Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 10: motivatie en emotie

Dovnload 143.7 Kb.

Hoofdstuk 10: motivatie en emotie



Datum31.07.2017
Grootte143.7 Kb.

Dovnload 143.7 Kb.

Hoofdstuk 10: motivatie en emotie
Motivatie = factoren die ertoe leiden dat een individu zich op een bepaald moment op een bepaalde manier gedraagt

Beïnvloedt de richting vh G (welke doelen zal men nastreven), de intensiteit vh G (hoeveel inspanningen

zal men leveren) en d volharding vh G (hoe goed zal men volhouden tot het doel bereikt is)

theoretisch concept dat we afleiden uit observeerbare gedragingen


Soorten motivatie
Mensen worden aangetrokken tot activiteiten die op h moment zelf als aangenaam ervaren worden en waarvan ze aangename gevolgen verwachten. 2 manieren waarom d richting vh G beïnvloed kan worden:

  • Motivaties kunnen het G in een bepaalde richting duwen als gevolg van behoeften

  • Motivaties kunnen het G in een bepaald richting trekken door doelen die aantrekken of afstoten




  • Motivatie en behoeften

Motivatie komt voort uit behoeften binnen h individu. Behoeften stuwen het G zodat aan h verlangen voldaan wordt

= verklaring voor manier waarop we met lichamelijke basisbehoeften (bv honger, temperatuurregeling) omgaan

Streven naar homeostase = lichamelijke evenwichtstoestand die door individuen in stand gehouden wordt

Hull: Drifttheorie = nagenoeg uitsluitend gebaseerd op h principe vd homeostase

Fysiologische dificts geven aanleiding tot lichamelijke behoefte. Niet bevredigd wordt ontstaat een drift

Drift = psychologische toestand die aanzet tot daden om d drift te reduceren

Het reduceren van de drift is aangenaam en elk G dat daartoe bijdroeg wordt bekrachtigd


Instincttheorie: G bepaald door instincten = onvrijwillige gedragingen met genetische basis uitgelokt door stimulus

Evolutiepsychologen: ook verlangen naar kinderen is op een instinct gebaseerd (Geary)

Motivatietheorieën obv behoeften meest bruikbaar bij verklaren v biologische motivaties

Ook toegepast op motivaties met betrekking tot het psychische functioneren

Opwindingstheorie: streven naar optimaal opwindingsniveau (meten door hersenactiviteit, hartslag, spierspanning)

= verklaring voor exploiratiegedrag

Werkt volgens homeostase (opwinding verhogen als die te laas is en verlagen wanneer die te hoog ligt)

Hoger opwindingsniveau  neiging meer nieuwe, spannende ervaringen op te zoeken


Motivatietheorie van Maslow = bekendste theorie obv behoeften

Onderscheid 5 soorten behoeften  mensen voelen zich goed als ze hun potentieel hebben kunnen realiseren

Persoon wordt alleen gemotiveerd door een behoefte als aan de behoeften op alle lagere niveaus voldaan is

Probleem: belang ve motief neemt niet altijd af wanneer aan dat motief voldaan is

Soms tegenovergestelde: grote voldoening in vervullen behoefte  behoefte wordt belangrijker

Volgorde vd niveaus lijkt niet hetzelfde te zijn voor iedereen

Latere onderzoekers verwijzen liever naar verschillende behoeften die naast elkaar bestaan


  • Motivatie en doelen

Motivatietheorie op basis van behoeften is onvolledig omdat:



  • Visie obv behoeften is in essentie een negatieve visie  geschikt om te verklaren waarom een organisme een stabiele situatie in stand houdt, niet waarom een organisme wil groeien en zich ontplooien.

  • Behoefte gebaseerde visie problemen om zelfdestructief gedrag te verklaren.

  • Alle motivaties worden veronderstelt voort te komen uit het huidige functioneren vd persoon  moeilijk motivaties te begrijpen die afhankelijk zijn v toekomstverwachtingen of sociale beïnvloeding + moeilijk om te ontdekken hoe men de motivatie van een persoon kan beïnvloeden.

Ander denkkader: vaststelling dat doelstellingen mensen er toe leiden bepaald G te vertonen of niet te vertonen

Doel = cognitieve representatie ve gewenste/ongewenste eindtoestand die h G stuurt

Doelgerichte visie over motivatie: acties krijgen betekenis & zin door d doelen die een individu nastreeft

De kwaliteit en intensiteit v gedragingen veranderen wanneer d doelstellingen van een persoon veranderen

Cognitieve representaties  verklaring waarom deze theorie pas vanaf 1970 ingang vond (daarvoor: Behaviorisme)


Verkleinen vd afstand tussen huidige toestand en gewenst doel w als aangenaam ervaren  trekt persoon dichter naar h doel tot d gewenste eindtoestand gerealiseerd is. Motiverende kracht ve doel is afhankelijk v 2 componenten:

  • De waarde die aan het doel gehecht wordt

  • De verwachting die een persoon heeft over de kans om het doel te kunnen bereiken

Voordelen v theorie obv doelen:



  • Nadenken over fenomenen die niet aan bod komen binnen behoefte theorieën:

Intrinsieke motivatie = motivatie gericht op h uitvoeren ve activiteit wegens h plezier dat men in d activiteit zelf

vindt en d voldoening die men haalt uit h voltooien vd activiteit

extrinsieke motivatie = motivatie bepaalde activiteiten vertonen omdat activiteiten leiden tot bereiken ander doel


  • Rekening houden met het toekomstperspectief van een persoon:

Toekomstperspectief = tijdsafstand vd nagestreefde doelen (motivatie doelen op KT = kort toekomstperspectief)

  • Mogelijk oog te hebben voor h belang vd sociaal-culturele context waarin een persoon zich bevindt:

 veel doelstellingen verkrijgen hun waarde door observerend leren of door sociale goedkeuring/afkeuring

Doelen kunnen helemaal van buitenaf opgelegd worden. Bv: goal-setting-theory van Locke1:



  1. Het te bereiken doel moet iets hoger geplaats worden dan het huidige prestatieniveau

  2. De arbeiders moeten betrokken worden bij het bepalen vh doel en er enthousiast voor gemaakt worden

  3. De arbeiders moeten zich beloond voelen na het behalen van het doel

Behoefte gebaseerde motivaties en doelgerichte motivaties sluiten elkaar niet uit



  • Het relatieve belang v behoeften en doelstellingen verschilt afhankelijk van de motivatie


Honger
Regeling door een homeostasesysteem: signaleert wanneer we extra voedsel nodig hebben en wanneer niet meer

