op of boven de curve te halen.

  • De curve doen stijgen naar rechtsboven kan door:

  • Het aantal productiemiddelen te doen stijgen

  • Technologische vooruitgang

  • Arbeidsorganisatie optimaliseren (arbeidsverdeling)

Specialisatie en arbeidsdeling


Arbeidsverdeling: iedereen bekommert zich om 1 welbepaalde taak en dus voorziet iedereen niet alleen in zijn eigen behoeften.



Vb. een vakman spendeert 1 dag aan het maken van een bed en een niet-vakkundige 20 dagen.
Door arbeidsverdeling en specialisatie hebben de individuele producenten een overschot van de goederen die ze produceren en een tekort aan andere goederen.

  • Ze moeten ruilen

Het ruilen van goederen vereist een efficiënte markt.

Er is nood aan maatschappelijke organisatie om te bepalen wat, hoeveel, waar, voor wie,… er geproduceerd mag worden.


3 economische stelsels geven antwoorden op deze vragen:

  • Traditioneel systeem:

De productie en verdeling verloopt volgens eeuwenoude regels.

Dit is bruikbaar is stationaire maatschappijen.

Het is niet aangepast aan nieuwe omstandigheden

Vb. timmerman: zoon, vader, grootvader,… zijn allemaal timmerman





  • Bevelsysteem:

Een centrale overheid bepaalt de productie.

Dit vraagt een gigantische informatieverzameling en verwerking.



Vb. de overheid verplicht mij om timmerman te worden (communisme)

In de gehele economie is dit onhaalbaar.

Dit systeem is niet aangepast aan de maatschappelijke behoeften.

Dit wordt wel toegepast in organisaties waar een kleine groep personen beslissingsmacht heeft. (directie, raad van bestuur,…)




  • Marktsysteem:

De productie wordt bepaald door de beslissingen van de individuele ondernemingen en gezinnen.

Men bepaalt zelf wat hij produceert in functie van eigen belang.


Onze economie: gemengde economie of sociale markteconomie.

  • Een combinatie van een markt- en bevelsysteem.

De overheid corrigeert het marktsysteem op een sociale manier (vb belastingen)

De economische kringloop en economische agenten


Een marktsysteem neemt de vorm aan van een economische kringloop.

De deelnemers hierin noemen we economische agenten.



  • Personen en instellingen die beslissingen nemen betreffende grootheden als de productie, consumptie, aan- en verkoop van goederen en diensten,…

Collectieve beslissingen: vb. beslissingen die de overheid neemt in de naam van de burgers.


Er zijn 3 soorten economische agenten:

Gezinnen doen aan consumptie, ze zijn dus consumenten.

Om aan consumptie te kunnen doen moet je een inkomen hebben.

Het deel dat de consument niet gebruikt voor de aankoop van goederen en diensten wordt gespaard.



Vermogen: consumptie + sparen

Duurzame consumptiegoederen: goederen die meerdere keren gebruikt kunnen worden.

Vb. auto, meubelen,…


Productie: alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht en op de gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van de consument.

De input wordt hier omgezet in output.




Input

Productieproces

Output

Grondstoffen

Arbeid


Kapitaal

Verwerking

Goederen en diensten




  • Waarde output > waarde grondstoffen

  • Waarde output – waarde grondstoffen = Bruto toegevoegde waarde

  • Bruto toegevoegde waarde – jaarlijkse afschrijving = netto toegevoegde waarde = inkomen


Vb. kapper

Input

Productieproces

Output

Grondstoffen (shampoo, water,…

Arbeid (werk van de kapper)

Kapitaal (schaar, tondeuze,…)


Haar knippen

Geknipte haardos


Vb. timmerman

Waarde output: 125 000 euro

Waarde grondstoffen: 75 000 euro
Bruto toegevoegde waarde: 125 000 – 75 000 = 50 000
Waarde kapitaal: 100 000 euro

Levensduur: 4 jaar

Jaarlijks afschrijven: 25 000 euro (sparen voor een nieuwe machine)
Bruto toegevoegde waarde: 50 000 euro

Jaarlijkse afschrijving: 25 000 euro


Netto toegevoegde waarde: 50 000 – 25 000 = 25 000

  • Inkomen


Inkomen = waarden output – waarde grondstoffen – jaarlijkse afschrijving

Het productieproces leidt tot inkomenscreatie.

Het inkomen wordt verdeeld over de eigenaars van de productiefactoren (gezinnen).

Het inkomen wordt door de gezinnen besteed aan de aankoop van goederen en diensten.

Eenvoudige economische kringloop


Zie figuur p 41!!!


