Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 1: waarover en hoe denken economen? Waarover denken economen?

Dovnload 278.96 Kb.

Hoofdstuk 1: waarover en hoe denken economen? Waarover denken economen?



Pagina5/9
Datum31.07.2017
Grootte278.96 Kb.

Dovnload 278.96 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

4.2 De keuze van de consument


De consument moet keuzes maken.

Dit is gebaseerd op 2 bouwstenen:



  • Budgetbeperking: het inkomen beperkt de mogelijkheden van de consument

  • Voorkeuren van de consument: voorkeuren geven weer waaraan de consument zijn inkomen wenst te spenderen.

De consument koopt een bepaalde hoeveelheid van alle beschikbare goederen. De combinatie van zo een goederenhoeveelheid noemen we een goederenbundel.

Het aantal goederen is onbepaald.

De budgetbeperking


Zie figuur p 136!!!
De consument kan slechts goederenbundels kiezen die hij kan betalen

p1q1 + p2q2 ≤ y


Alles wat onder of op de budgetrechte ligt is haalbaar. Alles wat erboven ligt is niet haalbaar.
Verandering van het inkomen

De verhoging van het inkomen zal leiden tot een verruiming van de keuzemogelijkheden van de consument.

Bij een verhoging van het inkomen verschuift de budgetrechte naar rechts.

Zie figuur p 139!


Verandering van de prijs van 1 goed

De wijziging in de prijs leidt tot een wijziging in de helling van de rechte.

Een stijging van de prijs doet de budgetrechte naar links kantelen. De budgetverzameling krimpt dan in.

Zie figuur p 140!


Verandering van prijs en inkomen

Als de prijs en het inkomen wijzigen met eenzelfde factor dan blijft de budgetrechte ongewijzigd.

= de afwezigheid van geldillusie

Als de prijzen verdubbelen maar het inkomen ook.

Met is even rijk als ervoor.

De voorkeuren van de consument


Geven aan waaraan de consument zijn inkomen wenst te spenderen.
De consument kan alle combinaties van goederen ordenen naar eigen voorkeur.
De indifferentiecurve verbindt alle goederenbundels die voor de consument indifferent zijn (evenwaardig zijn).

De indifferentiecurve moet op of onder de budgetrechte liggen.

Op alle punten op de indifferentiecurve ben je even gelukkig.

De helling van de indifferentiecurve geeft info mbt de bereidheid van de consument om 1 eenheid van goed 1 op te geven voor een aantal eenheden van goed 2.

Elk punt op een grafiek zal op een indifferentiecurve liggen.

Je zal een punt kiezen zover mogelijk naar rechtsboven.

De ideale keuze is de hoogste curve.

De indifferentiecurve is strikt persoonlijk.

Er zijn een oneindig aantal indifferentiecurven.

De verzameling van de indifferentiecurven noemen we de indifferentiekaart.

Zie figuur p 144!!!

De marginale substitutievoet is een verhouding van minieme veranderingen in de hoeveelheden waarbij de extra CD’s de boeken vervangen.

Deze meet de bereidheid tot betalen voor goed 1 in termen van goed 2.

De MSV is negatief: de afname van een goed moet worden gecompenseerd door de toename in de hoeveelheid van het andere goed.

Een dalende MSV impliceert dat de bereidheid van de consument om te betalen voor extra eenheden van een goed afneemt, naarmate de consument meer heeft van dat goed.


De SV neemt in absolute termen af langs de indifferentiecurve.

De absolute waarde van de SV = rico van de verbindingsrechte tussen de 2 goederen.


De MSV is de raakrechte in 1 punt aan de indifferentiecurve.
Het ideale punt lift op een zo hoog mogelijke indifferentiecurve en ligt op of onder de budgetrechte.

MSV = -P1/P2


De optimale goederenbundel zal gevonden worden waar de indifferentiecurve de budgetrechte raakt.
P 149 – 153 lezen in boek


Hoofdstuk 5: de onderneming – bedrijfeconomische aspecten


Punt 1 – 4 lezen: niet belangrijk.