Dit systeem wordt aangevuld met cognitieve en sociaal-culturele factoren




  • Biologische signalen voor honger en verzadiging

Enerzijds korttermijn signalen die het lichaam vertellen dat het tijd is om te eten of te stoppen met eten

Anderzijds lange termijn signalen die het lichaam vertellen dat het te dun of te dik is


  • Het suikergehalte in het bloed

Belangrijkste korte termijn signaal voor honger = verlaging van het glucosegehalte in h bloed

Voldoende glucose in bloed beschikbaar voor cellen  hongergevoel daalt + organisme ervaart verzadigingsgevoel




  • Andere korte termijn signalen

Lichamelijke signalen: mate waarin maag gevuld is, het kauwen & proeven v eten  bepalen hongergevoel

Cholecystokinine (CCK): veel in hersenen  stoppen vlugger met eten, beginnen vlugger aan volgende maaltijd

Rolls: mensen eten meer wanneer er variantie is in het voedsel = principe van smaakspecifieke verzadiging

Overlevingsperspectief: het is niet enkel belangrijk voedsel binnen te krijgen, men moet ook voldoende

verschillend voedsel binnenkrijgen zodat het lichaam alle stoffen heeft die nodig zijn

voor een goed functioneren.



Mechanisme over langere tijd: houdt energieopname  = aan energieverbruik zodat lichaamsgewicht stabiel blijft

Leptine = belangrijk hormoon bij h regelen van de vetafzetting



  • Cellen die vet opslaan hebben genen die leptine produceren afhankelijk vd hoeveelheid vet die aanwezig is. De leptine komt in de bloedbaan en informeert d hersenen over d grotere vetreserve. Wanneer het leptineniveau in het bloed hoof is vermindert de honger waardoor de voedselinname beperkt wordt.

Leptinedeficiëntie: behandeling met leptine geeft een spectaculair effect bij zeldzame personen bij wie d vetcellen niet genoeg leptine produceren. (werkt niet bij mensen die om andere redenen overgewicht vertonen)

Streefgewicht = stabiele gewicht dat een lichaam op lange termijn probeert te handhaven

(hoeft niet bij elke persoon hetzelfde te zijn)


  • Hersenmechanismen voor honger en verzadiging

Honger- en verzadigingssignalen hebben enkel effect als ze worden opgepikt door de hersenen  hypothalamus!!

Hypothalamus = structuur in het midden vd hersenen die anatomisch onderverdeeld kan worden in een aantal kernen

Letsel in kern aan d zijkant (Laterale hypothalamus LH)  ratten eten minder en worden broodmager

Letsel in kern in h midden (Ventromediale hypothalamus VMH)  ratten eten te veel en worden zwaarlijvig

Onderzoekers dachten dat ze eerlustregeling gevonden hadden (hongercentrum LH en verzadigingscentrum VMH)

MAAR: letsel LH leidde niet enkel tot minder eetgedrag maar tot minder alertheid in het algemeen

Letsel aan VMH had ook geen effect op het verzadigingsgevoel zelf

Geen grotere maaltijden maar meer maaltijden + abnormaal hoog insulinegehalte

Suikergehalte in hun bloed werd te laag  oorzaak gewichtstoename


  • Cognitieve en sociaal-culturele invloeden

Hoeveel persoon eet is niet enkel afhankelijk van de inwendige toestand van het lichaam, maar ook van omgevingsstimuli en hoe de persoon die percipieert.




  • Aanbod, diëten, leren en negatieve gevoelens

Overvloedig en gevarieerde aanbod in onze samenleving + verkrijgbaar zonder grote inspanningen te moeten leveren

  • Er is in onze maatschappij heel wat incentieve motivatie aanwezig om te eten

Sommige personen eten meer wanneer voedsel aantrekkelijker gepresenteerd wordt  meer kans op zwaarlijvigheid
Dieet: honger en eetgedrag wordt onder cognitieve controle geplaatst

Hibscher & Herman: deze mensen gaan juist extra veel eten wanneer de cognitieve barrière wegvalt


Getraind om in bepaalde situatie/ op bepaald moment te eten  zullen dit blijven doen zelfs zonder honger hebben

Mensen: eetgedrag w bepaald door vermijden v honger niet aanvullen v een tekort aan voedsel

De Castro: het belang v gewoonten neemt toe naarmate een persoon ouder wordt
Cognitieve controle op eetgedrag in huidige maatschappij doet geen afbreuk aan evolutionair homeostase principe:

Evolutieperspectief: neiging veel eten bij overdadig aanbod  overlevingskansen (vetreserve voor moeilijke tijden)

 cognitieve controle nodig in moderne samenleving met overvloedig aanbod aan gevarieerde levensmiddelen
Greeno & Wing: mensen eten om gevoelens v angst of depressie te ontvluchten of om de tijd te verdrijgen

Omdat: lichamelijke signalen die met emoties gepaard gaan w onterecht geïnterpreteerd als hongersignalen




  • Sociaal-culturele invloeden

Eten doen we meestal in groep  meeste mensen hebben neiging meer te eten als anderen mee eten

De Castro & De Castro: aanwezigheid andere personen is belangrijkere factor dan behoefte aan energie in h lichaam

om te bepalen hoeveel men at. (vooral meer eten wanneer disgenoten veel eten)

Andere sociale invloeden: grootte porties (grotere porties = meer eten)

Eetsnelheid in d cultuur (trager eten = verzadigingsgevoel w vroeger ervaren)

Rozin: grotere porties & eetsnelheid = reden voor meer zwaarlijvigheid in de VS dan in Frankrijk


Seks
Evolutionair standpunt: seksueel gedrag is NIET interessant!! (kenmerken die kans op voortplanting verkleinen):

  • Grote hoeveelheden tijd & energie gaan verloren in het vinden van een geschikte partner

  • Het moment v geslachtsgemeenschap is een moment v verhoogde kwetsbaarheid

  • Geslachtsgemeenschap verhoogt de verspreiding van levensbedreigende bacteriën en virussen

  • Seksualiteit bij veel diersoorten gepaard met frustratie& agressie (vooral bij mannen) door ontbreken ve partner

  • Het zou veel makkelijker zijn de genen op een aseksuele manier door te geven aan de volgende generatie

MAAR: de nadelen wegen niet op tegen de voordelen die verbonden zijn aan de genetische diversiteit die

gepaard gaat met seksuele reproductie.


Genetische diversiteit  soort gemakkelijker aanpassen aan veranderende omstandigheden: altijd aantal individuen

die juiste genetische combinatie hebben om specifieke toestand aan te kunnen.