  • Inkomenscreatie vindt plaats in het productieproces waar de toegevoegde waarde wordt gecreëerd.

  • Er is inkomensverdeling over de eigenaars van de productiefactoren (de gezinnen)

  • Er is inkomensbesteding door de gezinnen

De binnenste kringloop spreekt in termen van arbeid, goederen en diensten.

De buitenste kringloop spreekt in termen van geld.
Een andere belangrijke economische agent is de overheid.

Dit zijn zowel de centrale als regionale overheden.



  • De overheid bepaalt het wettelijke kader waarbinnen de economische agenten kunnen opereren.

  • De overheid maakt de maatschappelijke keuzes en voert deze uit. (het gaat hier om beslissingen met gevolgen voor de welvaart van een groot deel van de leden van de maatschappij tegelijk.)

  • De overheid neemt deel aan het productieproces door publieke goederen te produceren.

Dit zijn goederen en diensten die door hun aard en kenmerken niet zullen aangeboden worden op de private markt.

Private goederen: vb brood, een auto, een knipbeurt bij de kapper,…

Deze zijn voor private toe-eigening.

Wie er niet voor betaalt wordt uitgesloten.

De private goederen die ik consumeer zijn niet meer voor anderen beschikbaar.

Publieke goederen: vb openbare orde, nationale zekerheid, openbare verlichting..

Deze zijn niet uitsluitbaar.

Het is moeilijk om er een prijs voor aan te rekenen.

De overheid heft belastingen om de kosten hiervan te dekken.

Rationele economische agenten


De basisveronderstelling van de economische wetenschap is dat de economische agenten rationeel zijn.

Iemand zal zijn keuze veranderen als hij hierdoor zijn situatie kan verbeteren.

Bij een rationele situatie is er evenwicht.

Dit is een toestand waarin de economische agenten zich niet kunnen verbeteren.



Vb. wachtrijen aan kassa’s in een grootwarenhuis.
De economische agenten streven een doel na.

Het doel is maximalisatie van de winst en daarbij moeten ze rekening houden met een aantal beperkingen.



Vb. de wachttijd aan de kassa minimaliseren
De economische agent zal evenwicht bereiken als hij zijn winst niet kan doen toenemen, noch door meer of minder te produceren.
Opbrengst van de productie van een bijkomende eenheid > kost

  • Productie uitbreiden

Opbrengt van de productie van een bijkomende eenheid < kost



  • Productie inkrimpen

Opbrengst van de productie van een bijkomende eenheid = kost



  • Evenwicht

  • Marginale kost = marginale opbrengst

De kost van het produceren van 1 extra eenheid = marginale kost

De opbrengst van het produceren van 1 extra eenheid = marginale opbrengst
Zie figuur in samenvatting p3 achterkant!!!

Positieve en normatieve uitspraken


Positieve uitspraken

  • Hebben betrekking op wat is. Er is geen discussie mogelijk

Vb. als de werkloosheidsuitkering omhoog gaat zullen er meer werklozen zijn en is de stimulans om te werken kleiner.
Normatieve uitspraken

  • Hebben betrekking op wat zou moeten zijn. Er is wel discussie mogelijk

Vb. de werkloosheidsuitkering zou moeten dalen.


Het opbouwen van een economische theorie


De formalisering van de economische wetenschap wordt de laatste jaren meer en meer ondersteund dmv wiskundige modellen en technieken.

Er wordt gebruik gemaakt van functies en variabelen.


Voorraadvariabelen: worden gemeten op 1 punt in de tijd. 1 bepaald tijdstip

Vb. de aardappel vraag op een bepaald tijdstip
Stroomvariabelen: worden gemeten over een tijdsinterval.

Vb. inflatie
Deductieve redenering: vertrekt vanuit een theoretisch model en gaat dat empirisch toetsen.

Vb. reis

Eerst: alleen rijke mensen gaan op reis (theorie)

Dan: in zaventem gaan kijken op de luchthaven (waarneming)
Inductieve redenering: vertrekt vanuit een waarneming en leidt daaruit theoretische uitspraken af.

Vb. eerst: veel rijke mensen zien in zaventem (waarneming)

Dan: staven dmv theorie




  1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Hoofdstuk 1: waarover en hoe denken economen Waarover denken economen
  • De invalshoeken van de econoom (hoe denken economen)
  • Opportuniteitskost
  • Productiemogelijkhedencurve
  • Specialisatie en arbeidsdeling
  • De economische kringloop en economische agenten
  • Eenvoudige economische kringloop
  • Rationele economische agenten
  • Positieve en normatieve uitspraken
  • Het opbouwen van een economische theorie

  • Dovnload 278.96 Kb.