5.5 de productieverzameling en de productiefunctie


Productie: een menselijke activiteit die inputs met behulp van productiefactoren dmv een technisch transformatieproces omzet in outputs die beter geschikt zijn voor de behoeftebevrediging.
Input -> productieproces -> output
Primaire sector: landbouw, visvangst, bosbouw, extractieve nijverheid,…

Secundaire sector: bewerkende en verwerkende nijverheid zoals voeding, textiel,…

Tertiaire sector: dienstensector

Quartaire sector: alle diensten die niet als doel hebben winst te maken
De productie van goederen en diensten wordt bepaald door technische voorwaarden:

  • De hoeveelheid aangewende productiefactoren

  • De aangewende productietechniek

Een efficiëntere technologie produceert meer output met dezelfde hoeveelheid productiefactor.


Voor een gegeven technologie vormen alle combinaties van de ingezette hoeveelheid arbeid en de daarmee corresponderende output samen de productieverzameling P.

De efficiënte combinaties van arbeid en output liggen op de curve die de bovenste rand van de productieverzameling vormt.

Elk punt onder de grens van de productieverzameling is inefficiënt.
Productiefunctie: Het functionele verband tussen de hoeveelheden productiefactoren en de maximale hoeveelheid output die technisch mogelijk is.

q=f(qA,qk)

Op KT is de hoeveelheid kapitaal veelal een vast gegeven.



Vb. in een fabriek heb je machines nodig, maar het duurt even voor je er een extra bij hebt. (bestellen, installeren,…)
De productiefunctie op LT is afhankelijk van de productietechnologie.

Vb. kleren maken met machine ipv met naald en draad.
qA kan wel veranderen op KT.

Vb. iemand ontslaan/aannemen


5.6 de productiviteit van de productiefactoren


Productiviteit: de bijdrage van een productiefactor tot de productie van een goed.
Fysische productiviteit: als de productiebijdrage in fysische eenheden wordt uitgedrukt.

        • Hoeveelheid, gewicht, volume,…


Waarde productiviteit: als de productiebijdrage in geldeenheden wordt uitgedrukt.

      • Euro


Gemiddelde productiviteit: als men het productievolume per eenheid productiefactor meet.


Marginale productiviteit: als men meet hoeveel de productie aangroeit indien de betrokken productiefactor met een eenheid toeneemt.

        • Hoeveel bladzijden er meer gedrukt worden als je 1 extra uur drukt

Grafische voorstelling van gemiddelde en marginale arbeidsproductiviteit

GP= =


GP = rico van de snijlijn uit de oorsprong naar het betreffende punt op de productiefunctie

= tan van de hoek α


q B
α

qA
GP(B)=

MP = de helling van de raaklijn in een punt van de productiefunctie

= de rico van de raaklijn

= de verandering in output als de arbeid met een kleine hoeveelheid toeneemt

Het gaat over de laatste toegevoegde waarde en de verandering die de toevoeging van die extra eenheid teweeg brengt.
MP=

Zie slides p 10-12 H5!!!!




In praktijk is het vaak zo dat de productiviteit eerst stijgt, dan een maximum bereikt, en dan afneemt.

= wet van de variabele marginale opbrengsten




Vb. je hebt 15 kappers en 10 zetels




  • Variabele marginale opbrengsten ontstaan door het feit dat de kapitaalvoorraad qK constant wordt verondersteld.

Bij een constante kapitaalvoorraad heeft een toevoeging van een extra eenheid arbeid na verloop van tijd geen effect meer.

Variabele meeropbrengsten

De fundamentele oorzaal van het uiteindelijk dalende verloop van de grensproductiviteit ligt in het feit dat een of meer andere productiefactoren constant blijven.


Er bestaat een bepaalde, technisch optimale verhouding tussen de productiefactoren. Als men die verhouding overschrijft door het toevoegen van meer eenheden van een bepaalde productiefactor, dan zal de meeropbrengst ervan dalen.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • De budgetbeperking
  • De voorkeuren van de consument
  • Hoofdstuk 5: de onderneming – bedrijfeconomische aspecten
  • 5.6 de productiviteit van de productiefactoren
  • Grafische voorstelling van gemiddelde en marginale arbeidsproductiviteit
  • Variabele meeropbrengsten

  • Dovnload 278.96 Kb.