Seksualiteit is in de 1e plaats een biologische motivatie, maar ook cultuur en leerervaringen hebben een invloed.


  • Hormonen en seksueel gedrag

Geslachtshormonen: vrouwelijke hormonen oestrogeen & progesteron en mannelijk hormoon testosteron

Zowel mannen als vrouwen produceren beide types maar man: 10x meer testosteron en vrouw 10x meer oestrogeen

Hormonen  sterker effect op G dieren dan G mensen (effect testosteron grootst bij prenatale toediening)

Baumeister: menselijk seksueel gedrag houdt waarschijnlijk ook verband met h niveau van de mannelijke hormonen

Effecten testosteron toediening vooral bij lage niveaus (geen gevolgen meer vanaf bepaald drempelwaarde)

Invloed testosteron = verklaring waarom mannen op allerlei maten v seksueel verlangen hoger scoren dan vrouwen
Bij vrouwen, naast testosteron is ook oestrogeen belangrijk  gecombineerde therapie is het effectiefste

Belang hormonenniveau bij vrouwen: ze gaan meer tot seksualiteit over tussen 2 menstruaties

= moment vd grootste vruchtbaarheid en hoogste oestrogeen en testosteron gehalte

Pillsworth: vrouwen verhoogde interesse voor andere seksuele partners (vooral bij ontevredenheid in eigen relatie)

Gangestad: meer bezitterig en jaloers gedrag bij hun eigen partner
Coolidge effect: meeste mannelijke dieren w opgewonden door aanwezigheid nieuwe partner. Na gemeenschap

brengt introductie andere partner meestal snellere hernieuwde activiteit teweeg.


Effect v geslachtshormonen op niet-seksueel gedrag: heteroseksuele mannen beter in taken over ruimtelijke kennis

Heteroseksuele vrouwen beter in taken voor verbale vlotheid

Kimura: oorzaak is h verschil in hormonenbad waarin d hersenen v mannen en vrouwen zich bevinden

Hampson: dit blijkt ook uit prestatiefluctuaties bij vrouwen afhankelijk van hun menstruele cyclus


Testosteron gehalte bij mannen op h noordelijk halfrond hoger in d herfst dan in d lente

  • Dit was vroeger het beste seizoen om nakomelingen te verwekken




  • Sociaal-culturele factoren

Onderzoek welke variabelen effect hebben op seksueel G  meestal enkel vragenlijsten en interviews

Problemen: representativiteit van de steekproef en sociale wenselijkheid


  • Het Kingsey-rapport

Alfred Kinsey: eerste grote wetenschappelijke opiniepeiling over seksualiteit (1950)

  • Veel ophef: ondervraagden gaven grotere frequentie & verscheidenheid aan seksuele omgang als verwacht

o.a. vaststelling dat koppels v 20 jaar gemiddeld 3 keer per week geslachtsgemeenschap hebben (ook in studie durex)

MAAR: Glorieux: anoniem dagboek over alle activiteiten tijdens een week  0,5 keer per week!!


Discrepantie interpreteren: cijfers v Kinsey te hoog  geen representatieve steekproef vd bevolking

Cijfers v Glorieux te laag  niet elke seksuele activiteit nauwgezet vermeld

Bernstein: onderzoek met representatieve steekproef en vermeiden van onjuiste antwoorden  1 keer per week


  • Homoseksualiteit en biseksualiteit




  • Homoseksualiteit

Alle culturen: heteroseksualiteit meest voorkomende seksuele voorkeur + evidentie voor bestaan homoseksualiteit

Schatting v voorkomen v homoseksualiteit verschilt afhankelijk vd definitie en d tijdsperiode:



  • Hoger percentage bij vraag of pp ooit al eens geslachtsgemeenschap hebben gehad met iemand v zelfde geslacht

  • Homoseksualiteit = ooit seksuele gevoelens gehad voor iemand v zelfde geslacht  boven 20%

  • Tijdens het afgelopen jaar seks gehad met iemand vh zelfde geslacht  1-3%

Bv. Stanfort: seksuele geaardheid obv gerapporteerde seksuele gedrag in het voorbije jaar  2,8%

Homoseksualiteit heeft altijd bestaan alleen de reactie erop verschilde sterk van cultuur tot cultuur

Oudheid: homoseksualiteit maakte deel uit van het mannelijke bestaan

21ste eeuw: veel culturen laten homoseksualiteit toe

Huidige samenleving: homoseksuele relaties zijn wettelijke toegestaan, maar nog steeds veel vooroordelen

Stanford: stress die daarmee samen gaat is reden waarom homoseksuelen vaker psychische problemen rapporteren




  • Oorsprong van homoseksualiteit

Zoals bij alle psychologische eigenschappen: zowel biologische als cognitieve en sociaal-culturele factoren een rol

Concordantiegraad bij eeneiige tweelingen  aanwijzing voor biologische en omgevingsfactoren



  • Kans homoseksualiteit is groter maar niet 100% zoals men zou verwachten als de oorzaak enkel genetisch was

Genetische verschillen tussen homoseksuele en heteroseksuele personen: wellicht 1 verschillend gen op X-chrom

Hormonenspiegel in d baarmoeder: mannelijke foetussen met te weinig blootstelling aan mannelijke hormonen

= verhoogde kans op homoseksualiteit

Garrett: anatomische verschillen  in d kern vd hypothalamus of in structuren dicht bij d hypothalamus



  • Grootte vd structuur bij homoseksuele mannen lijkt meer op die van heteroseksuele vrouwen

Moeilijker om cognitieve en sociaal-culturele invloeden te duiden die d uiting vd biologische aanleg beïnvloeden

Blanchard: kans op homoseksualiteit bij mannen neemt toe naarmate zij meer oudere broers hebben


  • Moeder ontwikkelt antistoffen telkens als ze een mannelijke foetus draagt. Mannelijke ontwikkeling wordt meer en meer afgeremd naarmate de moeder een groter aantal zonen gedragen heeft

  • Mannelijke homoseksualiteit zal dus meer voorkomen in culturen met grotere gezinnen




  • Biseksualiteit

Rahman & Wilson: meer biseksualiteit bij vrouwen. Mannen vallen meer of in de ene of in de andere categorie

Baumeister: vrouwen zijn flexibeler in hun seksualiteit en meer geneigd om zich aan te passen

Chivers: vrouwen weinig uitgesproken voorkeurpatronen; geen verschillen in toename lichamelijke opwinding bij

pornografische filmfragmenten afh vd seksuele oriëntatie vd proefpersoon  seksualiteit ve vrouw is

minder stimulus specifiek als die ve man (verklaring voor meer vrouwelijke biseksualiteit)

Diamond: vrouwen hechten meer belang aan d ruimere kwaliteit ve intieme relatie

Rieger: biseksuele mannen: volgens penisvolume meeste zeer sterke opgewonden v filmfragmenten met 2 mannen &

mindere mate v 2 vrouwen  mannen vallen meer in de ene of d andere categorie


Prestatiemotivatie
Prestatiemotivatie = motivatie om iets te verwezenlijken en dit goed te doen.

Studiemotivatie = motivatie om aan een studie te beginnen en die tot een goed einde te brengen (Covington)




  • De verschillende componenten van prestatiemotivatie




  • Prestatiemotivatie op basis van behoeften

David McClelland: 1e belangrijke theorie over prestatiemotivatie

  • Gebaseerd op behoeften; prestaties zijn het resultaat v emotioneel conflict tussen streven naar succes en vermijden v mislukking. Mensen worden gekenmerkt door een combinatie van prestatiedrang en faalangst

Prestatiedrang = behoefte om iets te verwezenlijken en dit goed te doen; relatief stabiele persoonlijkheidstrek

Bereiken v uitmuntendheid geeft aangename gevoelens die h prestatiegedrag bekrachtigen

Prestaties zijn niet altijd succesvol  onaangename gevoelens die men probeert te vermijden = Faalangst

Faalangst = angst die voorkomt uit schaamte die men voelt bij een mislukking; relatief stabiele persoonlijkheidstrek

Door die faalangst gaan mensen situaties vermijden die tot een mislukking kunnen leiden.


  • De balans tussen prestatiedrang en faalangst bepaalt d richting & intensiteit vd prestaties




  • Prestatiemotivatie op basis van doelen

Inzichten van McClelland: belangrijke reden waarom onderzoekers overgestapt zijn op een doelgericht denkkader

Prestatiedrang  beter omschreven vanuit doelen die personen aantrekken& afstoten dan vanuit innerlijke behoeften

Grootte prestatiedrang  bepaald door d waarde vh doel voor d persoon + verwachting om h doel te bereiken

Mate v faalangst  afh v sterkte vd negatieve gevolgen bij mislukking en verwachtte kans dat doel niet bereikt zal w

Theorie v McClelland beperkt zich tot intrinsieke motivatie voor d doelen die een individu zichzelf stelt
Elliot: volgens doel gebaseerde theorieën wordt prestatiemotivatie bepaald door:


  • Taakmotivatie: men wil de activiteit toe een goed einde brengen, het taakdoel bereiken

Komt min of meer overeen met de prestatiedrang van McClelland en intrinsieke motivatie

Hechten een hoge positieve waarde aan h beheersen vd competenties en achten zich daar ook toe in staat



  • Egodoelen: gericht op prestatieniveau & positie tov ander (sterke egodoelen: veel belang aan indruk op anderen)

 positieve egodoelen lokken toenadering uit (het beter doen dan anderen)

 negatieve egodoelen induceren vermijding (bang voor negatieve beoordeling) = faalangst v McClelland

Negatieve egodoelen belangrijker dan taakdoelen en positieve egodoelen  prestatiedoelen stellen die beneden hun capaciteiten liggen ofwel ver er boven (= voor iedereen onbereikbaar dus niet echt bedreigend)

Zelf-handicappen = aan faalangst te ontsnappen  Poging gevolgen falen voor zichzelf te minimaliseren & gevolgen

succes maximaliseren door externe factoren in te roepen.


  • Prestatiemotivatie wordt geleerd

McClelland: prestatiedrang en faalangst geleerd obv d opvoeding en ervaringen die ze tijdens hun leven meemaken

Binnen doelgerichte visies over prestatiemotivatie: de waarden vd doelen en d verwachtingen om d doelen te

bereiken komen grotendeels tot stand obv een leerproces




  • Evidentie dat prestatiemotivatie geleerd wordt

Ouders hebben invloed op de prestatiemotivatie van hun kinderen:

  • Mate stimulatie thuis  Van Doorninck: meerderheid kinderen uit stimulerende gezinnen deden goed op school

  • Opvoedingsstijl  Ng: type opvoeding heeft weinig effect bij kinderen die het goed doen op school

Bij kinderen die minder goed deden: controlerende opvoeding zorgt voor mindere resultaten

  • Geloof vd ouders in vaardigheden van hun kinderen  Pearson: verwachtingen & overtuigingen ouders hebben

invloed op hoe kinderen tegen eigen competentie aankijken


  • Hoe de taakmotivatie en de aantrekking door positieve egodoelen verworven worden

Leren houden v uitdagende activiteiten: bij opvoeding leren dat succesvol uitvoeren uitdagende activiteiten samen gaat met positieve stimuli  vormen bekrachtiging, zorgt dat kind G opnieuw stelt. Na tijd verminderen d positieve reacties, opnieuw bekrachtiging te krijgen moet kind grotere uitdagingen aangaan. Ouders vormen hun kind om naar iets groters te streven (= vorming via successieve benadering). Na tijd verkrijging zelfbeloning door voldoening die men haalt uit succesvol afwerken taak. Uiteindelijk associaties tussen positieve gevoelens & uitdagingen.
Bandura: Zelfregulatie = proces waarbij iemand zich doelen stelt & zichzelf beloont bij het bereiken v die doelen

= efficiënte manier om jezelf te motiveren (beloning afhankelijk maken van de prestatie)

Zelfregulatie werkt het beste door:


  • Tastbare beloningen te gebruiken, zo wordt een hoger prestatieniveau bereikt

  • Met expliciete korte termijn doelen te werken (mogelijk om te slagen en voldoening te ervaren)

  • Realistische doelen te stellen die een goede kans van slagen hebben

Het is moeilijk capaciteiten accuraat te schatten in onbekende situaties  onzeker over prestaties nieuwe omgeving

Bepalen haalbare doelen  ook rekening houden met omstandigheden waaronder gewerkt zal moeten worden




  • Hoe het vermijden van negatieve egodoelen (faalangst) verworven wordt

Faalangst wordt op nagenoeg dezelfde manier verworven als taakmotivatie:

Na herhaaldelijk onaangename ervaringen door mislukking  persoon leert activiteit met –ervaringen te associëren

Steeds minder geneigd activiteit uit te voeren + vertonen v ontsnappingsgedrag als het toch moet

Diener & Dweck: ontstaan faalangst ook afhankelijk van hoe iemand tegen mislukking aankijkt

 gevoel van hulpeloosheid, weten mislukking aan eigen tekorten & gaven op

 relatief opgewekt, verschillende strategieën uitproberen en zichzelf moed inspreken

Elliott & Dweck: kinderen die snel opgeven streven egodoelen na (willen positieve beoordeling door anderen)

Kinderen die bij moeilijkheden verhoogde interesse tonen streven taakdoelen na

Mislukking is geen bedreiging maar een uitdaging om extra inspanningen te leveren


  • Mensen interpreteren een mislukking als een egodoel wanneer ze denken dat deze onveranderbaar is

Wanneer ze een mislukking wijten aan een veranderbare eigenschap zullen ze die als een taakdoel interpreteren
Andere reden voor overdreven faalangst heeft ook te maken met d perceptie van een mislukking

 angst voor niet-vertrouwde activiteiten omdat ze een catastrofale visie hebben over gevolgen ve mislukking

 angst dat iets als een mislukking gezien zal worden en blijven te lang met een activiteit bezig (perfectionisme)

= invaliderende interpretaties

Concentratie op taakdoelen  meer doorzettingsvermogen en minder paniekreacties als het niet direct lukt
Wat is emotie?
Emoties zijn belangrijk bij motivaties  die wisselwerking verhoogt de overlevingskans = reden ontstaan emoties

Positieve gevoelens= bekrachtiger en zetten ons aan tot activiteiten die goed voor ons zijn + doorgeven n volgende 3 aspecten in een emotie: generatie



  • De evaluatie vd stimulus (= cognitieve beoordeling)

  • Een respons (fysiologische opwinding, gezichtsuitdrukking, bepaald G)

  • Een subjectieve ervaring

Emotie = een reactie op een stimulus die bestaat uit een fysiologische opwinding en gepaard gaat met een evaluatie

van de stimulus, een gezichtsuitdrukking en een subjectieve ervaring.




Vorm van operante conditionering


Emotie die ermee gepaard gaat

Functie van de emotie

Positieve bekrachtiging


Hoop

Doorgaan met het gedrag

Negatieve bekrachtiging


Opluchting

Doorgaan met het gedrag

Positieve straf


Angst

Stoppen met het gedrag

Negatieve straf


Teleurstelling

Stoppen met het gedrag


De lichamelijke component van emoties
Emoties zijn heviger dan denkprocessen  omdat ze gepaard gaan met lichamelijke veranderingen


  • De gezichtsuitdrukkingen van emoties




  • Universele uitdrukkingen en culturele uitingsregelshttp://ageszagen.files.wordpress.com/2011/07/universele-expressie-trekken-van-zes-basisemoties.jpg?w=480

Charles Darwin: expressie v emoties komt tot stand obv evolutieprincipes (beschreven in the origin of species)

2 bewijsgronden om de stelling te staven:



  • Duidelijke overeenkomst emotionele uitdrukking bij mensen en dieren

  • Alle mensen gebruiken dezelfde emotionele expressies

Overlevingsvoordelen v soorten emoties kunnen uitdrukken (waarschuwen voor gevaar, hiërarchie opbouwen)

Argumenten v Darwin werden tijdens d 1e helft vd 20ste eeuw ter discussie gesteld:



  • Opkomst behaviorisme  alle G verworven door leren, geen plaats voor aangeboren eigenschappen

  • Vanuit maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel: the origin of species had tot geleid tot sociaal-darwinisme

Sociaal-Darwinisme = niet nodig maatschappij te veranderen, de genetisch sterkste zou toch overleven

 opkomst van de eugenetica = overtuiging dat men een beter ras kon genereren dmv selectieve voortplanting

en uitsluiting v inferieure individuen

(sterk verzet door sociaalwetenschappers tegen deze stromingen)

Paul Ekman: kunnen gezichtsuitdrukkingen v patiënten gebruikt w om klinische vooruitgang in therapie te meten?

Onderzoek v Birdwhistell over basisemoties. MAAR: geen wetenschappelijke ondersteuning!!!



  • Volledig nieuw wet. Onderzoek: meeste mensen gaven dezelfde emoties bij de foto’s

MAAR: onderzochte personen hadden contact met westerse wereld  uitdrukkingen geleerd

  • Ongeletterde stam in Nieuw-Guinea: ondanks isolatie toch dezelfde emoties bij foto’s

Andere evidentie dat uitdrukkingen van emoties aangeboren is



  • Blind geboren kinderen glimlachen wanneer ze zich goed voelen, ondanks het feit dat ze deze uitdrukking nooit bij iemand anders geobserveerd hebben.

Ekman: 6 emoties door meerderheid mensen herkend (woede, angst, walging, verassing, blijheid, droefheid)

= Primaire emoties (duidelijkste evidentie voor universele gezichtsuitdrukkingen bij blijheid)

Duchenne: 2 soorten glimlachen  authentieke en gespeelde glimlach (authentiek circulaire oogspier trekt samen)

Fox & Davidson: verschil treedt al op bij baby’s van 10 maanden (authentiek als moeder dichtbij komt)
Culturele uitingsregels: culturele verschillen in de regels over welke emoties men mag vertonen in bepaalde situaties

Ekman & Friessen: Amerikaanse & Japanse studenten vertonen zelfde emoties wanneer ze alleen naar film kijken

Japanse studenten vertonen geen emoties meer wanneer de proefleider er bij zit


  • Door culturele uitingsregels kunnen individuen uit verschillende culturen elkaar verkeerd begrijpen, ook al is de communicatie zelf gebaseerd op universele gezichtsuitdrukkingen




  • Gezichtsuitdrukkingen van emoties herkennen

Gevoelens kenbaar maken aan anderen  noodzakelijk dat de ander de emoties ook herkend

Elfenbein & Ambady: herkennen emotionele gezichtsuitdrukkingen beter bij mensen v hun eigen etnische groep

Calder: ouderen zijn slechter in het herkennen v emotionele gezichtsuitdrukkingen (angst & woede)


  • Aftakeling hersenstructuren die betrokken zijn bij d herkenning v deze emoties

Kohler: schizofrenie, autisme, depressie & Alzheimer  moeilijkere herkenning v emoties

Vrouwen zijn beter in het herkennen v emoties op gezichten als mannen




  • De hypothese over de gezichtsfeedback

Hypothese over de gezichtsfeedback: de emotionele ervaring van een persoon wordt verzwakt of versterkt door de

bijbehorende spieractiviteit in het gezicht.

Schnall & Laird: pp die speelden dat ze blij waren schreven meer vreugdevolle herinneringen op

Starck: pp die markeerstift met hun tanden vasthielden (stimulering lachspieren) vonden d cartoons beduidend leuker

Van Swearingen: belemmering glimlach door verlamming= betere predictor v depressie als totale verlammingsgraad

Wild: mensen worden blijer wanneer ze glimlachende foto’s moeten beoordelen (spiegelneuronen)

= versterken v emoties obv gezichtsuitdrukkingen. Onderdrukken gezichtsuitdrukkingen leidt niet altijd tot vermindering emoties (soms zelfs tot een grotere fysiologische opwinding, vooral bij negatieve emoties)


  • De rol van het sympathische zenuwstelsel

Gezichtsuitdrukkingen spelen een belangrijke rol bij emoties, maar kunnen niet beschouwd worden als de enige bron

(veel mensen hebben geen moeite om emoties uit te drukken die ze niet voelen)


  • De bijdrage van het sympathische zenuwstelsel tot emoties

Emoties gaan gepaard met fysiologische opwinding (arousal) die tot stand komt obv het autonome zenuwstelsel

Autonome zenuwstelsel  sympathische zenuwstelsel: actief tijdens sterke emoties en stresssituaties



  • verhoogde hartslag en bloeddruk, hartkloppingen, inhibitie vd speekselklieren en zweetsecretie

 Parasympatische zenuwstelsel: actief tijdens momenten van ontspanning en rust

Registreren door hartslag, bloeddruk en huidgeleiding te meten = principe leugendetector

Detecteert geen leugens, enkel fysiologische reactie bij emoties

= probleem bij psychopaten (verlaagde activiteit in het sympathische zenuwstelsel)  niet betrapt!!

Techniek leugendetector: kritische vragen afgewisseld met ook enigszins verontrustende controle vragen

(beide vragen even bedreigend voor onschuldig persoon, maar verschil voor de schuldige)

Probleem: groot aantal valse positieven  niet bruikbaar voor praktische doeleinden!!
Guilty knowledge test: iets betere resultaten

Verdachte onschuldig  bij alle stimuli zelfde reactie vertonen. Iemand die weet vh moord-

wapen zal verschillend reageren bij relevante stimulus  lokt herkenningsrespons uit

Positief signaal is goede (maar geen onomstotelijke) evidentie dat d verdachte schuldig is Meerdere bewijsstukken

Negatief signaal is moeilijk te interpreteren (pleit een kwart van de schuldigen vrij) = betere resultaten


  • Is de fysiologische opwinding emotiespecifiek?

Paul: Patroon lichamelijke veranderingen tgv emoties is niet specifiek genoeg om emotie te identificeren

Recente discussie: mogelijk emoties te bestuderen door te kijken naar de geactiveerde hersendelen bij een stimulus?

Phan: amygdala wordt heel actief bij h waarnemen v bedreigende stimuli

Hamann: verhoogde activiteit in amygdala bij mannen die naar naakte vrouwen of lekker voedsel keken

Sinclair: gedragsevidentie wijst er op dat d lichamelijke component & hersenactiviteit v emoties niet zo eenduidig is

Pp wezen lichamelijke opwinding toe aan gevoelens die door h onderstrepen vd woorden geïnduceerd weren

White & Kight: pp die 2min liepen vonden de medestudente aantrekkelijker dan d pp die maar 5s gelopen hadden


  • Mensen schrijven de oorsprong van hun opwinding soms toe aan een verkeerde bron.

Fysiologische opwinding is dus niet erg emotiespecifiek.


  • Is fysiologische opwinding noodzakelijk voor emoties?

Emoties sterker ervaren als samen gaan met fysiologische opwinding, ook als opwinding verkeerd geïnterpreteerd w.

Hohmann: patiënten met letsel aan ruggengraat, sympathische ZS grotendeels afgesneden verminderde emoties

Nicotra: patiënten met letsel aan ruggengraat: vertonen verwachte hersenactiviteit ten gevolge van emotie (angst),

maar in mindere mate + niet onder alle omstandigheden



  • Fysiologische opwinding draagt bij tot d intensiteit v emoties maar is niet noodzakelijk. Ze is ook niet gedifferentieerd genoeg om de precieze emotie te signaleren

Laatste component v emoties: cognitieve processen die nodig zijn om stimulus te beoordelen en d subjectieve

ervaring ve specifieke emotie te hebben.


Staan emoties onder cognitieve controle?
Psychologen: vraag of cognities nodig zijn om emoties te hebben of niet?

Recentelijk overeenstemming door aanvaarding v onbewuste cognitieve processen bij emotionele reactie op stimulus




  • Drie verschillende theorieën


De James-Lange-Theorie:


Emotie

(Angst)


Stimulus

(Bang!)


Specifiek patroon v lichamelijke opwinding (bv hartkloppingen)

Reflexmatige lichamelijke reactie



Lichamelijke reactie

(snellere hartslag)


De Cannon-Bard-Theorie:


Stimulus

(Bang!)


Reflexmatige lichamelijke reactie

Gelijktijdige lichamelijke




Specifieke emotie gevoeld (Angst)
reactie en emotionele

beleving



Algemene lichamelijke opwinding

(snellere hartslag)


De theorie van de cognitieve beoordeling:


Stimulus

(Bang!)


Reflexmatige lichamelijke reactie

Beoordeling van de stimulus
Gelijktijdige

lichamelijke




Specifieke emotie gevoeld (Angst)
reactie en

emotionele

beleving
Allereerste theorieën: emoties komen tot stand zonder tussenkomst van de rede (cognities)
William James en Carl Lange: James-Lange-Theorie: stimuli uit omgeving lokken automatisch een lichamelijke

reactie uit, naderhand door hersenen als emotie ervaren

Reactie reflexmatig uitgelokt door stimulus, leidt tot adrenalinestoot in je bloed  vechten of vluchten.

Daarna neem je een lichamelijke verandering waar en ervaar je een gevoel van angst



  • Geen emotie zonder lichamelijke opwinding

Kritiek: reacties lichaam niet snel en niet gedifferentieerd genoeg om te weten of je moet weglopen v stimulus of niet

Mensen ingespoten met adrenaline  enkel lichamelijke symptomen, geen emoties

Veranderingen sympathisch ZS treden maar 1-2s op  vertraging is in strijd met basissequentie vd theorie
Walter Cannon en Philip Bard: Cannon-Bard-theorie: een emotie-opwekkende situatie stimuleert gelijktijdig het

sympathische ZS dat zorgt voor d lichamelijke opwinding, en

d hersenen die zorgen voor d emotionele beleving.
Beginjaren cognitieve psychologie: emoties kunnen niet tot stand komen zonder cognitieve beoordeling vd stimulus

Theorie vd cognitieve beoordeling: 1e stap in een emotionele sequentie is d cognitieve beoordeling vd situatie

Pas daarna kan fysiologische opwinding voorkomen

Cognitieve beoordeling: beslissen of gepercipieerde gebeurtenis gevolgen heeft voor pers welzijn, en welke.

Richard Lazarus: fysiologische opwinding veel groter bij gruwelijke film die ‘echt gebeurd’ is


  • Rationalisme kan de emotionele respons op een stimulus dus onderdrukken




  • Onbewuste processen bij de stimulusbeoordeling

Alle theorieën bevatten een kern van waarheid:

James&Lange: mensen hun emoties gedeeltelijk aflezen door te reageren op lichamelijke veranderingen.

Cannon&Bard: 2 onafhankelijke routes, een bewuste en een die emoties oproept buiten het bewustzijn

Lazarus: naast fysiologische opwinding ook cognitieve interpretatie nodig voor beoordelen stimulus & duiden emotie
Bevinding dat cognitieve processen onbewust gebeuren (cognitieve beoordeling moet niet bewust gebeuren)

Murphy & Zajonc: pp vonden chinese karakters mooier als ze vooraf gingen door een lachend gezicht

(gezicht werd maar gedurende zeer beperkte tijd getoond  onbewuste waarneming)


  • Emotie primeert op cognitie (zelfde conclusie als bij de James-Lange-theorie)

Verdere evidentie: Amygdala reageert hevig bij kwade gezichten/ stemmen  directe route evolutionair belangrijke

stimuli naar subcorticale structuren (onder cortex liggen). Activatie gebeurt buiten bewustzijn en

is aangeboren of komt tot stand obv klassieke conditionering.

MAAR: onderschatting cognitieve processen  amygdala reageert niet alleen op stimuli waarvoor men vanuit

evolutionair perspectief een schrikreactie kan verwachten

Naccache: ook op onbewust getoonde woorden zoals gevaar


  • Onbewuste cognitieve verwerking kan gebeuren voordat de amygdala geactiveerd wordt

Zelfde conclusie als bij de theorie vd cognitieve beoordeling (MAAR: niet bewust v stimulusbeoordeling)
Sterkste evidentie voor bestaan v 2 verschillende herkenningsroutes kwam uit het onderzoek naar gezichtsherkenning

Prosopagnosie: geen herkenning gezichten door hersenletsel (voor de rest normaal functioneren)

Tranel & Damasio: verhoogde huidreactie bij foto ve vertrouwde persoon maar geen bewuste herkenning


  • Emotionele route buiten het bewustzijn om

Capgraswaan: vertrouwde mensen lijken hun vertrouwdheid verloren te hebben en vervangen door dubbelgangers

Herkenning vd mensen uit zijn omgeving maar niet langer d ervaring ve vertrouwd gevoel



  • De onbewuste emotionele herkenningsroute is vernield.




  • Cognities beïnvloeden de subjectieve ervaring

Stimuli kunnen onbewust emoties opwekken (eenvoudige + of – emoties die aantrekking of afstoting induceren)

Snelle categorisatie van goed vs slecht is van levensbelang en berust op eenvoudige principes
Andere emoties: ingewikkelder niet zonder cognities (cognitieve voorstelling niet-gebeurde acties/gevolgen nodig)

Soms is het beter automatische reacties te onderdrukken en vervangen door acties die beter passen bij de situatie

Sociaal-culturele regels vereisen soms dat we G stellen dat niet in overeenstemming is met onze spontane emoties

Gross: 2 manieren waarop cognities automatisch uitgelokte emoties kunnen regelen:



  • Gericht op veranderen vd gedragsmatige reacties op emotie-uitlokkende stimuli = onderdrukking

  • Reduceren emoties door betekenis ve stimulus te veranderen of te focussen op 1 aspect situatie = herbeoordeling

Sommige mensen maken frequent gebruik van onderdrukking en andere van herbeoordeling

  • Vragenlijst om deze verschillen te meten (Emotion Regulaton Questionnaire)

Personen die veel gebruik maken van onderdrukking  over het algemeen minder positieve gevoelens

Personen die veel gebruik maken van herbeoordeling  meer positieve gevoelens en minder negatieve gevoelens



  • Herbeoordeling is een gezondere manier om met emoties om te gaan dan onderdrukking

In sommige gevallen zullen cognities de gevoelens juist versterken (kwader naarmate je er meer over nadenkt)



  • Wisselwerking tussen emoties en cognities: cognities hebben een versterkende invloed op de emoties en de

emoties hebben ook een invloed op de cognities.


  • Invloed van emoties op cognities

Soorten invloed die emoties kunnen hebben op cognities:



  • Mensen zijn geneigd herinneringen op te halen die in overeenstemming zijn met hun gevoelens

Teasdale: een vd redenen waarom mensen in een depressie verzeild raken (= vicieuze cirkel)

  • Mensen besteden meer aandacht aan stimuli die aansluiten bij hun gevoelens

MacLeod: angstige proefpersonen reageren sneller op stip als die op plaats angst gerelateerde woord verscheen

 aandacht angstige proefpersonen wordt langer vastgehouden door angst gerelateerde woorden



  • Personen zijn geneigd dubbelzinnige stimuli te interpreteren in overeenstemming met hun gevoelens

Niedenthal: proefpersonen percipiëren neutrale gezichtsuitdrukking meer als bij kijkend wanneer ze in een blije

stemming gebracht worden (zelfde effecten bij dubbelzinnige woorden: Eysenck)


De neurowetenschap van emoties
Veel gebieden in hersenen spelen een rol bij emoties. De belangrijkste zijn (gebaseerd op Banich):




  • Het limbische systeem

Belangrijkste structuren uit h limbische systeem in verband met emoties: amygdala, hippocampus en gyrus cinguli




  • De amygdala: angst en emotioneel leren

Bilaterale vernietiging van de amygdala:

Letsel dat zowel linker als rechter amygdala vernietigt: moeite emotionele info te verwerken en ervan te leren

 ook niet meer mogelijk automatische schrikreacties te leren op neutrale stimuli door klassieke conditionering

Ze kunnen wel nog op een bewust niveau leren.

 ook moeite met toenaderingsgevoelens (meer vertrouwen in onbekende personen als neurologische intacte p)
LeDoux: amygdala heeft centrale rol in oproepen emotionele reacties en ontvangt info uit 2 routes:


  • Vanuit de primaire sensorische gebieden (primaire visuele, auditieve en somatosensorische cortex)

 Mogelijk snelle emotionele toenaderings- en vermijdingsreacties te hebben op biologisch belangrijke stimuli

Reacties zijn aangeboren of geleerd via klassieke conditionering (= beschadigde route bij capgraswaan)



  • Rechtstreeks vanuit de thalamus, het tussenstation tussen de zintuigen en d primaire sensorische gebieden

 deze route loopt over de cortex: mogelijk op stimulus te reageren obv cognitieve beoordeling

LeDoux: bewuste route bij emoties (MAAR: functioneert waarschijnlijk ook zonder tussenkomst bewustzijn)

Amygdala ontvang info op onbewust niveau  verklaring waarom emoties niet altijd vrijwillig te stoppen zijn


  • Info uit amygdala wordt doorgestuurd naar hypothalamus: zorgt voor initiatie vd reactie in sympathische ZS




  • De hippocampus: emoties in hun context plaatsen

Emoties = meer dan automatische/instinctieve reacties  goed in verbanden leggen tsn contexten& ervaring emoties

Het leggen v verbanden tussen emoties en contexten gebeurt grotendeels in de hippocampus




  • De gyrus cinguli: de interface tussen emotie en cognitie

Gyrus cinguli ligt als een gorden rond het corpus callosum. Functie is verbonden met de subcorticale emotiecentra

 Daarom beschouwd als onderdeel limbische systeem

Letsel aan voorkant gyrus cinguli (de anterior cingulate)  emotionele gevolgen zoals apathie, emotionele labiliteit

en persoonlijkheidsveranderingen.

Speelt een rol bij het voelen van pijn en is samen met de frontale lobben betrokken bij het detecteren van fouten


  • Gebieden in de cortex

Limbische systeem: snelle, eenvoudige, emotionele reacties op stimuli

MAAR: emotionele gedragingen zijn meestal gecompliceerder (bv. Zal bepaald G op lange termijn voordeel zijn?)

Voor complexere emotionele gedragingen hebben we de cortex nodig:



  • De orbitofrontale cortex

  • De dorsolaterale prefrontale cortex Er bestaan uitgebreide verbindingen tussen deze gebieden in de hersen-

  • Een stuk van de pariëtale cortex schors en de limbische structuren

  • De orbitofrontale cortex: adequaat reageren op complexe beloningen en straffen

Schade orbitofrontale cortex  problemen om gevolgen v G op lange termijn te schatten + leren niet v mislukkingen

Last met situatie waar belongingskans verandert: blijven bij wat eerst geleerd werd

Voor de rest intellectueel normaal functioneren, maar verregaande gevolgen in dagelijkse leven

Omdat men in veel situaties de onmiddellijke reactie moet onderdrukken wegens de gevolgen op lange termijn




  • De dorsame prefrontale cortex: gevoelens integreren binnen de doelstellingen die men nastreeft

Dorsolaterale prefrontale cortex = controlecentrum voor doelgericht gedrag

+ & – emoties belangrijke rol bij kiezen doelstellingen  communicatie tussen dit centrum& andere emotiecentra

Emoties en cognities worden hier samengebracht om te bepalen hoe men zich zal gedragen
Letselstudies: er is een asymmetrie tussen de dorslolaterale prefrontale cortex in de linker en rechter hersenhelft


  • Letsel aan de linkerkant  depressieve stemming en vaak huilerig

  • Letsel aan de rechterkant  constant opgewekt zelfs als dit ongepast is + niet bewust van hun letsel

  • Linker hemisfeer is vooral verantwoordelijk voor de verwerking van positieve stimuli. Rechter hemisfeer is gespecialiseerd in het omgaan met negatieve stimuli



  • De pariëtale cortex: gevoelens verstaan

Deel van de pariëtale cortex is actief bij het percipiëren, begrijpen en onthouden van emotioneel belangrijke info

Andere functies die ook door dit gebied beïnvloed worden: de emotionele toon waarop we iets zeggen, het moment waarop we lachen, wanneer het onze beurt is om iets te zeggen en hoe dicht we bij iemand mogen staan.

Voor deze functies werkt de pariëtale lob nauw samen met de orbitofrontale en de dorsolaterale prefrontale cortex.


Terugblik vanuit de 3 invalshoeken

Biologische

Cognitieve

Sociaal-culturele

Motivaties zorgen ervoor dat het lichaam blijft functioneren.

Seksualiteit is nodig voor de voortzetting van de soort.

Mensen krijgen van bij de geboorte een aantal gezichtsuitdrukkingen mee, waardoor ze hun emoties kenbaar kunnen maken en die bij anderen kunnen herkennen.


Cognities spelen zelfs een rol bij sterk biologisch bepaalde motivaties zoals honger: mensen eten meer als het voedsel aantrekkelijk gepresenteerd wordt.

Prestatiemotivatie wordt bijna volledig cognitief bepaald: we motiveren onszelf om te werken door doelen te stellen die we vervolgens proberen te bereiken.

Ook bij emoties spelen cognities een rol, zowel bij de beoordeling van de stimulus als voor het bepalen van de subjectieve ervaring die met de emotie gepaard gaat.

Sommige cognitieve processen spelen zich op een onbewust niveau af.




De mate van prestatiemotivatie die individuen voelen wordt bepaald door de cultuur.

Culturele uitingsregels bepalen welke gevoelens mensen mogen tonen in allerhande sociale situaties.



Zelfs de hoeveelheid voedsel die we zullen eten staat onder invloed van de sociale context.




1 Goal-setting-thorie van Locke heeft 3 belangrijke elementen (3 puntjes in de samenvatting zijn voorwaarden voordat de theorie zal werken):

  1. Motivatie ontstaat doordat een doel aantrekkingskracht heeft

  2. Hoe hoger het doel gesteld wordt hoe beter de prestatie zal zijn (= tegenstrijdig!!)

  3. De prestatie hangt ook af van het engagement dat men aangaat om het doel te bereiken

  • Wanneer er tegenstrijdigheid is bij deze 3 elementen en de voorwaarden in de samenvatting leer dan de voorwaarden in de samenvatting!! (die staan ook in de powerpoint)

  • Hoofdstuk 10: motivatie en emotie
  • Soorten motivatie
  • Prestatiemotivatie
  • Wat is emotie
  • De lichamelijke component van emoties
  • Staan emoties onder cognitieve controle
  • De James-Lange-Theorie
  • De Cannon-Bard-Theorie
  • De theorie van de cognitieve beoordeling
  • De neurowetenschap van emoties

  • Dovnload 143.7 Kb.